Log in

Sociaaldemocraten en populisme. Kloven en bruggen

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 4 (april), pagina 15 tot 23

Het populisme eist in de hedendaagse politiek een belangrijke rol voor zich op. In zijn opmerkelijke essay over dit fenomeen beschrijft David Van Reybrouck het succes van populistische politici en partijen in het licht van de diploma- en cultuurkloof in onze samenleving, de nieuwe maatschappelijke breuklijn. In het populisme herkent hij de stem van laaggeschoolden van wie de betrokkenheid bij de democratie en de samenleving onder druk is komen te staan. Van Reybrouck wil deze stem ernstig nemen, en daarom pleit hij niet voor minder, maar voor meer en beter populisme. Hier wordt de vraag gesteld hoe sociaaldemocraten moeten omgaan met het betoog van David Van Reybrouck.

EEN PLEIDOOI VOOR POPULISME

Het populisme eist in de hedendaagse politiek een belangrijke rol voor zich op. David Van Reybrouck schreef een opmerkelijk essay over dit fenomeen.1 In een krachtige uiteenzetting beargumenteert de auteur dat het populisme al te vaak bekeken wordt als een ziekte, terwijl deze analyse misschien niet volstaat om het verschijnsel te begrijpen. Van Reybrouck stelt dat de opkomst en het toenemende succes van populistische politici eerder een symptoom is, dat aangeeft dat onze democratie met onderliggende problemen te kampen heeft. De ziekte zit met andere woorden dieper. Misschien is populisme, zo stelt hij, niet zozeer een ernstige ziekte binnen een gezonde democratische politieke cultuur, maar manifesteert het zich pas wanneer de heersende politieke cultuur zelf verzwakt of ziek is. Van Reybrouck richt daarom zijn aandacht op het hele organisme van ons politieke en democratische bestel, en daarbij focust hij vooral op de diplomakloof in onze samenleving. Ten eerste verwijst hij naar de dalende aanwezigheid van laaggeschoolden in het parlement, terwijl die de grote meerderheid van de bevolking uitmaken. Ten tweede haalt hij de cultuurkloof tussen hoog- en laaggeschoolden aan, de nieuwe maatschappelijke breuklijn. In de hedendaagse kenniseconomie is het belang van genoten onderwijs groter dan ooit. Op tal van terreinen is het de belangrijkste sociologische variabele geworden. Attitudes zoals etnocentrisme en politiek cynisme hangen in belangrijke mate af van scholingsgraad, meer dan van andere variabelen zoals klasse, inkomen, geslacht of religie. Hoogopgeleiden blijken jonge multiculturele kosmopolieten die uitkijken naar de toekomst; bij laagopgeleiden stoot men meer op wantrouwen, cynisme, negativisme en xenofobie.
Volgens Van Reybrouck lijken hoogopgeleiden te weinig te beseffen hoe precair het toekomstperspectief van veel laagopgeleide werknemers geworden is in tijden van globalisering, die jobs doet verdwijnen en de maatschappij ingrijpend verandert. Populistische partijen en politici erkennen die angst, argwaan en gevoelens van achterstelling wel. Veel laaggeschoolden kunnen zich herkennen in de populistische programmapunten over migratie, integratie en Europa, en zo worden populisten de vaandeldragers van reëel maatschappelijk ongenoegen.

