Log in

Tijd voor samenwerking

redactioneel

Dé belangrijkste en meest duidelijke vaststelling van de Vlaamse verkiezingen is de partijpolitieke versnippering. Welke berekeningswijze men ook hanteert, de vaststelling is onbetwistbaar.1 De versnippering van het partijpolitiek landschap werd al in 2007 ingezet met de oprichting van LDD en kreeg later verder vorm nadat N-VA zich had losgerukt uit het kartel. De verrassing van de verkiezing is uiteraard het gigantische succes van N-VA dat bijna even groot werd als Open Vld en sp.a. Met deze verkiezingsuitslag is er met andere woorden eensklaps een politieke speler van formaat bijgekomen.

De voortschrijdende versnippering doet de discussie weer oplaaien naar een hervorming van het kiessysteem. Een resem van maatregelen wordt gesuggereerd zoals het verkleinen van de kieskringen (of het verminderen van het aantal parlementsleden) waardoor de effectieve kiesdrempel stijgt, de verhoging van de wettelijke kiesdrempels of het invoeren van een meerderheidssysteem. Uiteraard kunnen institutionele hervormingen het partijpolitiek landschap in sterke mate bepalen, maar de vraag is of alle troeven om de kieswetgeving als bepalende factor te laten optreden al niet uit de kast zijn gehaald. Een wettelijke kiesdrempel op het niveau van de provincies van vijf procent is niet niks. Stijgen naar nog hogere kiesdrempels van bijvoorbeeld tien procent zou echt wel een brug te ver zijn. De kieskringen verkleinen en teruggrijpen naar bijvoorbeeld de voormalige arrondissementen zou opnieuw leiden tot grote ongelijkheden in effectieve kiesdrempels tussen de arrondissementen. Soms wordt ook gepleit voor het invoeren van een meerderheidssysteem of een zogenaamd gemengd systeem (combinatie van meerderheidssysteem met evenredige vertegenwoordiging). Daarbij wordt er gemakshalve vanuit gegaan dat zulke systemen altijd een kleiner aantal partijen voortbrengt en een duidelijke éénpartijmeerderheid genereert. De voorbeelden van landen met een meerderheidssysteem waar dit niet het geval is, groeit met de dag. Een meerderheidssysteem is dus geen garantie op een stabiele regering met een zeer beperkt aantal partijen. Sleutelen aan de kieswetgeving geeft ons de indruk dat de versnippering te wijten is aan de spelregels waarbinnen de verkiezingen plaatsvinden.
Geen enkel kiessysteem kan diepe (politieke) tegenstellingen en maatschappelijke heterogeniteit overbruggen of verbergen.

Veel belangrijker om versnippering tegen te gaan is strategische coördinatie tussen partijen en partijelites. Het blijft afwachten of de kiesdrempel van 5 procent sommige partijen uiteindelijk niet zal dwingen om serieus samen te werken met andere partijen en eventueel samen naar de kiezer te gaan. Groen! blijft rond de kiesdrempel hangen en het lijkt erop dat zij in Vlaanderen elke verkiezing opnieuw een strijd moet voeren om de kiesdrempel te halen. Ook LDD zit niet heel ver boven de kiesdrempel. Niet als overwinnaar uit de verkiezingen komen en Bart De Wever heel uitdrukkelijk moeten laten voorgaan, moet bij LDD heel hard aankomen. Een sterke doorgroei lijkt zeer onwaarschijnlijk. Telkens vechten om in elke provincie boven de kiesdrempel te blijven, is misschien een nobele activiteit, efficiënt is ze allerminst. Toch lijkt dit het lot te worden van Groen! en LDD. Bij de hervorming van ons kiessysteem naar provinciale kieskringen (met de 5 procent kiesdrempel) heeft men trouwens de fout gemaakt om kartelformules toe te laten. Zonder die mogelijkheid was van N-VA vandaag geen sprake.

