Log in

Voedselcrisis daagt neoliberale mondialisering uit

We horen het al enkele maanden: de wereld is in de greep van een voedselcrisis. De prijzen van heel wat elementaire voedingsstoffen zijn wereldwijd zo sterk gestegen dat het voor miljoenen mensen dramatische gevolgen heeft: tarwe werd 130% duurder op een jaar tijd, rijst 74%, soja 87% en maïs 31%. Dit is duidelijk een heel andere crisis dan de klassieke hongersnood die voortvloeit uit een droogte in een bepaalde streek, al of niet verbonden aan een lokaal conflict. Bij deze crisis doken dit jaar alleen al in 40 landen rellen en spanningen op: van de Filippijnen over Kameroen naar Haïti tot zelfs in de rijke landen. Als het verlies van koopkracht in België al maanden een hot issue is, heeft dat immers - naast de gestegen energieprijzen - vooral ook te maken met toegenomen voedselprijzen. Die raken vooral armere mensen die een meer dan gemiddeld deel van hun inkomen moeten besteden aan voedsel. Daardoor wijken ze af van de gemiddelde consumptiekorf waarop de Belgische gezondheidsindex, en de daaraan gekoppelde loonaanpassing, is gebaseerd.

In de overgrote meerderheid van landen bestaat er evenwel niet zoiets als een automatische aanpassing van de lonen aan de inflatie. Bovendien werkt in de meeste landen de overgrote meerderheid van de mensen in de informele sector waar sowieso geen lonen worden betaald. Bij hen knagen de hogere voedselprijzen keihard aan het inkomen waarvan grote groepen doorgaans 60 tot 80% aan voedsel besteden. Als de voedselprijzen stijgen, moet meteen de broeksriem aangehaald worden.
Josette Sheeran, hoofd van het VN-wereldvoedselprogramma beschreef de gevolgen van de crisis als volgt: ‘Mensen die met twee dollar per dag moeten rondkomen, halen hun kinderen van school en stoppen met vlees eten. Wie maar 1 dollar per dag verdient, laat naast vlees ook groenten vallen, en eet enkel nog granen. Wie met 50 dollarcent per dag leeft, stevent af op een ramp’.
Volgens de VN heeft de crisis 100 miljoen van ’s werelds armste mensen voedselonzeker gemaakt. De volkenorganisatie spreekt van een stille tsunami. Stil in de zin dat van ondervoeding niet meteen spectaculaire beelden te maken zijn, maar de gevolgen zijn even erg als van een echte tsunami. Eén ding is duidelijk: dit is een crisis die honderden miljoenen mensen keihard raakt. Het is dus voor heel wat regeringen oppassen geblazen: mensen worden niet graag verarmd door schijnbaar anonieme krachten. Eén voorbeeldje maar: de centrumlinkse regering in India, dat al de wereldkampioen van de ondervoeding is, dacht volgend jaar op gunstige verkiezingsresultaten af te stevenen. Toen we er dit voorjaar waren, dreigden hoge voedselprijzen roet in dat eten te gooien.

Oorzaken van de voedselcrisis

Deze crisis komt niet uit de lucht gevallen. Er schuilen structurele oorzaken achter. Zeker, er waren enkele mislukte oogsten (onder andere in Australië en delen van Europa) maar elders was de oogst dan weer uitzonderlijk goed. Er zijn meer fundamentele redenen waarom het aanbod van voedsel de vraag onvoldoende kan volgen.
De vraag naar voedsel neemt toe door de groeiende rijkdom in ontwikkelingslanden, ook in de reuzen India en China. Daar ontstaat een topklasse en een middenklasse die meer geld verdient. En mensen die veel geld verdienen, kunnen niet alleen meer vlees kopen, maar ze doen dat doorgaans ook. En wie vlees zegt, zegt ook graan. Om een kilogram vlees te produceren, heb je gemakkelijk 7 kilogram granen nodig. Vleesproductie werkt dus als een turbo op de graanconsumptie.

