Abonneer Log in

Van twee democratieën naar geen democratie?

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 3 (maart), pagina 52 tot 56

Dit essay is een reageerbuis. De zaken die ik bestudeer als politiek filosoof, mijn waarnemingen als burger van dit land en de inzichten die ik als medeorganisator van de SHAME-betoging opdeed, zullen in deze tekst op een vrije en associatieve wijze met elkaar verbindingen aangaan. Dit zal de sterkte maar misschien ook de zwakte van dit essay zijn. Want wie filosofie zoekt, zal politiek engagement lezen en wie politieke analyse zoekt zal slechts filosofie lezen. Maar misschien kunnen deze verschillende verwachtingen en invalshoeken ook een interessant perspectief opleveren van waaruit de huidige politieke crisis en de bijdrage van N-VA daartoe bekeken én bekritiseerd kan worden. Laat dat mijn ambitie zijn.

DEMOCRATISCHE POLITIEK: EEN INTERPRETATIE

Als doctorandus in de politieke filosofie ben ik in mijn onderzoek van meet af aan gefascineerd geweest door de vraag wat politiek tot politiek maakt. Of, anders gezegd, wat de eigenheid van het politieke is. Waarin verschilt het politieke handelen bijvoorbeeld van het economische of het ethische handelen? En hoe kunnen we die eigenheid van de politiek of het politieke handelen definiëren? Filosofen als Karl Marx, Carl Schmitt, Hannah Arendt, Claude Lefort en Chantal Mouffe hebben zich over de vraag naar het wezen van de politiek gebogen. Het lijstje van denkers dat zich met deze vraag heeft ingelaten oogt indrukwekkend en zegt ook iets over het belang van deze vraag in de (hedendaagse) politieke filosofie. Zelf ben ik het meest beïnvloed geworden door de Franse filosoof Claude Lefort en de, jawel, Belgische filosofe Chantal Mouffe. Het is vanuit een (vrije) lezing van hun werken dat ik hier het inzicht wil verdedigen dat politiek altijd iets te maken heeft met het formuleren van een totaalvisie van waaruit we de samenleving als geheel kunnen begrijpen. Vanuit, en slechts dankzij, de constructie van een dergelijk totaalbeeld kan een idee gevormd worden over hoe de samenleving werkt en hoe ze eventueel kan worden veranderd.

Een politieke positie is dus een positie van waaruit een bepaalde visie op de samenleving wordt geformuleerd en verdedigd. Het bekennen van een politieke kleur is daarom niet in de eerste plaats bekennen op welke partij men stemt, maar wel te kennen geven hoe men de samenleving ziet en wenst te zien. Dát men een politieke kleur kan en mag bekennen en dat mensen niet noodzakelijk eenzelfde politiek standpunt met elkaar hoeven delen om zich burgers van hetzelfde land te kunnen noemen, is eigen aan een democratisch regime. In een democratisch regime kunnen verschillende, in wezen onverzoenbare interpretaties over de samenleving getolereerd en zelfs gestimuleerd worden. De erkenning van een dergelijke, politieke pluraliteit impliceert de aanvaarding van het idee dat er geen onbevoorrechte, objectieve wijze bestaat om de samenleving te begrijpen maar slechts verschillende altijd betwistbare interpretaties van die samenleving. Dat een democratisch politiek landschap uiteenvalt in verschillende politieke partijen met verschillende interpretaties over hoe de samenleving werkt en hoe ze bijgevolg dient bestuurd en veranderd te worden, getuigt hier uiteraard van.

Nergens wordt deze omschrijving van waar een democratische politiek in wezen om draait duidelijker dan in verkiezingscampagnes en -debatten. In de aanloop naar een stembusslag proberen politici mensen te overtuigen van de interpretatie die zij en hun partij van de samenleving bieden. Vanuit die interpretatie wordt dan ook een mogelijk beleid opgesteld en verdedigd. Het Vlaams Belang oordeelt bijvoorbeeld dat de multiculturele samenleving mislukt is, en wenst een beleid te voeren dat daarop geënt is. Groen! tracht de economische aan de ecologische crisis te koppelen en zo een groene economie als de bij uitstek te volgen weg aan de kiezer te verkopen. En zo geldt dat voor alle partijen, hoewel de ene partij soms een duidelijker discours formuleert dan de andere.

