Log in

China door Westerse ogen

Hoe je tegen China aankijkt, zal voor een deel gekleurd zijn door je ervaring met het land. Ik vertoefde en werkte een aantal jaren in een Chinese megastad, Chengdu. De oefening die ik hieronder maak, zou ik dan ook graag gerepliceerd zien door anderen, bijvoorbeeld door mensen die jarenlang in Tibet woonden, veel ervaring hebben met Chinese zakenlui of er diplomatieke contacten onderhouden. Ik vertoefde eigenlijk vooral in China als lesgever Engels aan een Chinese universiteit, al heb ik ook vrij intensief gereisd in het land. In die kleine vier jaar heb ik Chinezen leren kennen als voor het merendeel warme en open mensen, die nieuwsgierig en bijzonder gretig zijn om de wereld te leren kennen, nu Deng Xiaopings hervormingen hen sinds begin de jaren 1980 toelaten om met het Westen in contact te komen. Sinds deze zomer spits ik me ook als wetenschapper toe op China, aan het Tropisch Instituut. De klemtoon ligt daarbij op de rurale gezondheidshervorming. Om maar te zeggen: mijn Westerse ogen zijn ondertussen een beetje Chinees geworden. Dat ik ooit in een Tibetaans klooster hoog in de bergen van Himachal Pradesh (Noord-India) me eens een paar dagen heb verdiept in boeken van de Dalai Lama en ook Tibet en Tibetaanse regio’s in Sichuan wel eens bezocht heb als toerist, verandert weinig aan die vaststelling.

Hoe komt China in Westerse media aan bod in de aanloop naar de Olympische Spelen? Objectiviteit bestaat niet, vandaar ook voorgaande situering van mezelf, maar ik wil in elk geval proberen om op zo genuanceerd mogelijke wijze na te gaan of Westerse media bij hun coverage van China en meer bepaald van het mensenrechtenissue in dat land hun lezers objectief informeren. Ik nam vooral de geschreven (kwaliteits)pers onder de loep, maar voor de audiovisuele media kan een in se gelijkaardig verhaal geschreven worden.

Overzicht van China-berichtgeving in de jongste maanden

De onlusten in Tibet: een mix van objectieve info en karikaturen

De uitbarstingen van geweld in Tibet rond half maart en de daaropvolgende repressie door het Chinese regime vormen het startpunt van mijn analyse. Ik concentreer me hier op de manier waarop China en Tibet in Westerse media opgevoerd werden. Voor meer achtergrond bij de Tibetaanse kwestie verwijs ik naar het artikel van Doom in ditzelfde nummer.

Van meetaf aan lag de rolverdeling vast, erkent ondertussen ook The Economist (24 april): Coverage in the Western press of unrest in Tibet has been rather one-sided. Tibetanen moesten en zouden als onschuldige slachtoffers geportretteerd worden, ook al strookten de beelden van de rellen die doorgestraald werden duidelijk niet met het beeld dat men heeft van vredige Tibetaanse actievoerders. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het monnikenprotest in Myanmar vorig jaar. En waar onschuldige slachtoffers zijn - Catherine Vuylsteke gebruikt soms de metafoor van ‘zeehonden die doodgeknuppeld worden’ (al relativeert ze die zelf fel) - moet er ook een boosaardig regime zijn dat Tibetanen doodknuppelt en de gerechtvaardige eis om meer autonomie op brute wijze de kop indrukt. Die rol lijkt het Chinese regime op het lijf geschreven.

In tempore non suspecto berichten Westerse media om commerciële redenen vaak negatief over China, zo beklemtoont onder meer Ruthfeld, gastprofessor aan Beijings Chinese Academy of Sciences. Nu Tibet sinds kort terug prominent op de agenda staat, gaat een deel van de pers echter duidelijk in overdrive. Het lijkt wel alsof ze bloed ruiken, en als een meute jachthonden klaarstaan om het slachtoffer, het Chinese bewind in dit geval, collectief te verscheuren. Misschien hebben een aantal onder de pers-anciens nog een rekening te vereffenen met China, nadat ze in 1989 verschillende maanden vanuit Tian an Men de studentenopstand coverden. We weten allemaal hoe tragisch de gebeurtenissen die zomer op het plein van de Hemelse Vrede eindigden. In officiële Chinese kringen staat 4 juni 1989 bekend onder de eufemistische noemer ‘Tian-an-Men incident’ of nog als ‘contrarevolutie’. Enige maanden geleden alludeerde de schitterende poëtische Chinese film Summer Palace daar nog op heel bedekte wijze op. Het moet, voor iedereen die erbij betrokken was, studenten en buitenlandse perslui op kop, een ongelofelijke afknapper geweest zijn en een diep trauma nagelaten hebben.

