Abonneer Log in

Europese vernieuwingsprogramma's voor links

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 4 (april), pagina 20 tot 26

International cooperation is far too important to be left to governments alone, zei Willy Brandt ooit. Dat geldt eveneens voor de internationale samenwerking tussen sociaaldemocraten. Naast de (in de realiteit soms beperkte) contacten tussen Europese sociaaldemocratische partijen is een parallel netwerk van denktanks en studiecentra minstens even belangrijk. Zo organiseerden het Britse Policy Network en de Duitse Friedrich Ebert Stiftung het internationaal colloquium The Future of European Social Democracy (Londen, 7-8 februari). Ook de Stichting Gerrit Kreveld, Bezinnings- en Initiatiefcentrum voor een Sociale Democratie, was aanwezig. Wat voor nieuwe geluiden hoorden we er zoal?

Hoe staat de Europese sociaaldemocratie er voor?

Niet al te goed. Toen Tony Blair in mei 1997 de Britse verkiezingen won, was hij de achtste sociaaldemocratische leider in een EU van 15 lidstaten. Prodi, Blair, Jospin, Schröder: de Europese centrumlinkse partijen surften op een golf van enthousiasme. Tegen 2000 hadden 11 van de 15 Europese lidstaten sociaaldemocratische of centrumlinkse eerste ministers. Vandaag blijven er slechts vier over.1 Dat betekent echter niet dat er geen sociaaldemocraten in de diverse regeringen zitten. Er zijn linkse vertegenwoordigers in regeringen in Nederland en Duitsland (hoewel ze in beide landen de verkiezingen verloren), en ook in Sarkozy’s ‘regering van alle talenten’ zitten ex-socialisten. In de nieuwe EU-lidstaten zijn eveneens sociaaldemocraten aan de macht, onder meer in Bulgarije, Hongarije en Litouwen. Maar ook daar is de situatie niet rooskleurig. Enkel in Hongarije slaagde links erin om herverkozen te worden na een regeerperiode (in Tsjechië verloren de socialisten nipt in februari ll.). Vooral de voorbije jaren kreeg de sociaaldemocratie in Europa rake klappen: verschillende aantrekkelijke leiders, zoals Wouter Bos in Nederland, Helle Thorning-Schmidt in Denemarken en George Papandreou in Griekenland, slaagden er niet in de verkiezingen in hun land te winnen.

Centrumlinks staat in Europa dus niet echt in de gunst van de kiezer. Hoe komt dat toch? Op het eerste gezicht speelt de aanwezigheid van een proportioneel kiesstelsel zeker een rol. Overal waar zulk systeem bestaat, geraken sociaaldemocratische partijen geklemd tussen zowel links als rechts. Sociaaldemocratische partijen verloren aan linkse, socialistische partijen in Denemarken (Socialistisk Folkeparti), Duitsland (Die Linke) en Nederland (SP), maar eveneens aan populistische, uiterst rechtse partijen in Italië (waar de sociaaldemocratische partij zichzelf zelfs ophief en samensmolt met christendemocraten), Oostenrijk, Griekenland en recent zelfs in Zweden. De groei van (extreem) rechts ging gepaard met groeiende anti-immigratie gevoelens in heel Europa. In Groot-Brittannië, waar het colloquium plaatsvond, bestaat dergelijk proportioneel kiessysteem niet waardoor extreemrechts en populistisch links geen voet aan de grond krijgen. Maar het groeiende succes van de British National Party en een verontrustende stijging van het absenteïsme zijn tekenen aan de wand.
Zonder in algemeenheden te willen vervallen, zien we toch enkele structurele redenen voor de terugval van centrumlinks. De achteruitgang van de (macht van de) vakbonden en van de arbeidersklasse in het algemeen is er één van.2 Decennialang haalde de sociaaldemocratie haar legitimiteit uit haar actie voor sociale verbeteringen en rechtvaardigheid, terwijl we nu stilaan in een situatie gekomen zijn waar de nadruk ligt op ‘het behouden van wat er is’. Daarnaast stellen we ook een stijgende ongelijkheid tussen de generaties vast, waarbij jongere generaties werknemers zich niet langer kunnen vinden in dergelijke ‘defensieve’ sociaaldemocratie, waarvan ze het gevoel hebben dat ze hun belangen niet verdedigt. Het gevoel van machteloosheid bij massale afdankingen is hoog. Er is een groeiende ‘insider-outsider’ scheiding op de arbeidsmarkt. In die context zijn veel gedupeerden vatbaar voor anti-globalisme en anti-migratie. Thema’s waarop socialisten sowieso al niet goed scoren.

