Abonneer Log in

Geld maakt niet gelukkig?

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 8 (oktober), pagina 51 tot 59

Wereldwijd komt er langzaamaan een debat over ontwikkeling en ontwikkelingssamenwerking op gang. Wat is of wat zou ontwikkeling moeten/kunnen zijn? Wat zou ontwikkelingssamenwerking kunnen/moeten doen? Moeten we ermee doorgaan of kunnen we er beter mee stoppen? De antwoorden op deze vragen zijn lang niet makkelijk, en ook de sp.a hield er een studiedag over. In dit artikel wil ik het hebben over welvaart, welzijn en geluk en uitleggen hoe men voortdurend de ambities van de ontwikkelingssamenwerking naar beneden toe bijstelt en met de rug tegen de muur ten slotte naar een alsmaar subjectievere benadering overstapt. Vandaag wordt meer en meer verwezen naar het ‘bruto nationaal geluk’.

Ik zie drie belangrijke redenen om helder te antwoorden op bovenstaande vragen.
De eerste is erg duidelijk. Men vindt ze terug in de boeken van William Easterly of het recente succes van Dambisa Moyo. De markt lost alles veel beter op dan de overheid, solidariteit kennen we niet en behoeven we niet, doek op die hele handel. Deze marktdenkers hebben een aantal goede argumenten om zich tegen ontwikkelingssamenwerking te keren, maar het opgeven van de Noord-Zuid solidariteit in een context waarin de ongelijkheid nog nooit zo groot is geweest, lijkt me toch een brug te ver.
Ten tweede zijn er diegenen voor wie de weg belangrijker is dan de aankomst. ‘Er is vooruitgang, maar er valt nog een lange weg te doen’, heet het dan. In feite betekent het: ‘we hebben er een potje van gemaakt, we weten niet meer van welk hout pijlen maken, maar enkele resultaten zijn er wel, dus is er hoop en dus we doen verder’. Dit is meestal het antwoord van de werkers in de hulpindustrie die zich inderdaad (nog) niet kunnen inbeelden dat er ooit een eind aan hun activiteiten kan of zou moeten komen, ook al wordt de kritiek op ontwikkelingssamenwerking alsmaar luider en concreter. En ook al weet men dat zelfs de bescheiden millenniumdoelstellingen niet worden gehaald. Zij geven er de voorkeur aan te blijven ‘tasten in het duister’, zoals de algemeen secretaris van de koepel van Noord-Zuid organisaties het onlangs stelde.
De derde reden moet worden gezocht bij diegenen die hun mislukking evenmin kunnen toegeven, maar wel voortdurend op zoek gaan naar ‘nieuwe paradigma’s’. ‘We leren de lessen van onze fouten uit het verleden’, zo heet het dan. Vanaf nu wordt het beter. Ze voeren ‘participatie’ en ‘ownership’ in. Ze stappen over van wat in de jaren 1960 nog een vrij concrete doelstelling van ‘het dichten van de kloof’ en industrialisering was, naar ‘structurele aanpassing’ en ‘armoedebestrijding’. Ze hebben het over de ‘multidimensionaliteit’ van armoede - ook al kan armoede gemeten en in kaart gebracht worden - en ten slotte over ‘welzijn’ en … ‘geluk’. De perceptie van armoede wordt belangrijker dan de feitelijke honger van mensen.
In dit artikel wil ik vooral dit derde fenomeen onder de loep nemen.