Dit alles mag echter geen excuus zijn voor de talloze uitschuivers door Westerse perslui en columnisten - van de Hindustan Times over de Financial Times tot de Guardian - waarin China als ‘totalitair regime’ werd voorgesteld. In eigen land lijkt De Standaard journaliste Mia Doornaert bijvoorbeeld geen artikel over China te kunnen schrijven zonder minstens een keer die term te laten vallen. Ik vraag me af welk label journalisten dan nog voorbehouden voor het China onder Mao Ze Dong of het huidige Noord-Koreaanse regime. Nog frequenter werd de link gelegd met het nazi-regime en de Olympische Spelen in Berlijn in 1936. Eerder hadden Westerse actievoerders het naar aanleiding van Darfur ook al over de ‘genocide-Olympische Spelen’ gehad, een term die gretig werd overgenomen door een deel van de Westerse pers. Soms gebeurt dit soort typering op expliciete wijze, onder de vorm van lang uitgesponnen commentaarstukken of analyses. Meestal beseffen perslui echter zelf wel dat een en ander nogal grotesk en karikaturaal is, en gaan ze ingenieuzer (of geniepiger?) te werk. Zo hebben vooral Amerikaanse kranten er een handje van weg om een bepaalde mening - waar de journalist allicht zelf volmondig mee instemt - in de mond van een betoger te leggen. De reporter wil zo’n statement liever niet in eigen naam neerpennen omdat zijn stuk dan ‘minder objectief’ zou overkomen, vandaar dit procédé. Voorbeelden vind je verderop in deze bijdrage. In eigen land presteerde De Morgen het in haar zaterdagkrant van 12 april om bij een artikel over de roots van de Olympische vlam - die teruggaan tot het nazi-regime - te insinueren dat het huidige China-regime op een lijn te stellen valt met Himmler & co. Jacques Rogge werd gespiegeld aan een IOC verantwoordelijke uit die tijd, die zoete broodjes bakte met de nazi’s.
Die karikatuur, die je helaas al te vaak terugvindt bij een deel van de pers, strookt niet met de feiten. Chinezen zullen je vertellen dat hun land er in vergelijking met een paar decennia terug enorm is op vooruitgegaan qua mensenrechten. De vrijheid is er sterk toegenomen om je leven te leiden zoals je dat wil. In China kan tegenwoordig heel veel zolang je de centrale overheid niet rechtstreeks aanvalt. Ook Westerse academici zitten op die lijn.

De meeste politicologen en waarnemers zullen het met me eens zijn dat het huidige Chinese regime tegenwoordig - vooral aan de top - omschreven kan worden als een soort ‘autoritair technocratisch geïnspireerd verlicht despotisme’. In Chinese kringen staat het duo Hu Jintao (president) en Wen Jiabao (premier) zelfs bijna bekend als ‘populisten’, omdat ze - minstens qua retoriek - de jongste jaren dichter bij de gewone mensen willen staan. Waar hebben we dat nog gehoord. In China klinkt dat als qinmin (wat zoveel betekent als ‘de hand reiken naar de gewone mensen’). Of het om een echte ‘verlichting’ en oprechte change of heart gaat, dan wel of die beleidswijziging er gekomen is onder druk van de basis - de escalatie van gewelddadige botsingen tussen onder meer landbouwers en politie sinds eind de jaren 1990 is genoegzaam bekend - is van op afstand moeilijk in te schatten. Zelf geef ik Hu en Wen minstens het voordeel van de twijfel. Ze lijken me oprecht bekommerd om de grote kloof tussen arm en rijk in China, om de problemen in de voor arme mensen onbetaalbaar geworden gezondheidszorg op het platteland en proberen het beleid te veranderen in de goeie richting. Dat wil zeggen, richting iets wat wij onder de noemer van ‘sociaal gecorrigeerde markteconomie’ zouden vatten (in China gebruiken ze hiervoor eerder de term ‘socialisme met Chinese karakteristieken’). Het enige echte verschil is dat de KP voor zichzelf tot nader order een rol in de driving seat ziet weggelegd. Op alle echelons hebben echter ondertussen vele belangengroepen en stakeholders belang gekregen bij een status quo; velen onder hen verzetten zich tegen een verregaande koerswijziging. De weg die de Chinezen normaliter volgen bij het implementeren van beleidswijzigingen - incrementele wijzigingen uittesten in pilootprojecten om die, indien succesvol, naderhand op grote schaal door te voeren - lijkt stilaan op zijn grenzen te botsen, zo stelt bijvoorbeeld politicoloog Liu Jinming.