Het is in deze bijdrage echter niet de bedoeling om ons te verdiepen in de redenen van de achteruitgang van de sociaaldemocratie in Europa. Die discussie is al meermaals gevoerd, en brengt ons geen stap verder. Bovendien zijn er wel degelijk positieve trends die de toekomstperspectieven van een progressieve politiek levendig houden: een algemeen gestegen onderwijsniveau, meer onderwijskansen en een groeiende gendergelijkheid moeten in de toekomst een basis voor links kunnen vormen. In deze bijdrage willen we ons richten op mogelijke sporen die we kunnen volgen om uit de crisis te geraken. Daarbij zullen we ons licht laten schijnen op enkele vernieuwingsprogramma’s uit Groot-Brittannië, Spanje en Duitsland. Misschien kunnen we daaruit interessante elementen halen om de herbronning van het linkse gedachtegoed in eigen land verder vorm te geven.

New Labour

De progressieve Britse denktank Policy Network organiseerde het colloquium The Future of European Social Democracy in de eerste plaats voor binnenlands gebruik: de sociaaldemocratie in Groot-Brittannië ideologisch verder onderbouwen om in 2009 de historische uitdaging van een vierde opeenvolgende New Labour-overwinning te realiseren. Tot spijt van wie het benijdt, New Labour is de meest succesvolle sociaaldemocratische partij in Europa. De hervormingsagenda van Blair wordt er gewoon voortgezet. In de overgang van Blair naar Brown blijkt dan ook meer continuïteit te steken dan aanvankelijk verwacht.3 Het blijft voor Brown en co. zaak om zich inhoudelijk af te zetten tegenover de Conservatieven. Die hebben misschien wel een agenda om verkiezingen te winnen (anti-Europa, anti-immigratie, minimale staat), maar zeker geen agenda voor goed bestuur.

De socio-economische uitdagingen zijn op Europees vlak nochtans overal dezelfde. Patrick Diamond, Brits MP en voormalig directeur van Policy Network, ziet er twee. De eerste ligt op het vlak van demografie: nieuwe genderrelaties (vrouwen die steeds meer professionele ambities hebben), een verouderende werkvloer en een meer diverse bevolking door (economische) migratie. Een tweede uitdaging ligt in de overgang van een industriële naar een dienstenmaatschappij, een post-industriële kennismaatschappij binnen een kader van steeds groeiende internationalisering en liberalisering. Opvallend is dat Patrick Diamond beweert dat de breuklijnen van de hedendaagse maatschappij niet uitsluitend draaien rond globalisering en outsourcing. Er bestaat inderdaad verlies van laaggeschoolde jobs en delokalisering, maar volgens hem gaat het veeleer om de twee hierboven vermelde trends; intern gedreven drukfactoren die zowel bínnen als tússen de verschillende klassen spelen. Volgens Patrick Diamond is ons oud welvaartsmodel niet meer in staat om bovenstaande economische en sociale uitdagingen het hoofd te bieden. Rond welke pijlers moet New Labour dan haar beleid opbouwen?:
- Eerst en vooral moet Links de notie ‘ongelijkheid’ diepgaand herdefiniëren. Vele vormen van ongelijkheid profileren zich niet meer in oude vormen (klasse, inkomen) maar gaan nu veeleer over gender, generaties, identiteit en cultuur. We moeten een nieuwe notie van gelijkheid uit de grond stampen, gebaseerd op ‘levenskansen en -garanties voor individuen op lange termijn’. Daarbij moeten we minder denken in termen van ‘hier en nu ongelijkheid’, maar eerder gaan richting de dynamische notie van ‘levenslange kansen op vlak van gelijkheid’.
- Dergelijk denken moet worden gekoppeld aan grootschalige investeringen in scholing en onderwijs. Door het promoten van dynamische gelijkheid kan bijvoorbeeld kinderarmoede aangepakt worden: zo kunnen we sociale erfelijkheid tackelen door, naast investeringen in universitair onderwijs, het vrijmaken van extra middelen voor de beginjaren van het lager onderwijs.
- Het voorzien van een eerlijke verdeling tussen de generaties. Het herschrijven van het ‘contract’ tussen de generaties omvat onder andere (eigenlijk voor ons reeds lang bekende speerpunten zoals) een beter evenwicht tussen werk en zorg, levensloopregeling, het aantrekkelijk maken van vaderschapsverlof, maar bijvoorbeeld ook meer aandacht voor ouderen en een waardiger levenseinde.
- Het herzien van de bestaande progressieve taxatie: in een wereldeconomie waar productiewinsten kapitaal bevoordelen en arbeid penaliseren, vallen de fiscale lasten disproportioneel te veel op de schouders van de zwakkeren. Daarnaast moet de bestrijding van fiscale fraude een topprioriteit worden.