David Van Reybrouck pleit er voor het populisme, en dan in het bijzonder de voedingsbodem die eraan ten grondslag ligt (de wrevel over de diplomademocratie en de cultuurkloof), ernstig te nemen. Meer zelfs, hij gelooft dat er niet minder, maar net meer en beter populisme nodig is om grote groepen laaggeschoolden opnieuw bij de politiek te betrekken. Zo pleit hij bijvoorbeeld voor meer links populisme. Dit is een provocatief pleidooi. In de Belgische politieke context heeft het populisme immers geen al te beste pers. Populisme is een verwijt dat vrij gemakkelijk naar het hoofd van politieke tegenstanders geslingerd wordt, waarbij de kritiek luidt dat die op een platvloerse en simplistische wijze inspelen op ressentimenten die leven bij sommige burgers door hen als het gewone volk tegenover het establishment te plaatsen. Van Reybrouck maakt echter een onderscheid tussen een ‘duister’ en een ‘democratisch en verlicht’ populisme. De eerste variant wijst hij resoluut af, omdat het gaat om een ideologie die in wezen antidemocratisch is. Deze ideologie gaat er namelijk van uit dat het volk een homogeen blok vormt, dat de wil van dat volk eenduidig en rechtlijnig is, en dat die volkswil eigenlijk het centrum van de macht moet bekleden. Dat gaat in tegen één van de basisassumpties van de democratie die veronderstelt dat de plaats van de macht nooit definitief ingevuld mag worden, maar open en het voorwerp van politieke strijd moet blijven.2 Van Reybrouck is echter van oordeel dat het populisme zich in de praktijk niet in deze essentialistische vorm manifesteert, maar dat het zich doorgaans houdt aan de principes van de democratie en de rechtstaat. Angst voor populisme in deze vorm, zo stelt de auteur, is ongegrond. Van Reybrouck refereert hier aan een andere opvatting over populisme. Die begrijpt populisme onder meer als een stijl, die weliswaar niet echt verfijnd maar ook niet noodzakelijk illegitiem is. Als politici spreken in naam van het ‘belang van de mensen’ of verwijzen naar de ‘wil van het volk’ is dat op zich niet noodzakelijk kwaadaardig of ondemocratisch. Het kan ook zijn dat ze een bijdrage willen leveren aan het algemene belang, of dat ze met hun kritiek op een particratische of corporatistische politieke cultuur reële wantoestanden willen aanklagen of het democratische karakter van het systeem willen bewaken.3 In deze zin kan populisme ook gezien worden als een uiting van één van de grondslagen van de democratie: de volkswil of de volkssoevereiniteit. Die wil wordt steeds in evenwicht gehouden en aan wetten en regels gebonden door die andere essentiële democratische grondslag, de constitutionele rechtstaat. Deze tweede tendens kan echter de technocratisering en juridisering van de samenleving in de hand werken.4 In het populisme zou dan de stem weerklinken van groepen in de samenleving die zich niet meer betrokken voelen bij de politiek omdat ze vinden dat de samenleving te veel gedomineerd wordt door hoogopgeleide experts en technocraten. Het is naar deze - positievere - opvatting van het populisme dat David Van Reybrouck verwijst in zijn pleidooi voor meer en beter populisme.

LINKS POPULISME?

Het is duidelijk dat het essay van David Van Reybrouck een grote relevantie heeft voor de hedendaagse sociaaldemocratie en dat het socialisten ter harte moet gaan. Het belang voor linkse politici van de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden ligt in de vaststelling dat een deel van de denkbeelden en attitudes van groepen laaggeschoolden haaks blijken te staan op hun progressieve gedachtegoed. Zoals Van Reybrouck schrijft is de evidente broederschap die ooit bestond tussen de linkse intelligentsia en het proletariaat beginnen verdampen toen de arbeiders hun materiële lot konden verbeteren en de culturele kloof tussen hoog- en laagopgeleiden steeds sterker op de voorgrond trad. Belangrijke thema’s die de geesten bijvoorbeeld deden scheiden, waren migratie en integratie. Terwijl linkse progressieven het multiculturele ideaal promootten, plaatsten laaggeschoolden meer dan een kanttekening in de marge. Rode buurten kleurden vanaf de jaren 1990 zwart. Uit onderzoek naar de leden van de sp.a blijkt bovendien dat sommige dimensies van de breuklijn zich niet alleen tussen de partij en haar traditionele kiezerskorps maar ook in de partij zelf manifesteren.5 Socialisten moeten dus met veel interesse kennis nemen van het essay van David Van Reybrouck.

