Abonneer Log in

Langer leven doet langer werken?

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 5 (mei), pagina 1 tot 3

Naar aanleiding van de aangekondigde pensioenconferentie hebben heel wat organisaties en politieke partijen hun pensioenvisie publiek gemaakt. Die conferentie is nu één van de onvoltooide werken van de federale regering Leterme II, maar vroeg of laat komt het pensioendebat er aan. Opvallend in veel van de voorstellen is dat ze een minder rooskleurige toekomst voorspellen.

In de aanloop van haar Visiecongres in het najaar heeft de sp.a een pensioennota overgemaakt aan haar afdelingen. De vergrijzingsproblematiek stond ook centraal in de recente paper ‘strategische keuzes voor een sociaal beleid ‘van Frank Vandenbroucke. Het is maar de vraag of we met deze voorstellen de juiste accenten leggen. Niet alleen vanuit het perspectief van de staatsman (de sociale uitgaven financierbaar houden) of de wetenschapper (rekening houden met de demografische cijfers), maar ook vanuit het perspectief van socialisten: zekerheid bieden aan de gewone mensen op een afdoende sociale bescherming waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Pensioenen en sociale bescherming zijn immers bij uitstek kernthema’s voor socialisten. ‘Uw sociale zekerheid’, weet je nog.

Beide nota’s kwamen reeds aan bod in het april-nummer van Samenleving en politiek.1
De pensioennota van de sp.a schetst de contouren van een bijgewerkt pensioenmodel, bestaand uit een gewaarborgd pensioen voor iedereen en een opgebouwd pensioen dat rekening houdt met de eigen bijdragen. Het eerste moet een inkomen garanderen tot op het niveau van de armoedegrens, het tweede moet een inkomen garanderen dat gelijkstaat met 75% van het gederfde loon. De precieze financiering ervan is minder duidelijk (evenals de wijze waarop men de bestaande tweede pijler in het wettelijk stelsel wil opnemen). En vooral de solidariteit binnen het opgebouwd pensioen blijft een vraagteken. ‘Een loopbaan zal inderdaad opnieuw 45 jaar moeten duren voor iemand de door ons vooropgestelde 75% vervangingsratio wil bereiken, maar anderzijds houdt het stelsel dat we voorstellen wel solidariteitsmechanismen in stand voor maatschappelijk behartenswaardige periodes van economische inactiviteit’. Benieuwd welke periodes van ziekte, werkloosheid en tijdskrediet het etiket ‘behartenswaardig’ krijgen opgeplakt en dus - als gelijkgestelde periodes - zullen blijven meetellen voor de berekening van het pensioen. De paper van Frank Vandenbroucke daarentegen schetst eerst de budgettaire uitdagingen op basis van de berekeningen van de Hoge Raad van Financiën en concludeert - ik vereenvoudig sterk - dat we voor een ongeziene saneringsoperatie staan, dat we langer zullen moeten werken en dat we zelfs dan nog op het einde van de rit geen robuust pensioen zullen hebben.

Zitten we met deze voorstellen op het juiste spoor? Hebben we een basis waarop we kunnen voortbouwen? Nog onvoldoende naar mijn oordeel.
Vooreerst blijft dit nog een veel te technisch verhaal. Als er nu één thema is waar we allemaal belanghebbende partij zijn, dan is het wel de pensioenkwestie. Politici en sociale organisaties moeten hierover op brede schaal communiceren en raadplegen. Dat is de inzet van een ernstige pensioenconferentie. Voorstellen moeten daarom begrijpelijk en duidelijk zijn. Wat houdt de huidige regeling in en wat zijn de alternatieve voorstellen? Het sp.a-voorstel beantwoordt hier nog onvoldoende aan, zoals we net illustreerden aan de hand van het probleem van de gelijkgestelde periodes.
Het debat moet in een juiste context worden geplaatst. Er bestaat een sense of urgency maar men mag niet dramatiseren. De projecties van eerbiedwaardige instellingen als het Planbureau zijn waardevol, maar hebben een beperkte voorspellende waarde. Demografische ontwikkelingen kan men nog redelijk inschatten, al waren velen verrast met de hoger dan voorziene nataliteitcijfers de jongste jaren, maar groei- en productiviteitsprojecties zijn al een ander paar mouwen. En daar is het natuurlijk ook om te doen. Want als men het over stijgende uitgaven heeft ten opzichte van het bruto binnenlands product dan is die noemer wel van groot belang.
Al te gemakkelijk wordt bovendien gedaan of er de afgelopen periode veel te weinig werd ondernomen, zelfs door diegenen die bij het dossier betrokken waren. We hebben nochtans al enkele pensioenhervormingen achter de rug, zoals het optrekken van de vereiste loopbaanjaren van 40 naar 45 om een volledig pensioen te genieten, nu ook voor de vrouwen. Voor wie het mocht vergeten zijn, niet de leeftijd maar vooral de loopbaanduur (‘het aantal afgelegde kilometers’) is nu al doorslaggevend voor de pensioenrechten: 45 jaar voor een volledig pensioen, 38 jaar voor gewoon brugpensioen, 35 jaar voor vervroegd pensioen vanaf 60 jaar. En er was het Generatiepact, waarvan veel te snel - ook in de paper van Vandenbroucke - wordt gesteld dat het weinig heeft opgeleverd. De tewerkstellingsgraad van 50-plussers in het Vlaams Gewest is intussen toegenomen van nog geen 40% in 2000 naar meer dan 50% in 2009, die van de 55- plussers van 22,1% in 1997 naar 34,5% in 2008. Traag…maar gestaag.

