Abonneer Log in

Een nieuwe start na Kopenhagen

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 3 (maart), pagina 1 tot 3

Hoewel we aan de vooravond staan van enkele van de meest diepgaande veranderingen van de laatste tweehonderd jaar, draaide de klimaatbijeenkomst in Kopenhagen drie maanden geleden uit op een mislukking. Het mondiale karakter van de bijeenkomst - met afgevaardigden uit 192 landen, waaronder tal van staatshoofden - was ongetwijfeld een indicatie dat klimaatverandering in de hele wereld ernstig wordt genomen. Het gekibbel tussen landen en groepen landen dat daar plaatsvond, ondergraaft echter de gedachte dat de mensheid bijeenkomt om een houding inzake de risico’s van klimaatverandering te bepalen. Het Akkoord van Kopenhagen, het enige tastbare resultaat van een week lang vergaderen, is een dun document, dat door een handvol landen is samengesteld en dat staten zullen onderschrijven op vrijwillige basis. Dit is geen bindend internationaal verdrag.

Staten die plechtig beloven om het Akkoord uit te voeren, dienden tegen 31 januari voor de dag te komen met solide plannen om hun uitstoot van broeikasgassen te beperken. Die datum werd intussen opgeschoven om de betrokken landen meer tijd te geven om hun voorstellen te ontwikkelen. Zal het Akkoord concrete gevolgen hebben? Dat valt nog af te wachten, maar ik ben geneigd te denken dat het om een nieuwe start gaat, die potentieel heel belangrijk is. Ik ben nooit een groot voorstander geweest van het type benadering dat in Kyoto en Kopenhagen werd gehanteerd; die benadering was te weinig dynamisch, te omslachtig en te bureaucratisch. De uitvoering van het Akkoord zal worden aangestuurd door een kleinere groep landen. Maar tot die groep behoren wellicht alle grote vervuilers, en, niet minder belangrijk, zowel ontwikkelde landen als ontwikkelingslanden. China, India en Brazilië zijn belangrijke deelnemers, naast een kern van ontwikkelde landen.

Het Akkoord kan een onmisbare schakel zijn om uitstootbeperkingen te realiseren, maar we moeten ook op een veel ruimere schaal denken en handelen. De mislukking van Kopenhagen was geen simpele mislukking: zij wijst op dieperliggende problemen inzake global governance. Anders dan alle voorgaande generaties leven wij in een interdependente wereld - klimaatverandering en problemen rond duurzaamheid zijn negatieve uitingen van die interdependentie. Helaas hebben transnationale bestuursinstellingen zich niet gelijktijdig ontwikkeld. Hieronder raken we een aantal punten en problemen aan die regeringen en andere instellingen zouden moeten doen nadenken en, waar mogelijk, tot actie aanzetten.