VIJFTIG JAAR ONAFHANKELIJKHEID

Het is in 2010 vijftig jaar geleden dat het dekoloniseringsproces zijn beslag heeft gekregen. Vanaf 1960 werden de Afrikaanse landen een na een onafhankelijk en traden toe tot de Verenigde Naties. Dankzij Latijns-Amerika - dat een goede eeuw eerder onafhankelijk werd - wist men dat nationale politieke onafhankelijkheid geen betekenis kon hebben zonder economische vooruitgang.
Een analyse van de VN-documenten uit die tijd toont aan wat ‘ontwikkeling’ toen inhield. Industrialisering stond op de eerste plaats, aangezien alle rijke landen ook een sterke industrie hadden. Over internationale handel werd zwaar gediscussieerd, maar men was het erover eens dat er een rechtvaardige prijs moest worden betaald voor de basisproducten die derdewereldlanden uitvoerden en dat de ruilvoet moest verbeteren. Dat kon door een aandeel te verwerven in de dienstensector. Er was controle nodig over multinationals die ook een deel van hun winst moesten herinvesteren in de landen waar ze actief waren. Men vroeg een overdracht van technologie. En om het financieringstekort te overbruggen zou ontwikkelingshulp gegeven worden, wat al gauw tot de beroemde 0,7% van het BNP van de rijke landen leidde. Waar het uiteindelijk om ging, was het dichten van de kloof tussen ‘onderontwikkelde’ en ‘ontwikkelde’ landen. ‘Ontwikkeling’ werd een collectief proces van economische modernisering en emancipatie.

Al heel snel kwamen de eerste scheurtjes in dit genereuze ontwikkelingsverhaal te voorschijn. Op theoretisch vlak probeerden de dependencia-denkers in Latijns-Amerika aan te tonen dat ‘onderontwikkeling’ niet een voorgaande fase maar juist een gevolg van ‘ontwikkeling’ was. In de praktijk kan men er aan twijfelen of de rijke landen ooit echt van plan zijn geweest een concreet gevolg te geven aan de vragen van toen. Vast staat wel dat van meet af aan, bewust of onbewust, een grote fout werd gemaakt. Men deed alsof er over ‘ontwikkeling’ een consensus bestond, alsof iedereen dat wel wilde. De praktijk in Noord én Zuid wees al gauw op iets anders. Bovendien werd de 0,7% nooit bereikt.
In 1970 werd de VN-resolutie over het tweede ‘ontwikkelingsdecennium’ goedgekeurd en er werd vastgesteld dat de kloof tussen arm en rijk nog toenam. De jaren 1970 zijn de geschiedenis ingegaan als het decennium van de ‘sociale ontwikkeling’ en er kwam aandacht voor armoede en sociale bescherming, basisbehoeften en de informele arbeidsmarkt. Maar begin van de jaren 1970 zegden de VS ook de Bretton Woods akkoorden op en verdrievoudigden de olieproducerende landen de prijs van de voor het westen noodzakelijk geworden grondstof. Het was het begin van een economische crisis die in de jaren 1980 tot het neoliberalisme heeft geleid dat op zijn beurt de huidige financiële en economische crisis tot gevolg had.
Met de ontwikkelingshulp is het nooit meer goed gekomen. Van 1975 tot 1990 schommelde ze tussen 0,30 en 0,35% van het BNP van rijke landen, na de val van de muur zakte ze tot ongeveer 0,20%. Sindsdien gaat het weer iets bergop, met nieuwe beloften om de 0,7% eindelijk te halen en zo ook de millenniumdoelstellingen te verwezenlijken. Maar de nieuwe crisis kan roet in het eten gooien en het jongste VN-verslag over de millenniumdoelstellingen wijst al op een zekere achteruitgang.

HET NEOLIBERALE TIJDPERK

Nadat in 1982 de crisis van de buitenlandse schuldenlast uitbrak in nagenoeg alle derdewereldlanden, waren het de Wereldbank en het Internationaal Muntfonds die uitpakten met een oplossing. Er kwamen nieuwe leningen om de oude te delgen en er kwamen ‘structurele aanpassingen’. De geschiedenis hiervan is uitvoerig beschreven en we weten vandaag dat dit in veel landen na verloop van tijd wel voor macro-economische stabiliteit heeft gezorgd, maar ook voor onnoemelijk veel menselijk leed. Volgens de UNDP gingen in tal van landen zelfs de sociale indicatoren en de menselijke ontwikkeling achteruit. Er ontstond massale werkloosheid, vrouwen stroomden naar de (informele) arbeidsmarkt, scholen en gezondheidscentra gingen dicht.