Terug naar de verkiezingsuitslag. N-VA en CD&V hebben de verkiezingen gewonnen. Wat evenwel tussen alle tumult en verwarring wat op de achtergrond verdween, is de spectaculaire nederlaag van het Vlaams Belang. Niet minder dan 8,87 procent verlies en daarmee dé verliezer van deze verkiezingen. De racistische campagnefinale van Dewinter heeft de meubelen niet kunnen redden. De versnippering op rechts, met de komst van LDD en een onafhankelijke N-VA, heeft zeker bijgedragen tot haar nederlaag. De psychologische opdoffer die Patrick Janssens het Vlaams Belang in 2006 toebracht, creëerde een beeld van een partij die (zwaar) kon verliezen. De daaropvolgende interne strijd over de te volgen strategie bestendigde dit beeld. Het feit dat het Vlaams Belang de verkiezingen heeft verloren, moet niet worden onderschat. Het illustreert dat een deel van haar traditionele electoraat heeft afgehaakt en het geeft andere (nieuwe) partijen de kans om de ontgoochelde kiezer terug te halen. Die ontgoochelde Vlaams Belang kiezer is evenwel niet terecht gekomen bij de Groen! en sp.a.

Ook links heeft deze verkiezingen verloren. In 2004 haalden sp.a-spirit en Groen! samen nog 31 zetels, in 2009 zijn ze samen nog goed voor 26 zetels. Het verlies situeert zich bovendien volledig bij sp.a, maar versterkte Groen! deze keer niet. Samen haalden Groen! en sp.a in 2004 27,82 procent van de stemmen, in 2009 nog maar 22,04. Zelfs als de stemmen van SLP en PVDA+ er in 2009 worden bijgeteld dan komt men in 2009 net aan 24 procent aan de linkerzijde. Nog steeds een sterk netto-verlies. Links heeft deze verkiezingen niet verloren door de gevreesde versnippering aan linkerzijde. SLP en PVDA+ hebben geen doorbraak kunnen forceren. SLP heeft de kiezer niet duidelijk kunnen maken wat haar nu precies onderscheidt van andere partijen en meer bepaald met sp.a en Groen!. Ook PVDA+ heeft niet kunnen overtuigen ondanks haar grotere zichtbaarheid in de (lokale) media in vergelijking tot eerdere verkiezingen. Samen halen SLP en PVDA+ amper twee procent van de stemmen. Bijgevolg heeft sp.a de verkiezingen niet verloren aan haar linkerzijde, maar in het centrum en misschien wel aan rechts.

Het had allemaal nog erger gekund en ook dat zou niet verbazingwekkend zijn geweest. De sp.a is de afgelopen maanden té veel op zichzelf gericht geweest. De openlijke kritiek van kandidaten op elkaar en van zogenaamde bevriende mensen uit de beweging op partij en kandidaten zorgden ervoor dat té veel tijd en energie werd besteed aan het blussen van branden. Het gevolg was dat een beeld ontstond van ‘Het gaat slecht met de socialisten’, ‘De socialisten zitten in de hoek waar de klappen vallen’. Zendtijd werd verknoeid om vragen en opmerkingen van het bovenstaande kaliber te weerleggen. Té weinig tijd bleef over om de eigen boodschap in de verf te zetten. Het contrast met de katholieke zuil kon niet groter zijn. In aanloop van elke verkiezing sluiten de katholieke rangen zich volledig en gaan ze als één man achter de CD&V staan. Ook binnen de CD&V sluiten de rangen dan collegiaal. Zelfs Yves Leterme, voor wie deze verkiezing toch allesbehalve gemakkelijk moet zijn geweest, schakelde zich schoorvoetend binnen de door de partij bepaalde strategie. Die eenheid, het beeld van een nieuwe sterke ploeg van politici is een deel van de verklaring van het succes van CD&V. De kiezers kiezen voor politici, die samenwerken en zeker de linkse kiezers. De openlijke verdeeldheid binnen sp.a heeft de partij electorale schade opgeleverd. Het meest problematische in die zin is niet de goedbedoelde kritiek van de oudere generatie, maar de structureel georganiseerde kritiek en sabotage van sommige binnen (en buiten) de sp.a die weten dat zij hun persoonlijk (electoraal) succes enkel hebben te danken door alles en iedereen af te schieten. Sp.a Rood, een partij binnen de partij, heeft zich niet tot doel gesteld om met sp.a samen te werken. Vertrekkend van het eigen grote gelijk en een spoor van tegenwerking en verdeeldheid achterlatend in elke afdeling waar ze probeert een voet aan de grond te krijgen, probeert deze fractie heel de sp.a mee te laten marcheren in haar verhaal. Lukt het niet om een meerderheid binnen de afdelingen en binnen de partijstructuren te overtuigen van haar gelijk, dan is er de techniek van de openlijke (persoonlijke) kritiek. Zo’n partij binnen de partij maakt een open en mobiliserende werking onmogelijk. Zo’n werkwijze maakt een openlijk debat binnen de partij onmogelijk. Zo’n werkwijze trekt geen actieve leden aan, ze stoot ze af.