Dat is een opvallende analyse, die - het zal je niet verbazen - vooralsnog niet universeel gedeeld wordt in beleids- en academische kringen in China. Velen, ook bij ons in het Westen, denken immers net het tegenovergestelde: namelijk dat een autoritair regime verhoudingsgewijs meer in staat is dan een democratisch regime om een langetermijnvisie te ontwikkelen en significante beleidswijzigingen door te voeren. Een systeemwijziging doorvoeren in een democratie is geen sinecure. In het autoritaire China lijkt dat met versterkende kracht te gelden: een systeemhervorming is er trekken en sleuren. Na meer dan drie jaar in China, onderschrijf ik bovenstaande analyse volmondig: meer en meer drong het besef er bij me door dat de ongelofelijke uitdagingen waarvoor het land staat en veel van wat er misloopt in het land (corruptie, milieuvervuiling,…) maar doortastend kunnen worden aangepakt als het land serieuze politieke hervormingen, meer democratisering dus, gaat doorvoeren. Maar hoe het uiteindelijk ook afloopt in China - de politicoloog Bruce Gilley geeft een viertal mogelijke scenario’s aan voor de toekomst, namelijk een status quo, een neo-autoritair regime, chaos of democratisering - feit is dat de huidige politieke realiteit er een stuk complexer is dan wat een deel van de Westerse pers ervan maakt.

Ten dele heeft het Chinese regime die karikatuur aan zichzelf te wijten. Het non-transparantiebeleid dat ze voert m.b.t. Tibet en het hermetisch afsluiten van de regio en van Tibetaanse zones in Chinese provincies voor Westerse persmensen lijken nogal contraproductief te zijn. De enige Westerse journalist die op het moment van de gebeurtenissen in Lhasa vertoefde, een reporter van The Economist, gaf bijvoorbeeld wél op erg genuanceerde wijze weer wat zich daar volgens hem had afgespeeld. Hij verviel niet in de zwart-wittegenstelling die de berichtgeving elders kenmerkte. Na een paar dagen begonnen achtergrondstukken in Westerse media overigens voor meer duiding te zorgen, inclusief de historische context van de kwestie. Desalniettemin zijn waarnemers het er over eens: een groot deel van de Westerse pers trekt in de kwestie duidelijk partij voor de Tibetanen, in dit geval voor het verhaal van de Tibetaanse regering-in-ballingschap. Maar, en dat is belangrijk, tezelfdertijd zijn ze er echter heilig van overtuigd dat ze vrij objectief en conform hun professionele deontologie informeren over China/Tibet. Zo verklaarde de BBC bijvoorbeeld in een persmededeling dat ze voor credible and independent coverage hadden gezorgd, in antwoord op een open brief van Chinese actievoerders waarin ze de bias over Tibet en de Olympische Spelen heftig hadden aangeklaagd. Ook The Economist (24 april) legt in een soul searching artikel over de Westerse berichtgeving over Tibet toch vooral de schuld voor de Chinese woede bij de Chinese censuur en propaganda die Chinezen al die jaren wat voorgelogen zou hebben.

De tocht van de Olympische fakkel doorheen wereldsteden

Daarmee zijn we aan het mediagenieke vervolg op de incidenten in Tibet aanbeland, de odyssee van de Olympische fakkel door de wereld. Tal van actievoerders maakten van de doortocht van de Olympische vlam in steden als Londen, Parijs, San Francisco, Delhi, Canberra en Seoul gebruik om hun eisen kenbaar te maken, vaak op erg luidruchtige wijze. Ze bespeelden Westerse media perfect en deden wat actievoerders horen te doen: met alle mogelijke middelen proberen mensen een geweten te schoppen, en hun issue vooraan op de publieke en politieke agenda te krijgen. Omgekeerd kwamen Chinese studenten en vaak ook inwoners van lokale Chinatowns massaal opdagen om hun versie op de feiten kracht bij te zetten. Hard tegen onzacht dus.