In 1990 vond de Wereldbank opnieuw de ‘armoedebestrijding’ uit. Ze deed dat al eens eerder in de jaren 1970, hoewel het toen nooit in de praktijk werd gebracht en er toen ook nog werd gepleit voor een sterke sociale bescherming. Het armoedevertoog dat begin van de jaren 1990 ontstond, stond daar echter haaks op. Sociale zekerheid wordt nu gezien als iets wat enkel ‘gevestigde belangen’ dient, van minimumlonen wordt gezegd dat ze niet in het belang van de armen zijn, en met uitzondering van de eerste sociale fondsen die in theorie voor enkele extreem armen bedoeld waren, wordt nu vooral op de markt gerekend. Armoede, zo wordt gesteld, is immers het gevolg van discriminatie en beperkte markttoegang. Niets in de armoedebestrijdingsprogramma’s van de jaren 1990 week af van de ‘structurele aanpassingen’. Zelfs na 1999, toen samen met het IMF de armoedeverminderingsstrategie werd opgezet die landen verplicht een armoedeprogramma voor te stellen (de ‘PRSP’ of Poverty Reduction Strategy Paper), bleven IMF en Wereldbank hun structurele voorwaarden met onder meer de vrijmaking van de handel en van het kapitaalverkeer en de liberalisering en privatisering van nagenoeg de hele economie vereisen, inclusief de openbare diensten.
De gehele ontwikkelingsagenda van de jaren 1960 en 1970 was verdwenen. Enkel armoedebestrijding was nu de prioriteit. Alle neoliberale hervormingen die werden gevraagd zouden, op termijn, de armen ten goede komen. De markt zou zorgen voor groei en de groei zou voor de armen zijn. We weten inmiddels - alweer - dat dit niet is gebeurd. Het werd duidelijk dat de ambities van de rijke landen serieus naar beneden toe waren bijgesteld. Van een dichten van de kloof tussen arm en rijk was geen sprake meer. Herverdeling van de rijkdom werd taboe. De landbouw werd verwaarloosd.

EEN NIEUWE ARMOEDEBENADERING

In 2000 verscheen een nieuw armoederapport van de Wereldbank. Waar armoede in het eerste verslag van 1990 nog werd gezien als een kwestie van onderwijs en gezondheidszorg, werd de definitie nu merkelijk uitgebreid. Armoede, zo leest men er, is kwetsbaarheid, gebrek aan empowerment en gebrek aan voice. Armoede, zo werd hiermee bevestigd, is multidimensioneel. En de armen zullen zelden over inkomen spreken. Dat klopt niet, maar zo interpreteert de Wereldbank het verhaal van de armen nu eenmaal.

Hiermee werd een belangrijke en gevaarlijke stap gezet die in de jaren 1990 al was aangekondigd. Na het neerhalen van de ambities werd nu ook een stap weg van materiële lotsverbetering ingeluid. Want het mag duidelijk zijn dat armoede, in elke markteconomie, wel degelijk een inkomenstekort is. Men heeft geld nodig om zijn kinderen naar school te sturen of naar de dokter te gaan. Er is geld nodig om eten te kopen en een dak boven het hoofd te kunnen hebben. Er is geld nodig om kleren te kopen en naar de markt te gaan. Het is even duidelijk dat om dit inkomenstekort weg te werken er een multidimensionele benadering kan worden gevolgd en men mensen inderdaad een opleiding kan geven, sociale vaardigheden kan aanleren, mondig maken, enz. De bedoeling moet echter altijd zijn om te komen tot een situatie waarin mensen in hun materiële behoeften kunnen voorzien. Met andere woorden, armoedebestrijding zal zeker multidimensioneel kunnen zijn, maar armoede is in eerste instantie een inkomenstekort. Met de multidimensionaliteit - die overigens ook in rijke landen wordt gepredikt - zet men een gevaarlijke stap die verbergt dat men de armoede niet kan of niet wil oplossen.
Zelfs als armen op de arbeidsmarkt ooit aan hun trekken komen, is het vaak met een baan die onvoldoende verloond wordt. De helft van de beroepsbevolking in de derde wereld verdient minder dan 2$ per dag. Met workfare programma’s in arme landen kunnen mensen overleven, maar ze blijven arm.

