Abonneer Log in

Elf jaar na het dieptepunt van 1999: de Onvoltooide Vernieuwing

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 7 (september), pagina 35 tot 42

Sinds de verkiezingen van 13 juni 2010 zijn onze ogen vooral gericht geweest op de federale regeringsonderhandelingen. Een grondige analyse van het verkiezingsresultaat bleef tot nu toe uit. Sp.a beleefde op 13 juni een dieptepunt. We hielden beter stand dan andere verliezers, maar dat mag geen alibi zijn voor stilstand. Integendeel, in aanloop naar ons Visie-congres (16-17 oktober) wil ik hier een aanzet geven tot een eerlijke discussie.

HET IS STIL OP LINKS

We staan vandaag opnieuw op het niveau van 1999. Toen besloot SP-voorzitter Patrick Janssens de partij grondig te vernieuwen. Objectief was om 24% van de stemmen te halen tegen 2010. Dat doel werd sneller dan verwacht bereikt in 2003, maar het succes bleek niet structureel verankerd. Alle inspanningen van de voorbije jaren ten spijt. De oorzaak moet dus dieper worden gezocht.
Alvorens dieper in te gaan op het eigen verhaal wil ik hier even stilstaan bij de achtergrond waartegen sociaaldemocratische partijen ook elders de afgelopen jaren in ademnood zijn beginnen te verkeren. Tony Judt wijst in zijn laatste boek, Het land is moe, op het breed om zich heen grijpende eenheidsdenken over staat, markt en samenleving. Dat minder overheid principieel beter is voor iedereen, dat regulering en belastingen groei vernietigen: het is een mantra geworden van politici van allerlei slag, daarin gesteund door economisten en marktgoeroes.
Links heeft, volgens Judt, onvoldoende tegengewicht kunnen bieden. Dat is een streng en mijns inziens te pessimistisch oordeel, al was het maar omdat in Europa de sociaaldemocratie heeft verhinderd dat het in de jaren 1980 in de VS en het VK ontstane liberale eenheidsdenken zich in de praktijk kon vertalen in de totale sociale uitkleding. Maar Judt heeft een punt: het is stil op links. En hoewel post-electoraal onderzoek ook in Vlaanderen aantoont dat mensen wakker liggen van pensioenen en jobs, vertaalt dit zich niet in electoraal succes voor links. Ook de crisis die voor dat eenheidsdenken toch ontluisterend had moeten zijn, heeft ons niet geholpen.

PARADOX VAN DE VERZORGINGSSTAAT

Het is lange tijd anders geweest. Ooit maakte het idee van een zorgende overheid het voorwerp uit van een brede consensus. Mechanismen van wederkerigheid en herverdeling werden toen minstens zo breed gedragen als het liberale eenheidsdenken vandaag. Van 1945 tot de jaren 1970 leefde volgens Judt ook bij de bevolking het ‘wijdverbreid geloof dat een bescheiden herverdeling van rijkdom, waarmee een einde zou worden gemaakt aan extreme rijkdom en armoede, iedereen ten goede zou komen’.
Dat besef is bij latere generaties, die hun welvaart en welzijn nochtans veelal te danken hadden aan de inspanningen van de verzorgingsstaat, verwaterd. Het leidt tot de paradox dat velen vandaag de lusten van het sociale bouwwerk vanzelfsprekend vinden, maar geen enkel begrip opbrengen voor de instrumenten die daartoe leiden. Belastingen, administratie, publieke voorzieningen wuiven ze weg als onhebbelijke staatsbemoeienis.
We zijn in de meest letterlijke zin de waarde van wederkerigheid en herverdeling vergeten. We weten van veel de prijs, wat het kost, maar niet wat het maatschappelijk waard is. Tegelijkertijd is er overvloedig bewijs aangeleverd van de stelling dat samenlevingen met minder inkomensongelijkheid op alle indicatoren van welvaart, welzijn en geluk (gezondheid, onderwijs, veiligheid…) beter af zijn dan samenlevingen waar extreme rijkdom en armoede heersen. Mensen zijn beter af in landen waar het liberale eenheidsdenken niet zo dominant de maat aangeeft.