Een deel van de Westerse pers ging echter nogmaals zwaar in de fout. Opnieuw zag je bijvoorbeeld in de International Herald Tribune zogenaamd objectieve berichtgeving, waarbij een journalist claims ‘als zouden alle Chinese tegenbetogers wel door de Chinese ambassade betaald zijn om te komen opdagen’, niet zelf deed, maar ze steevast in de mond van een Tibetaanse betoger legde. Terwijl omgekeerd, en dat is een algemeen fenomeen - zeker in Amerikaanse kranten -, bijna nergens (of in elk geval rijkelijk laat) de moeite wordt gedaan om écht naar het verhaal van de Chinese tegenbetogers te luisteren. Gella Vandecaveye mocht terecht als topsportcoördinator voor judoka’s uitgebreid haar versie op mensenrechten in China geven. Waarom krijgt de Chinese gemeenschap in ons land geen even groot forum om haar standpunt toe te lichten?
Het lijkt er sterk op dat de Westerse kwaliteitspers het systematisch aan academici (en mensen als Lulu Wang, die hier al twintig jaar vertoeven) overlaat om voor de nuances in het verhaal te zorgen. Om de ‘brokken te lijmen’ zeg maar. Over de uitgebreide gemeenschap Chinese studenten hier en elders in het Westen wordt eigenlijk vooral bericht door (mediërende) journalisten. En die gebruiken gretig aanhalingstekens om te rapporteren. Enige meewarigheid, vaak zelfs bijtend cynisme zijn nooit ver weg. Als reporters dus de woorden van jonge Chinezen weergeven - als die het bijvoorbeeld over de ‘bias’ in Westerse berichtgeving en de tarnishing and demonishing China hebben -, dan kun je je niet van de indruk ontdoen dat ze eigenlijk die jongelui aan het uitlachen zijn. Zo van: kijk eens aan, die gebrainwashte jongelui komen ons, doorgewinterde mediaprofessionals, de les spellen over objectiviteit.
Het verhaal dat bijvoorbeeld Amerikaanse kwaliteitskranten - de Herald Tribune is toch niet direct Fox News - ophingen van die Chinese tegenbetogingen ging als volgt. Toen het niet langer houdbaar bleek om te claimen dat al die betogers door de Chinese ambassade georchestreerd en betaald zouden zijn - wegens veel te veel manifestanten -, veranderden ze het geweer van schouder. Plots had iedereen het over het verontrustende nationalisme van Chinese jongeren, gehersenspoeld als ze zouden zijn door de propaganda van Chinese mainstream media. Zonder zich ook maar één moment af te vragen of dat nationalisme toch niet voor een deel aangewakkerd zou kunnen zijn door hun eigen niet bijster objectieve optreden in de kwestie. Zelfkritiek is echter geen forte van de Westerse pers, overtuigd als ze zijn van hun eigen deontologische rol als ‘objectieve informatieverstrekkers’.

Een voorbeeld uit een recent verleden over dat Chinese nationalisme kan misschien wat verduidelijken. In april 2005 braken hier en daar anti-Japanse onlusten uit in Chinese steden, waarbij jongeren Japanse handelszaken aanvielen. Aanleiding vormden de nieuwe Japanse geschiedenisboeken, die een aantal voor Japan minder aangename historische feiten verbloemden of zelfs straal negeerden. Ook al bestaat er inderdaad een voedingsbodem voor nationalisme bij Chinese jongeren, ze gaan doorgaans heus niet zomaar op straat om hun ongenoegen te uiten. Waarom zou dat in dit geval eigenlijk anders zijn?

Media-oorlog tussen China en het Westen

De media-incidenten volgen zich sindsdien in razendsnel tempo op. Chinese en Westerse media brengen de gebeurtenissen op frappant verschillende wijze in beeld; het lijkt op een heuse media-oorlog. Vaak verkijken westerlingen zich trouwens op de propaganda van Chinese staatsmedia: als je de argumenten van hun (inderdaad irriterende) propaganda-omhulsel ontdoet, blijken ze vaak een grond van waarheid te bevatten.
Zo worden de Chinese veiligheidsmensen, die voor de Olympische fakkel moeten instaan, in Westerse media onveranderlijk als robotten of zelfs als schoften (thugs) geportretteerd. In Chinese media worden ze dan weer als helden beschouwd. Het argument dat je in de China Daily kon lezen, houdt steek: waar haalt het Westen het recht om mensen die heel beperkt Engels spreken - en geloof me vrij, daarvan vind je er heel veel in China - onmiddellijk af te doen als robots en onmensen? Waarmee ik me niet wil uitspreken over hun inderdaad nogal hardhandige en controversiële optreden.