Met andere woorden, multidimensionele armoede wekt de indruk een ‘holistische’ benadering van het armoedeprobleem in te houden, de ‘arme’ wordt als ‘mens’ benaderd, maar in werkelijkheid worden alle menselijke en psychologische aspecten behandeld zonder dat de arme ooit echt uit zijn of haar inkomensarmoede kan geraken. Want inkomen, zo stelt de Wereldbank, is een ‘stochastisch’ gegeven, het hangt af van tal van factoren en de verantwoordelijkheid van de armen zelf kan dus niet uitgesloten worden. Inkomensverwerving is geen verantwoordelijkheid van de overheid. De ‘mondige’ arme die kan ‘participeren’ en dankzij een opleiding en een goede gezondheid minder ‘kwetsbaar’ is geworden, kan, zo hij of zij dat wil, ook een inkomen hebben. Helaas, we weten, hier en in het Zuiden, dat dit niet zo is. Multidimensionaliteit trekt de aandacht weg van de reële materiële aspecten van armoede.

DE MILLENNIUMDOELSTELLINGEN

Ondertussen was de armoedebestrijding zelf nog ernstig bijgesteld. De wereldwijde consensus over de prioriteit die eraan gegeven wordt in de ontwikkelingssamenwerking werd bereikt op de VN-top over sociale ontwikkeling in Kopenhagen, 1995. Het actieprogramma bevatte drie gelijkwaardige hoofdstukken: armoedebestrijding, werkgelegenheid en sociale integratie. Echter, van die twee laatste hoofdstukken werd sindsdien niet veel meer gehoord. De tekst over armoedebestrijding geeft bovendien al een gebrek aan duidelijkheid - en daadkracht? - aan. Van ‘uitroeiing’ van de armoede gaat het naar ‘uitroeien van de extreme armoede’ en later werd dit ‘armoedevermindering’. Toch bevat de tekst nog een aantal elementen die konden doen hopen dat ook aan sociale bescherming zou worden gewerkt.

In 1996 pakt de OESO echter uit met een nieuw plan voor ontwikkelingssamenwerking: Shaping the 21st Century. Daarbij horen een klein aantal ‘internationale ontwikkelingsdoelen’ die ver af staan van de diverse actieprogramma’s die op de VN-conferenties van de jaren 1990 werden goedgekeurd. In 2000, precies op het ogenblik dat in Genève de WSSD+5 gehouden wordt (een toetsing vijf jaar na Kopenhagen), pakken de Wereldbank, de OESO en de VN uit met een gezamenlijk document om deze ‘internationale ontwikkelingsdoelen’ te promoten. Ze zullen, samen met doelstellingen voor mensenrechten, worden opgenomen in de ‘millenniumverklaring’ van de VN-top in september 2000. En daaruit zullen dan naderhand de ‘millenniumdoelstellingen’ gedistilleerd worden.
In deze hele oefening worden de ambities opnieuw naar beneden toe bijgesteld. Ten eerste vallen een hele reeks doelstellingen, zoals op het vlak van mensenrechten, uit de millenniumverklaring weg. Ten tweede vallen heel veel doelstellingen uit de actieprogramma’s van de VN-conferenties in de jaren 1990 weg. En ten derde worden de doelstellingen voor armoedebestrijding zelf verminderd. Het gaat immers niet langer over het aantal armen, maar over het percentage extreem armen in de bevolking van de ontwikkelingslanden - en niet langer van de wereldbevolking. Het referentiejaar is niet 2000 of 1996 maar wordt 1990. Op die manier wordt het doel niet de halvering van de extreme armoede, maar een minimale vermindering over een periode van 25 jaar. En extreme armoede, zo stelde de secretaris-generaal van de VN herhaaldelijk, is armoede waaraan men sterft.

