Abonneer Log in

De nieuwe armoede? Opnieuw?

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 3 (maart), pagina 24 en pagina 33 tot 37

De niet-aflatende stroom van economische en financiële onheilsberichten doet het ons bijna vergeten: op het einde van de dolle rit van instortende bankkoersen, grote herstructureringen en failliete bedrijven blijven er altijd mensen over die met moeite rondkomen. Ver weg van de camera’s, in de anonimiteit, zien we een groep nieuwe armen, die de reeds te grote groep van generatiearmen komen vergroten. De crisis maakt zijn slachtoffers en het zijn niet alleen de aandeelhouders. We proberen in deze bijdrage de crisis te duiden, de veranderende rol van de overheid aan te geven en een eerste beeld te schetsen van de nieuwe armoede.

Je hoeft geen Madame Blanche te zijn om met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te voorspellen dat de armoede ten gevolge van de huidige crisis zal toenemen. Zelfs in tijden dat het economisch goed ging, in de jaren 1990 en in het eerste decennium van deze eeuw, zijn we er immers niet in geslaagd de armoede terug te dringen. Alle beschikbare cijfers, zoals die in de Nationale Actieplannen Sociale Insluiting, wijzen erop dat we hoogstens van een stabilisatie kunnen spreken. Om en nabij de 15% (14,7% om precies te zijn), of 1, 5 miljoen van onze medeburgers leven in armoede. En dat volgens de door Europa gehanteerde armoedegrens: mensen met een inkomen lager dan 60% van het mediaan inkomen (860 euro in 200x). Dat wil ook zeggen dat we de periodes van economische groei niet gebruikt hebben om reserves voor de sociale zekerheid aan te leggen of om de armoede significant terug te dringen. Nochtans was dat een duidelijke ambitie op alle beleidsniveaus: in België sinds de zwarte zondagen en het Algemeen Verslag van de Armoede (1995), op Europees niveau in het Lissabonproces (tegen 2010 een beslissende impact ontwikkelen om de armoede uit te roeien).

De discussie die we ook op andere ‘moeilijke’ domeinen (zoals het samenleven met allochtonen) ontmoeten - namelijk moet je een apart beleid voeren voor deze specifieke problematiek of neem je dit mee in je algemeen beleid? - is hier zeker niet vreemd aan. Door er een of-of verhaal van te maken, verdween het armoedebestrijdingbeleid naar de komma’s en de punten. Af en toe was er wel een uitschieter, maar voldoende zichtbaarheid en voldoende impact op de harde sectoren ontbraken. Reductionistisch denken (werk lost alles op) vormt dan de kroon op het werk, het sluitstuk van een neoliberaal discours. Waarmee niet wil gezegd worden dat sociaal beleid niet ook een activeringsbeleid moet zijn (recht op werk is een fundamenteel sociaal recht). Maar het beleid tot dit beperken en niet inzien dat sociale uitsluiting structureel moet worden aangepakt en een bredere waaier aan kansen moeten worden geboden, leidt niet tot echte resultaten en mondt uiteindelijk uit in een individueel schuldmodel (‘het is hun eigen schuld, dikke bult’).

CRISIS

In zijn beruchte boekje Zijn de economisten een gevaar voor het volk? stelde Rick Van der Ploeg al dat ‘indien economie een exacte wetenschap was, zouden we heel wat werklozen meer tellen’. De gebeurtenissen sinds half 2008 vormen daarvan weer eens een treffende illustratie. Van financiële crisis, naar economische crisis: niemand (of bijna niemand, een zeldzame uitzondering te na gesproken) had het zien aankomen. Wie de voorspellingen van het Planbureau over de te verwachten groei van de Belgische economie (of evengoed deze van de Europese Commissie) even naast elkaar legt, ziet een ongelooflijke evolutie: van matiging van de groei, naar daling van de groei, naar stilstand van de economie, naar inkrimping van de economie. Bij elke nieuwe voorspelling gingen er een aantal procentpunten af, we verloren als het ware wekelijks een stukje van de economie. Ook over de duur van de crisis verdwijnen de voorspellingen ondertussen aan de einder. Het herstel wordt aangekondigd in het tweede kwartaal van 2009, dan eind 2009, dan zal het niet vroeger zijn dan 2010. Samengevat: we weten het niet. Niet hoe lang de crisis zal duren en niet hoe diep ze al gaan. Het blijft bang afwachten.