Tot spijt van wie het benijdt, deze verkiezingsuitslag heeft de positie van Caroline Gennez versterkt. Deze verkiezing, met een resultaat dat beter was dan verhoopt (de psychologie van de verwachtingen), en met een onthechtheid bij een jonge generatie politici, kan het begin inluiden van een sterk samenhangende ploeg waarin ieder zijn rol kan trachten te vinden, vergelijkbaar met de periode Stevaert-Vande Lanotte-Janssens-Vandenbroucke.

Er is natuurlijk niet alleen de interne verdeeldheid die het verlies verklaart. De afgelopen twee jaar is er veel werk verricht. Interessante ideeën en teksten werden geproduceerd, ook in dit tijdschrift. Maar er ontbreekt een coherente synthese, een duidelijk toekomstgericht verhaal, waarin de traditionele socialistische, sociaaldemocratische uitgangspunten op een hedendaagse niet louter bestuursmatige manier worden uitgewerkt. De sociaaldemocratische uitgangspunten, de traditioneel ideologische basis zoals u wil, moet hedendaags vorm krijgen. Het moet abstract wervend en coherent zijn, waaruit zeer concrete speerpunten en beleidsalternatieven kunnen worden afgeleid. Bovendien, en dit is dé uitdaging, moeten ecologische thema’s en oplossingen coherent en duidelijk geïntegreerd worden in het sociaaldemocratisch gedachtegoed. Wie het boek van Bart Martens2 heeft gelezen, weet dat hier een interessante voorzet is gegeven. De coherente (ideologische) integratie van ecologische thema’s in het sociaaldemocratische gedachtegoed is geen electorale oefening, het is de noodzakelijk inhoudelijke weg die moet worden bewandeld. De (ideologische) puzzelstukjes zijn aanwezig, niemand binnen en buiten de sp.a heeft de grote waarheid in pacht. Er zal dus heel hard moeten worden samengewerkt om zo’n coherent verhaal uit te werken, om de puzzelstukjes in elkaar te laten vallen.

Het coherent hedendaags verhaal ontbreekt. Dit is niet alleen het geval bij sp.a trouwens. De noodzaak voor zo’n omvattend en wervend verhaal is nochtans van essentieel belang voor een sociaaldemocratische partij in Vlaanderen. Linkse partijen in Vlaanderen zullen nooit kunnen terugvallen op ‘sterk in moeilijke tijden’ of op een exclusief etiket van vermeend leiderschap. In tegenstelling tot CD&V zal de sp.a steeds opnieuw zowel inhoudelijk als met haar politiek personeel moeten overtuigen. De sociologische biotoop in Vlaanderen (en vooral buiten de stedelijke centra) is niet socialistisch maar nog steeds katholiek/christelijk.