  • We moeten erkennen dat ‘multilateralisme’ geen alles-of-niets-concept is. In de strijd om de klimaatverandering te beperken kunnen verschillende groepen landen samenwerken om vooruitgang te boeken. Zij dienen clusters te vormen in het kader van het Akkoord, vanuit de overtuiging dat het effectief kan worden uitgevoerd. Het is bijzonder belangrijk dat de meest vervuilende landen continu en rechtstreeks ideeën en beleidsvoorstellen uitwisselen. Zestien landen nemen meer dan 80% van alle emissies voor hun rekening. Zij moeten op een regelmatige basis met elkaar overleggen. Dat het George Bush was die oorspronkelijk met dat voorstel op de proppen kwam, mag ons niet afkerig maken van een idee die noodzakelijk is na Kopenhagen.
  • Een G2 - de VS en China die samenwerken - is een noodzakelijk onderdeel van een mondiaal beleid inzake klimaatverandering, aangezien uitgerekend die twee landen zo’n hoog aandeel in de emissies hebben. Gemakkelijk zal die samenwerking wellicht niet verlopen, maar het slagen ervan is belangrijk voor de rest van de wereld en daarom moet deze laatste haar ook actief aanmoedigen. Er moet echter ook een G3 worden opgericht, met de EU. Toen het Akkoord van Kopenhagen op papier moest worden gezet, werd de EU daar niet bij betrokken - een rampzalige afwijzing voor een instelling die op dat vlak een leidinggevende rol wil spelen in de wereld. Eén belangrijke reden daarvoor was dat de Unie niet met één stem sprak - het traditionele probleem van de Unie. Hoe dat probleem kan worden opgelost, daar moet men binnen de EU opnieuw over nadenken, vooral als het gaat over klimaatverandering. Eén iemand moet een krachtig mandaat krijgen om de EU te vertegenwoordigen bij verdere onderhandelingen over klimaatverandering, ofwel de nieuwe Hoge Vertegenwoordiger, Cathy Ashton, of iemand die speciaal met die opdracht wordt belast.
  • Tussen de op handen zijnde regulering van het internationaal financieel systeem en het internationaal beleid inzake klimaatverandering moeten nauwe banden worden gesmeed. De G20, één van de meest positieve ontwikkelingen inzake global governance van de laatste jaren, is het aangewezen forum om te onderzoeken op welke manier dat kan gebeuren. Een transnationale belasting op financiële transacties lijkt niet langer een ongeloofwaardig voorstel; een dergelijke belasting kan op middellange termijn de nodige fondsen genereren om de armere landen te helpen het hoofd te bieden aan de klimaatverandering. Het Akkoord belooft in dat verband een fonds van 100.000 miljard pond op te richten, gespreid over een aantal jaren. Als dat fonds er komt, dan moeten er modaliteiten worden ontwikkeld om de besteding van het geld te monitoren. Het fonds zal immers de specifieke opdracht hebben om ontwikkelingslanden te helpen ofwel hun emissies te beperken, ofwel zich aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Het bestaande mechanisme om fondsen naar de armere landen te sluizen, het Clean Development Mechanism, heeft, wat beide doelstellingen betreft, vrijwel niet gefunctioneerd.
  • Het ziet er naar uit dat het Amerikaanse federale beleid inzake klimaatverandering hooguit als zwak zal kunnen worden bestempeld, vanwege de moeilijkheden die president Obama ondervindt om wetgeving door het Congres te loodsen. Maar de Amerikaanse samenleving is zeer verscheiden, en dus kunnen andere groeperingen en organisaties die leemte helpen opvullen. Steden, staten, provincies en regio’s kunnen en moeten samenwerken in de strijd tegen klimaatverandering, zoals Arnold Schwarzenegger heeft voorgesteld. De inspanningen van de R20 groep om steden en regionale groeperingen plechtig te laten beloven om tegen 2020 de emissies met minstens 20% te verminderen (in vergelijking met 1990), zijn behoorlijk succesvol geweest. Ook in andere delen van de wereld zullen zulke inspanningen, op lokaal, provinciaal en regionaal niveau, heel belangrijk zijn. Er moet een middel worden gevonden om niet-gouvernementele organisaties een formele rol te laten spelen bij de onderhandelingen over klimaatverandering.
  • De rol van de Verenigde Naties in de strijd tegen klimaatverandering moet worden herdacht, een complexe kwestie die ik hier niet uitvoerig kan behandelen. De fundamentele zwakheden van de VN zijn in Kopenhagen allemaal aan het licht gekomen. Nieuwe stappen zetten inzake klimaatverandering is eenvoudigweg niet mogelijk indien men een volledige consensus wil bereiken inzake kwesties waarover op wereldvlak al vele jaren tegengestelde belangen en visies bestaan. Reële vooruitgang zal voortaan grotendeels elders worden geboekt. Hoewel zwak inzake besluitvorming, is de VN in sommige opzichten toch onvervangbaar. Het monitoren van mogelijke resultaten van het Akkoord kan men niet simpelweg overlaten aan de betrokken landen. Wij hebben dringend behoefte aan een mondiale instantie die bijvoorbeeld de feitelijk emissies van staten verifieert en hun vooruitgang inzake reducties analyseert. De VN is logischerwijze de plek waar een dergelijke instantie thuishoort en de beste waarborg voor onpartijdigheid.

De mislukking van Kopenhagen kan een periode inluiden waarin de inspanningen om te komen tot een mondiaal beleid inzake klimaatverandering op een laag pitje worden gezet. Toch denk ik niet dat zoiets zal gebeuren. Ik meen dat de leiders van de meeste industrielanden, en de grote ontwikkelingslanden, nu echt geloven dat het over deze kwesties gaat. Een nieuw ontwikkelingsmodel moet betrekkelijk snel worden gevonden, omdat de consequenties voor het milieu veel te verwoestend zullen zijn, mochten landen als China en India westerse ontwikkelingspatronen trachten na te volgen. Een dergelijk model impliceert een veel grotere afhankelijkheid van hernieuwbare energie dan vandaag het geval is; en dat geldt ook voor de industrielanden die nu hun economieën beginnen te ‘decarboniseren’. Je hoeft niet al te slim te zijn om te beseffen dat die landen en bedrijven die het voortouw nemen op dat vlak, welvarend zullen zijn in de toekomst. Het komende decennium kunnen we een opstoot van innovatie verwachten, op economisch, sociaal, politiek en technologisch vlak. En we kunnen anticiperen op die ontwikkeling.

Anthony Giddens
Socioloog (London School of Economics), Labour partijideoloog en auteur van The Politics of Climate Change
De redactie van Samenleving en politiek nodigde Anthony Giddens uit als gastauteur voor het edito van dit nummer.

Vertaling: Jan Vermeersch

edito - klimaat - ecologische crisis - internationaal beleid

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 3 (maart), pagina 1 tot 3