Abonneer Log in

In de rue des chomeurs

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 1 (januari), pagina 29 tot 32 en 41 tot 49

De toestand van de Brusselse arbeidsmarkt wordt door vele commentatoren en werkveldorganisaties als een tikkende tijdbom omschreven.1 De hoge ongekwalificeerde uitstroom uit het onderwijs en de precaire werkgelegenheidssituatie van de kansengroepen leiden tot een overconcentratie van kortgeschoolde - vaak allochtone - jongeren met weinig tewerkstellingsperspectieven. Arbeidsmarktdeskundigen én beleidsmakers uit Vlaanderen vertonen weinig begrip voor deze toestand en bekijken het Brusselse arbeidsmarktbeleid soms enkel vanuit hun eigen stoel. Zij erkennen vaak en terecht het probleem om iets te doen aan deze tikkende tijdbom maar de vraag stelt zich of men bereid is het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de juiste wapens te geven - pro-actief én reactief - om deze persistente knelpunten aan te pakken. Daarvoor zou men best eens de toestand bekijken vanuit een Brusselse stoel.

DE BRUSSELSE ARBEIDSMARKTSITUATIE

De Brusselse paradox

Brussel is de belangrijkste tewerkstellingspool van ons land. Paradoxaal is Brussel ook de regio met de hoogste werkloosheid én de laagste werkzaamheidsgraad. De Brusselse werkloosheidsgraad bedraagt 22,6% tegenover 7,7% in Vlaanderen; de werkzaamheidsgraad in Brussel ligt op 48,8% tegenover 65,1% in Vlaanderen.De werkzoekendenpopulatie in Brussel wordt gekenmerkt door een hoog aandeel van langdurig werklozen. Twee derden van de werkzoekenden is méér dan één jaar werkloos; bijna één op vijf is minstens vijf jaar werkloos.

Qua arbeidsplaatsen (Tabel 2) scoort Brussel zeer goed maar de Brusselse banen worden voor meer dan de helft ingevuld door pendelaars uit Vlaanderen en Wallonië.Uit de gegevens van de arbeidskrachtentelling 2006 kan men tevens afleiden dat er een heel beperkte uitgaande pendelbeweging is vanuit Brussel naar de andere gewesten. De recente samenwerking tussen VDAB en ACTIRIS in het kader van de interregionale mobiliteit levert een eerste maar vooralsnog voorzichtige kering van deze tendens op. Zo resulteert deze samenwerking op korte termijn in een zekere tewerkstelling van circa 350 Brusselse werkzoekenden in de (Vlaamse) rand rond Brussel. Het reëel bereik wordt echter hoger ingeschat. Bij alle Vlaamse bedrijven die meewerkten met VDAB en ACTIRIS in het kader van de interregionale samenwerking werden immers het afgelopen jaar liefst 1740 Brusselse werkzoekenden aan het werk gezet. De institutionele samenwerking zorgt dus voor een bredere mobilisering.

De achterliggende oorzaken van de dubbele geografische mismatch zijn in hoofdzaak drieërlei. Vooreerst corresponderen het arbeidsaanbod en de arbeidsvraag in Brussel onvoldoende tot niet. Brussel is zowel voor Europa, België als Vlaanderen het belangrijkste beslissings- en administratieve centrum. Heel wat internationaal gerichte bedrijven hebben er een locatie omwille van de Europese rol van Brussel. Hoge scholing is een constante vereiste in de vacatures van deze bedrijven en de verschillende administraties. De arbeidsreserve in Brussel is daarentegen vaak kortgeschoold; twee op drie werkzoekenden zijn volgens ACTIRIS gekwalificeerd als laaggeschoold.

Ten tweede stelt zich de thematiek van de méértaligheid en de kennis van het Nederlands. Deze vereisten duiken niet alleen op in de Brusselse vacatures maar ook in de vacatures in de Rand. Zo toonde een bevraging in verband met vacatures in het kader van het luchthavenactieplan van Zaventem aan dat er een gigantische kloof inzake taalcompetenties is. Van de vacatures waarvoor de taalkennisvereisten gekend zijn, is 82% niet overeenstemmend met de taalkennis van de Brusselse werkzoekenden. Het betreft hier vacatures waarvoor men hetzij drietalig moet zijn, hetzij zeker het Nederlands of het Engels moet kennen. ACTIRIS geeft aan dat in Brussel slechts 10% van de werkzoekenden een hoog, mondeling niveau heeft inzake kennis van de tweede landstaal. Ook op dit punt is er dus een totaal verschillend gezicht aan vraag- én aanbodzijde. Ten slotte is er de gebrekkige geografische mobiliteit als remmende factor. Zo wijst het luchthavenplan op het ontbreken van passend openbaar vervoer dat inspeelt op specifieke situaties (ploegenarbeid, verspreide bedrijventerreinen, enz.). Bovendien zijn werkzoekenden met een zwakkere arbeidsmarktpositie ook weinig ‘auto’-mobiel.

Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt

De zwakke schoolprestaties van Brusselse jongeren en fenomenen als spijbelen, schoolachterstand en ongekwalificeerde uitstroom vinden inzonderheid hun oorsprong in de mix van kansarmoede, immigratie en andere grootstedelijke problemen. De PISA-resultaten illustreren deze correlatie:
- de economische positie van de ouders en generatiearmoede straalt af op de schoolresultaten van de kinderen;
- de taalachterstand van kinderen uit allochtone gezinnen is schadelijk voor hun schoolloopbaan;
- een andere thuistaal beïnvloedt de schoolse prestaties negatief;
- de Brusselse scholen hebben geen goede reputatie en daardoor is de rekrutering van onderwijskrachten moeilijk.
Hoewel er nauwelijks publieke cijfers bekend zijn over het spijbelgedrag in Brussel blijkt toch dat er zich hier een duidelijk maatschappelijk probleem stelt. Zo staat het onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest binnen de Vlaamse Gemeenschap aan kop van alle ‘provincies’ wat betreft het aantal spijbelaars in het voltijds onderwijs, namelijk 1,52% (wat minstens dubbel zoveel is dan elders in Vlaanderen). Voorts kunnen 6000 Brusselse schoolplichtige jongeren niet getraceerd worden in de onderwijsdatabanken; wat recent aanleiding gaf tot een gemeenschappelijk actieplan in beide Gemeenschappen inzake de bestrijding van schoolverzuim in Brussel.

Ook de hoge on- en laaggekwalificeerde uitstroom kenmerkt de Brusselse arbeidsmarkt. Vlaanderen telt 9,3% 18-24-jarigen met maximaal een diploma lager secundair onderwijs, in Brussel stijgt het aandeel tot 20,2%. Vooral jongens scoren slecht: in Brussel heeft 23,4% jongens maximaal een diploma lager secundair onderwijs.

Grafiek 1 illustreert de continue dalende trend inzake ongekwalificeerde uitstroom in Vlaanderen enerzijds en de recent terug oplopende ongekwalificeerde uitstroom in Brussel.

Grafiek 1: Evolutie van de ongekwalificeerde uitstroom naar regio (jaargemiddelden 1999-2007)

Werkloosheid van allochtonen

De dramatische Brusselse werkzoekendensituatie is sterk verweven met de hoge werkloosheid van allochtonen. De initiële instroom in de jaren 1960 en begin jaren 1970 kwam op gang als antwoord op de vraag naar laaggekwalificeerde arbeiders. De sterk teruglopende vraag naar deze profielen stuit in Brussel op een groeiende groep laaggeschoolde werkzoekenden. Aan de snelle toename van de laaggeschoolde arbeidsreserve hebben zowel de zwakke schoolse output als de continue instroom van allochtonen debet.
De VDAB-definitie kijkt naar de origine van de personen. In Tabel 5 wordt een striktere definitie gehanteerd op basis van nationaliteit. De vergelijking tussen de gewesten illustreert het veel groter aandeel allochtonen in Brussel dan in de andere gewesten. Van de Belgische bevolking in 2006 heeft 8,6% een andere dan de Belgische nationaliteit. In Vlaanderen, Wallonië en Brussel is dit respectievelijk 5,2%, 9,2% en 26,9%. Het verschil tussen Vlaanderen en Wallonië wordt grotendeels verklaard door het veel hogere aantal (en aandeel) Europeanen in Wallonië. Ongeveer twee derde van de niet-Belgen in België heeft de nationaliteit van een Europees land. In Vlaanderen en Wallonië heeft 1,9% van de bevolking de nationaliteit van een land buiten de Europese Unie, met een even groot aandeel Marokkanen (0,4%) en Turken (0,3%). Ongeveer 11% van de Brusselse bevolking heeft een niet-Europese nationaliteit: 4% is Marokkaans en 1% is Turks.

De socio-economische positie van allochtonen - hier gedefinieerd als niet-EU op basis van nationaliteit - is bijzonder ongunstig (zie Tabel 6). In Vlaanderen heeft 2,2% van de totale bevolking in de leeftijdstranche 15-64 jaar een niet-EU-nationaliteit. Binnen de groep van de werkenden is hun aandeel fors lager (1,4%) en bij de werkzoekenden fors hoger (8,2%). In Brussel valt het groter aandeel allochtonen in de beroepsbevolking op (11,6% versus 2,2% in Vlaanderen) en is er net zoals in Vlaanderen een ondervertegenwoordiging bij de werkenden (8%) en een oververtegenwoordiging bij de werkzoekenden (19,9%).