TEGEN DE SOCIALE AFBRAAKAGENDA

Voor mij blijft het doel van links onveranderd: we willen een eerlijke samenleving waar het voor iedereen goed, fatsoenlijk en veilig om leven is. Maar het is duidelijk dat we de weg naar dat doel grondig moeten moderniseren. Wat moeten we doen om onszelf opnieuw aantrekkelijk, ja zelfs onmisbaar in de ogen van meer dan 15 procent van de Vlamingen, te maken?
We moeten vooral niet ophouden met te waken over het niveau van de sociale bescherming, en die rol heeft links in België, meer dan in andere landen, niet gelost. Maar omgekeerd moeten we ook niet hervallen in de karikatuur van de verzorgingsstaat: het etatisme. Ik ben niet bang voor die valkuil. De grote ideologische discussies over de rol van de overheid versus markt hebben tien jaar na de val van de Muur al plaatsgevonden in onze partij. Net zo min heb ik er moeite mee om te erkennen dat de zorgende overheid soms (te) veel geld kost. Die zorg om de betaalbaarheid en dus de duurzaamheid van de sociale bescherming is wel degelijk legitiem. Dat is ook de reden waarom ik vind dat een orthodox begrotingsbeleid op zich niet vloekt met socialisme. Het is ook de reden waarom sp.a in deze economisch moeilijke tijden mee aan de regeringstafel zit. Juist nu moeten we proberen om te vermijden dat de legitieme zorg om de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat door de fans van het eenheidsdenken wordt misbruikt voor een kille, sociale afbraakagenda. Toen we in de Vlaamse regering moesten kiezen tussen jobkorting of meer kinderopvang, hebben we geen moment geaarzeld.
Maar meer dan dit alles is nodig, willen we ons niet beperken tot de rol van wat Judt ‘sociale boekhouder’ noemt. En dan keer ik terug naar de hoger gemaakte vaststelling van vervreemding tussen grote delen van de bevolking en het concept van de verzorgende overheid. Als we het eenheidsdenken willen doorbreken, moeten we op een aantoonbare wijze en in verstaanbare taal dat ‘contact’ herstellen. Links moet bij elke burger het inzicht doen postvatten dat hij of zij voordeel heeft bij meer inkomensgelijkheid, eerlijke en gelijke kansen, maar ook bij publieke voorzieningen zoals jeugd- en ouderenzorg, speeltuinen en scholen, betaalbare gezondheidszorg, veilige en leefbare omgevingen.

IT’S NOT THE ECONOMY, STUPID!

Voor socialisten is het cruciaal dat de mensen ons (h)erkennen als architecten - en dus niet als boekhouders - van de eerlijke samenleving. De weg naar het hart van de mensen verloopt via dit sociaal contract. Als aan die voorwaarde voldaan is, biedt dit ook een springplank naar een bredere (h)erkenning. Het is een aansluiting die we, net als andere sociaaldemocratische partijen, de jongste jaren vaak gemist blijken te hebben.
Het is mijn overtuiging dat partijen werden (en nog altijd worden) beloond/bestraft voor de mate waarin ze door de burger als ‘bijdetijds’ worden beschouwd. Voor een goed begrip, het gaat hier over meer dan het al dan niet ‘modieus’ bevonden worden van deze of gene politicus of partij. Het gaat in wezen over het vermogen van de politiek om een rol van betekenis te spelen in de levens van burgers die met vallen en opstaan hun weg zoeken in een sterk veranderende wereld, dicht bij en verder van huis, voorbij of bovenop de directe sociaaleconomische of financiële zekerheid. Welke politici of partijen geven de burger een plaats in het referentiekader waarmee hij of zij zich een weg zoekt in de moderne tijden? Onder referentiekader versta ik: een heel brede, identiteitsbepalende set van waarden, houdingen, gevoelens en standpunten ten aanzien van evoluties zoals de verkleuring, de verstedelijking, wijzigende gezins- en arbeidsvormen, de informatiemaatschappij, de mondialisering. Dit gaat, kortom, over de link tussen politiek en moderniteit.