EN DE STATISTIEKEN?

Het is duidelijk dat men moeilijk tegen armoedebestrijding kan zijn. Men moet zich echter afvragen wie de armen zijn en of het mogelijk is iets voor hen te doen als er niet ook een omvangrijk ontwikkelingsprogramma in en voor arme landen wordt opgezet. Het valt op dat toen de Wereldbank in 1990 armoede op de internationale agenda plaatste er zo goed als geen statistieken over de wereldwijde armoede bestonden. De Wereldbank is toen wel begonnen met het opstellen ervan, maar haar cijfers doen heel wat vragen rijzen. Ik bedoel hiermee geenszins dat haar wetenschappers geen goed werk leveren, maar wel dat er ernstige methodologische problemen zijn en dat de inspanningen niet ver genoeg gaan.

Enkele voorbeelden. In 1985 schatte de Wereldbank de extreme armoede op 633 miljoen mensen, een daling met 167 miljoen in vergelijking met 1980. In de jaren 1990 werd de methodologie aangepast, werden de koopkrachtpariteiten herzien en werd de armoededrempel gewijzigd. Met die nieuwe gegevens schat de Wereldbank dat er in 1980 1,482 miljard extreem arme mensen waren, of bijna dubbel zo veel als ze eerst had gedacht! In 2007 gebeurt weer hetzelfde. Men stelt vast dat de koopkrachtpariteiten voor China en India volkomen fout zijn (met 25 tot 40%!). Men berekent ook een nieuwe armoededrempel van nu 1,25$ (in plaats van 1$) per dag en komt daarmee op een cijfer van 1913,3 miljoen extreem armen in 1981, drie keer het aantal dat voor 1985 werd geraamd. In percentage komt dat wel heel goed uit. De extreme armoede is gedaald van 50,2% in 1981 tot 25,7% in 2005! Precies wat de millenniumdoelstellingen vragen tegen 2015: een proportionele halvering van de extreme armoede!

Echter, veel van deze cijfers berusten nog steeds op ramingen en op extrapolaties. Volgens de UNDP zijn er nog 67 landen die de indicatoren voor de MDG’s niet kunnen berekenen en zijn er 95 landen die geen vergelijking tussen verschillende periodes kunnen maken. Ook dat plaatst al deze cijfers in een ander daglicht. En in feite moeten we eerlijk bekennen - en heel af en toe doet de Wereldbank dat wel - dat we niet zo goed weten hoe het precies zit met de wereldwijde armoede. We weten, want we zien, dat er ontzettend veel extreme armoede is en dat er veel te veel mensen - vooral vrouwen en kinderen - aan armoede sterven. Echter, een exacte becijfering helpt ons ook niet vooruit. Weten dat er honderd miljoen extreem arme mensen meer of minder zijn, zal het beleid niet beïnvloeden omdat deze statistieken hoe dan ook volledig los van het beleid worden ontwikkeld. Armoedebestrijding is tot vandaag nog steeds het etiket waarachter de neoliberale hervormingen schuil gaan.

Internationale armoedebestrijding is trouwens bijzonder moeilijk. Zelf in België en in West-Europa slagen we er niet in de armoede te verminderen. Hoe zou het op mondiaal vlak dan wel lukken? Een vermindering van de armoede kan slechts het resultaat zijn van een geslaagd economisch ontwikkelingsproces en kan daar niet aan vooraf gaan. Maar dat ontwikkelingsproces wordt geheel overgelaten aan de markt. Bovendien hebben en krijgen arme landen geen middelen om een degelijke sociale bescherming uit te bouwen. De armoedestrategieën zijn nu aan een ‘derde generatie’ toe, maar nog steeds vindt er men er weinig of niets in terug over hoe arme mensen aan een waardig inkomen kunnen geraken. Kortom, zoals velen nu wel gaan inzien, armoedebestrijding was een uitstekend middel om het vuur van de ontwikkelingssamenwerking brandend te houden en ondertussen het neoliberale beleid verder te zetten. We handelen alsof we verder aan ‘ontwikkeling’ doen. Sommigen noemen dit het SIBD-syndroom: Something Is Being Done.