Sommigen situeren het electoraal succes van New Labour in het ‘nieuwe contract’ dat de partij beoogt tussen de overheid en haar onderdanen. De partij werkte de voorbije jaren non-stop aan een Programme of Change, een nieuwe relatie tussen burger en staat. Voor New Labour moeten de publieke diensten goed functioneren, waardoor ook het persoonlijke leven verbetert. De partij boekte dan ook gevoelige vooruitgang op het vlak van de openbare diensten (met de NHS als schoolvoorbeeld). ‘Collectieve ondersteuning voor individuele ontplooiing’ is daarbij het principe. Minister Ed Milliband verwoordde het met volgende metafoor: ‘In het Britse huis staat het gelijkvloers voor veiligheid, en bevindt zich op de eerste verdieping de individuele keuzevrijheid voor de burger om te doen waar ze heen willen in het leven’.
Dit ‘nieuwe contract’ tussen burger en overheid in Groot-Brittannië speelt bijvoorbeeld een sterke rol in het wegwerken van de kinderarmoede, via zowel de responsabilisering van ouders als de creatie van jobs. Kinderarmoede is de voorbije jaren een topprioriteit geweest voor Britse sociaaldemocraten. Het is dan ook de ultieme vorm van ongelijkheid: noties als ‘verdiende’ en ‘onverdiende’ kinderarmoede bestaan immers niet. De basisfilosofie van New Labour hieromtrent is even simpel als logisch: de kinderen die in 2020 geboren worden, zijn de kinderen van de mensen die vandaag naar school gaan. Er moet dus nú geïnvesteerd worden in het onderwijs om de kinderarmoede in 2020 terug te dringen. Opnieuw in de geest van de dynamische notie van ‘levenslange’ kansen.

PSOE-Manifesto

Op zoek naar een electoraal succesvolle en inhoudelijk sterke sociaaldemocratie kijken veel mensen naar het nieuwe Spanje van Rodríguez Zapatero, die op 9 maart werd herverkozen als premier.4 Daar waar veel Europese sociaaldemocratische regeringspartijen aan regeermoeheid ten prooi vallen, werd Zapatero in de voorbije verkiezingscampagne gezien als de kandidaat van de toekomst. Dat is op zich contradictoir, want normaal staat de kandidaat van de oppositie voor verandering. De PP van Marjano Rajoy voerde echter vooral een reactieve campagne, terwijl de PSOE met een proactieve campagne en een sterke rol voor de staat naar de kiezer trok. Het valt niet te ontkennen: er heerst een optimistische democratiserings- en moderniseringsstemming in Spanje.

Hoe kunnen we het succes van de Spaanse socialisten verklaren? Het moet gezegd, Zapatero erfde van zijn conservatieve voorgangers een boomende economie, wat initieel de basis vormde voor een reeks radicale en gedurfde (sociale) hervormingen. Het land kent de voorbije jaren, na Gonzalez in de jaren 1980, een tweede moderniseringsproces en een tweede fase van de uitbouw van rechten (inzake homohuwelijk, snelle echtscheidingswet, abortus en andere nieuwe sociale rechten).
Zapatero’s regering stelde zichzelf tot doel om betere omstandigheden voor individueel initiatief te creëren. Sinds 2004 zijn daartoe verschillende beleidsinitiatieven genomen: maatregelen om de lage werkgelegenheidsgraad bij Spaanse vrouwen te verhogen, wettelijke rechten voor vaderschapsverlof en zelfs het aanpassen van de typische lange lunchuren zodat werknemers ’s avonds vroeger naar huis kunnen. Hoewel veel van deze hervormingen voor noordelijke sociaaldemocraten niet echt controversieel zijn, hebben ze in de Spaanse context een heel verschillende smaak. Ze moeten worden gezien als antwoorden op de huidige mondiale en socio-economische veranderingen, zonder dat aan het typische karakter van de Spaanse maatschappij (sterk steunend op de rol van de familie) geraakt wordt.