Het aanbod volgde de groeiende vraag om verschillende redenen niet. Er is de stijging van de olieprijs en de daarmee samenhangende keuze in steeds meer landen - vooral in de VS en de EU - om de productie van biobrandstoffen op te krikken. In de VS werd een vierde van de maïsoogst geraffineerd tot bio-ethanol. Iedere tank die zo wordt gevuld, is de jaarconsumptie aan maïs van een mens. Op andere plaatsen wordt landbouwgrond waarop vroeger voedselgewassen werden geteeld, gebruikt om er gewassen te telen voor biobrandstoffen. Aanvankelijk werd klimaatverandering aangegeven als reden om de productie van biobrandstoffen op te drijven. De EU wil in zijn 20-20-20-plan in de strijd tegen klimaatverandering 10% van zijn transportenergie uit biobrandstoffen halen. Gaandeweg is echter duidelijk geworden dat biobrandstoffen, zeker die van de eerste generatie, de uitstoot van broeikasgassen eerder bevorderen dan ze te verminderen. Er schuilen andere redenen achter de keuze voor biobrandstoffen. In de Verenigde Staten is het zeker de bedoeling minder afhankelijk te worden van aardolie die uit het Midden-Oosten of Venezuela komt, regio’s waar nogal wat Amerikanen politieke vragen bij stellen. Daarnaast zijn regeringen in rijke landen wát blij om een deel van hun boeren een nieuwe winstgevende teelt te bezorgen. Eens te meer - na de exportsubsidies die boeren in ontwikkelingslanden wegconcurreerden - dreigt het welzijn van onze boeren zo ten koste te gaan van bevolkingsgroepen in ontwikkelingslanden.

Daarnaast is er sprake van een geleidelijke regime change in de landbouwproductie. De voorbije 15 jaar zijn de rijke landen geleidelijk aan geëvolueerd van een regime van vaste voedselprijzen met veel subsidies naar een model dat meer de markt laat werken. Het vroegere regime was in termen van productie zo succesvol dat het leidde tot overproductie en dus tot grote voorraden. Bijkomend negatief gevolg was dat de verleiding ontstond om een deel van die voorraden via exportsubsidies te gaan dumpen op de markten van ontwikkelingslanden. Dat regime doofde de voorbije jaren uit, waardoor de voorraden op het laagste niveau stonden in vele jaren. Daardoor deden de toegenomen vleesconsumptie en de opmars van de biobrandstoffen de prijzen zo snel door het dak gaan.