Wat we wel weten is dat deze crisis geen ongelukje, toeval of akkefietje is. Het is een echte systeemcrisis. Het is een fabricagefout, zoals de bekende speculant George Sorros het uitdrukte en zoals ook de econoom Skidelsky het beschrijft. En waar zit die systeemfout? In het algemeen verspreide geloof over de zelfregulerende kracht van de markt. In de morele visie dat, als iedereen maximaal zijn eigen belang zou nastreven, iedereen er via de markt beter van wordt. Groei om de groei. Om die groei mogelijk te maken, werd (dankzij de technologische ontwikkeling) een wereldwijde markt en dynamiek gecreëerd; eerst financieel en later ook economisch-industrieel. De globalisering nam over. Niet gehinderd door grenzen of regels werd de economie overgelaten aan de vrije markt. Dat creëerde rijkdom, dat wel, maar ook een groeiende ongelijkheid en belangrijke verschuivingen in de samenleving. Om maar één cijfer voor België te noemen: de Gini-coëfficiënt, een maat van ongelijkheid, steeg van 1990 tot 2004 van 0,297 naar 0,362. En dat na herverdeling door belastingen. Inkomen uit vermogen kreeg een steeds belangrijker rol in de opbouw van de rijkdom, inkomen uit arbeid verloor terrein in de nationale inkomensverdeling. Een herverdeling naar de zeer rijken en de middenklassen.

Dit economisch gerecht werd geserveerd op een bedje van individualisering. Het individu bevrijdt zich van de traditionele knellende banden van normen, waarden en familie. Het ‘ik’ raakt los van het collectieve ‘wij’. Dankzij een hoger scholingsniveau en vooral door de toegenomen keuzemogelijkheden in de consumptiesfeer, heerst het gevoel van grotere persoonlijke beslissingsmacht. De klassen bestaan niet meer. Keuzes worden niet meer bepaald door de groep, maar door ieder individu. Samen vormen ze het menu voor het neoliberale discours: een minimale overheid, herleid tot haar kerntaken (veiligheid en orde), een grotere vrijheid voor individu en voor de markt.
Maar de individualisering heeft ook gevolgen voor wie minder kansen heeft in de samenleving, wie meestal ook wordt meegesleept door de consumptiedruk en in problemen terechtkomt. En die gevolgen zijn minder prettig. Precarisering van arbeid of flexibilisering met uitzendarbeid, deeltijds en contracten van bepaalde duur. Verkocht als instrumenten voor individuele vrijheid, maar nu duidelijk het eerste slachtoffer van de crisis. Het micronet van familie en groep, dat mensen een eerste bescherming biedt, is flinterdun geworden en in de plaats komt afhankelijkheid van de markt en de overheid.

De sociale zekerheid verzacht weliswaar deze afhankelijkheid, maar ook zij kwam door deregulering en globalisering onder druk, zowel naar financiering als naar dekking van de risico’s. Het is duidelijk dat de voortdurende sociale bijdrageverminderingen de financiering van de sociale zekerheid ondermijnt. Bovendien weten we dat, om de vergrijzing op te vangen, enorme financiële uitdagingen opdoemen. Zoals het Planbureau ons met de regelmaat van een klok herinnert, moet de overheidsschuld verder drastisch naar beneden en moeten we nu een reserve aanleggen om later het niveau van onze uitkeringen te bewaren. De nieuwe risico’s, zoals ongeluk ten gevolge van life events (zoals scheiding en verweduwing), zijn minder gedekt door sociale zekerheid.

In de praktijk blijkt de zogenaamde verdwijning van de klassen relatief. Meer gelijke kansen bij de start blijken er niet toe te leiden dat mensen zich kunnen losworstelen uit de groep. Weliswaar groeide er een middengroep en nam de welvaart toe, maar de afhankelijkheid van de eens ingenomen positie blijft en mobiliteit blijft beperkt. Als het systeem spaak loopt, dan zal het ook op deze sociologische fenomenen zijn impact hebben.

DE OVERHEID? WELKE OVERHEID?