De combinatie van sociale innovatie - met een sterke nadruk op zorg en welzijn - en een goed macro-economisch beleid is de sleutel tot Zapatero’s succes. De werkloosheid daalde scherp en Minister van Financiën Pedro Solbes kon in 2007 voor een derde keer op rij een begrotingsoverschot van 2% aankondigen. Opvallend is de progressieve migratiepolitiek die Zapatero voerde. In 2005 verleende de PSOE-regering amnestie aan meer dan 600.000 illegale immigranten (overigens één van de maatregelen waar de socialisten het meest trots op zijn). Deze regularisatieprocedure heeft het sociale zekerheidssysteem een enorme boost gegeven. Het stelde Spanje mede in staat, in tegenstelling tot de meeste andere landen in de Eurozone, om verdere belastingsverlaging te combineren met doorgedreven investeringen in publieke diensten.5

Het verkiezingsmanifesto van de PSOE voorziet alvast een nieuwe golf van sociale en economische hervormingen. Opmerkelijk was de manier waarop het Manifesto tot stand kwam. Het was een schoolvoorbeeld van een bottom-up project waaraan iedereen kon deelnemen. Meer dan 1000 personen, in meer dan 40 werkgroepen, schreven eraan mee. Dat leidde tot meer dan 700 pagina’s programma. Deze bundel werd dan gecommentarieerd door vooraanstaande denkers en stelselmatig ingekort tot een werkbaar Manifesto. Het zit boordenvol opwindende nieuwe voorstellen om de Spaanse welvaart te versterken, klimaatverandering tegen te gaan en volledige werkgelegenheid te realiseren.

Het Manifesto steunt op 3 pilaren:
- Werk en welvaart: de creatie van 2 miljoen jobs. Er moeten nog meer mensen, en dan vooral meer vrouwen, aan het werk. Met de idee van een meer dynamische en actieve welvaartsstaat zijn verschillende maatregelen voorzien: 300.000 nieuwe kinderopvangplaatsen, het verlengen van het zwangerschapsverlof van 16 tot 18 maanden en van het vaderschapsverlof van 15 dagen tot 3 weken, een babycheque van 2500 euro voor elk geboren kind, subsidies voor de huishuur van jonge gezinnen en een verhoging van het minimumpensioen van 700 naar 800 euro.
- Innovatie, kennis en duurzame ontwikkeling: meer geld en mensen voor onderzoeksprojecten, hogere budgetten voor universiteiten en een hoger salaris voor jonge researchers; er is ook de verdere uitbouw van het spoorwegennet (uitbreiding tgv-netwerk). Inzake duurzame ontwikkeling beoogt het Manifesto een derde industriële revolutie en het begin van het einde van het CO2-tijdperk: de reductie van nucleaire energie (de 8 bestaande nucleaire centrales worden geleidelijk afgebouwd) en een stijging van de hernieuwbare energiebronnen (windmolens en zonnepanelen). Tegen 2020 moet 40% van de energie uit hernieuwbare bronnen komen. Er worden ook extra fondsen vrijgemaakt voor de re- en innovatie van gebouwen.
- Vrijheid: Er worden meer politieke rechten toegekend teneinde de interne territoriale problemen (Catalonië, Baskenland en andere regio’s) te verlichten.6 Gemeenschappen krijgen een speciale status in het Spaanse parlement. Er is ook een voorstel voor een nieuw systeem van regionale televisie. Op het vlak van immigratie staat de PSOE voor een heel open aanpak. Bovenop de grootschalige regularisatieprocedure in 2005, krijgen immigranten politieke rechten en wordt de band met hun thuisland versterkt. Zo wordt fel geïnvesteerd in schoolsystemen in Afrika, met de bedoeling om er de brain drain tegen te gaan. Voor elke hooggeschoolde immigrant uit een ontwikkelingsland, betaalt de Spaanse regering de opleiding en training van de vervanger ter plekke.

Op 9 maart slaagde Zapatero met dergelijk programma erin om de verkiezingen te winnen. En dat terwijl de positieve economische trends het laatste jaar toch omgebogen werden: de groei van de Spaanse economie kende een stagnering, er is een rijzende inflatie en we zien de kiemen van een diepe crisis in de vastgoedmarkt (en dat in een land waar 85% van de gezinnen een eigendom bezit). Bovendien tonen opiniepeilingen aan dat de Spanjaarden het steeds moeilijker hebben met de stijgende influx van buitenlanders - in de verkiezingscampagne probeerde Rajoy de Spaanse premier daarop te pakken. Ook de ETA-moord op Isaias Carrasco, twee dagen voor de stembusgang, maakte een herverkiezing onzeker.
Ondanks dit alles beschouwde het Spaanse electoraat Zapatero als de kandidaat van de toekomst. Dit toont aan dat moedige, gedurfde en soms controversiële (bijvoorbeeld rond economische migratie) sociale en economische beleidskeuzes wel degelijk goedkeuring kunnen vinden bij de bevolking, het vertrouwen in een actieve overheid kunnen versterken én electoraal lonend kunnen zijn.