De vraag na het lezen van het essay blijft echter: wat kan de sp.a precies aanvangen met dit pleidooi voor populisme, zowel ideologisch als in de praxis van de dagelijkse politiek? Van Reybrouck zelf werkt onvoldoende uit hoe het linkse populisme waarvoor hij pleit er in de praktijk zou moeten uitzien. Hij pleit zelfs eerder voor een nieuwe links-populistische partij genre de Nederlandse SP dan voor een meer populistische koers van de sp.a. De vraag die ik daarom hier aan de orde wil stellen, is hoe de socialisten - ideologisch en politiekpraktisch - moeten omgaan met de essentie van het pleidooi van David Van Reybrouck. Die essentie lijkt me niet zozeer het pleidooi voor populisme als zodanig, maar wel het ernstig nemen van de nieuwe breuklijn in de samenleving. De centrale vraag van dit stuk stelt zich dan in een enigszins ander licht. Ze luidt nu: hoe kunnen socialisten ‘over de kloof’ heen spreken, zodat zowel hooggeschoolden als laaggeschoolden zich in de stem van het socialisme kunnen herkennen? Of: hoe kan de sp.a rekening houden met de achterliggende doelstelling van David Van Reybroucks pleidooi voor ‘democratisch’ populisme (met name het vergroten van de representativiteit en het gevoel van betrokkenheid van bepaalde groepen van burgers, niet alleen bij de politiek als zodanig, maar ook bij een samenlevingsproject als het socialisme), zonder evenwel in de negatieve aspecten van het populisme te vervallen? De sp.a heeft, vanuit een breed samenlevingsideaal, immers bestuurs- en beleidsambities. En daartoe is noch de populistische stijl van het eerder simplistisch en niet-probleemoplossend inspelen op ressentimenten (zoals politiek wantrouwen en etnocentrisme), noch de populistische mobilisatiestrategie waarbij een beroep wordt gedaan op het volk als politieke kracht tegen het politieke establishment (waarvan de socialisten als beleidspolitici deel willen uitmaken), echt geschikt.6 Mogelijke oplossingen voor het probleem van de kloof liggen m.a.w. niet in het onbezonnen naar de andere kant springen, maar in het slaan van bruggen. De dialectische bewegingen die hiervoor nodig zijn, impliceren niet alleen het luisteren naar en het ernstig nemen van het onbehagen in de politiek van grote groepen in onze samenleving7, maar ook de bereidheid om een aantal van de eigen uitgangspunten en evidenties in vraag te stellen.

SOCIAALDEMOCRATIE IN DE LAATMODERNITEIT

Om op deze vragen antwoorden te zoeken, wil ik in eerste instantie bekijken wat nog de relevantie kan zijn van een structuralistische sociaaleconomische benadering, die zo klassiek is voor de socialistische ideologie. De kern van dit soort benadering is na te gaan wie in het sociaaleconomische systeem structureel uit de boot dreigt te vallen en bij welke klassen de onzekerheid over de impact van systemische ontwikkelingen het grootst is. De socialisten nemen traditioneel de verdediging van de belangen van deze klassen (armen, werklozen en gewone werknemers) op zich. De bedoeling daarbij is om structurele ongelijkheden weg te werken en zoveel mogelijk mensen te betrekken in het systeem, om het zo eerlijker te maken. Vanuit deze optiek doen de socialisten inspanningen om werklozen te activeren en werknemers te laten bijscholen om hun kansen te vergroten. Vanuit deze optiek kan ook de diplomakloof geanalyseerd worden als een structureel maatschappelijk probleem omdat, een halve eeuw na de democratisering van het onderwijs, het opleidingsniveau nog steeds sterk bepaald wordt door klasse. Uit laaggeschooldheid komen bovendien niet alleen gevoelens van achterstelling maar ook daadwerkelijke achterstellingen voort: een grotere kans op werkloosheid, onzekerder toekomstperspectieven, een grotere kans op gezondheidsproblemen, een verminderde kans op sociale mobiliteit door het overdragen van deze problemen op een volgende generatie enzovoort.

De mogelijkheden van een structuralistische benadering zijn nog lang niet uitgeput. Het socialisme kan zich blijven manifesteren als een beweging die zich kenmerkt door een analyse die oog heeft voor de belangen van de lagere en middenklassen en die zijn politieke actie afstemt op het corrigeren van de effecten van het systeem indien dat de belangen van die klassen dreigt aan te tasten. Het ideologische en conceptuele kader hiervoor is nog steeds beschikbaar. De bakens ervan zijn een positieve, emanciperende opvatting van vrijheid (maximaal kansen creëren voor iedereen), economische rechtvaardigheid en sociale gelijkheid, solidariteit, en de idee dat de overheid een positieve hefboom is om maatschappelijke actie en correctie mogelijk te maken.8 Socialisten moeten deze uitgangspunten voortdurend blijven vertalen in concrete politieke vertogen en acties die het geloof blijven uitdragen in de overheid, in een maatschappij die bereid is zichzelf voortdurend te corrigeren en in solidariteit tussen de lagere en middenklassen.