Even belangrijk maar minder zichtbaar is de jarenlange verwaarlozing van de landbouwsector in vele ontwikkelingslanden. De Wereldbank zette in zijn Development Report 2008 wat cijfers op een rijtje. Vandaag gaat slechts 4% van de officiële ontwikkelingshulp naar landbouw, terwijl 75% van de armen op het platteland leeft in ontwikkelingslanden. Tussen 1980 en 2002 daalde de officiële ontwikkelingshulp voor landbouw van 6,2 miljard dollar per jaar naar 2,3 miljard dollar. In de leningen van de internationale financiële instellingen daalde het aandeel voor landbouw in de loop van de jaren 1990 van 20% naar 9%. In Afrika beneden de Sahara, een regio die voor zijn groei erg afhankelijk is van landbouw, bedraagt de officiële regeringssteun voor landbouw ook niet meer dan 4%. Nochtans levert investeren in landbouw viermaal zoveel op voor de allerarmsten als investeren in andere sectoren. De eigen evaluatiedienst van de Bank erkende dat landbouw de voorbije decennia in de adviezen van de Bank stelselmatig aan belang verloren had en dat zulks fout is: wie de millenniumdoelen wil realiseren, moet op de landbouw focussen, zeker in Afrika.
De Wereldbank en IMF krijgen nu, terecht, bakken kritiek. De Bretton Woods-instellingen zetten talloze ontwikkelingslanden onder druk om de staatsbedrijven die voedsel bij hun boeren opkochten aan stabiele en relatief hoge prijzen, af te schaffen. Dat ontnam boeren inkomen en zekerheid, en knaagde aan de productie. Beide instellingen drongen ook aan op de afbouw van graanbuffervoorraden die in de huidige omstandigheden de schok hadden kunnen verminderen. Het Internationaal Vakverbond en een hele trits ontwikkelingsngo’s wijzen erop dat de Bretton Woodsinstellingen ontwikkelingslanden onder druk zetten om zich te concentreren op exportteelten (om hun schulden af te betalen) waardoor ze voedsel gingen invoeren. Volgens Olivier de Schutter, de Belgische speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel, legden de Bretton Woodsinstellingen de vrijmaking van de handel in landbouwproducten op in de meeste Afrikaanse staten via de beruchte structurele aanpassingsprogramma’s. Daardoor werden de meeste Afrikaanse landen voedselinvoerders en veranderden de plaatselijke eetgewoonten. Rijst kwam in de plaats van locale producten. Nu de prijzen stijgen, neemt de invoerfactuur in de armste landen van de wereld in 2007-08 toe met 56%; dit bovenop een stijging met 37% een jaar eerder. Vraag is dan ook of deze landen hun bevolking zullen kunnen voeden.
De vraag stelt zich des te sterker omdat de Afrikaanse landen op middenlange termijn de grootste slachtoffers van de klimaatverandering dreigen te worden. Daar zal de landbouwproductie het meest lijden onder de verandering, terwijl de bevolking er verreweg het sterkst zal groeien. Van uitdagingen gesproken.
Ten slotte, Olivier de Schutter stelt in zijn eerste rapport dat speculatie vanuit de financiële sector de prijshausse verder heeft aangescherpt. ‘Beleggingsfondsen investeerden in 2007 zo’n 47 miljard dollar in allerlei financiële producten gebaseerd op maïs, soja, tarwe en vee, een verviervoudiging tegenover 10 miljard in 2006. Dit dreef de internationale prijzen van die grondstoffen op gespecialiseerde beurzen zoals die van Chicago, op’. De Schutter vindt dat instrumenten moeten worden ontwikkeld om die speculatieve druk op de prijzen tegen te gaan.

De terugkeer van het landbouwbeleid

Wat moet er nu gebeuren? Men heeft geprobeerd om van deze voedselcrisis een boksmatch te maken tussen aanhangers van meer of minder globalisering. Die discussie is zeker relevant maar vooraleer we daarop ingaan, is het nuttiger te kijken naar maatregelen waarover zo goed als consensus bestaat.
Ten eerste is op korte termijn geld nodig om tussen te komen in noodsituaties. Een organisatie als het Wereldvoedselprogramma heeft, gewoon om nog maar evenveel voedsel uit te delen als vorig jaar, 700 miljoen dollar extra nodig.
Ten tweede riep de Belg Olivier de Schutter, de speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel, de wereld op om alle investeringen in biobrandstoffen te stoppen.
Ten derde - en dat is veruit de belangrijkste maatregel van allemaal - is er consensus dat er gewoon veel meer geïnvesteerd moet worden in landbouw en landbouwbeleid. We mogen immers niet vergeten dat 1 miljard kleine boeren nog gewoon met de hak werkt en vaak zonder enige onderkadering of hulp, in totale isolatie, op zijn land zit te ploeteren.
Zoals gezegd riep de Wereldbank onlangs op om meer te investeren in landbouw. Eerder al had Jeffrey Sachs, als speciale gezant voor de VN-millenniumdoelen, gesignaleerd dat de millenniumdoelen zonder ontwikkeling van de landbouw niet te halen zijn. Olivier de Schutter wil eveneens massale investeringen in de landbouw. De Afrikaanse landen zelf hadden al met elkaar afgesproken om 10% in plaats van 3% van hun budgetten aan landbouw te besteden, een late erkenning dat de stedelijke elites altijd al veel te zwaar hebben gewogen op hun beleid.