Het gehandicapte meisje Jin Jing dat in Parijs fysiek door protestvoerders belaagd werd, was uiteraard Gefundeness fressen voor Chinese staatspropaganda, maar veel opvallender was het feit dat het opnieuw een paar dagen duurde voor Westerse media erover berichtten. Bovendien bekeken ze de kwestie opnieuw door de eigen matrix: ‘wat zijn die Chinezen toch lichtgeraakt en snel op de ziel getrapt’! Westerse kranten leken overigens meer aandacht te besteden aan het randverhaal dat Sarkozy nu wel heel diep in het stof moest kruipen om de Chinese woede wat te temperen, dan aan de feiten zelf. Hetzelfde fenomeen hadden we eerder al vastgesteld met betrekking tot de han en hui-Chinese doden in Lhasa. Chinese slachtoffers, dat verkoopt blijkbaar toch niet echt lekker.
Chinese media focusten op overzeese Chinese tegenbetogers; Westerse daarentegen op betogers in Chinese steden als Wuhan en Qingdao. Dat paste beter bij hun storyline van ‘gehersenspoelde Chinezen’ in een totalitair land dat nationalisme aanwakkert. Toch vreemd immers dat mensen uit de lokale Chinese gemeenschap in San Francisco of LA, die vaak al decennia Westerse media gebruiken, bij een actie gericht tegen CNN evenzeer massaal op straat kwamen. Hoezo, gehersenspoeld? Toch niet door Fox News? Veel makkelijker dus om een paar schreeuwerige Chinezen met bierbuik voor een Carrefour in Wuhan hun ding te laten doen. En je krijgt er nog ‘leuke plaatjes’ bovenop. Brr, Chinees nationalisme, georchestreerd door een totalitaire regering, wat staat ons in het Westen nog allemaal te wachten?

Terwijl de mediaoorlog aan beide zijden volop woedt, heeft de Westerse pers haar lens nu wel erg scherp afgesteld op China. De Chinese boot vol wapens, die wou aanmeren om Mugabe van wapens te voorzien, ontsnapte dus niet aan de aandacht en was uiteraard bijna voorpaginanieuws. Dat perfide Chinese regime toch: een snoodaard als Mugabe van wapens voorzien, net op het moment dat die zijn oppositie wil muilkorven. Zouden wij Westerlingen echt nooit doen. De Chinese pers berichtte ondertussen stoïcijns over weer een ziekenhuis dat met Chinees geld in Sudan werd opgericht.
De Chinese persjongens hadden ook de handen vol met de uitspraken van ene Jack Cafferty op CNN waarin de praatgast het had over a bunch of goons and thugs om de Chinese beleidsmensen te omschrijven. Omgekeerd berichtten de Amerikaanse media met duidelijk enthousiasme over de Chinese tegenbetogers die Tibetanen in het nauw drijven, aftuigen of met stenen bekogelen. Met andere woorden, Chinezen kregen almaar meer ‘als bevolkingsgroep’ de rol van bullerik op het lijf, naar het voorbeeld van hun regime. Het meest frappante voorbeeld was de enorme aandacht die Grace Wang, een eerstejaars aan Duke University, in de Amerikaanse pers te beurt viel toen ze op de campus als verzoener wou optreden tussen Chinezen en Tibetanen, maar op een haatcampagne van Chinese medestudenten getrakteerd werd. Wang Grace is de Amerikaanse tegenhanger van het icoon Jin Jing in de Chinese staatsmedia.

Opnieuw: Chinezen zullen en moeten worden afgeschilderd als een bende geïndoctrineerde, gehersenspoelde nationalisten. En jawel, we zaten er al op te wachten, daar kwam de Boston Globe alweer op de proppen met een vergelijking met het ultranationalisme ten tijde van nazi-Duitsland. Als de Chinese regering, wonder boven wonder, dan toch onderhandelingen aanknoopt met de Dalai Lama, ‘dan moet ook dat wel een list zijn, om de aanzwellende internationale kritiek wat te ontzenuwen’. Wat China ook doet, kritiek lijkt dus onvermijdelijk.

Een poging tot verklaring

Ik zie een aantal redenen voor dit toenemende media-onbegrip, China-bashing en de soms flagrante vooringenomenheid en miscoverage als het Westen over China bericht. In de marge trachten we ook het Chinese onbegrip over het hameren van het Westen op de mensenrechtenkwestie te duiden.