De vergrijzingsproblematiek is ook bij uitstek een (her)verdelingsvraagstuk. Dat er inspanningen moeten worden geleverd om pensioenen betaalbaar te houden klopt. De vraag is alleen: door wie? Via het sociaal overleg moeten bijkomende werkgeversbijdragen op arbeid mogelijk zijn net als onderhandelingen ten voordele van aanvullende en meer solidaire collectieve pensioenverzekeringen. Maar de marges op lonen en loonkost zijn uiteraard beperkt. Daarom zijn bijkomende fiscale middelen nodig waarbij andere inkomens worden aangesproken, want het loopt ook aardig verkeerd met de inkomensverdeling in dit land. Op dit vlak is de sp.a al een stuk voluntaristischer dan in het verleden, toen al te expliciete fiscale voorstellen zorgvuldig werden gemeden. Ze maakten zelfs het voorwerp uit van een heuse rel met het ABVV toen die - op een 1 mei-viering nota bene - pleitte voor de invoering van een Algemene Sociale Bijdrage op alle inkomens. Intussen lanceerde de sp.a het voorstel om een vermogenstoenamebelasting in te voeren.

Ook een heronderhandeling van de financieringswet lijkt me aan de orde, alleen al in functie van een billijke verdeling van de vergrijzingskost tussen het regionale en het federale niveau. Het regionale niveau staat dan misschien voor grote uitdagingen inzake investeringen in onderwijs en innovatie, het is geen verstandig idee om bij de middelenverdeling zo weinig rekening te houden met het feit dat meer dan 90% van de vergrijzingskosten op het federaal niveau liggen. De onderhandelingen in het kader van het stabiliteitspact tonen aan dat een spontane, solidaire inspanning van de regio’s bij het gezond maken van de globale overheidsfinanciën (ook met het oog op de toekomstige financiering van de vergrijzing) niet voor de hand liggend is. De huidige Vlaamse regering wil liever ruimte voor eigen beleid opbouwen …ook voor maatregelen als een Vlaamse hospitalisatieverzekering en kindertoelagen die - voorzichtig uitgedrukt - niet haar core business zijn.

En uiteraard moeten meer mensen aan het werk, wat nog iets anders is dan iedereen langer aan het werk: maak van de vergrijzing/ontgroening gebruik om de huidige arbeidsreserve een kans te geven. Zorg ervoor dat wanneer de economie opnieuw aantrekt kansengroepen eindelijk een eerlijke kans maken. Dat zal ook een activering langs werkgeverszijde vereisen want 50-plussers krijgen op dit ogenblik weinig kansen op de arbeidsmarkt. Zorg ervoor dat het werk meer werkbaar wordt zodat mensen meer goesting hebben om te blijven werken. Activeer hiertoe opnieuw de werkgevers. Stimuleer mensen om aan de slag te gaan of aan de slag te blijven… maar maak er geen eenheidsworst van en blijf mensen ontzien die een lange loopbaan hebben, zware arbeid hebben verricht of het slachtoffer zijn van herstructureringen.

Net deze nuances, en dit mededogen vinden we nog te weinig terug in de geciteerde nota’s.
In ‘De trein van de sociaaldemocratie’, een bijdrage die Frank Vandenbroucke schreef op verzoek van Knack, stipt hij terecht aan dat het bieden van een toekomstperspectief een kenmerk is van de sociaaldemocratie. Hij voegt er wat verder wel aan toe dat vooruitgang niet langer synoniem kan zijn van ‘voor iedereen meer en beter’ en ‘als we de niet-actieven dezelfde inkomensbescherming willen geven als vandaag dan is langer werken een sleutel’.
Hier dreigt het fout te lopen. Hoe kan de sociaaldemocratie aantrekkelijk blijven als ze niet meer in staat is om dat perspectief op beterschap te bieden? Zeker aan al diegenen die een niet zo leuke job hebben en weinig kans maken op een betere job door gebrek aan opleiding en vorming of gewoon omdat die werkzoekenden minder aantrekkelijk lijken in de ogen van werkgevers. Het zou al iets zijn mocht men daar meer rekening mee willen houden. En hebben de socialisten zich dan zo vergist wanneer ze voorhielden dat groei en productiviteitstoename ervoor zouden zorgen dat we steeds meer zouden kunnen voortbrengen met steeds minder arbeidsinzet?
Dus laat ons maar voorzichtig zijn met die activeringsdrift. Neem het van mij aan: we MOETEN niet met zijn ALLEN langer werken.

Jean-Marie De Baene
Redactielid Samenleving en politiek

Noot

1/ Jef Maes, De homo sapiens sapiens versus de homo politicus - Samenleving en politiek, 2010, 4 (april);
Arne Schollaert & Bruno Tobback, Verdrink pensioenen niet in de crisis - Samenleving en politiek, 2010, 4 (april)

edito - sp.a - pensioen

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 5 (mei), pagina 1 tot 3