Over welke investeringen gaat het dan? Het gaat om landbouwbeleid dat de boeren productiever maakt door hen toegang te geven tot krediet, betere zaden, meststoffen en technologie allerhande. Een beleid ook dat de boeren beter opleidt (algemeen en inzake landbouw) en hen gezondheidszorg biedt: een gezonde en gevormde persoon is nu eenmaal productiever. De aanleg van plattelandswegen is ook cruciaal want zo kunnen boeren hun producten naar lokale markten brengen. Op die manier kunnen ze hun inkomen wat opkrikken en een deel daarvan investeren in hun productiviteit. Wel is er discussie - en dat is een verschil met het landbouwbeleid dat in Europa na de Tweede Wereldoorlog is gevoerd - in hoeverre het beleid moet worden gericht op kleinschaliger en duurzamer landbouw dan wel schaalvergroting en intensivering.
Hoe dan ook, een deel van die maatregelen lijken evidenties maar de boeren zijn politiek gezien zo’n zwakke groep dat ze er niet in geslaagd zijn voldoende te wegen op het nationale en internationale beleid. Al bij al hebben we het hier dus over de cruciale rol die de overheid te spelen heeft inzake landbouw, een zoveelste illustratie dat ‘de markt en niets dan markt’ van het neoliberalisme stilletjes aan het doodgaan is.
Ook internationaal is er nood aan een actiever publiek beleid. De wonderzaden van de groene revolutie waren het resultaat van wetenschappelijk onderzoek gefinancierd door overheden. Die zaden deden de opbrengsten in de jaren 1960 en 1970 exploderen - zij het vooral bij boeren die de noodzakelijke investeringen konden doen. Maar nieuwe zaden hebben veel weg van een griepvaccin. Je moet ze constant aanpassen aan nieuwe ziektes en bedreigingen, anders verliezen ze gaandeweg hun kracht. Toen in 1966 de rijstvariëteit IR8 werd geïntroduceerd, was ze goed voor 10 ton per hectare. Nu is dat nog amper 7 ton. Met wat slechte wil, en zin voor dramatiek, zou je kunnen zeggen dat de ideologie van het neoliberalisme heeft geleid tot een verwaarlozing, die de kracht van de zaden liet teloorgaan.
Zo lezen we in de terzake onverdachte bron The Economist: ‘In de jaren tachtig begonnen regeringen onderzoek in de groene revolutie te verminderen, omdat ze dachten dat het probleem opgelost was, of omdat ze het aan de private sector wilden uitbesteden (al of niet onder druk van IMF en Wereldbank die privatisering stimuleerden, jvd). Maar veel van de privébedrijven die de staatsonderzoekers moesten gaan vervangen, bleken winsthongerige monopolisten te zijn’.
Norman E. Borlaug, een van de onderzoekers die aan de wieg stonden van hoogproductieve zaden die aan de basis lagen van de groene revolutie, waarschuwde de wereld in april van dit jaar in de Herald Tribune voor gebrek aan publiek onderzoek: ‘Het voorbije decennium hield de mondiale tarweproductie geen gelijke tred met de bevolkingstoename of de groeiende vraag per hoofd naar tarweproducten in veel opkomende landen. Tezelfdertijd daalde de internationale steun voor tarwe-onderzoek sterk. Het gevolg was dat de wereldtarwestocks in 2007-08 als percentage van de vraag naar het laagste niveau zakten sinds 1947-48 en dat prijzen geleidelijk naar het hoogste niveau in 25 jaar klommen’. Borlaug wijst op het gevaar van nieuwe schimmelstammen, Ug99 genaamd (omdat ze in 1999 in Oeganda ontdekt werden). Die zijn volgens hem veel gevaarlijker dan de schimmels waartegen hij tarwe destijds bestand maakte en die in de jaren 1950 tot 20% van de Amerikaanse oogst vernietigden. Aanvankelijk steunde de regering-Bush het onderzoek naar antwoorden tegen de nieuwe ziekte, maar vorig jaar stopte ze de financiering. Borlaug vreest de gevolgen.