‘WELZIJN’ EN ‘GELUK’

Nu ook de armoedebestrijding aan het mislukken is en iedereen begint te beseffen dat de millenniumdoelstellingen niet zullen worden gehaald, en er bovendien een ecologische crisis in aantocht is, komt er een nieuw vertoog aanzetten. We kunnen niet langer louter materiële doelstellingen nastreven, ‘ontwikkeling’ moet worden herdacht, wat telt is het ‘welzijn’ van mensen. We moeten naar een post-MDG agenda, zo wordt meer en meer gehoord. Het betekent opnieuw: onze plannen zijn mislukt en we gaan nu naar een agenda die nog iets minder ambitieus is maar wel ‘holistischer’ klinkt.

Die nieuwe agenda is verre van nieuw. In feite sluit hij vrij goed aan bij de ideeën van de ‘post-ontwikkeling’ stroming en precies daarom is het risico groot dat hij opnieuw positief zal worden onthaald door een aantal progressieven. ‘Post-ontwikkeling’ is de stroming die het ontwikkelingsconcept op zich bestrijdt, het enkel ziet als een vertoog en totaal voorbij gaat aan de reëel bestaande materiële noden in de meeste landen van het Zuiden. De ‘post-ontwikkeling’ heeft erg veel aandacht voor cultuur en wil lokale tradities en sociale relaties in ere herstellen. Het ongeloof in universele waarden is groot en emancipatie is te zoeken in een terugkeer naar vroeger. Voor velen, onder meer bij sommige groepen van inheemse volken in Latijns-Amerika, is de afkeer voor alles wat uit ‘het Westen’ komt van doorslaggevend belang.
Bij het ontstaan van deze nieuwe ontwikkelingsagenda is het opnieuw de OESO die een belangrijke rol speelt. Men is reeds lang bezig met het zoeken naar wat ‘welzijn’ en ‘welvaart ‘ en ‘geluk’ met elkaar gemeen hebben. In 2007 werd in Istanbul een grote OESO-conferentie gehouden over het meten van ‘de vooruitgang van samenlevingen’. Business as usual is niet langer mogelijk, zo werd er gesteld, we moeten meer oog hebben voor wat arme mensen zelf als problemen zien en voor de kwalitatieve en psychologische aspecten van welzijn. Het gaat vooral om het vinden van een positieve boodschap, gebaseerd op wat mensen kunnen doen en kunnen zijn. Kan het toeval zijn dat men er vaststelt dat noch de inkomensongelijkheid, noch de economische groei, noch de sociale zekerheid een rol spelen in het geluksgevoel van mensen?

In West-Europa worden deze ideeën vooral uitgedragen door sommige groenen die zich laten inspireren door een studie van de New Economics Foundation waaruit blijkt dat meer materiële vooruitgang niet noodzakelijkerwijs leidt tot meer geluk. Voor mensen die reeds ruimschoots in hun basisbehoeften kunnen voorzien, is dit zonder meer juist, hoewel het ietwat naïef is om daaruit af te leiden dat meer materiële goederen ook nooit tot meer geluk kunnen leiden, ja, dat welvarende mensen eerder ongelukkig zijn. ‘Geld maakt niet gelukkig’ is zeker juist, maar het helpt een heel stuk op weg er naar toe.
Heel vaak wordt door voorstanders van deze ‘welzijnsbenadering’ verwezen naar Bhoetan, waar een verlichte koning het ‘Bruto Nationaal Geluk’ heeft ingevoerd en om de twee jaar een uitvoerige enquête wil organiseren over 72 indicatoren om te zien hoe goed het gaat in zijn land en met zijn bevolking. En zelfs in het programma ‘Vlaanderen in Actie’ wordt herhaaldelijk gesteld dat het ‘geluksgevoel’ van de bevolking moet worden opgetrokken.
Een reëel probleem dat in dit verband wordt besproken is dat van de indicatoren. Kritiek op het BBP (Bruto Binnenlands Product) is al zeer oud en is ook zeer terecht. Het BBP geeft een aanduiding van de productie van goederen in onze samenleving, maar iedereen kan makkelijk zien dat niet alle goederen ook bijdragen tot ons welzijn. Verkeersongevallen of begrafenissen zijn of leiden tot economische activiteiten waarvan de mensen niet beter worden. Bovendien kan die materiële ‘welvaart’ verbergen dat ondertussen ons milieu wordt vernietigd of dat mensen meer en meer gestresseerd door het leven gaan. Bovendien zegt het BBP helemaal niets over de onbetaalde arbeid van voornamelijk vrouwen. Een nieuwe indicator die met deze elementen rekening kan houden, is dus zeker welkom, en er zijn reeds tal van voorbeelden - zoals de ISEW, de indicator voor duurzaam economisch welzijn - die in sommige landen langzaamaan worden ingevoerd in ‘satellietrekeningen’, naast het BBP.