De driepoot van de SPD

Wanneer we dichter bij huis kijken, kunnen we niet om Duitsland heen. Het land is altijd al een trendsetter en de grote motor van Europa geweest. Welke breuklijnen zien we daar?

De Duitse sociaaldemocraten, hoewel in coalitie met de CDU van Angela Merkel, hebben het moeilijk. Die Linke boekte de voorbije maanden het ene electorale succes na het andere, vaak ten koste van de SPD. Steeds meer lijkt het erop dat hun succes veel meer is dan een voorbijgaand Oost-Duits fenomeen. Na winst in DDR-deelstaten Hessen en Nedersaksen, haalde Die Linke op 24 februari bijvoorbeeld 6,4% in Hamburg. Eerlijkheid gebiedt dat de SPD in die deelstaat ook won, maar het is een feit: de partij verliest voortdurend stemmen aan de linkerzijde. En hoewel de deelstaat Berlijn aantoont dat Rood-Rood wel degelijk kan (burgemeester Klaus Wowereit, die de volgende sociaaldemocratische bondskanselier wil worden, regeert daar samen met Die Linke), blijft de nationale SPD-leiding herhalen dat ze nooit met de linksen zou samenwerken.7

De SPD gold in New Labour-kringen lange tijd als een voorouderlijk gedrocht dat de tekenen des tijds maar niet onder ogen wilde zien. Maar electoraal uitgedaagd door links en groen ontstond er stilaan een nieuw zelfbewustzijn, mede op basis van het nieuwe Hamburger-program. Ze trok conclusies voor haar programmatorische strategie en schaafde het gedachtegoed bij. Een belangrijke stem in die ideologische vernieuwing is Matthias Machnig, Duits minister van milieu, natuurbehoud en nucleaire veiligheid. Deze voorname SPD-ideoloog stelde op het colloquium dat de sociaaldemocraten zich bij de herbronning van het gedachtegoed moeten concentreren op de driepoot ‘economie-ecologie-sociale rechtvaardigheid’. Met daaraan gekoppeld: ‘zekerheid’. Daar waar we vroeger konden rekenen op ‘zekerheid door verandering’, is het adagium van vandaag eerder omgekeerd: ‘verandering door (de creatie van) zekerheid’. Maar de kern van de huidige maatschappelijke problematiek ligt, volgens Machnig, bij de klimaatverandering. De opwarming van de aarde is de grootste mislukking ooit van de markt. We hebben nood aan een derde industriële revolutie en nieuw industrieel beleid, waarbij eco-belastingen, marktintroducerende programma’s en investeringen in energie-efficiëntie van groot belang zijn. Dit impliceert voor de toekomst een nieuwe rol van de staat. De sociaaldemocraten moeten gewapend zijn om die verandering ideologisch te onderbouwen.
In Duitsland stelt deze problematiek zich dan ook acuut: het is een economie gestoeld op een reusachtig (ouderwets) industrieel kapitaal. De Duitse sociaaldemocraten hebben echter een plan klaarliggen om in de volgende jaren een ware ecologische revolutie te laten plaatsvinden. De industriële Duitse capaciteit zal volledig vernieuwd worden. Zo is het de bedoeling om tegen 2020 de CO2-uitstoot met 40% te verminderen. En groene markten zullen tegen 2025 zo’n 20% van het bbp in Duitsland uitmaken. Om dit te bereiken is er niet alleen nood aan verdere regulering (bijvoorbeeld in de auto-industrie), maar evenzeer aan innovatie, bijvoorbeeld op vlak van mobiliteit, watermanagement, levenscirkelmanagement en hernieuwbare energie om de CO2-vervuiling te doen dalen.