VOORSTELLEN VAN BELEIDSAANPAK

De prioritaire uitdaging bestaat erin de Brusselse werkzoekenden méér en betere jobkansen te bieden. Hefbomen daarbij zijn competentieversterking en activering van de werkzoekenden, de valorisatie van de arbeidskansen voor midden- en laaggeschoolden in de tertiaire en quartaire sector, een toename van de diversiteit van het personeelsbestand in Brusselse bedrijven en arbeidsorganisaties, de substitutie van ingaande pendel en meer interregionale mobiliteit naar Vlaanderen.

Competentieversterking

De Brusselse werkzoekenden kenmerken zich door lage scholing, taalachterstand en een allochtone achtergrond. Competentieversterking is een voor de hand liggende remediëringspiste.

- Onderwijs. Er is de voorbije decennia te weinig geïnvesteerd in het Franstalig Brussels onderwijs. Onderwijs in Brussel is vooral een zaak van de Franse Gemeenschap en omwille van de precaire financiële toestand van de Franse Gemeenschap was men erg zuinig met investeringen. De technische en beroepsscholen kunnen o.a. daardoor hun uitrusting niet snel genoeg vernieuwen. Vlaanderen is financieel gezond en kon wel inzetten op onderwijs.
Ook op een ander vlak is het Nederlandstalig onderwijs inspirerend: de extra omkadering, in functie van de achterstandskenmerken en taalachterstand van de scholieren, countert in zekere mate leerachterstand en spijbelfrequentie.

- Beroepsopleiding. Scholing stopt niet bij het dichtklappen van de schoolpoort. Om mee te kunnen in de snel evoluerende maatschappij moet iedereen zich blijven bijscholen. Inzake de opleiding van werkzoekenden vervullen de VDAB en Bruxelles Formation in Brussel een centrale rol. Zij bieden klassieke beroepsopleidingen aan maar evenzeer opleidingen op de werkvloer. In deze verschillende opleidingen is er aandacht voor de taalcomponent. De inspanningen van VDAB gingen de voorbije jaren crescendo. Nochtans blijft er een grote behoefte aan bijkomende opleidingen.

- Erkenning buitenlandse diploma’s en EVC. Laaggeschooldheid en het niet bezitten van een Belgisch diploma zijn belemmerende factoren bij de aanwerving in overheidsfuncties en -bedrijven. In Brussel zijn dat belangrijke werkgevers en een diploma is er vaak een formele vereiste. Het laten vallen van deze diploma-eis wanneer irrelevant is dan ook een evidente piste. Verder kan de erkenning van buitenlandse diploma’s en van eerder verworven competenties de positie op de arbeidsmarkt van werkzoekenden van vreemde origine versterken.

- Taalactieplan. Gelet op de taalparadox is het noodzakelijk om een breedschalig talenoffensief in te zetten zowel in het onderwijs, de volwasseneneducatie, het sociaal-cultureel vormingswerk als in de sector van de beroepsopleiding en de ondernemersvormingen. De inspanningen moeten hier verveelvoudigd worden. Het actueel aanbod is immers ruimschoots onvoldoende.

Activering

De activering van werkzoekenden heeft gunstige effecten op de werkloosheid. Brussel en Wallonië waren aanvankelijk terughoudend tegenover een doorgedreven begeleiding van werkzoekenden. De felste tegenstanders hadden het steevast over een ‘jacht op werklozen’. Pas met het samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de gewesten van 2004 beenden ze bij. Het samenwerkingsakkoord voorziet in een opvolgingsluik door de RVA en een intensieve begeleiding - de zogenaamde sluitende aanpak - door de gewestelijke bemiddelingsdiensten. ACTIRIS is nu inzake de uitvoering van het samenwerkingsakkoord op kruissnelheid. Groot verschilpunt met Vlaanderen is dat de VDAB de Vlaamse werkzoekenden veel intensiever en sneller bemiddelt dan voorzien in het samenwerkingsakkoord. Bovendien is de verplichte begeleiding het uitgangspunt in Vlaanderen.
Het knelpunt bij ACTIRIS ligt niet zozeer in het feit dat men andere inzichten huldigt dan in Vlaanderen - dat blijkt uit de gelijklopende aanpak inzake interregionale mobiliteit - maar wel in een gebrek aan voldoende middelen om een intensieve begeleidingssystematiek te initiëren. Hierbij moet dan nog extra rekening gehouden worden met de ‘moeilijke’ kenmerken van de Brusselse werkzoekende populatie in functie van het vacatureaanbod.