HET NIEUWE VLAAMSE ANTAGONISME

Het discours dat als absolute winnaar uit de twee laatste verkiezingen kwam, was natuurlijk dat van N-VA. Daarom loont het ook de moeite om even bij de inhoud van dit discours stil te staan. De bottom line ervan is sinds het ontstaan van de N-VA steeds dezelfde geweest: België werkt niet meer en een onafhankelijk(er) Vlaanderen is de oplossing. In een verkiezingsslogan vertaald: ‘afrit Vlaanderen, uitrit crisis’. Om aan te tonen dat België niet langer werkt en eigenlijk bestaat uit twee niet-verzoenbare entiteiten, beriep (en beroept) men zich op verschillende, soms met elkaar tegenstrijdige argumenten.

Zo hanteren de N-VA tenoren vaak het argument van een democratisch deficit. Dit gaat als volgt. Vlaanderen zou vooral rechts en Wallonië vooral links stemmen. Het linkse Wallonië zou daarbij, in alliantie met de linkse, Vlaamse partijen een onterechte dominantie uitoefenen over de rechtsstemmende Vlamingen. Hierdoor zou de stem van de rechtsstemmende Vlaming steeds verloren gaan, wat gepercipieerd wordt als een falen van de Belgische democratie in het nadeel van de (rechtse) Vlaming. Probleemloos wordt deze redenering gekoppeld aan rechtse clichés over een links beleid: in Wallonië leeft een sociaal ‘profitariaat’ dat weigert de handen uit te mouwen te steken, verpamperd als men daar is door de weldaden van een al te gulle verzorgingsstaat. Deze rechtse kritiek wordt dan weer vaak afgezwakt en genuanceerd door hem te verbinden met een neutraal ogend pleidooi voor meer economische efficiëntie: indien Vlaanderen verlost zou worden van de geldstromen naar het spilzieke Wallonië, dan zou dat een toenemende rijkdom voor Vlaanderen betekenen.

Dit alles wordt, indien nodig, overgoten met een klassieke flamingante saus waarvan het hoofdingrediënt bestaat uit het idee dat er een Franssprekende elite bestaat die de arme Vlaming systematisch kleineert en koloniseert. Dit is een restant van een reeds gestreden emancipatiestrijd waarmee men bij de ouderen van geest ongetwijfeld nog enig succes oogst maar die hoogstens nog een historische waarheid in zich draagt. Tegenover, en dankzij, dit beeld van Wallonië, de Waal of de Franssprekende in het algemeen wordt een beeld opgehangen van de Vlaming die in alle opzichten het tegenovergestelde vormt van de Franssprekende. De Vlaming is hardwerkend, rechts, polyglot, tolerant maar houdt het been stijf waar hij moet (bijvoorbeeld in regeringsonderhandelingen). Omwille van die verschillen tussen Vlamingen en Walen (en Brusselaars) dient vooral Vlaanderen dus meer ruimte te krijgen en dient België liefst op een zo kort mogelijke termijn te verdampen, aldus de N-VA.

Dat dit discours electoraal goud opleverde hoeft niet te verbazen. Drie zaken zijn essentieel geweest in die snelweg naar electoraal succes. Ten eerste was er de historische setting. In 2007 vormde het kartel CD&V/N-VA het enige geloofwaardige alternatief op paars. Langs linkerzijde werden eerder makke campagnes gevoerd, op de liberalen was men uitgekeken en het Vlaamse Belang had zijn electoraal plafond bereikt. Het kartel kwam op het juiste moment en het was N-VA die met de ware winst van dat kartel ging lopen door het uiteindelijk op te blazen. Ten tweede is er de kracht van het discours zelf. Het N-VA discours is er één dat tegelijk breed en smal is. Het is breed in de zin dat het zowel heel rationele argumentaties over economische efficiëntie in zich weet te herbergen als romantische gevoeligheden omtrent een Vlaamse natie. Op die manier is het een discours waarin geheel rechts Vlaanderen zich verenigd weet. Maar naast breed is dit discours ook smal in de zin dat het al deze verschillende posities kan verenigen aan de hand van heel eenvoudige en voor iedereen begrijpelijke oplossing(en), namelijk: splitsen waar mogelijk en wenselijk. Het is vooral de eenvoud van de aangereikte oplossingen die ook niet-rechtse kiezers aantrekt. Ten derde is er natuurlijk diegene die dat discours aan de man bracht: Bart De Wever. Dankzij een onbetwistbaar retorisch talent en een imago dat de Vlaamse harten wist te veroveren, katapulteerde hij zichzelf en zijn partij naar ongeziene electorale hoogten. Vandaar ook dat men wel eens smalend (en niet volledig onterecht) spreekt over de ‘Lijst De Wever’ wanneer men naar de N-VA refereert.