De vraag is natuurlijk of dit voldoende zal blijken te zijn om ‘over de kloof’ heen te spreken. Alles wijst erop dat het zelfonderzoek van de socialisten dieper zal moeten gaan. De vraag die misschien te weinig gesteld wordt als het gaat over zoveel mogelijk mensen in het systeem te betrekken, is hoe dat systeem er precies moet uitzien. Op dit punt kan worden gesteld dat socialisten zich te weinig kritisch hebben opgesteld ten aanzien van het (neo)liberalisme, dat na 1989 een hegemonische status bekleedde in het denken van de economische elites. De socialisten bleken onvoldoende in staat om een alternatieve, ideologisch coherente visie te formuleren op hoe het sociaaleconomische systeem kon of moest worden hervormd. Een kritische reflectie op de hegemonische common sense van het (neo)liberalisme drong zich op, maar brak nooit echt door. De Derde Weg, die een compromis wilde zoeken tussen het neoliberalisme en de traditionele verzorgingsstaat, leek een optie, maar door zijn consensualisme betekende die voor velen dat de socialisten zich nog meer als de ‘co-beheerders’ van het zich liberaliserende systeem gingen opstellen. Intussen zette Europa zijn liberaliserende koers door zonder een sociale dimensie uit te bouwen, werd de markt onvoldoende gereguleerd, dreigden verschillende sociale domeinen te vermarkten en nam de ongelijkheid op globale schaal toe. Ook nu, tijdens de financiële en economische crisis, blijft een goed uitgewerkte, coherente kritische reflectie op het (neo)liberale denken te veel afwezig. Deze reflectie zal echter - meer dan ooit - noodzakelijk zijn wanneer het debat over het herstel van de sociaaleconomische en financiële systemen na de dieptepunten van de crisis zal starten. De grote taak van het socialisme zal er meer bepaald in bestaan een dialectische beweging te maken tussen twee problematische spanningspunten: aan de ene kant sociaaleconomisch conservatisme en protectionisme, die alleen maar een illusie van zekerheid kunnen geven en kunnen leiden tot de ondermijning van het sociale zekerheidsstelsel, en anderzijds de dogma’s van het laatmoderne (neo)liberale kapitalisme, die het risico van de ontmanteling van dat stelsel in zich dragen.9

Dit is niet de plaats om uitgebreid de contouren van een kritischere bezinning op het (neo)liberale kapitalisme uit te werken. Ik wil hier vooral wijzen op het probleem dat bij socialisten een kritische, ideologisch coherente reflectie onvoldoende aanwezig was en is. Ik wil hier wel kort één element aanhalen dat in dit kader relevant is: het bij velen voor onzekerheid zorgende ‘reflexieve’ karakter van het laatmoderne kapitalistische systeem. In de laatmoderniteit wordt van mensen verwacht dat ze ‘zichzelf activeren’ en ‘vormgeven’ als een ‘individueel project’. In die zin spreken sociologen Anthony Giddens en Ulrich Beck over het ‘reflexieve’ individu. Deze reflexiviteit, die bijvoorbeeld geldt voor de studie- en de professionele loopbaan, heeft vele positieve aspecten. Maar anderzijds zorgt ze bij velen ook voor grote onzekerheid en druk, vooral bij mensen in laaggeschoolde en minder bevoorrechte posities. Met betrekking tot onderwijs heeft Koen Pelleriaux bijvoorbeeld op het probleem gewezen dat laaggeschoolden verantwoordelijk worden gesteld voor hun opleidingsniveau en dus voor hun verminderde kansen in de samenleving. Er wordt niet langer gezegd: ‘je hebt minder kansen omdat je een kind van arbeiders bent’, maar wel: ‘je hebt minder kansen of je verdient slechter omdat je minder naar school bent geweest’ of ‘minder je best hebt gedaan’.10 Terwijl voor veel hooggeschoolden de continue bewegingen en constante transformaties van de globale economie bovendien de belofte inhouden van een reeks ‘professionele uitdagingen’ die hen ‘oneindige mogelijkheden tot persoonlijke ontwikkeling’ bieden, zijn die voor veel laaggeschoolden en gewone werknemers vaak een bron van onzekerheid die hun job en welzijn voortdurend bedreigen. Het lijkt er voor veel gewone werknemers vooral op dat ze bijna uitsluitend als utilitair-instrumentele en niet als sociale wezens gemobiliseerd en opgevorderd worden in het economische systeem, om zich ten dienste te moeten stellen van groei, winst, flexibilisering en versnelling. Zo dreigt een nieuwe vervreemding te ontstaan tussen werknemers en het goed of de dienst die ze produceren. Een treffend voorbeeld hiervan zijn de moderne postbodes die door computerbepaalde routes en tijdsschema’s gestuurd worden en daardoor de sociale aspecten van hun job als irrelevant zien verdwijnen.