Banen voor Brusselse werkzoekenden

De voorbije decennia is in Brussel de tewerkstelling in de tertiaire en quartaire sector gegroeid en de werkgelegenheid in de industrie gedaald. De teruggang van de autobouw bij VW en Renault, het langzame stervensproces van de kledingindustrie (de eertijds befaamde Triangle-confectiedriehoek aan het Zuidstation was ooit leidinggevend) en de afbouw van de tewerkstelling bij electronicareuzen als Philips en Siemens zijn evenveel exponenten van deze neergaande beweging. Het banenverlies door de gestadige delokalisatie van industriële activiteiten is dubbel jammer omdat deze tewerkstelling nauw aansluit bij het profiel van de huidige arbeidsreserve. Er is echter geen weg terug: de banengroei in Brussel zal zich noodzakelijkerwijze in de tertiaire en quartaire sector situeren en deze sectoren rekruteren vaak hooggeschoolden. Dat onderstreept nogmaals het belang van de competentieversterking maar eveneens dat veel creativiteit zal nodig zijn om banen voor de huidige werkzoekendengroep te scheppen. Banen uit de tertiaire en quartaire sector die wel toegankelijk zijn voor midden- en kortgeschoolden situeren zich o.a. in:
- de verkoop en distributie. Brussel is de belangrijkste Belgische winkelstad en distributieschakel. Vooral jonge mensen vullen dergelijke banen in. Om evidente redenen is de kennis van het Nederlands vaak een rekruteringseis. De nieuwe Ikea-vestiging in Anderlecht wilde banen reserveren voor Brusselaars maar deze intentie stuitte op de gebrekkige kennis van het Nederlands;
- de openbare vervoersbedrijven. Het openbaar vervoer is het alternatief voor het dichtslibbend Brussels autoverkeer. De versterking van het openbare vervoersaanbod via de verlenging van metrolijnen, de uitbouw van het GEN en de verdere groei van het internationale treinverkeer schept nieuwe banen;
- de horeca en het toerisme. De promotie van de verschillende functies van Brussel - hoofdstedelijke, toeristische, economische - kunnen het verblijfstoerisme en navenant de tewerkstelling in de horeca aanzwengelen;
- de veiligheidssector en de milieusector. Voor beide sectoren speelt de grootstedelijke dimensie een rol en houdt deze dimensie voor de toekomst bijkomende jobopportuniteiten in;
- de nabijheidsdiensten. De tweespalt in Brussel (arm versus rijk, werkloos versus hoogverdiener) geeft aan dat er zowel vacatures zijn als werkzoekenden die deze vacatures kunnen invullen. Het huidige marktpotentieel is onvolledig benut doordat het dienstencheque-verhaal vooral een gemeentelijk verhaal is (PWA, OCMW) en de dualisering zich vooral tussen gemeenten manifesteert. Ukkel zal bijvoorbeeld een belangrijke vraag hebben naar dergelijke dienstverlening maar weinig werkzoekenden die deze vraag kunnen invullen; in Molenbeek is de toestand net andersom. Private spelers die bovengemeentelijk werken - o.a. uitzendbedrijven en dienstenchequebedrijven - kunnen de markt helpen verder ontwikkelen en dynamiseren.

Diversiteit

Brussel en ook de Brusselse werkzoekenden zijn heel divers qua herkomst. Deze diversiteit moet zich weerspiegelen in de Brusselse bedrijven en arbeidsorganisaties. Actueel is dat niet het geval zodanig dat blijvende sensibiliserings- en specifieke inschakelingsacties zich opdringen. Inspiratie kan hierbij vooreerst gevonden worden in het Vlaamse diversiteitsbeleid dat blijkens een recent OESO-onderzoek als conceptueel model kan gelden. Het werken op verschillende niveaus (sectoren, bedrijven, werknemers, werkzoekenden, intermediairen) via prioritaire partners (werkgeversorganisaties, vakbonden, allochtone gemeenschappen) en met slimme en innovatieve instrumenten (diversiteitsplannen, Jobkanaal, syndicale diversiteitsconsultenten, richtnormen m.b.t. oververtegenwoordiging in begeleidings-en opleidingsacties, enz.) is een succesrijke aanpak. Wel moet er nog wat meer ambitie, envergure en samenwerking zijn. Maar zulke integrale benadering kent het Brussels arbeidsmarktbeleid thans nog niet. Recente initiatieven gaan wel in de goede richting. Zo zijn er drie nieuwe ordonnanties goedgekeurd met betrekking tot het voeren van een diversiteitsbeleid zowel in de private als de publieke sector. Tevens start binnenkort het BRU-jobs-project dat op Jobkanaal gelijkt en gericht is op de bevordering van diversiteit in KMO’s. Deze aanpak moet zich evenwel nog ten volle bewijzen en mist nog een aantal essentiële puzzelstukken. Verder wordt onder meer door Sven Gatz4 terecht gepleit voor een duidelijk inburgeringsbeleid à la Vlaanderen waarbij de nieuwkomers systematisch onthaald worden en in een competentiegericht traject naar burgerschap, taalverwerving, leren en werken worden begeleid met rechten en plichten. Het bestaand aanbod in Brussel is voornamelijk Nederlandstalig, vrijblijvend en niet geïntegreerd in een globale arbeidsmarktstrategie.

