Abonneer Log in

Hoe de Europese sociaaldemocratie haar wonden likt

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 7 (september), pagina 40 tot 43

Quizvraag. In welk land is de sociaaldemocratie er het beroerdst aan toe: in Duitsland, Engeland, België, Nederland of Frankrijk? Als ik moet afgaan op de conferentie- en seminaruitnodigingen die me de laatste tijd uit die landen bereiken, dan moet het antwoord luiden: het is zo’n beetje overal even beroerd.

Het lijkt wel of we in de tijdmachine zijn teruggeschoten naar begin jaren 1990, toen er ook zo’n onheilszwangere crisisstemming over de Europese sociaaldemocratie lag. Het waren de tijden dat de Britse Labour Party een decennium lang totaal onverkiesbaar bleek tegenover de conservatieven van Margaret Thatcher en dat de Duitse SPD, kanselierskandidaat na kanselierskandidaat, stukliep op het grote gestalte van Helmut Kohl. De Nederlandse Volkskrant had een vrolijke themaserie over de PvdA lopen onder de titel De Partij van de Aftocht. En de Franse socialisten lagen prehistorisch in de kling met trotskisten en communisten.
Het was de periode net voorafgaande aan de Derde Weg, die half-programmatische, half electoraal-opportunistische aanpassing van de sociaaldemocratie aan nieuwe tijden en omstandigheden. Die heeft, zoals we nu achteraf kunnen vaststellen, een enorm geloofwaardigheidsprobleem van de sociaaldemocratie bij zijn achterban veroorzaakt. De al dan niet goedbedoelde ‘modernisering’ van de verzorgingsstaat (‘behoud door aanpassing en hervorming’) is door velen waargenomen als een neoliberale, asociale afbraak van de verzorgingsstaat. Goede bedoelingen stuitten onverhoopt op de keiharde (culturele) ongelijkheidstrends van de nieuwe globaliserende wereld. Dat leverde rake munitie voor het verhaal van het linkspopulisme. Tel daarbij de onrust rondom slecht begeleide massamigratie, Europa’s ondermijning van de nationale staat, de beschavingscrisis van solidaire omgangsvormen en de onbeheerste opmars van het rechtspopulisme, dan wordt duidelijk wat zoal de ingrediënten zijn van de niet bijster florissante staat waarin de Europese sociaaldemocratie zich bevindt.
De sociaaldemocratie lijkt weer terug bij af. De magie van de magical return of social democracy in a liberal era, naar de ondertitel van een boek van de Wiardi Beckman Stichting en de Friedrich Ebert Stiftung in die dagen, lijkt helemaal te zijn verdampt. Terug zijn de sombere, navelstarende conferenties over de crisis van links, de existentiële nood van de Europese sociaaldemocratie en wat dies meer zij.