Pro of contra mondialisering

Iedereen erkent dat het uitdoven van de Europese (en in mindere mate de Amerikaanse) aanpak met veel subsidies en overschotten de crisis scherper heeft gemaakt. Sommigen menen dat dit slechts een overgangsverschijnsel is. Dat we nu even moeten doorbijten zodat boeren kunnen reageren op de nieuwe prijssignalen opdat er een nieuw evenwicht kan ontstaan. Angelsaksische landen zoals de VS, Nieuw-Zeeland of Groot-Brittannië zitten op die lijn, evenals de grote agrobedrijven. Ook ontwikkelingslanden met een sterke agrosector en grootschalige bedrijven geloven nogal in die aanpak: laat die landen die het goedkoopst graan, soja of kippen kunnen produceren in de wereld, dat doen voor de rest van de wereld. En dan zal iedereen voldoende en goedkoop voedsel hebben. Die grootschalige landbouw zal uiteraard gebruik maken van de meest geavanceerde technologieën, inclusief de genetisch gemodificeerde gewassen.

Daartegenover staat de visie die pleit voor een landbouwsysteem met regionale blokken. De huidige Franse Minister van Landbouw en voormalig Eurocommissaris Michel Barnier liet begin mei weten dat de huidige voedselcrisis bewijst dat de Europese aanpak eigenlijk de juiste is en dat andere regionale blokken beter ook zo’n beleid voeren.
Zeker is dat de Europeanen na de Tweede Wereldoorlog een uitgesproken landbouwbeleid hebben gevoerd - scholing van boeren, toegang tot krediet en technologie, infrastructuren, etc. - dat gepaard ging met bescherming van de eigen boeren tegen buitenlandse competitie. Zorg er door middel van invoertarieven voor dat de Europese boeren de Europese bevolking kunnen voeden en dat de competitie min of meer buiten blijft. Op die manier heeft Europa de voorbije 60 jaar de eigen boerenstand en voedselproductie enorm weten te ontwikkelen - lees: de productiviteit per boer werd enorm opgedreven en ondertussen daalde het aantal boeren stelselmatig. Ondanks dat succes konden Europese boeren niet in alle sectoren wedijveren met de meest competitieve regio’s ter wereld en daarom opteerde de EU voor protectionisme. Om voldoende goedkoop voedsel te hebben en de eigen boerenstand een stabiel inkomen te bezorgen dat niet te ver op de rest van de bevolking achterop hinkte.

Naarmate dat Europese landbouwbeleid, met de opgang van het neoliberalisme in de jaren 1980 en 1990, in de Wereldhandelsorganisatie onder druk kwam, begon de Europese Commissie de multifunctionaliteit van landbouw en landbouwbeleid te benadrukken. Landbouwers zorgen niet alleen voor voedsel, maar onderhouden ook het milieu en het landschap en vervullen tevens socio-culturele functies (boerentradities, hoevetoerisme, kinderboerderijen). Boeren kregen inkomenssteun om al die bijkomende functies te verrichten en werden tezelfdertijd betaald om op een deel van hun land niets te verbouwen. Er kwamen ook maatregelen die het dierenwelzijn enigszins moesten beschermen. De EU verzette zich ook tegen het gebruik van hormonen, tevens een manier om de Amerikaanse concurrentie buiten te houden. Op die manier kon de EU de inkomenssteun van boeren op peil houden, zonder gebruik te maken van vormen van overheidssteun die in de Wereldhandelsorganisatie als te handelsverstorend worden aangemerkt.
Er zitten ongetwijfeld protectionistische motieven achter die multifunctionaliteit, maar dat betekent niet dat het een lege doos is. Die visie wordt immers door meer en meer mensen gedeeld. De International Assessment of Agricultural Knowledge, Science and Technology for Development (IAAST) is een samenwerkingsverband tussen regeringen en ngo’s uit vele landen. In zijn recente rapporten zegt de IAAST zeer expliciet dat we landbouw dezer dagen niet enkel meer kunnen afwegen aan de productiviteit per hectare. In een wereld waar water schaarser wordt en er niet veel ongebruikte landbouwgrond meer overblijft, wordt de verantwoordelijkheid van de landbouwsector voor het verstandige beheer van die schaarse middelen almaar belangrijker. Wat ben je met een hyperproductieve landbouw die ons water bezoedelt of de grond verzilt? De opzettende klimaatverandering versterkt nog de verantwoordelijkheid van de landbouw voor het milieu.
Verdedigers van kleinschalige landbouw wijzen er dan weer op dat kleine boeren minder milieuschade aanrichten. Of dat altijd klopt, is onduidelijk, maar zeker is dat in nogal wat ontwikkelingslanden meer dan de helft van de bevolking nog op het platteland leeft. Het behoud van tewerkstelling en inkomen op het platteland is daar dus van cruciaal belang, ook om verdere stadsvlucht te voorkomen en zo de leefbaarheid van de steden op peil te houden.