In de paarse jaren is links er bij momenten inderdaad goed in geslaagd om aansluiting te vinden bij wat je de moderne beleving van de kiezer zou kunnen noemen. In 2003 sloot die kiezer sp.a bij wijze van spreken in het hart, Steve Stevaert had touch. De publiek-politieke sfeer van de paarse ‘ambiance’ werd als verfrissend en modern ervaren. Ik vermoed dat dit minstens even bepalend is geweest als het strikt sociaaleconomische voor winst (2003) én verlies (2007) in de politiek, a fortiori van sp.a. Zoals hierboven al gezegd, is en blijft zeker voor socialisten een sociaal solide basis het a priori. Geloofwaardigheid in onze core business, en de bijhorende politiek van versterking van welvaart en welzijn, vormen de opstap voor de meer immateriële verbreding. Daar zijn we in de paarse jaren ook goed in geslaagd. We hielden de vinger aan de pols, we vatten de tijdgeest. In kartel met Spirit sloten we naadloos aan bij de leefwereld van jong en oud. 18 mei 2003 was een beautiful day voor het socialisme. Redelijk onverwacht werd meteen de score gehaald zoals vooropgesteld in het tienjarenplan van Patrick Janssens.
Als we in 2003 historisch veel stemmen wonnen, was dat dus zeker niet alleen omdat we de sociale bescherming overeind hielden en versterkten. We deden op dat vlak wat we moesten doen, maar wonnen daar bovenop extra omdat sp.a door de kiezer als een ‘moderne’ en relevante speler werd ervaren. Sp.a bleek naar het gevoel van de kiezer in staat om de tijd te capteren, onze partij speelde mee in de veranderende wereld en bepaalde mee de publiek-politieke sfeer. We lieten de mensen niet onverschillig, we stootten hen evenmin af. We appelleerden. We gaven het gevoel dat de politiek over hen ging. En wisten dat om te zetten in concrete beleidsdaden.

UIT HET HART, UIT HET HOOFD

Was sp.a in 2003 ‘in’; bij de verkiezingen die sindsdien volgden geraakten we onweerlegbaar ‘out’. In 2007 kwam sp.a met een smak (16,3%) terug op de grond. Maar ook bij de Vlaamse verkiezingen van 2004 was het tij al aan het keren, kwamen er krasjes op de (h)erkenning van sp.a als vertrouwenwekkende partner van de burger in zijn/haar plaatsbepaling in de veranderende samenleving en wereld.
Zowel in 2007 als 2009 verzeilde sp.a in de marge van het stembepalende referentiekader van het gros van de burgers. In de drie jaar federale oppositie en verder in de Vlaamse regering leverden we wel nog goede bestuurders, maar zijn we er ten gronde niet in geslaagd om ons opnieuw ‘in het hart’ van de mensen te planten. Bewijs voor deze stelling vind ik onder meer in het postelectorale onderzoek van TNS/Dimarso. Voor de kiezers bleven in 2009 gezondheidszorg en sociale zekerheid prioritaire bekommernissen en toch was dit niet versterkend voor sp.a. Nogmaals, een andere set van waarden en gevoeligheden (gemeenschap/veiligheid/rechtvaardigheid/respect) bleek bepalender voor de (h)erkenning van deze of gene politicus of partij door de kiezer. Mogelijks stootten we sommige kiezers ook af door een al te pragmatische aanpak. De fiscale amnestie bijvoorbeeld druiste in tegen het sociale en zelfs ethische waardenbesef van vele kiezers die correct hun belastingen betalen.
Ook elders in Europa, met name bij Labour (UK) en PvdA (Nederland), komen de jongste tijd veel analisten onafhankelijk van elkaar tot gelijkaardige bevindingen. In de zelfkritiek op wat sociaaldemocraten in hun campagnes en hun beleid gemist hebben, wordt in vele varianten vaak verwezen naar meer psychologische factoren dan naar het sociaaleconomische an sich of de kwaliteit van de partijstandpunten en beleidsdaden ter zake.

WIE (H)ERKENT DE SOCIAALDEMOCRATIE NOG?