Maar wat moeten we denken van een dergelijke benadering in arme landen? Bijkomende indicatoren, zoals de indicator voor menselijke ontwikkeling van het UNDP, zijn zeker welkom. Aandacht voor het milieu en voor de arbeid van vrouwen evenzeer. Maar wie durft tegenspreken dat arme landen en arme mensen in eerste instantie behoefte hebben aan een verhoging van juist materiële welvaart? Meer voedsel, meer huisvesting, meer werkgelegenheid, meer openbare diensten? Trouwens, meer en meer landen zijn begonnen met kleine uitkeringen aan arme mensen. Dat is nog lang geen sociale bescherming, maar naar het voorbeeld van Brazilië kan een klein maandelijks bedrag dat aan arme mensen wordt uitbetaald meer concreet resultaat hebben dan alle ‘multidimensionele’ benaderingen bij elkaar.

‘ONTWIKKELING’ BRENGT GEEN ‘GELUK’

Er zijn goede redenen om erg sceptisch te zijn ten aanzien van deze nieuwe trend in het ontwikkelingsdenken.

Ten eerste blijft ontwikkeling, hoe men het draait of keert, een collectief project, voor een staat, een natie, een regio of een volk. Welzijn en geluk echter kunnen enkel op het individuele vlak worden gemeten. En ook al proberen sommige wetenschappers dit ‘welzijn’ als een sociaal concept voor te stellen, het is duidelijk dat er zeer uiteenlopende individuele visies op dat welzijn zullen bestaan. Om precies te achterhalen wat het al dan niet inhoudt en te proberen het te verbeteren, is een vrij vergaande inmenging nodig in het individuele leven van mensen. Men moet zich afvragen of dit wenselijk is en of het überhaupt mogelijk is van buiten af. Kan de Wereldbank bepalen hoe mensen meer ‘welzijn’ kan worden geboden? Leggen we op die manier niet opnieuw ‘onze’ visie op welzijn op?

Ten tweede, zal ontwikkeling een duidelijk economische dimensie moeten hebben en bij voorkeur zal ze aan een sociale dimensie worden gekoppeld. Ze kunnen elkaar wederzijds versterken, door zekerheid te bieden aan de ene kant en door koopkracht te creëren aan de andere kant. ‘Welzijn’ en ‘geluk’ kunnen daar afgeleiden van zijn, maar kunnen er nooit mee vereenzelvigd worden. ‘Welzijn’ en zeker ‘geluk’ omvatten veel meer dan behoeftebevrediging en zijn nog moeilijk objectief te omschrijven. Ze gaan veel verder dan wat met een sociaaleconomische benadering mogelijk is, want bevatten ook psychologische aspecten. Kan of moet van een overheid worden verwacht dat ze dit doet?