Zheng Yongnian, verbonden aan de Universiteit van Nottingham, ziet een van de oorzaken in een soort ‘morele superioriteit’ die het Westen aan de dag zou leggen tegenover China. Bij ons liet bijvoorbeeld Jean Bricmont zich ook al in dergelijke zin uit. Wij zijn brave lieden en beschermen bij elk conflict uiteraard voorbeeldig de mensenrechten en minderheden. De rest van de wereld zit daarentegen vol slechteriken, schoften en potentiële Führers. Ik deel ook de mening van nogal wat Chinese wetenschappers dat een soort defensief onbehagen over de opkomst van China ook een rol speelt. Af en toe grenst dit onbehagen ronduit aan latent racisme. Veel mensen, ongetwijfeld ook perslui, vrezen dat China ons gaat overvleugelen. Het leidt geen twijfel dat het China-bashen van de jongste weken daar minstens voor een deel door aangewakkerd werd.
Andere factoren zijn ongetwijfeld intellectuele luiheid, tijdsdruk op vaak onderbemande buitenlandredacties en een commerciële behoefte aan negatief nieuws, aan het kunstmatig creëren van vijandbeelden en aan het sensationaliseren van nieuwsfeiten. Veel informatie die we krijgen, wordt door Angelsaksische media gekanaliseerd en verwerkt. Zij zijn veelal de gatekeepers. Media berichten niet louter over informatie, ze selecteren ook nieuwsfeiten en zijn dus wel degelijk een politieke actor van formaat. Ongetwijfeld verrichten veel journalisten hun werk ter goeder trouw, kampen ze met deadlines en is het door gebrek aan middelen op een buitenlandredactie soms bijna onmogelijk om voldoende expertise te ontwikkelen over alle regio’s en landen die journalisten geacht worden te coveren. De wetten van de media nopen journalisten en eindredacteurs er echter toe om dingen uit te vergroten, lezers te lokken met schreeuwerige titels, etc. Wie vertrouwd is met het werk van Jan Blommaert hoort hier allicht niets nieuws. Het manifeste gebrek aan zelfkritiek bij Westerse media en het heilige geloof in hun eigen ‘professionaliteit en objectiviteit’ lijken een beetje naïef.

In deze tijden van overload aan informatie moeten burgers ook in het Westen een zekere mediagesofisticeerdheid zien te verwerven en zelf op zoek gaan naar informatie om door het bos de bomen nog te zien. Ik heb elders (zie De Standaard van 10 april) al verwezen naar de systematische, empirische studie van Peerenboom over de ‘dubbele standaarden’ die het Westen volgens hem hanteert als het een mensenrechtendiscours over China formuleert. Een bijzonder leesbare studie overigens, en gewoon te downloaden op internet. Maar die man komt bijna niet aan bod in Amerikaanse media. Misschien oordelen mainstream media dat wat hij zegt te veel de lijn van de Chinese regering herkauwt, en dus wel fout moét zijn. Mij lijkt de man daarentegen vaak gewoon de nagel op de kop te slaan. Zo stelt hij onder meer dat veel burgers zich inzake buitenlandse berichtgeving bijna exclusief verlaten op die buitenlandberichtgeving, aangezien de meesten onder ons die niet kunnen aftoetsen aan de eigen dagdagelijkse ervaring. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld binnenlandse misdaadberichten die - ook al figureren ze vaak prominent op de voorpagina’s - mensen toch kunnen relativeren omdat ze ook wel weten dat het risico dat je in pakweg Oelegem of Mortsel wordt neergekogeld vrij minimaal is. Met andere woorden, buitenlandreporters hebben meer dan de binnenlandse pers een cruciale rol te spelen. Het is van vitaal belang dat zij nuanceren en objectief trachten te berichten.

Veel kwesties en conflicten waarover in de media bericht wordt, zijn van op afstand ook erg moeilijk in te schatten. Meer in het algemeen zou iedereen eigenlijk eens een paar boeken zoals die van Noam Chomsky of Naomi Klein (The Shock Doctrine bijvoorbeeld) moeten lezen, minstens als tegenwicht tegen de dagelijkse stroom van Angelsaksisch gekleurde mainstream media-informatie die op ons afkomt. Een uitstekend voorbeeld van dit soort alternatieve kijk op de realiteit vormt het boek America’s war on terrorism van Michel Chossudovsky, professor economie aan de Universiteit van Ottawa. In zijn boek duikelt hij onder meer ondertussen declassified documenten van de Amerikaanse regering op. Daarin geeft Brzezinski aan dat president Carter de beslissing nam om een inval van de Sovjet-Unie in Afghanistan uit te lokken, via covert operations van de Amerikaanse inlichtingendienst, met de bereidwillige medewerking van de Pakistaanse geheime dienst. Achterliggend motief: de Sovjet-Unie meeslepen in een eigen Vietnam-inferno. Zoals we ondertussen weten, is dat met brio gelukt. Als een ‘duif’ als Carter dit soort (geheim) beleid al goedkeurde, dan vraag je je af wat onze republikeinse en neoconservatieve vrienden allemaal hebben lopen als hidden projects om voor stokebrand te spelen aan de Westelijke Chinese grenzen. Dat is de achtergrond waartegen een nochtans aimabel en erudiet man als Wen Jiabao keihard uithaalt naar ‘de Dalai-kliek’. Paranoia is niet ver weg in die kringen, onder meer omdat ze andere dingen te lezen krijgen dan de doorsnee burger. Wie echt wil weten wat er gaande is in de wereld, zo lijkt het, moet tegenwoordig eigenlijk toegang krijgen tot classified en top secret documenten.