Substitutie van de inkomende pendel en meer interregionale mobiliteit

De pendel vanuit Vlaanderen en Wallonië naar Brussel is disproportioneel in het licht van de ruime Brusselse arbeidsreserve en de beperkte uitgaande pendel. De gedeeltelijke substitutie van de inkomende pendel enerzijds en meer uitgaande pendel anderzijds leveren dan ook een deel van de oplossing.
Omwille van de lage scholing van de Brusselse werkzoekenden zal deze substitutie zich in eerste instantie moeten manifesteren in het midden- en laaggeschoolde arbeidsmarktsegment in o.a. de verkoop en distributie, de openbaarvervoers- en nutsbedrijven, de logistiek, de horeca, de nabijheidsdiensten en de milieuzorg. De verdringing van Vlaamse pendelaars door Brusselse inwoners heeft dus ook gevolgen voor de midden- en laaggeschoolde werkzoekenden uit Vlaams-Brabant en uit andere typische pendelregio’s als Aalst, Dendermonde en Mechelen.

Meer interregionale mobiliteit richting Vlaanderen is een andere piste. Het opentrekken van de Vlaamse arbeidsmarkt is gezien de structurele Vlaamse schaarsteproblematiek ook nuttig voor Vlaanderen; Brussel kan de Vlaamse knelpuntberoepen helpen milderen. Wel mogen hierbij geen overdreven verwachtingen worden gekoesterd gezien de Brusselse en Vlaamse lijsten met knelpuntberoepen elkaar in grote mate overlappen. Bepaalde exclusief Vlaamse knelpuntberoepen bieden wel potentieel zoals bediener van drukpersen en drukker, expeditiebediende, installateur/onderhoud telecommunicatie, autobusbestuurder, heftruckchauffeur, bankwerker, industrieel schilder, schrijnwerker en meubelmaker, vloerder, stukadoor, magazijnier en kraanman. In de bouwberoepen en logistieke functies schuilen er heel wat kansen. Voor de bouwberoepen mag het niet kennen van het Nederlands ook geen uitsluitende factor zijn gezien de vlotte bereidheid van de sector om Poolse en Bulgaarse bouwvakkers te engageren.

INSTITUTIONELE CONTEXT

Brussel kent een enorme institutionele complexiteit. Er is vooreerst de bestuurlijke concentratie van gewest- en gemeentelijke instanties. Deze concentratie kan tot overlap en suboptimaliteit van de dienstverlening aan werkzoekenden en werkgevers leiden bij een sterkere decentralisering van ACTIRIS naar het lokaal niveau. De oprichting van jobhuizen (maisons de l’emploi) tegen eind 2009 zal hiervoor een toetssteen zijn. Zal er voldoende ruimte zijn voor lokale inkleuring van het jobhuizenconcept of niet? Hoe worden regionale en lokale imperatieven verzoend?