Hoe verschillend ook de linkse partijen en de politieke context waarin ze opereren, zowel bij Labour als PvdA vertolken diverse analisten wat volgens hen de geesteshouding van de afhakende kiezer is: wie (h)erkent die socialisten nog? De focus verschuift naar het meer immateriële referentiekader van kiezers: het hart van de mensen, de hoop, de waardenbeleving, de tijdgeest…
We mogen de immateriële of zelfs emotionele component van sociaaleconomische standpunten of beleid daarbij niet onderschatten. Een groot deel van de bevolking, de modale werkende mens of de middenklasse, heeft alle baat bij een sociale politiek van herverdeling en solidariteit. Maar als die klasse dat zelf niet meer inziet of zo ervaart, en zichzelf eerder als bijdrager dan als begunstigde ziet, haakt dat deel van het electoraat af. Dan werkt ons sociaal appel eerder averechts.
Vaak schatten we niet goed in welke waarden de mensen aan onze sociaaleconomische keuzes koppelen. Zelfs bij onze eigen leden. In ons ledenonderzoek spreekt drie vierde van onze leden een groot vertrouwen uit voor onze verzorgingsstaat. Maar als het op de aanpak van werklozen aankomt, pleit eenzelfde aandeel voor een hardere aanpak. Onze eigen achterban wil duidelijk niet weten van sociaal profitariaat. Met een geleerd woord zou je kunnen spreken van een meritocratisch socialisme. Als uitkeringen te laag zijn om menswaardig te leven, hebben we de plicht om die te verhogen. Alleen moeten we heel goed voor ogen houden hoe zo’n pleidooi overkomt bij de modale kiezer. Wordt sp.a aan de andere kant wel gezien als dé partij die de sociale fraude wil aanpakken? Uit onze focusgroepen bleek dat alvast niet. Het woord ‘hangmatsocialisme’ was daar regelmatig te horen.
Bovenop de falende (h)erkenning van links in de sociaaleconomische sfeer is er het geworstel van linkse partijen met thema’s als migratie, diversiteit, culturele identiteit en veiligheid. De verdeeldheid binnen de sociaaldemocratie over deze thema’s leidde in veel gevallen tot vaagheid of stilte en afwezigheid in het debat. Netto-resultaat is dat je als partij ‘neutraal’ of ‘irrelevant’ wordt in de ogen van de kiezer, dat de kiezer warm noch koud van je krijgt. Ook hier weer: wie (h)erkent die socialisten nog?
De kiezer bleef en blijft ons beschouwen als een noodzakelijke sociale kracht in de Vlaamse en Belgische politiek. Met onze Visie-nota’s van het afgelopen jaar (pensioenen, eerlijke fiscaliteit en energie) hebben we ook platgetreden paden verlaten. Toch deden we er voor veel, te veel kiezers in 2007, 2009 en 2010 niet wezenlijk toe. We worstelden vooral in de beleving met geloofwaardigheid: of het nu over onze pensioenvoorstellen of fiscale plannen ging. Hoe sterk en onderbouwd ons programma ter zake ook mag geweest zijn, de vonk sloeg niet over. En hoe vaak we er ook op hamerden dat veiligheid eerst en vooral een sociale kwestie is, de kiezer lustte het niet. Voor te veel kiezers viel sp.a buiten het referentiekader waarmee ze zich in de wereld sinds het keren van de eeuw een weg zoeken. De bevinding van Janssens uit 2000 moet daarom vandaag met nog meer kracht herhaald worden: ‘Deze neerwaartse trend moet worden omgebogen. Anders zal de SP in de toekomst geen rol van betekenis spelen.’

WET VAN DE REMMENDE VOORSPRONG

Onze partij heeft sinds 1999 niet stilgestaan. Veel van de toen voorgestelde hervormingen, zowel in de werking als de inhoud van de partij, zijn daadwerkelijk doorgevoerd of toch uitgeprobeerd. Maar zoals elke organisatie zijn we daarbij ook op de vernieuwingsparadox gebotst. Vernieuwend ben je als je vernieuwt, wervend ben je als je werft, succes trekt succes aan. Maar zodra het succes een knak kreeg, in 2004, kalfde die verbreding even snel weer af.
Na 2003 werden we ook het slachtoffer van de wet van de remmende voorsprong. In 1999 was er een diepgaand besef van de noodzaak aan vernieuwing en ook van het pad daar naartoe. Maar de winst was in 2003 onverhoopt groot en de vernieuwing leek daardoor dermate geslaagd dat de urgentie om verder te vernieuwen achteraf minder voelbaar werd. Soms werd er ook te ondoordacht vernieuwd, zonder langetermijnvisie. De sociaalprogressieve projectlijsten bleven dode letter en de mislukking ervan liet de partijtop plots met lege handen achter. Ook ikzelf ben als voorzitter in mijn vernieuwingsdrang op de limieten van onze organisatie gebotst. Eerst was er de bevreemdende afloop van het progressieve kartel, een proces dat we eerder ondergingen als toeschouwer. De bokkensprongen van de kartelpartner waren moeilijk te volgen en het vertrouwen en enthousiasme bij de achterban waren ondertussen onder het vriespunt gezakt. En dan was er de ongelukkige episode rond de naamsverandering. Of hoe een nobele poging om oud en nieuw definitief te verzoenen in een partijnaam - socialisten en progressieven - door slechte afspraken en harde reacties, de noodzakelijke vernieuwing tot een quasi volledige stilstand bracht. Toen de verkiezingen van 2009 en 2010 zich aandienden, zat onze partij in de fase van een onvoltooide vernieuwing. En daar zitten we vandaag nog altijd.