Chinese jongeren zelf zijn gewoon dat hun moederland op (vaak kunstmatige) positieve wijze in het nieuws komt. De Chinese regering probeert, nu de politieke ideologie van vroeger niet meer echt ‘werkt’ om te mobiliseren, de publieke opinie via de officiële media te ‘sturen’ (yulun daoxiang). Chinese leiders proberen op die manier de sociale agenda in de richting van sociale eenheid en politieke stabiliteit te bewegen. Niet dat ze daar altijd in slagen. Sociale stabiliteit blijft dus van enorm belang in China, met excessen in de recente geschiedenis in het achterhoofd (de Culturele revolutie, de Grote Sprong voorwaarts). Als het fout loopt in China, dan loopt het goed fout. Positieve mediabias kenmerkt dus het Chinese officiële medialandschap. Ik kan de Chinese studenten die me verzekerden dat China - in tegenstelling tot het Amerika van George W. Bush - een vredelievend land is echt niet op de vingers van mijn twee handen tellen. De gestage stroom van negatieve berichten over hun land in de buitenlandse pers komt dan ook bij hen ontnuchterend aan. De meer prozaïsche realiteit is allicht dat in het beleid van China, net als bij de meeste Westerse landen, zowel waarden als eigenbelang een rol spelen. Waar wij hier via de gatekeepers van de pers een nogal negatief beeld dreigen te krijgen van andere landen, geldt voor hen dus het omgekeerde. Zowel Westerse als Chinese mediagebruikers lopen dus enig risico op hersenspoeling.

Eerder stelde ik al dat het gebrek aan mediatransparantie een niet bijster slimme zet van het Chinese regime leek te zijn. Door de toegenomen hedendaagse communicatiemogelijkheden konden pro-Tibetaanse actiegroepen vliegensvlug ‘hun’ waarheid propageren en werd China eigenlijk koud gepakt. Maar ongetwijfeld speelt daarbij ook een rol dat de Chinese regering de objectiviteit van Westerse media niet hoog inschat. Ze betrouwt het Westerse journaille gewoonweg niet. Last but not least lijkt me ook simpelweg het aspect ‘taal’ onderschat te worden: het is voor Hu en Wen in deze mediaoorlog zonder meer een handicap dat ze mandarijns spreken en geen Engels.

Conclusie

We doen er goed aan om te stoppen met een karikatuur op te hangen van de mensenrechtensituatie in China. Chinezen beseffen zelf ook wel dat hun regime niet helemaal zuiver op de graat is, maar tezelfdertijd weten ze maar al te goed dat de situatie in het huidige China niet half zo erg is als wat een deel van de Westerse media ervan maakt. De veelgeprezen objectiviteit van Westerse media ligt minder voor de hand dan mensen hier vaak voetstoots aannemen, dat bleek afdoende uit het hoger geschetste verhaal. Een deel van de media gaat wel degelijk flagrant in de fout. Chinezen schofferen (de column van Sjaak Bral is een recent voorbeeld in Nederland) lijkt voor sommigen wel een hobby. Gelukkig zijn er echter evenveel voorbeelden van journalisten die wel bijzonder genuanceerd en met kennis van zaken berichten over China. Zelf zijn we bijvoorbeeld erg te spreken over de Chinese reportages van Oscar Garschagen voor NRC Handelsblad.

We kunnen het ons overigens echt niet permitteren om de volgende jaren de tegenstellingen met China op de spits te drijven. We hebben het hier over een land dat noch min noch meer cruciaal zal zijn in de 21ste eeuw voor het voortbestaan van deze planeet. We hebben de Chinezen nodig in deze eeuw. En zij ons nog meer. Zowel qua economie, milieu of buitenlandse politiek bestaat echter het risico dat in de toekomst China en het Westen serieus met elkaar gaan botsen. Voorlopig gaat het enkel om een mogelijk scenario, maar het lijkt me duidelijk dat dit Olympisch jaar wel eens een tipping point in de een of andere richting zou kunnen vormen. Voor de verhouding van de Chinese publieke opinie met het Westen is dit in elk geval een cruciaal jaar. Concreet moeten we dus vooral op genuanceerde wijze over mensenrechten leren berichten en de problematiek herleiden tot haar essentie, zonder te vervallen in karikaturen en inaccurate historische vergelijkingen. Anders zullen we ons altijd blootstellen aan het verwijt van dubbele standaarden en Westers cultuurimperialisme, zoals Peerenboom terecht aangaf.