Het reflexieve karakter van de laatmoderniteit lijkt dan weinig meer dan een valse belofte. Zo ontstaat het risico dat gevoelens van achterstelling, wantrouwen, cynisme en utilitair individualisme vergroot worden bij mensen die het gevoel hebben niet mee te zijn.11 Een ander probleem van de reflexieve opvatting van het individu, die ook cruciaal is in Giddens’ opvatting over de Derde Weg, is dat die sommige van de kernpunten van een sociaal-structurele analyse dreigt te ondergraven. Dat soort analyse impliceert immers ook altijd een bepaalde collectivistische oriëntatie. Het socialisme moet zich dus over deze ontwikkelingen bezinnen, want het heeft nood aan een mensbeeld dat de mens niet alleen als utilitair maar ook als solidair wezen ziet en hem in een breder samenlevingsverband plaatst. Hier liggen grote uitdagingen voor de socialisten, maar ook kansen. Van belang is dat ze naar de gevoelens van onbehagen luisteren, ze ernstig nemen, en in hun politieke spreken de stem trachten te vertolken van diegenen die het gevoel hebben vooral de lasten en niet de lusten van het laatmoderne kapitalistische systeem te moeten dragen. Dit vergt aandacht wat politieke stijl en taalgebruik betreft, maar het vereist ook het blijvend in herinnering brengen dat het socialisme streeft naar een solidaire samenleving, waar niet alleen kansen op individuele activering maar ook onderlinge verbondenheid, niet alleen welvaart en groei maar ook welzijn en zekerheid centraal staan.

ETNOCENTRISME EN KOSMOPOLITISME

Intussen is uit deze uiteenzetting duidelijk geworden dat in de nieuwe maatschappelijke breuklijn niet alleen structurele, maar ook culturele dimensies een belangrijke rol spelen. Een louter structuralistische benadering zal voor socialisten dan ook niet volstaan om op alle problemen die verbonden zijn met die breuklijn een antwoord te bieden. Er blijven namelijk een aantal heikele thema’s bestaan. Migratie en integratie zijn daar voorbeelden van. Socialisten moeten er natuurlijk voor blijven pleiten dat ook deze thema’s steeds vanuit een sociaal-structureel perspectief benaderd blijven worden, door te herhalen dat er aan migratie en integratie niet alleen culturele, maar ook achterliggende sociale problemen verbonden zijn zoals armoede en kansengebrek. Het blijft voor socialisten een permanente opdracht het migrantenvraagstuk te benaderen vanuit een sociaaleconomische optiek en niet in de val van een eenzijdig ‘culturele’ definiëring van dit vraagstuk te trappen. Maar daarmee is nog geen antwoord geboden op alle problematische aspecten van de cultuurkloof zoals David Van Reybrouck die analyseert. Dat wil ik verduidelijken door kort de breuklijn tussen etnocentrisme-kosmopolitisme, die zich deels op die kloof geënt heeft, te belichten. In zijn zoektocht naar manieren om met de cultuurkloof om te gaan, draagt Van Reybrouck zelf een ‘verlicht’ populisme aan. Hoewel het me eerlijk gezegd niet helemaal duidelijk is waarom het populisme dat Van Reybrouck ‘verlicht’ noemt (en dat in zijn pleidooi enigszins fungeert als een ideologische deus ex machina) precies nog populisme genoemd kan worden, is het voor socialisten nuttig één van de draden die Van Reybrouck oppikt en misschien iets te snel weer neerlegt, toch terug op te nemen en te overdenken. Hij schrijft over dat verlichte populisme namelijk dat het een populisme moet zijn dat ‘het ideaal van wereldburgerschap niet onverzoenbaar acht met het verlangen naar een sense of belonging; een populisme dat een ontworteld kosmopolitisme even problematisch vindt als een geborneerd nationalisme.’