Vanuit zo’n sterk coherent ‘ideologisch’ verhaal moet dan gecommuniceerd worden naar brede lagen in de samenleving en met enkele kernthema’s (speerpunten, trekpleisters, ...) die telkens opnieuw consequent worden herhaald en benadrukt.
Een moderne structuur van partij zou daar op geënt moeten zijn. Coherentie van het eigen verhaal betekent ook dat de verschillende niveaus binnen een partij overtuigd moeten zijn of overtuigd moeten worden van het ideologisch kader. De massamedia zijn doorslaggevend en het politieke personeel dat binnen deze context acteert moet natuurlijk de gave hebben om hiervan gebruik te maken. Maar wanneer men te afhankelijk wordt van die massamedia, die zijn eigen spelregels heeft, is men als partij vatbaar voor sterke electorale volatiliteit. Men heeft zijn eigen succes en verlies minder goed in handen. Die volatiliteit kan worden opgevangen door een sterke open partijorganisatie op alle niveaus. Wanneer leden in afdelingen, lokale, Vlaamse en federale mandatarissen in eenzelfde verhaal stappen, dit verdedigen en uitdragen, wordt de kans veel groter dat én de geloofwaardigheid én de herkenbaarheid van het ideologisch kader, het brede programma van de partij bij grote delen van de bevolking wordt uitgedragen. Dit vraagt ongelofelijk veel energie. Dit betekent dat men moet luisteren én overtuigen, dat men zich moet openstellen en de discussie moet aangaan binnen de partij en buiten de partij, met allerhande organisatieverbanden van mensen, ook met diegene die niet meteen tot de klassieke zuil behoren. Leden binnen afdelingen zouden ook geëngageerd kunnen worden om deze rol op te nemen. In plaats van passief grieven te formuleren, zouden ze mee kunnen worden ingeschakeld in een mobiliserend verhaal.

Enkel diegenen die de voeling zijn verloren met lokale partijwerking of het misschien nooit hebben gekend, kunnen beweren dat er gekozen moet worden tussen wat er leeft aan de basis en iets wat daar los van zou staan. Er bestaat aan de basis een enorm potentieel om samen te werken en op te bouwen. Maar het vraagt inspanningen om dit potentieel aan te boren en te engageren. Het vraagt ook overtuigingskracht. Dit is geen teruggrijpen naar het klassieke cliëntelisme en de klassieke partijwerking. Dit heeft in essentie te maken met het feit dat een partijwerking zich in al zijn geledingen durft open te stellen voor de samenleving waarin ze actief is en waarbij zoveel mogelijk mensen worden betrokken. Het moet ook fijn vertoeven zijn in zo’n partij. Mensen komen niet naar partijactiviteiten waar telkens opnieuw wordt gekibbeld en tweedracht wordt gezaaid. Mensen engageren zich omdat ze in iets geloven, omdat ze overtuigd zijn dat ze iets kunnen leren en dat ze iets kunnen bijdragen. Maar een noodzakelijke voorwaarde voor zo’n engagement is dat men zich goed voelt in zo’n organisatie, dat men in een sociaal netwerk actief is waar het met andere woorden aangenaam is om zijn vrije tijd in door te brengen.

De sp.a staat dus voor enorme uitdagingen. De inhoudelijke synthese moet weldra worden gemaakt. Zowel inhoudelijk als organisatorisch moeten de neuzen in dezelfde richting. De verkiezingsuitslag creëert een verdeeld partijpolitiek landschap en de roep om verantwoordelijkheid op te nemen is groot. Nochtans is de verkiezingsuitslag niet van die aard om deze verantwoordelijkheid ook met een grote legitimiteit op te nemen. Een oppositiekuur lijkt zowel electoraal, inhoudelijk als organisatorisch wenselijk. De continuïteit die door een versterkte voorzitter kan worden gegarandeerd, betekent dat voor het eerst in jaren de sp.a structureel kan bouwen. Met een regeringsdeelname zou die kans kunnen verloren gaan.

Patrick Vander Weyden
Hoofdredacteur Samenleving en politiek

Noten
1/ Het effectief aantal electorale partijen steeg van 4,76 in 2004 naar 6,7 in 2009. Het effectief aantal parlementaire partijen steeg van 4,82 in 2004 tot 5,97 in 2009. Voor de berekeningswijze van het ‘effectief aantal partijen’ zie: Vander Weyden, Patrick (2006). Kiesdrempels, districtgrootte en het aantal partijen in systemen van evenredige vertegenwoordiging. Res Publica, XLVII (1): pp.66-82.
2/ Bart Martens (2009). Nieuw land in zicht. Sociaaldemocratisch kompas voor de 21ste eeuw., Antwerpen, Garant.

edito - sp.a - verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 6 (juni), pagina 1 tot 5