Het beeld dat mensen (inclusief journalisten) hebben van China is nauw verbonden met het concept mensenrechten dat ze hanteren, impliciet of expliciet. Het wordt in dat verband tijd dat we de dingen bij hun naam beginnen noemen hier in het Westen. Als je een iets ruimer concept van mensenrechten hanteert dan gebruikelijk - burgerlijke en politieke rechten - en er bijvoorbeeld ook sociale, ecologische en economische rechten onder verstaat, kom je tot een heel andere analyse. Mensenrechtenschendingen in China hebben dan minder te maken met de aard of de ideologie van het autoritaire politieke regime, maar des te meer met ongebreidelde hebzucht, zeker op de lagere echelons. Of het nu om onteigeningen van arme boeren of het ontduiken van milieu-, veiligheids- en arbeidsnormen gaat, puur winstbejag is vaak de drijfveer. Het Westen heeft in deze analyse evenveel boter op het hoofd als sommige Chinezen, direct of indirect. Of we dat nu graag horen of niet, we zijn betrokken partij: vaak doken Westerse bedrijven maar al te graag in de loopholes van het Chinese systeem, goed wetend dat lokale KP-apparatsjiks er bij hun streven naar economische groei al even weinig baat bij hadden als zij om wetten te doen respecteren. Vandaar bijvoorbeeld de huidige milieuverloedering. De wetten zijn er wel, maar het schoentje knijpt in China vooral bij de lokale implementatie en controle op de uitvoering van centraal uitgevaardigde wetten.

De conclusie ligt dan ook voor de hand. Geef - en dit is dan meer een taak voor mensenrechtenorganisaties - diplomatisch geformuleerde en respectvolle kritiek op mensenrechtenkwesties, maar doe dat op een wijze waarbij duidelijk is dat je China aanmoedigt om verder te gaan op de ingeslagen weg. En wees ook niet te beroerd om toe te geven dat wij in het Westen ook fouten hebben gemaakt en blijven maken. Kritiek gekoppeld aan zelfkritiek dus. Waarom dus geen tweesporencampagne, waarbij je enerzijds pleit voor verdere verbetering van politieke en burgerlijke rechten en anderzijds ook de bereidheid formuleert om zelf eens na te gaan wat Westerse banken (via hun beleggingsfondsen, bijvoorbeeld in vastgoedprojecten) en bedrijven in hun Chinese vestigingen en joint ventures uitspoken. Onze correspondenten mogen er nu toch min of meer vrij rondlopen in de aanloop naar de Spelen. In hoever hebben Europese en Amerikaanse bedrijven de afgelopen paar decennia in China veiligheids-, sociale en milieunormen gerespecteerd? Hoeveel van die onteigeningen werden stilzwijgend door Westerse beleggingen gesponsord? Het is voorlopig gewoon een vraag. We willen niemand aan de schandpaal nagelen, maar het lijkt minstens een onderzoek waard.

Het tijdstip daarvoor is bijzonder opportuun. Niet alleen zoemen mensenrechtenorganisaties in het Westen meer en meer in op de sponsors van de Olympische Spelen, om via hen druk uit te oefenen. Belangrijker is echter dat ook de publieke opinie in China zich blijkens surveys stilaan tegen het Westen begint te keren. Niet alleen omwille van kwesties als Tibet en dergelijke, maar ook wegens milieuschandalen met Westerse bedrijven, die vooral aan de oostkust meer en meer kritiek krijgen van de mondiger wordende middenklasse. Ook Chinezen weten dat het geen toeval kan zijn dat, net op het ogenblik dat de Chinese regering een striktere arbeidswet afkondigt, honderden Amerikaanse bedrijven aan delokaliseren denken. Vestigingen in het oosten van China worden systematisch naar het westen van China verkast, waar ze het (nog) minder nauw nemen met de normen of zelfs naar andere landen als Vietnam, toch ook niet bepaald een democratie. Als Westerse bedrijven en banken een beetje snugger zijn, maken ze van de nood een deugd en zullen ze dergelijke campagne weten te gebruiken om zich te rebranden in China als ‘bedrijven waar het goed is om te werken’. Een kwaliteitslabel dus. Onderschat het aanzuigeffect niet dat van zo’n campagne zou uitgaan op de Chinese samenleving.

Kristof Decoster
Politiek socioloog en medewerker Tropisch Instituut

China - media - berichtgeving

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 5 (mei), pagina 35 tot 44