Quel avenir pour la gauche européenne? La social-démocratie européenne au carrefour, was de titel van de conferentie in Parijs waar ik midden juni mijn verhaal moest doen over hoe de PvdA (tijdelijk, natuurlijk) in de tang zit van links- en rechtspopulistische bewegingen. Dit internationaal colloquium was georganiseerd door het Centre Interdisciplinaire de Recherche Comparative en Sciences Sociales (CIR), en omvatte een aantal van de belangrijke denkers van de Parti Socialiste.
Nou ja denkers? Wat opvalt aan Franse socialisten is dat men het altijd alleen maar over personen en de strijd tussen politieke leiders heeft. Het hele denken over de politiek staat in het teken van les Éléphants. Welke Olifant wordt de nieuwe partijleider, en daarmee misschien presidentskandidaat: Delanoë, Aubry, Fabius of toch Ségolène Royal? Aan dat leiderschapkwartet wordt het ideeën- en koersdebat geheel onderschikt gemaakt. Blijkbaar doortrekt het Gaullistische presidentiële denken zelfs geheel en al een partij die in beginsel niets van het Franse presidentiële stelsel moet hebben.
Toch is die fixatie op politiek als leiderschapsstrijd geen Franse specialiteit. Eerder is de Nederlandse PvdA hierop nogal een uitzondering. In echt volwassen landen en partijen is sprake van een permanent leiderschapsgevecht. Elke partijleider wordt steeds uitgedaagd door minstens twee anderen die in de coulissen met hun Hausmacht klaarstaan. Ik schat dat de doorsnee politicus in dat soort landen minstens 70% van zijn energie besteedt aan partij-interne burgeroorlogen. Het land regeren doe je erbij. Dat is iets voor de weekenden.
Zo speelde zich vlak voor de zomer in Oostenrijk een bijna-hilarische coup af in onze zusterpartij SPÖ. De zittende SPÖ-Bondskanselier Alfred Gusenbauer werd daar door partijgenoten politiek letterlijk uit zijn ambt gezet, om zo via nieuwe verkiezingen een andere, meer populaire leider, die goed lag bij de Kronen Zeitung (de grootste tabloid van Europa) als kanselier namens de SPÖ te kunnen aantreden.
De SPD in buurland Duitsland wordt geteisterd door een mix van een programmatisch-inhoudelijke regeercrisis en een leiderschapsstrijd. ‘Falend leiderschap, ontbrekende visie, gebrek aan een helder en consistent programma, een zwabberende koers tegenover de Linkspartei van Oscar Lafontaine’, zo vatte Die Zeit onlangs (4/6/2008) de conditie van onze grote Moederpartij, de Duitse SPD, handzaam samen. En dat in een artikel met als alleszeggende titel: Keine Hoffnung, nirgendwo. Inderdaad een echo uit de jaren 1990, toen de Duits-Engelse socioloog Ralf Dahrendorf ‘het einde van de sociaaldemocratische eeuw’ had vastgesteld. Nu heet het in Die Zeit: ‘Noch crisisretoriek, noch vermaningen noch mooipraterij kunnen de sociaaldemocraten stabiliseren. De kiezers wenden zich af, de SPD daalt week na week in de populariteitspeilingen, de val naar beneden lijkt bodemloos te zijn. De sociaaldemocraten mogen dan trots zijn op hun 145-jarige geschiedenis, maar onsterfelijk is de partij niet’.
Zoals de Nederlandse PvdA gemangeld is geraakt op, wat in Vlaanderen zo mooi, de Nieuwe Breuklijn heet, zo geldt iets vergelijkbaars voor de Vlaamse sp.a. Het socialistische monsterverbond tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden, intellectuelen en arbeidersklasse, is uit elkaar gespat op die nieuwe breuklijn die veel meer cultureel-ethisch, dan links/rechts of sociaaleconomisch van karakter is. Vooral de opleidingsgraad en de daarmee verbonden culturele attitudes maken uit aan welke kant men van deze cultureel-mentale breuklijn staat en hoe men zich verhoudt tot vraagstukken van postmaterialisme, migratie, Europa of nationale identiteit. In België lijkt er een nieuwe polariteit te zijn ontstaan rondom het proces van liberale modernisering tussen de Verhofstadt-marktliberalen en de meer op traditie-betrokken christendemocraten, een polarisatie waarin de sp.a geen eigen herkenbare rol lijkt op te eisen. Verder is de sp.a. in haar met taboes beladen conflict met al hetgeen waar het Vlaams Belang voor staat getroffen, en intern verdeeld door wat David van Reybrouck in zijn recent verschenen boek Pleidooi voor populisme uiteenzet: ‘In Vlaanderen en Nederland groeit de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden. Terwijl de hoogopgeleiden kosmopolitisch de globalisering bezingen, scharen de laagopgeleiden zich achter nieuwe vormen van nationalisme. (…) Voor de socialist is de geëmancipeerde arbeider een soort monster van Frankenstein geworden dat zich tegen zijn maker heeft gekeerd toen het op eigen benen kon staan. De morele denkbeelden van de laaggeschoolden staan haaks op het progressieve gedachtegoed. Anders dan in Nederland met zijn SP, had je als laaggeschoolde arbeider in Vlaanderen ter linkerzijde niets meer te zoeken. De socialisten, en zeker de groenen, waren voortaan bevolkt door mannen en madammen met een diplom’. (NRC Handelsblad, 26/08/2008) De Vlaamse kwestie, traditie versus moderniteit, rechtspopulistische ressentimenten tegen etniciteit en religie, de culturele elite tegenover het ‘klootjesvolk’: het zijn allemaal thema’s buiten de klassieke sociaaleconomische denkpistes van de sociaaldemocratie. Een partij als de sp.a, hoe moedig (met een vleugje opportunisme) men zich ook steeds heeft proberen te vernieuwen en verfrissen, van toekomstcongressen via kartelvorming tot aan de marketing van de eigen naam, is het nog altijd niet gelukt om ten opzichte van de vele breuklijnen van de Belgische politiek (de breuklijn die loopt door de federale staat; de breuklijn van de moderne globalisering tussen liberalen en confessionelen; en die tussen laag- en hoogopgeleiden rondom culturele oriëntaties) haar houding vertrouwenwekkend te bepalen. En tot die tijd zal zij gedoemd zijn een marginale rol te spelen in de Belgische politiek.
En Engeland dan? De Britse New Labour blaakte tot voor kort altijd van zelfvertrouwen. Daar waar Frankrijk en Duitsland losers van de Anglosaksische globalisering waren, was Londen de booming hoofdstad van de globalisering. The City streefde Wall Street voorbij; West End werd drukker bezocht dan Broadway en London trok, na Silicon Valley, de meest creatieve en best opgeleide migranten ter wereld aan. Tot bleek dat ‘Londonistan’ ook huisgemaakte terroristen voortbracht en het succesverhaal van Londen als global capital een enorme, on-sociaaldemocratische ongelijkheid als schaduwzijde kent.
Vroeger ging de continentale sociaaldemocratie nog wel eens deemoedig op bezoek bij Tony Blairs Britse succesmodel (al was er altijd de verdenking van ideologisch zelfverraad); sinds kort komen er ook uit de partij van Gordon Brown conferentie-uitnodigingen vol blues. ‘Recent election results in Italy and the UK have only confirmed what some observers have already pointed out: the phase of successful social democratic modernization that began in the mid-1990s is over.