Conclusie

Het internationaal colloquium van Policy Network rond The Future of European Social Democracy maakte duidelijk dat er geen eensgezindheid bestaat over wat nu eigenlijk de breuklijnen zijn waarrond de sociaaldemocratie zich moet profileren. In een zoektocht naar een gemeenschappelijke agenda maakte de discussie tussen een honderdtal deelnemers uit verschillende landen een opvallend verschil in meningen duidelijk. Socio-economische aspecten, ongelijkheid, generatiekloof, identiteit/cultuur, ecologie: de sociaaldemocratie heeft niet de luxe van het liberalisme (economie) en extreemrechts (identiteit) om altijd en overal te kunnen terugvallen op vaststaande ideologische grondstromen. Maar dat hoeft geen nadeel te zijn. Eerder dan het ideologische vacuüm op te vullen met reclameslogans, gebiedt het de sociaaldemocratie om zijn gedachtegoed constant te vernieuwen.

De drie casussen van hierboven tonen aan dat er verschillende wegen zijn naar electoraal succes. En telkens met andere accenten. Een rode draad is misschien wel dat sociaaldemocraten, om opnieuw electoraal succesvol te worden, de indruk moeten wekken de moderniteit (en haar problemen) te kunnen managen, en daarvoor een geloofwaardig project voor de toekomst te hebben. Het is de historische taak van de sociaaldemocraten om kwesties op de tafel te brengen (Zapatero toont dat dat ook als regeringspartij mogelijk moet zijn), gevoelens van verontwaardiging over onrecht te vertolken en tégelijk de weg vóóruit te tonen en met progressieve antwoorden op de proppen te komen. Eerder dan zich te verdedigen tegen bestaande veranderingen, moeten ze zich wapenen met de tools om de toekomst zelf vorm te geven. Sociaaldemocratische leiders moeten investeren in de jobs van morgen (in plaats van te vechten voor de ondergaande oudere sectoren), collectieve ondersteuning voor individuele ontplooiing voorzien en geïnstitutionaliseerde solidariteit tussen (en binnen) generaties, gemeenschappen en nationaliteiten mogelijk maken. Als je aan je electoraat kan duidelijk maken dat je gewapend bent om met een veranderende wereld om te gaan, win je verkiezingen. Voor New Labour gebeurt dat met de leus Unlocking talent. Ze ziet de globalisering als een opportunity revolution. Het is dan ook zaak om al het talent maximale ontwikkelingskansen te bieden. Gordon Brown, leider van het Britse Goat-cabinet (Get Out All Talent)8, parafraseerde het colloquium met de afsluiter: Social democrats can never count on the status quo!

Wim Vermeersch
Medewerker Stichting Gerrit Kreveld

Noten
1/ De vier huidige sociaaldemocratische leiders zijn Gordon Brown (Groot-Brittannië), Rodríguez Zapatero (Spanje), José Sócrates (Portugal) en Alfred Gusenbauer (Oostenrijk).
2/ In Frankrijk is maar 3% van de werknemers in de private sector lid van een vakbond.
3/ Frans Becker, René Cuperus, Thermometer van de sociaaldemocratie in Europa, in: Socialisme & Democratie, nr. 3, maart 2008.
4/ De voorbije stembusgang duwde Spanje steeds meer richting een Amerikaans politiek bestel, met 2 grote blokken. Zowel de PP als de PSOE gingen vooruit. De sociaaldemocraten wonnen vooral ten koste van de kleinere, meer linkse partijen zoals de Izquierda Unida en Esquerra Republicana de Catalunya. Ze kwamen 7 zetels te kort voor een volstrekte meerderheid. Gezien de IU geen coalitie wil aangaan tot het nieuwe statuut van Catalonië door het grondwettelijk hof is goedgekeurd, wordt er waarschijnlijk een minderheidsregering gevormd. Het belooft voor Zapatero een moeilijke legislatuur te worden.
5/ Olaf Cramme, Spanish practices, in: Progress, februari 2008.
6/ De PSOE boekte grote vooruitgang in Baskenland en Catalonië en won ook een zetel in de Balearen. Dat is toch een teken dat Zapatero erin slaagde het electoraat in deze provincies te overtuigen dat volledige onafhankelijkheid toch niet zo voordelig is als sommige nationalisten voorhouden. Gaston Vandewalle, Spanje op weg naar een sociaaldemocratische modelstaat?
7/ Hoewel SPD-voorzitter Kurt Beck onlangs stelde dat hij ‘gedoogsteun van Die Linke duldt’. In: De Morgen, 26/02/2008, p. 17.
8/ Frans Becker, René Cuperus, Ibid.

Europa - Zapatero - sociaaldemocratie - links

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 4 (april), pagina 20 tot 26