Als er één thema terug is van weggeweest dan is het wel het belang van de rol van de overheid. De staat, die altijd weer door het neoliberalisme als grote boeman werd opgevoerd omdat hij met een verstikkende kracht de vrije markt verhinderde om ongehinderd welvaart te creëren, is van het toneel verdwenen. Of zo lijkt het toch.
Waar gisteren door de liberalen nog met vuur voor een terugtredende staat werd gepleit, wordt diezelfde staat nu als de redder in nood van de kleine spaarder en vooral van de aandeelhouder terug aan boord gehesen. Schoorvoetend geeft men toe dat het misschien beter zou zijn dat de staat de banken nationaliseert (tot voor kort nog verketterd als een communistische aberratie), om ze later weliswaar terug te verkopen als ze terug gezond zijn en mooie winsten kunnen opleveren. Tegelijk waarschuwen liberalen zoals De Gucht en Verhofstadt dat we niet mogen overdrijven, dat er wel moet worden gereguleerd maar dat we niet terug mogen naar een te dominante overheid.

Ook de linkerzijde mag wel eens in eigen boezem kijken. Wie herinnert zich nog de hevige debatten over de rol van de staat binnen de socialistische beweging begin van de jaren 1990? Dat het toch niet de taak van de overheid was om een bank te runnen? Dat we dit moesten over laten aan de professionals van de vrije markt? Durven we ons afvragen wie er echt beter geworden is van de privatisering van de ASLK? Waar gedurende al die jaren de winsten naar toe zijn gegaan? En wie nu voor de gevolgen moet opdraaien? De overheid is terug, Keynes is terug maar het kan nooit meer worden zoals vroeger. Een debat dringt zich op welke overheid we willen? Welke rol willen we de markt laten spelen?

Voor socialisten is dit een fundamenteel debat. In het koor dat roept om regulering zullen we een eigen stem moeten laten klinken. Is regulering mogelijk door alleen regels uit te vaardigen? Of moet de overheid ook een ondernemende rol spelen op voor de samenleving cruciale domeinen? Was het wel de goede keuze om de elektriciteitsmarkt te liberaliseren (met privé-monopolies tot gevolg)? Moeten we niet beter aflijnen voor welke terreinen de markt een aanvaardbaar verdelingsmechanisme van goederen is en voor welke samenlevingsdomeinen dat niet zo is? Is kinderopvang onvoldoende waardevol om het aan de markt te onttrekken? Als we de klimaatcrisis, die ons bovenop de financiële en economische crisis bedreigt, efficiënt willen aanpakken, hebben we dan geen overheidsspelers nodig die meer doen dan regels uitvaardigen? En bijvoorbeeld als nodig zelf opnieuw producent worden?
Natuurlijk moeten we de markt sturen met regels, maar we moeten opnieuw een actievere rol aan de overheid durven geven. Trouwens, soms moet je - om echt te reguleren - op de markt een alternatief bieden dat een aantal regels afdwingt door anders te werken, andere diensten en kwaliteit te leveren. Het principe van universele dienstverlening gedragen door de private initiatieven blijkt dikwijls een lege doos. Als de private sector niet wenst te investeren in alternatieve energie, waarom zou de overheid dat dan niet doen? Als er onvoldoende financiële middelen zijn om nieuwe economische initiatieven een kans te geven, waarom zou een overheidsinstelling hier geen rol kunnen opnemen? Het spreekt voor zich dat het overheidsinitiatief anders moet functioneren dan privaat initiatief; de belangen en de kwaliteit van de samenleving moet op de eerste plaats komen. Niet alleen zullen we financiële meerwaarde moeten produceren om onze welvaartsstaat te financieren; maatschappelijke meerwaarde zullen we meer dan ooit nodig hebben. Al eens afgevraagd waarom de overheid nog altijd een meerderheid in Belgacom bezit? Ook dat is een herverdelingsbeleid dat zich opdringt.