De sp.a is voor velen een partij geworden die de boodschap van het progressieve kosmopolitisme uitdraagt. Dat heeft een kloof doen ontstaan tussen de partij en een deel van zijn oude achterban die zich niet kan herkennen in dat ‘elitaire’ ideeëngoed. Progressieve kosmopolieten gaan er op hun beurt gemakkelijk toe over etnocentrisme en nationalisme te verketteren. Aldus dreigt ook hier het debat over de multiculturele samenleving vast te lopen, gevangen tussen doorgeschoten politieke correctheid en populistisch realisme.12 Daarom is de tijd gekomen om de spanning tussen etnocentrisme en kosmopolitisme te ontspannen, in het bijzonder door beide posities te problematiseren (wat betekent dat de progressieve kosmopolieten ook de eigen uitgangspunten in vraag moeten durven stellen).
Etnocentrisme kan worden beschouwd als een (begrijpelijke) reactie op de grote bewegingen van de globaliserende en delokaliserende laatmoderniteit, maar het levert maatschappelijk uiteindelijk weinig op behalve grotere spanningen tussen verschillende groepen in onze samenleving. Sommige ontwikkelingen kunnen immers onmogelijk teruggedraaid worden. In de laatmoderne tijd moet de mens aanvaarden dat zijn uitzicht op de wereld onverbiddelijk veranderd is. Maar ook het progressieve (of preciezer geformuleerd: het reflexieve) kosmopolitisme moet worden geproblematiseerd. In ons tijdvak is immers duidelijk geworden dat het kosmopolitisme er niet meer naast kan kijken dat de geglobaliseerde laatmoderniteit, waarvan het niet kan ontkennen dat zijn lot ermee verbonden is, de mens en de samenleving voor een aantal ernstige problemen plaatst. In de laatmoderniteit wordt het individu enerzijds bewogen (of zelfs gedwongen) te participeren aan het spel van de alomvattende dynamisering, hyperactivering en mobilisering in het globale stelsel van netwerken, terwijl anderzijds bekende en vertrouwde thuis- en woonstructuren (zoals de natiestaat of de zuil) ondergraven worden.13 Dit kan leiden tot een ontwortelde identiteitsvorming van individuen en, als gevolg daarvan, tot onbehagen.
Het problematische karakter van beide bewegingen (het terugplooien op gekende en vertrouwd aandoende maar eigenlijk onhoudbare identiteiten en argumentaties als tegenreactie aan de ene, en de niet aflatende mobilisering en hyperactivering van het reflexieve individu aan de andere kant) maakt het, ook voor hedendaagse socialisten, noodzakelijk ten minste de vraag te stellen naar leefbare vormen van ‘nabijheid’ en ‘zich thuis voelen’. Deze vormen moeten open en solidair-inclusief zijn, ruimte laten voor het anders-zijn, maar tegelijkertijd de mens niet het gevoel geven dat hij op een losgeslagen schip terecht is gekomen. Ze moeten integendeel de mens het gevoel geven dat hij, samen met andere mensen, in een welbepaald samenlevingsverband of in een betekenisrijke omgeving (een stad, een dorp of een streek) woont, en er niet alleen, met behulp van de technologie, doorheen of over raast, of ze in naam van de hyperkinetische laatmoderniteit als irrelevant moet beschouwen.

Dit is geen pleidooi voor conservatisme of cultureel protectionisme. Het gaat over de noodzaak voor de sociaaldemocratie om een dialectische beweging te maken tussen etnocentrisme enerzijds en delokaliserend kosmopolitisme anderzijds. Het gaat, anders geformuleerd, over de vraag of de voorwaarden van individuele waardigheid en zelfverwezenlijking vervuld moeten worden door een reflexief-individualistische orde, of ook de inzet moeten zijn van een collectief, door een gemeenschap gedragen project.14 Indien socialisten ‘over de kloof heen’ willen spreken, lijkt het noodzakelijk dat de collectivistische vertogen geherwaardeerd worden en dat aandacht geschonken wordt aan sociale cohesie en wederzijdse betrokkenheid. Hoe dat kan gebeuren, is niet evident. Het zal erom gaan ‘thuis- en samenlevingsstructuren’ zoals de stad15 en de streek te ondersteunen, het verenigingsleven en het middenveld te stimuleren, en de waarde van een gedeeld burgerschap en een gedeelde identiteit en verantwoordelijkheid te onderschrijven. Het is duidelijk dat dit voor socialisten niet altijd gemakkelijk zal zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het verhaal dat René Cuperusonlangs in Samenleving en politiek optekende over de nota ‘Verdeeld verleden, gedeelde toekomst’ van de Nederlandse PvdA.16 Ook Patrick Loobuyck beklemtoont in zijn bijdrage in het boek Rood zonder roest de moeilijkheden die voor socialisten aan deze thema’s verbonden zijn. Maar net als Cuperus, die stelt dat de herwaardering en her-uitvinding van een ‘Nieuw Groot Wij’ onontbeerlijk is voor een sociaaldemocratisch samenlevingsmodel, is Loobuyck van oordeel dat sociale rechtvaardigheid gemeenschapsvorming, wederzijdse identificatie en lotsverbondenheid veronderstelt.17 Met andere woorden, de ideologische herbronning waar socialisten zich vandaag voor geplaatst zien, mag zich dan als moeilijk aankondigen, ze is er niet minder noodzakelijk om.