Maar vooral de samenloop en kruising van gewest- en gemeenschapsbevoegdheden vertoont een grote complexiteit en staat enigszins haaks op de beweging in de andere landsgedeelten waarbij beide bevoegdheden institutioneel en territoriaal samenvallen, zeker op het domein van het arbeidsmarktbeleid.
Deze complexiteit uit zich op een viertal manieren. De opsplitsing van bevoegdheden leidt er eerst en vooral toe dat op het terrein van onderwijs en opleiding telkens twee stelsels en dito instellingen actief zijn (het Franstalig en het Nederlandstalig onderwijs, Bruxelles Formation en VDAB, Syntra en Espace Formation PME, enz.). Het dupliceren van instituties doet zich evenwel ook omwille van taalevenwicht-bekommernissen voor inzake bemiddeling en begeleiding van werkzoekenden (Missions Locales pour l’Emploi en Werkwinkels, ‘Franstalig’ en ‘Nederlandstalig’ sociaal uitzendbureau: Exaris en Instant A, enz.).
Ten tweede zijn er initiatieven genomen door de diverse politieke en administratieve actoren die ‘een bevoegdheidsherkwalificatie of -mix’ inhouden. De overheden proberen met andere woorden het strikte onderscheid tussen gewest- en gemeenschapsbevoegdheden via juridische creativiteit te doorbreken. Illustraties hiervan zijn de Brusselse taalcheques en opleidingscheques, de beroepenreferentiecentra, het gebruik van het instrument van de individuele beroepsopleiding, de subsidiëring van banen in de social profitsector, bepaalde stimuli voor de sociale economie, het uitbouwen van een plaatsingsaanpak vanuit de beroepsopleiding.
De verschillende beleidsinzichten die door de diverse overheden worden gehuldigd in de uitoefening van hun bevoegdheden in Brussel kunnen ten derde leiden tot ‘spanningen’ op het aanpalend beleidsdomein omwille van de interferentie en interdependentie van bevoegdheden zoals bemiddeling en opleiding. Denken we in dit kader maar aan verschillen in doelgroepbepaling, de houding ten aanzien van de uitzendsectoren en private intermediairen op de arbeidsmarkt, een aanpak gesteund op verplichte dan wel vrijwillige deelname, enz. Op deze terreinen kunnen er zich afstemmingsproblemen tussen de aanpak van de verschillende overheden voordoen waardoor de beleidscoherentie gehypothekeerd wordt.
Tot slot vertaalt zich deze complexiteit ook in de overleg- en adviesorganen met de werking van de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (ESRBHG/CESRBC), het Brusselse Nederlandstalige Comité voor Tewerkstelling en Opleiding (BNCTO), de Commission Consultative Formation-Emploi - Enseignement (CCFEE), alsook in de werkveldvertegenwoordiging met Tracé Brussel en de Féderation Bruxelloise de l’Insertion Socioprofessionnelle et de l’Economie Sociale d’Insertion (FEBIO).

Vanuit het functioneel oogpunt van de Brusselse arbeidsmarkt bekeken, stelt zich dan ook noodzakelijkerwijze de vraag of deze institutionele complexiteit niet kan worden afgebouwd in het belang van bedrijven, werknemers en werkzoekenden. De globale context is immers duidelijk: een grootstedelijke problematiek met typische grootstedelijke werkloosheidskenmerken (oververtegenwoordiging van laaggeschoolden, werkzoekenden van allochtone origine, langdurig werklozen, meertaligheid en culturele mix), een zeer moeizame aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt met een structurele mismatch van vraag en aanbod tot gevolg, een enorme potentie van werkgelegenheidscreatie in de private en publieke dienstensectoren. Een ander uitgangspunt lijkt me ook duidelijk te (moeten) zijn. Alle gewesten zijn gebaat bij een krachtig Brussels arbeidsmarktbeleid, inzonderheid Vlaanderen dat afhankelijk is van het mobiliseren van Brusselse werkzoekenden om de Vlaamse vacaturevraag in de toekomst te kunnen opvangen.

Bij de komende staatshervorming zou men dan ook vanuit deze contexten en uitgangspunten de politieke moed moeten betonen om te maken dat door de nieuwe institutionele inrichting het Brussels arbeidsmarktbeleid krachtdadig en coherent wordt uitgebouwd. De vraag stelt zich of voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een homogenisering en versterking van de gewestbevoegdheden wel volstaat om een doeltreffend arbeidsmarktbeleid uit te bouwen dat ook gericht is op competentieversterking, de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en het levenslang leren. Dergelijk beleid steunt immers op een combinatie van regionale en communautaire hefbomen die geïntegreerd worden ingezet. In de andere landsdelen is dit geen punt omdat de betrokken instituties (Forem voor Wallonië, VDAB voor Vlaanderen, ADG voor de Duitstalige Gemeenschap) zowel bemiddeling als opleiding tot hun kernbevoegdheden hebben. Dat de andere ‘Gewesten’ uitgaan van een (noodzakelijke) verstrengeling van gewest- (begeleiding, plaatsing, tewerkstellingspremies en -programma’s) en gemeenschapsbevoegdheden (opleiding en vorming) wordt treffend geïllustreerd in een recent opiniestuk van de Vlaamse en Waalse Minister van Werk: ‘De deelentiteiten moeten daarentegen het geheel van de bevoegdheden kunnen uitoefenen die nodig zijn om hun kerntaak inzake werkgelegenheid te vervullen, met name de begeleiding en actieve opvolging van werkzoekenden, met inbegrip van de vorming van werkzoekenden en werknemers (…)’.5 Elke actor op de arbeidsmarkt zal vanuit functioneel oogpunt bevestigen dat een goede trajectbegeleiding van werkzoekenden (maar in de toekomst ook een goede loopbaanbegeleiding van werknemers) veronderstelt dat opleiding en vorming harmonieus en maatwerkgericht in een inschakelingstraject worden ingepast. Het opsplitsen van deze ‘bevoegdheden’ is in dat opzicht contraproductief en beantwoordt evenmin aan de nieuwe methodieken die gericht zijn op competentieversterking van individuen en een holistische aanpak huldigen. Deze gegevens pleiten voor een andere kijk op de inrichting en/of uitoefening van bevoegdheden in Brussel. In voormeld opiniestuk wordt evenwel niet ingegaan op wat de bevoegdheidsherschikking voor Brussel juist betekent.