Zoals ik al zei, het wordt wel nooit meer als vroeger. Willen we de overheid de rol laten spelen die haar toekomt, dan zullen we daarvoor op Europees niveau sterke instrumenten moeten uitbouwen; gekoppeld aan een echte democratisering van de Europese instellingen. Het kan wel niet zo zijn dat Europa het excuus wordt om die rol niet op te nemen. Zoals we trouwens zien, plooien de grote spelers van Europa (Frankrijk, Duitsland, Engeland) terug op hun nationale markten en spelers. Zoals Sarkozy het stelt ‘pour refonder le capitalisme, moraliser le capitalisme’. Misschien moeten we ook het socialisme ‘refonder’ (sic). In ieder geval zullen we het debat over een actieve economische en sociale welvaartsstaat dringend moeten voeren. Want de armoede komt er aan.

DE NIEUWE ARMOEDE

Het debat over nieuwe en oude (generationele) armoede is niet nieuw. Het werd ook al gevoerd door Jan Vranken begin van de jaren 1980, na de recessie van eind van de jaren 1970 en het op gang trekken van het neoliberale beleid in de jaren 1980. Wat zich toen voordeed, dreigt zich nu te herhalen - alleen op grotere schaal, gezien omvang van de crisis, en met verwoestender gevolgen, gezien de vergevorderde individualisering.
Naast de dagelijkse stijging van de werkloosheidscijfers - werklozen behoren tot de grootste risicogroep om in armoede te vervallen - willen we ook eens kijken naar de mensen die niet in aanmerking komen voor de sociale zekerheid, en dus terugvallen op een leefloon; het gaat over een honderdduizendtal personen.

Vooreerst - oneerbiedig gezegd - de stock, de mensen die sinds generaties in armoede leven, degenen die nu met een leefloon moeten rondkomen. Eén cijfer over generatiearmoede: een kind uit een gezin zonder werk heeft 70% kans om zelf in armoede terecht te komen. Het is als het ware veroordeeld tot armoede. Uit cijfers van de POD Maatschappelijke Integratie blijkt dat we sinds het najaar 2008 een lichte stijging zien van het aantal leefloontrekkers en dat de uitstroom via activering (art. 60§7) daalt. Uiteraard zijn op een krimpende arbeidsmarkt de kansen erg klein voor deze verst van de arbeidsmarkt staande groepen. Bovendien, zoals Monica De Coninck (voorzitster van OCMW Antwerpen) stelt, is er voor minstens een derde ervan geen plaats op de reguliere arbeidsmarkt. Voor hen zijn initiatieven in de sociale en zorgeconomie nodig. Maar ook deze zullen onder druk komen van de financiële krapte.

Wat zijn nu nieuwe trends? Monica De Coninck spreekt van vergroening, verkleuring en verzilvering. We zien in de cijfers van de POD-MI een stijging van het aantal jongeren: 30% meer jongeren onder de 25 jaar met een leefloon. Tevens stellen we ook een sterke toename van het aantal allochtonen vast; cijfers zijn hier moeilijker te vinden gezien door de nationaliteitsverwerving zij grotendeels als aparte categorie uit de statistieken verdwijnen. Volgens een onderzoek van Martiniello en Vranken liggen de armoedecijfers voor Marokkaanse en Turkse mensen astronomisch hoog: tussen 50 en 60%, met een nieuwe golf van nieuwe generatiearmoede in het vooruitzicht bij ongewijzigd beleid. Ook de senioren en vooral de oudste gepensioneerden, de zeventigers en tachtigers, komen in moeilijkheden. Vooreerst omwille van de erg lage pensioenen. De gepensioneerden die op de huurmarkt terecht moeten voor een dak boven hun hoofd, zijn er het ergst aan toe. Onder deze categorie zijn er ook een pak slachtoffers van de financiële crisis, van wie het spaargeld in rook is opgegaan. De eersten melden zich nu bij de OCMW’s.

Een andere groeiende groep zijn mensen met mentale gezondheidsproblemen, iets wat niet losstaat van de toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt en van de grotere onzekerheid in de samenleving. Stress is niet alleen een probleem van drukbezette zakenlui, ook wie dagelijks moet vechten om te overleven zit vast in de stress. Depressies komen erg vaak voor bij mensen in armoede en werklozen. Minder stabiele persoonlijkheden kunnen de verantwoordelijkheid die de individualisering hen oplegt dikwijls niet aan. Te veel keuzes werken desoriënterend. En dus gaat men eronderdoor.
Het opnieuw opduiken van dak- en thuisloosheid is daar ook aan gelinkt. Het aantal dak- en thuislozen wordt geschat op 17.000. Het zijn mensen die ankerpunten missen in de samenleving, uitgesloten zijn, door alle mazen van het net vallen. Gecombineerd met een non-beleid in de huisvestingsmarkt, zal dit fenomeen onvermijdelijk grotere vormen aannemen. Een kleine illustratie. In het Nationaal Actieplan Sociale Insluiting beslisten we de sociale huisvesting tegen 2010 op te trekken tot 12%, maar zelfs het rijke Vlaanderen zal met inbegrip van de huidige maatregelen amper de 8% halen.