Persoonlijk geloven we niet dat die tientallen miljoenen boeren die vooral werken met de hak, veel te winnen hebben bij toegang tot de wereldmarkt. Die boeren geraken al amper met hun producten in de eigen stad (bij gebrek aan wegen bijvoorbeeld). Of omdat ze amper voldoende produceren voor zichzelf, bij gebrek aan landbouwbeleid, laat staan dat ze hoge phytosanitaire normen die de EU oplegt, zouden kunnen realiseren. Wie wil voorkomen dat die kleine boeren massaal naar de steden trekken, moet hen helpen om productiever te worden en hen toelaten dat ze hun eigen steden en dorpen bevoorraden. Dat zal in heel wat gevallen veronderstellen dat de lokale markt wordt afgeschermd tegen invoer van voedsel. Een aantal Afrikaanse landen is onderhand echter zo afhankelijk geworden van buitenlands voedsel dat je dit niet meer van de ene dag op de andere kan doen. Maar ze kunnen wel nog in die richting evolueren. Alleen op die manier kunnen de kleine boeren met hun hak hun inkomen opkrikken en zullen meer mensen toch nog een toekomst op het platteland vinden. En zullen er dus iets minder mensen naar de steden trekken om er het leger van mensen te vervoegen zonder (of met zeer weinig) werk. Het is uit dat stedelijke leger dat dan weer mensen emigreren naar Europa - men emigreert immers niet vanuit dorpen. Een verstandig landbouwbeleid voeren, ook in de ontwikkelingslanden, heeft dus almaar meer met ons te maken. Daarom denk ik dat het onverstandig is dat de rijke landen proberen om hun visie op te dringen, bijvoorbeeld via de Economische Partnersschapsakkoorden die de EU aan de ACP-landen zoekt op te leggen. Wel zinnig zijn diepgaande discussies en zoektochten naar consensus: wat is het beste beleid om in die landen de landbouw te ontwikkelen en zo een basis te leggen voor een algemene ontwikkeling?

Komt er een echte reactie?