Om aan de huidige institutionele tweespalt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een antwoord te bieden zou men al op een ‘voorzichtige’ wijze de samenwerking tussen instituties op het Brussels grondgebied kunnen versterken à la de samenwerking tussen ACTIRIS en VDAB op vlak van interregionale mobiliteit van werkzoekenden. In deze acties brengen beide organisaties eigen expertises en mogelijkheden in één gezamenlijke actie in vanuit het streven naar een win-winsituatie. Daarbij staan niet zozeer de eigen bevoegdheden centraal, wel de gemeenschappelijke aanpak en het resultaat. Is zo’n werkingsmodel ook niet wenselijk en mogelijk in het onderwijsdomein of tussen alle publieke opleidings- en vormingsactoren? Waarom richten de Gemeenschappen niet samen een Brussels Observatorium voor het Onderwijs op zodat tendensen in kaart kunnen worden gebracht en gezamenlijk kan opgezocht worden naar synergieën en beste praktijken inzake het bijbrengen van sleutelvaardigheden, de taalaanpak en het stellen van eindtermen? Waarom al niet infrastructuurafspraken tussen secundaire onderwijsinstellingen van beide kanten aanmoedigen en initiëren? Waarom de dagelijkse samenwerking tussen Bruxelles Formation en VDAB in bepaalde opleidingscentra of voor bepaalde opleidingen niet structureren via een afstemming van de opleidingsprogrammatie van beide organisaties? Hetzelfde zou kunnen gebeuren op het domein van de ondernemersvorming in Brussel.

Toch stelt zich op termijn de meer fundamentele vraag of het behoud van het onderscheid tussen gewest- en gemeenschapsbevoegdheden een coherent arbeidsmarktbeleid niet belemmert. In dat kader pleitte arbeidsmarktdeskundige Jan Denys voor een overheveling van de bemiddelingsbevoegdheden van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest naar de Gemeenschappen: ‘Laat de VDAB en Forem de zaak in Brussel eens bestieren. Dat zijn grote instellingen die het klappen van de zweep kennen en die een gericht beleid kunnen voeren naar de Brusselse werklozen. Laat ze desnoods, met goede afspraken, ook met elkaar in concurrentie treden. Dat kan geen kwaad’.6
Deze piste neemt evenwel een aantal structurele nadelen niet weg. Zo houdt de communautarisering van de bevoegdheden het blijvend dupliceren van instituties en stelsels in. Deze duplicering wordt nog versterkt doordat de thans unidimensionele aanpak van bemiddeling en begeleiding van Brusselse werkzoekenden vertaald wordt over twee (concurrerende?) instellingen. Hierbij rijst de vraag hoe men dergelijke verkaveling kan doorvoeren zonder hetzij een vorm van subnationaliteit te hanteren (wat niet alleen juridische bezwaren oproept maar ook haaks staat op de multinationaliteit van de Brusselse werkzoekendenpopulatie), hetzij de problemen over te nemen die zich juist daarom uiten in de werking van de Vlaamse zorgverzekering7 of het gebruik van bepaalde opleidingsmaatregelen voor bedrijven in Brussel. Deze problemen leiden steeds tot een vorm van aangevoelde ‘ongelijke behandeling’ van burgers op één grondgebied of in één bedrijf en kunnen nog groter worden indien bijvoorbeeld federale vormingsstelsels zoals het Betaald Educatief Verlof en het ‘industrieel’ leerlingenstelsel naar de deelstaten worden overgeheveld.