URGENTIEGEVOEL IS NODIG

Meer, veel meer, zal dus nodig zijn de komende maanden en jaren wil sp.a zich structureel versterken en een rol van betekenis spelen. Maar is er ook meer mogelijk? Ik geloof van wel. Het is verleidelijk om terug te grijpen naar oude recepten, en te blijven vissen in de vertrouwde visvijver, zeker in verkiezingstijden wanneer je voelt dat je er niet te best voor staat. Maar dat is onvoldoende. Dat hebben de voorbije drie verkiezingen helaas aangetoond. Dat besef dringt hopelijk door in de volledige partij. En ook onze bevoorrechte partners zullen dit moeten aanvaarden.
Zonder volledig te willen zijn, wil ik hier op basis van de bovenstaande analyse enkele aanzetten geven van hoe het anders kan en moet. Zowel inhoudelijk als organisatorisch hebben we nood aan een expansie van onze actieradius.

In de eerste plaats mogen we ons niet in slaap laten wiegen door de federale regeringsonderhandelingen of het beheer van Vlaanderen. Het mag er ons niet van weerhouden om het eigen partijverhaal een nieuw elan te geven. Daarom zal ons Visiecongres half oktober gewoon doorgaan. Regeringsformatie of niet.
Ons sociaaleconomische programma (onze core business) staat als een huis. Het moet zoals altijd verder opgevolgd en geactualiseerd worden, maar ten gronde is er geen nood aan een fundamentele koerswijziging. Wel moeten we voorbij de ratio van dat programma meer oog hebben voor de psychologische facetten of de waardenbeleving van alles wat te maken heeft met welvaart en welzijn, economische groei en sociale bescherming. Bij de bezorgdheden van mensen over hun pensioen of dat van hun kinderen bijvoorbeeld gaat het niet enkel om het precieze maandelijkse bedrag dat op de bankrekening zal komen, maar ook om meer immateriële vragen over de toekomst (zorg, vrije tijd, huisvesting, veiligheid van de leefomgeving). Ander voorbeeld: als we het over jobs hebben, kunnen we behalve voor activering en verloning uiterst attentief zijn voor de beleving die gepaard gaat met vele nieuwe gezins- en arbeidsvormen. ‘Een job is de beste garantie tegen armoede’, is een stelling die klopt als een bus. Maar in de beleving van vele hardwerkende Vlamingen schreeuwen veel andere gevoelens, zorgen en vragen om een antwoord of een teken van (h)erkenning: welzijn op het werk, hoe omgaan met gewijzigde arbeidsomstandigheden of een nieuwe managerscultuur, de combinatie met het gezinsleven… Kortom, welk waardenverhaal gaat er schuil achter de nood aan sociale vooruitgang. En hoe overtuigen we de middenklasse opnieuw van het gelijk opgaan van eigen- en gemeenschappelijk belang.
Ook onze op zich sterke en onderbouwde verhalen over energie, eerlijke fiscaliteit en gezondheidszorg moeten we over het instrumentele en institutionele niveau (de hardware) heen proberen te tillen. Die verhalen hebben nood aan vlees en bloed. De vertolking ervan moet nauwer aansluiten bij de belevingswereld van de mensen.

Maar de actieradius moet zoals gezegd verbreden, voorbij de core business zoals die de voorbije jaren verder is uitgediept op Visiecongressen en bij de totstandkoming van verkiezingsprogramma’s. We moeten dringend een voet verwerven op nieuwe politiek-maatschappelijke gronden die ik hierboven al heb opgesomd. Dat vertaalt zich in de onderwerpen die we op het komende Visiecongres willen bespreken. Het vergt ook een meer offensieve stem en een actievere onderdompeling in de praktijk op domeinen zoals het gemeenschapsleven, omgangsvormen, aspecten van sociale en fysieke veiligheid en leefomgeving. We moeten een gevoeligheid versterken voor de samenleving, voor mensen en waarden en ons minder fixeren op structuren en onderbouw. We moeten ook offensiever en meer participerend worden in het debat en de praktijk van de diversiteit.
We mogen ons vervolgens niet laten opsluiten in de negatieve of problematische facetten van de moderniteit. We moeten ook een rol van betekenis spelen in de kansen die de tijd biedt en (h)erkend worden in die rol door iedereen die in de voorhoede loopt, de toekomst vorm geeft. Concreet kunnen we op een creatieve en gedurfde manier banden smeden met mensen en kringen die zowel op het economische, technologische, culturele, ethische als sociale vlak innovatief en ondernemend zijn. Op alle mogelijke maatschappelijke gebieden moeten we aansluiting vinden met de modernste inzichten, altijd vanuit ons blijvend sociaal waardenkader (gelijke kansen, emancipatie, vrijheid, welvaart en welzijn). Socialisten moeten ‘mee’ zijn om voorop te kunnen lopen, wat ook in essentie de betekenis van progressiviteit is. Ondernemers zouden meer onze objectieve bondgenoten kunnen zijn, als ze tenminste oog hebben voor de maatschappelijke context en dus verder kijken dan de louter economische logica. Op lokaal vlak reiken onze burgemeesters en schepenen dagelijks de hand naar sociaal en ecologisch voelende ondernemers. Alleen vertalen we dat onvoldoende op nationaal vlak.