Wat zal er nu gebeuren? Olivier de Schutter vindt het absoluut noodzakelijk dat alle landen hun beleid veel beter op elkaar afstemmen. Als voedselimporterende landen hun invoertarieven verlagen om de prijzen te drukken, maar de voedseluitvoerders tezelfdertijd hun uitvoertarieven verhogen om zo meer voedsel in eigen land te houden, heffen ze elkaars beleid op. Voor de Schutter is deze voedselcrisis het gevolg van een combinatie van allerlei daden en beleidsopties die op zich het recht op voedsel niet bedreigen, maar dat allemaal samen wel doen. De Schutter wil de betrokkenen niet langer toestaan de gevolgen van hun daden te negeren. Hij bepleit een veel verdergaande internationale coördinatie van het beleid. Hij wijst erop dat de mensenrechtenverdragen de landen eigenlijk verplichten samen te werken om het recht op voedsel te garanderen. Hij wil de kwestie besproken zien op een speciale zitting van de VN-mensenrechtenraad. Of dat zal leiden tot een krachtdadig optreden, valt te bezien. Op het moment dat we dit schrijven, is het onduidelijk. Als die brede coördinatie er niet komt, signaleert dat tevens hoe ernstig de wereld het meent met de millenniumdoelen.
Het zou me niet verbazen indien deze crisis het vrijemarktkamp schade berokkent. Laat ons het wedervaren van Mexico in de Noord-Amerikaanse vrijhandelszone bekijken. Heel wat Mexicaanse maïsboeren werden weggeconcurreerd door hun veel efficiëntere collega’s uit de VS. Gevolg: Mexico ging 30% van zijn maïs invoeren. Geen probleem, tot de Amerikaanse regering om strategische redenen besliste om een kwart van de Amerikaanse maïs te gebruiken als biobrandstof. Daardoor liep de maïsprijs op en kreeg je in Mexico tortillarellen. Thailand, ’s werelds grootste uitvoerder van rijst, voerde dan weer exportquota in, wat ook weer de prijs opdreef.
Deze voorbeelden tonen aan dat voedsel een strategisch product blijft en dat het een zeker vertrouwen vergt om je bevoorrading van externe spelers te laten afhangen. Als die plots iets beslissen waardoor je voedsel duurder en schaarser wordt, is dat op zijn zachtst gezegd onaangenaam. In de eengemaakte EU-markt speelde dat veel minder omdat er in de Unie een sterke politieke sturing bestaat. Maar wat kunnen de Mexicanen tegen de VS-keuze voor biobrandstoffen inbrengen? Of de rest van de wereld tegenover de Thaïse quota? Zolang de wereld niet over sterke socio-economische sturing beschikt - een socio-economische veiligheidsraad of iets dergelijks - blijft er altijd een restantje risico aan verbonden om je voedselbevoorrading zeer sterk van de wereldmarkt te laten afhangen.
Juist omdat mensen geen voedsel kunnen missen, leiden veranderingen in voedselprijzen meteen tot spanningen die dan weer regeringen kunnen bedreigen. Het is duidelijk dat de huidige voedselcrisis regeringen hieraan herinnerd heeft. Dat kan hun enthousiasme om qua voedsel al te veel af te hangen van de wereldmarkt dempen. Zeker is dat de negatieve gevolgen van de (via IMF en Wereldbank) door het Westen opgelegde handelsliberalisering voor Afrikaanse landen - veranderde eetgewoonten, meer invoer van voedsel, zwakke afzetmogelijkheden voor de eigen boeren - nu duidelijker dan ooit zijn.
Ik acht het dus niet uitgesloten dat het kamp dat kiest voor meer regionale blokken met een toenemende nadruk op duurzaamheid en oog voor kleine boeren, versterkt uit deze crisis komt. Dat dus de oproep van de Franse landbouwminister bij ontwikkelingslanden niet in dovemansoren valt. Die coalitie tussen regeringen in Noord en Zuid kan dan natuurlijk steun vinden bij een deel van de ontwikkelingsngo’s en de boerenbewegingen, die al jaren pleiten voor een ander landbouwmodel dan dat waar de marktfundamentalisten van de WTO en het IMF op aanstuurden. Ndiougou Fall van de West-Afrikaanse boerenorganisatie Roppa, waar onze ngo’s en boerenorganisaties mee samenwerken, zegt tenslotte al sinds 2002 dat de West-Afrikanen eigenlijk gewoon de kans vragen om hetzelfde te doen wat de EU heeft gedaan.
Als er een stop komt op de mondialisering van de landbouwproductie- en handel - landbouw uit de WTO? - hoeft dat niet per se te betekenen dat in andere sectoren hetzelfde gebeurt, al valt het ook niet uit te sluiten. Tenslotte ligt de grote knoop van de huidige WTO-onderhandelingen in de toegevingen die sommige ontwikkelingslanden van de EU en de VS eisen inzake landbouw - toegang tot hun markten, verminderen van subsidies - in ruil voor meer markttoegang van de EU en de VS in de industrie en de diensten. Als de EU deze crisis aangrijpt om die deal te verwerpen, zoals Barnier toch enigszins suggereert, liggen de WTO-onderhandelingen helemaal plat. De voedselcrisis raakt dus wel degelijk aan de toekomst van de mondialisering.

John Vandaele
Journalist bij MO\*

voedselveiligheid - neoliberalisme - mondialisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 5 (mei), pagina 55 tot 62