Wat is er met links en de sociaaldemocratie aan de hand? 100 oorzaken, 100 verklaringen, 100 excuses. Daar vallen boeken over vol te schrijven. Voor zover links in het defensief zit, komt dat doordat links noch de aanjager van de liberale globalisering is (maar een halfslachtige meeloper), noch de reactie daartegen representeert (dat is de nationale, populistische, xenofobe reflex). Dus links is noch actie noch reactie. En dat is een zwakke positie.
En voor zover links in het offensief zit, is het op het terrein van identiteitspolitiek. Dat was goed te zien aan de primaries van de Democraten in de Verenigde Staten. Daar stonden, in de personen van Hillary Clinton versus Barack Obama, de gender-emancipatie van vrouwen en de minderhedenemancipatie van ‘zwarten’ tegenover elkaar. Met als cultuurpolitieke kernvraag ook voor de Amerikaanse (Sociaal)Democraten: waar zullen de stemmen van Joe Six-pack (de ‘witte lageropgeleide middenklasse’) uiteindelijk naartoe gaan in reactie op de substitutie van ‘klassenpolitiek’ door ‘identiteitspolitiek’? Kunnen de Democraten zich opnieuw verbinden met ‘Middle America’?
Op één van die Sombermansconferenties van de laatste tijd kwam een Duitse professor met een verlichte voorstelling van zaken. Vrij naar de oorlogsstrategieën van Von Clausewitz stelde hij zich de Europese sociaaldemocratie voor als een leger dat, in de verdediging gedrongen, zich in kampementen terugtrekt om de wonden te likken en weer op krachten te komen. Zo ook herstelt de Europese sociaaldemocratie zich momenteel im Winterlager. Dat is een mooie gedachte om een vrolijke winter mee in te gaan. Tijd heelt alle wonden.

René Cuperus 1
Medewerker Wiardi Beckman Stichting, Amsterdam

Noot
1/ Deze bijdrage werd eerder in iets andere vorm gepubliceerd in Socialisme & Democratie, het maandblad van de sociaaldemocratische denktank, de Wiardi Beckman Stichting in Amsterdam.

sociaaldemocratie - links - socialisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 7 (september), pagina 40 tot 43