Daarom moet er toch eens grondig nagedacht worden over de omgekeerde piste waarbij de gewestbevoegdheden worden versterkt.8 Dit impliceert in zijn consequentie dat Brussel zelf de hefbomen krijgt in verband met opleidingsbeleid. Uiteraard is dit geen vanzelfsprekende stelling maar vanuit contextueel en functioneel oogpunt dringt zich deze reflectie vroeg of laat op.9 Dergelijke overheveling moet natuurlijk gepaard gaan met juridische waarborgen zoals die ook in andere gefedereerde landen bestaan ten aanzien van de positie van bepaalde bevolkingsgroepen en minderheden. Dergelijke groepen moeten garanties krijgen dat zij een evenwaardige en evenredige dienstverlening krijgen met respect van een aantal persoonsgebonden rechten. Zoiets kan evenwel perfect verankerd worden in een institutioneel akkoord tussen de deelstaten onderling. Maar in se laat deze benadering een meer transparante en eenvoudige bestuursinrichting toe en een uniforme, coherente en consistente aanpak inzake arbeidsmarktbeleid met inbegrip van opleiding en vorming op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Daardoor kan het opleidingsbeleid ook meer Brusselse werkzoekenden includeren. Nu moet immers worden vastgesteld dat een belangrijk deel van de VDAB-capaciteit in Brussel wordt ingenomen door werkzoekende cursisten van buiten Brussel. Juist omdat er maar een beperkte toeleiding is van Nederlandstalige werkzoekenden vanuit Brussel zelf. Een globale aanpak zal de instroom van de Brusselse werkzoekenden in opleiding bevorderen. De versnippering van instellingen en structuren wordt tegengegaan en kan leiden tot een efficiënter bestuurlijk en administratief apparaat. Vanzelfsprekend mag deze bevoegdheidsbundeling geen breuk veroorzaken ten aanzien van de ingezette weg van interregionale samenwerking. Waarborgen terzake zouden eveneens voorwerp kunnen uitmaken van het reeds vernoemd institutioneel akkoord. Zo kan dergelijk akkoord de noodzaak van een territoriaal pact tussen Brussel en het hinterland in de andere regio’s omvatten.

De vraag stelt zich of men bereid is ten gronde tot deze reflectie over te gaan. Brussel aan zijn lot overlaten lijkt me in elk geval geen optie want dit zal enkel maar de arbeidsmarktproblemen in Brussel, Vlaanderen en op termijn Wallonië vergroten. Méér samenwerking tussen alle overheden met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is dus sowieso noodzakelijk…maar wellicht zonder een aangepaste institutionele vertaling onvoldoende.

Fons Leroy
Gedelegeerd bestuurder VDAB1
0

Noten

1/ Zie ook Luc Vanneste, Opvolgen of vervolgen van werklozen, Samenleving en politiek, jg. 15, 2008, nr. 9, pp. 46-49 waarin hij pleit voor een Marshallplan voor Brussel.
2/ Bevolking = werkenden + niet-beroepsactief
Beroepsbevolking = werkenden + nwwz
Activiteitsgraad = beroepsbevolking /bevolking
Werkzaamheidsgraad = werkenden/bevolking
Werkloosheidsgraad = nwwz /beroepsbevoking
Nwwz = niet-werkende werkzoekenden
3/ N-E: niet-Europeanen, MA: Marokkanen, Tu: Turken
4/ Sven Gatz, Bastaard, het verhaal van een Brusselaar, Meulenhoff/Manteau, 2008
5/ Frank Vandenbroucke en Jean-Claude Marcourt, Samen arbeidsmarkt dynamiseren, De Standaard, 8 december 2008.
6/ Jan Denys, Brussel over 25 jaar: we worden geen mini-Amerika, Brusselnieuws, 15 augustus 2008.
7/ Geert Mareels, When I’m 64: zorgen om de zorgverzekering?, Samenleving en politiek, jg. 11, 2004, nr. 3, pp. 28 -33
8/ Deze bijdrage wil enkel vanuit een functioneel oogpunt een grondige reflectie stimuleren. Vanzelfsprekend zal deze reflectie ‘breder’ en/of anders benaderd worden vanuit andere bevoegdheidsdomeinen (bijvoorbeeld onderwijs, cultuur) en/of politieke uitgangspunten. Daarom ga ik ook niet uit van het gelijk. Maar rond Brussel fietsen in een institutioneel debat lijkt me noch wenselijk noch mogelijk.
9/ Dit voor zover de situatie van Brussel benaderd blijft in termen van ‘Gewest’ en ‘Gemeenschap’. Het alternatief van een Brusselse metropool zoals in sommige kringen vooropgesteld wordt, zal natuurlijk een heel andere institutionele aanpak vergen.
10/ De auteur schrijft deze bijdrage in persoonlijke naam.

Brussel - werkgelegenheid - activering - regionalisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 1 (januari), pagina 29 tot 32 en 41 tot 49