Algemeen verwachten we een belangrijke toename van mensen met schuldproblemen. Uit recente cijfers voor Vlaanderen alleen blijkt dat het nu al om een 100.000-tal mensen gaat (schuldbemiddeling en budgetbeheer samen). Door het wegvallen van een tweede inkomen of (tijdelijke) werkloosheid komen veel gezinnen en individuen in problemen om hun lening(en) af te betalen. Dat fenomeen stelden we ook vast in de jaren 1980 en werd toen omschreven als de nieuwe armoede. Net in een door consumptiedwang gedreven samenleving en door de diepgang van de crisis zal de omvang hiervan erg groot zijn. De crisis zal de middengroepen dus zwaar treffen. Hun pas verworven positie zal sterk onder druk komen. De erosie van de middengroepen en de relativiteit van de individuele vrijheid bieden natuurlijk ook kansen. Het biedt misschien de kans om opnieuw het belang van collectieve oplossingen en solidariteit als een collectieve vorm van welbegrepen eigenbelang op te bouwen.

Tot slot willen we nog aangeven dat in alle grote OCMW’s de vormen van maatschappelijke hulp, dus aanvullende steun los van het leefloon, stijgt en soms al het aantal personen overtreft dat leefloon krijgt. Het gaat niet alleen om schuldbemiddeling, maar ook om sociale energiebegeleiding (onder meer met stookoliepremies), huurtoelagen, schooltoelagen, toelagen voor sociaal-culturele participatie, strijkateliers, klusjesdiensten, energiesnoeiers. Meer en meer groeien de lokale OCMW’s uit tot complementaire spelers van de sociale zekerheid die op structurele wijze tussenkomen in die risico’s van de moderne samenleving die niet worden gedekt door de klassieke sociale zekerheid. Dit betekent bovendien een verschuiving van de herverdelingsproblematiek van de nationale naar de lokale overheden.

TOT SLOT

Een beleid dat de crisis wil aanpakken zal rekening moeten houden met deze ontwikkelingen in de (groeiende) armoede. Een actievere rol van de overheid zal toelaten om hefboominitiatieven te nemen met een effect op de economische groei én op de bestijding van de armoede. Inzake energie ligt daar heel wat voor het rapen: isolatie bij mensen in armoede drukt de huisvestingskosten, is belangrijk voor de klimaatopwarming en creëert economische groei.

Maar vooral belangrijk is welke visie we ontwikkelen. Lapidair kan je zeggen: het wordt misschien eens tijd om de rijkdom te gaan bestrijden in plaats van de armoede. Na de stijgende ongelijkheid en individualisering moeten socialisten een herverdelingsverhaal gebaseerd op solidariteit brengen. En stoppen met het achterna hollen van de profeten van de belastingsverlagingen. Daar is geen ruimte voor en bovendien is het onrechtvaardig. Om de sociale welvaart op peil te houden en te brengen - sommige uitkeringen moeten fundamenteel omhoog, zoals trouwens ook minimumlonen - en om aan iedereen de fundamentele grondrechten op duurzame wijze toe te kennen, zullen we maatschappelijke rijkdom moeten creëren. De crisis zal ons daar snel met de neus op duwen. Doen we dat niet, dan rest een samenleving die blijvend gebaseerd is op de markt en individualisme, met groeiende ongelijkheid en groeiende armoede, met een uitgeholde sociale zekerheid. Het wordt dus tijd om te stoppen met het herverdelen van de armoede; we moeten beginnen met een gedurfd verhaal voor herverdelen van de rijkdom.

Julien Van Geertsom
Voorzitter POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie

armoede - financiële crisis - overheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 3 (maart), pagina 24 en pagina 33 tot 37