Maarten Van Alstein
Doctoraatsstudent, Politieke Wetenschappen, UA

Noten
1/ David Van Reybrouck (2008), Pleidooi voor populisme, Amsterdam, Querido.
2/ Koen Abts en Stefan Rummens (2005), Populistische democratie: een contradictio in terminis, in Ethiek en Maatschappij 8(4), pp. 27-49.
3/ Ibid., p. 45
4/ Mark Elchardus (2001), Moet populisme omarmd worden als politieke vernieuwing?, in S&D Maandblad van de Wiardi Beckman Stichting (6), pp. 259-260.
5/ Patrick Vander Weyden, Koen Abts en Sophie Colpaert (2008), De sp.a leden doorgelicht. Wie zijn ze en wat denken ze over maatschappij en partij?, in: Samenleving en politiek, jg.15, nr. 10, pp. 13-22.
6/ Dit sluit overigens een ‘populaire stijl’ niet uit. Zie Koen Abts (2004), Het populistisch appel. Voorbij de populaire communicatiestijl en ordinaire democratiekritiek, in: Tijdschrift voor Sociologie 25(4), p. 452 en p. 470.
7/ Mark Elchardus (2001), p. 262.
8/ Patrick Loobuyck (2007), Moet er nog socialisme zijn?, in: Samenleving en politiek, jg. 14, nr. 7, pp. 29-40.
9/ Arie van der Zwan (2003), De uitdaging van het populisme, Amsterdam, Meulenhoff, pp. 11-30 en pp. 171-197 en Chantal Mouffe (2005), On the political, London/New York, Routledge, pp. 35-72.
10/ Dossier ‘Hoog- en laaggeschoolden leven elk in een andere wereld’, Koen Pelleriaux over de nieuwe ongelijkheden in de samenleving, in: Doen, 2001, pp. 4-7.
11/ Mark Elchardus en Anton Derks (1998), Vertogen over de relatie individu - samenleving. De individualistische uitdagingen in een collectivistische cultuur, in: Ethiek en Maatschappij (3), pp. 3-26. en Koen Abts (2005), De grammatica en dynamica van vertrouwen. Een sociologische verkenning, in: Ethiek en Maatschappij 8(2), p. 19.
12/ Ronald Tinnevelt en Koen Abts (2005), De stem van het volk als maat van de politiek? Populisme en de multiculturele samenleving, in: B. Van Leeuwen en R. Tinnevelt (eds.), De multiculturele samenleving in conflict, Leuven, Acco, pp. 151-152.
13/ Peter Sloterdijk (2006), Het kristalpaleis. Een filosofie van de globalisering, Amsterdam, SUN, p. 163. De Duitse titel van het boek is veelzeggender: Im Weltinnenraum des Kapitals.
14/ Mark Elchardus en Anton Derks (1998), p. 22 en p. 23.
15/ De zinsnede ‘t Stad is van iedereen’ en de gedachten die er achter liggen, wijzen erop dat het acute karakter van dit thema aangevoeld wordt en dat geprobeerd wordt er een praktisch antwoord op te bieden.
16/ René Cuperus (2009), Sociaaldemocratische integratiepolitiek: mission impossible?, in: Samenleving en politiek, jg. 16, nr. 2, pp. 4-15.
17/ Patrick Loobuyck (2009), De immigratiesamenleving als uitdaging voor de sociaaldemocratie, in C. Devos en R. Vander Vennet (eds.), Rood zonder roest. Een sociaaldemocratie voor de 21e eeuw, Leuven, Van Halewyck/Stichting Gerrit Kreveld, pp. 123-133.

populisme - links - sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 4 (april), pagina 15 tot 23