Ten derde, moet ook nog een onderscheid worden gemaakt tussen ‘welzijn’ en ‘geluk’. Een overheid die streeft naar een verhoging van het welzijn van haar bevolking, kan worden geprezen, ook al moet men beseffen dat die overheid dat ‘welzijn’ nooit zal kunnen leveren. ‘Geluk’ echter valt volkomen buiten het actieterrein van overheden en heeft totaal niets van doen met welzijn of welvaart. Iedereen kent ongetwijfeld gelukkige armen en ongelukkige rijken. A.K. Sen heeft er bovendien herhaaldelijk op gewezen dat veel ontberingen en discriminaties volkomen geïnterioriseerd zijn en dat veel mensen gewoon niet weten of beseffen dat er een ander leven mogelijk is. Dit betekent dat het risico groot is dat een kleine boer die toevallig een schrale oogst heeft binnengehaald, zal meedelen vrij gelukkig te zijn. Hij blijft straatarm maar dit zal dan niet langer als problematisch worden gezien, want hij is ‘gelukkig’. Op die manier kan men volledig voorbij gaan aan de reële misère van mensen, een trend die de ‘multidimensionaliteit’ nog versterkt.

Ten slotte vallen met deze benadering de inkomensongelijkheid en de (mondiale) herverdeling van rijkdom volledig buiten het gezichtsveld. Van het oude concept van ontwikkeling blijft dan niets meer over. Het kan geen toeval zijn dat men nog zelden een definitie van ‘ontwikkeling’ ziet en dat er nagenoeg nooit nog een economische dimensie bij hoort. De weg wordt zo geëffend voor nieuwe filantropie - de zogenaamde ‘vierde pijler’ - en veiligheid - wat een nieuwe prioriteit van de officiële ontwikkelingssamenwerking aan het worden is.

EEN STEEDS WEERKEREND THEMA

In de Franse Verklaring voor de Rechten van de Mens van 1793 werd ‘geluk’ als een maatschappelijk doel voorop gesteld. Nadien is dat ‘geluk’ wel verdwenen uit de internationale teksten. Maar in de 18de eeuw wilde men vooral de armen ‘gelukkig’ maken om ze op die manier ook op hun plaats te houden, onderaan de sociale ladder. Het is vooral aan hun adres dat voortdurend werd en wordt herhaald dat ‘geld niet gelukkig maakt’, of dat geld corrumpeert. Op die manier wil men het voortdurende en natuurlijke streven van armen naar meer welvaart afremmen. In de huidige moeilijke debatten tussen rijke en arme landen over de klimaatverandering zien we hoe een nieuwe variant van dit oude thema opnieuw opduikt.
‘Welzijn’ kan naast ‘welvaart’ zeker een plaats innemen als politieke doelstelling, als men er tenminste van uitgaat dat overheden enkel de voorwaarden kunnen creëren om dit welzijn te doen ontstaan. Welvaartscreatie zal er aan de basis van liggen. Dat met de huidige ecologische crisis ook gepleit wordt voor het afremmen van een bepaald consumptiegedrag van wie bovenaan de mondiale sociale ladder staat, is eveneens niet meer dan normaal. Hierbij kan ernaar gestreefd worden nieuwe indicatoren toe te passen die een beter beeld geven van waar het met de welvaart en het welzijn van de bevolking naartoe gaat en van hoe het leefmilieu daardoor wordt beïnvloed.

Echter, arme mensen, hier en in de derde wereld hebben meer welvaart nodig en voor hen zal ook meer economische groei en sociale bescherming nodig zijn. Wat momenteel in de zich vormende objectieve alliantie van inheemse volken, ontwikkelingsdeskundigen’, groenen en neoliberalen wordt aangekondigd, gaat helaas een andere richting uit. Eens te meer worden de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking afgezwakt en gesubjectiveerd. Tegelijkertijd kan er een gevaarlijke focus op ‘veiligheid’ ontstaan, zoals blijkt uit de ‘ontwikkelingsplannen’ van de VS en het VK. De armen hebben daar geen enkel belang bij. Sociale bewegingen evenmin.

Francine Mestrum
Redactielid Sampol en lector ULB

armoede - geluk - ontwikkelingssamenwerking

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 8 (oktober), pagina 51 tot 59