De hervorming van de inhoudelijke actieradius heeft organisatorische gevolgen. Het zal meer dan ooit nodig zijn om onze antennes aan te scherpen en structuren open te gooien. De focus op vooruitgang en innovatie impliceert ook dat we ons specifiek op jongeren moeten richten uit alle segmenten van de bevolking en op toekomstgerichte denkers en doeners in de meest uiteenlopende sectoren van de samenleving. Om onze antennes aan te scherpen en uit te breiden moeten we er wel over waken dat we deze (permanente) oefening niet verdrinken in over-organisatie. We hebben niet méér vergaderingen of extra structuren nodig, wel meer verbeeldingskracht, scouttalent en mobiliteit. Voor elk uur dat onze mandatarissen in een vergader- of commissiezaal doorbrengen, zouden ze een uur op werkbezoek moeten gaan. Zo geven we ook meer ruimte aan oprechte verontwaardiging en verwondering. De essentie van vernieuwing is juist dat het om een zoekend proces gaat, een proces van aftasten en uitproberen, inzichten vergaren en ontwikkelen, contacten leggen en banden smeden, mensen rekruteren en kansen geven.

DE DRAAD VAN PARTIJVERNIEUWING WEER OPPIKKEN

Vervolgens moeten we de permanente partijvernieuwing opnieuw hoog in ons vaandel dragen. Na de verkiezingsnederlaag in 1999 startte de nieuwe partijtop met een grondige opfrissing van ons gedachtegoed. Of beter, er werd opnieuw aangeknoopt met de traditie van partijvernieuwing. Velen lijken immers te vergeten dat onze partij ideologisch al fel geëvolueerd was toen ze in 1999 aan de aftrap van paars kwam. Het Toekomstcongres in 1998 was een logische synthese hiervan. In de periode 1999-2003 heeft onze partij verder getimmerd aan een vernieuwend profiel. We werden daarmee aantrekkelijk bij een breed deel van de bevolking. Die dynamiek geraakte echter verloren en verzandde steeds meer in beschouwingen over de eigen ideologische zuiverheid. Het omvangrijke verkiezingsonderzoek van 2009 door het interuniversitair consortium toont de vervreemding van de modale Vlaming tegenover het programma van sp.a helaas goed aan. Marc Hooghe besluit dan ook in het juni-nummer van Samenleving en politiek dat ‘de progressieve partijen in Vlaanderen de aansluiting met het politieke centrum verloren hebben’ en dat ‘de progressieve partijen alle aangeboden kansen gemist hebben om die centrumkiezer te overtuigen’.
We staan voor beslissende maanden en jaren, willen we dat tij keren. Het zal een volgehouden alertheid en openheid vergen, voorbij de 24u-nieuwscyclus. Hoe en met wie we het ook doen, de slotsom is wat mij betreft duidelijk. Sp.a zal geen rol van betekenis meer spelen als we bovenop het onderhoud en de versterking van onze sociaaleconomisch fundamenten niet slagen in deze voortgezette vernieuwing. Om Steve Stevaert te parafraseren: sp.a zal radicaal modern zijn, of niet zijn. Indien niet, dan hoeven we ons niet meer het hoofd te breken over de precieze partijnaam: socialistische partij anders, socialisten en progressieven of sociaal-progressief alternatief. Als we in deze missie niet slagen, houden we tout court op progressieven te zijn.

Caroline Gennez
Voorzitter sp.a

sp.a - socialisme - ideologie

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 7 (september), pagina 35 tot 42