Het is van belang om deze drie factoren die bijdroegen tot het succes van de N-VA te blijven onderscheiden in de eventuele formulering van een kritiek op de N-VA. Waar de meeste critici de boegbeelden, de electorale overwinning en het discours van de N-VA met elkaar gelijkstellen, heb ik me in mijn politiek engagement steeds gericht op het discours van de N-VA. Een kritiek waarin de electorale uitslag van de N-VA of het bestaansrecht van deze partij zelf in vraag worden getrokken, is immers zinloos. Wie zich aan een dergelijke kritiek riskeert begeeft zich niet enkel op glad ijs, maar zakt binnen de kortste keren door dat ijs. Want de N-VA is een legitieme, democratische partij en de verkiezingsoverwinningen die ze boekte, dienen gerespecteerd te worden. Ook de boegbeelden zelf aanvallen getuigt volgens mij van weinig politiek inzicht. De aanvallen op de figuur van Bart De Wever en Siegfried Bracke brengen geen zoden aan de dijk maar leiden er slechts toe dat de N-VA zich kan wentelen in een slachtofferrol die haar zeker niet onpopulairder maakt. Omwille van die redenen, heb ik me zelf altijd meer tegen het verhaal dat N-VA gericht in plaats van tegen de mensen die dat verhaal brengen. De aanvankelijke reden voor mijn kritiek op het N-VA discours was dat het nodeloos veel verdeeldheid zaait onder zowel burgers als politici. Het creëert een antagonisme maar reikt geen oplossing aan om dat antagonisme te overstijgen. Dit idee zat ook verwerkt in de oproep voor de SHAME-betoging. Hiermee wou ik niet het bestaansrecht van dit discours bevragen. Het is er, het mag er zijn en het mag er blijven. Maar het dient wel genuanceerd en afgezwakt te worden. Zolang men dit discours immers niet afzwakt zal er geen of slechts een heel slecht compromis bereikt worden en zal een regering in de beste zin van het woord veraf blijven. Ik blijf bij dit standpunt maar gaandeweg is mijn aandacht verschoven naar de machtspositie van waaruit dit discours de dag van vandaag wordt verkondigd. Want volgens mij zit daar het ware (democratische) probleem.

AL TE MACHTIGE PROFETEN

De positie waarin N-VA sinds 2007 vertoeft valt uniek te noemen. Hoewel de partij tot tweemaal toe de federale verkiezingen op overtuigende wijze won, heeft ze tot nu toe nog niet geregeerd op federaal niveau. Vandaar ook het vaak gehoorde verwijt naar N-VA toe dat ze hun verantwoordelijkheid niet zouden opnemen. Hoewel dit verwijt begrijpelijk is, moet men het toch met enige voorzichtigheid hanteren. Er is immers op zich niets mis met het trachten omzetten van een verkiezingsprogramma in een beleid dat dit verkiezingsprogramma tracht te realiseren. Het is inderdaad de bedoeling dat men tijdens onderhandelingen niet al te veel toegeeft. Indien men dit wel doet, pleegt men een vorm van verraad tegenover de kiezers. Het is ook dit argument dat N-VA kopstukken doorgaans hanteren om uit te leggen waarom ze tot nu toe nog niet aan een regering hebben deelgenomen. Maar net door zich voortdurend op dit argument te beroepen, heeft men zich ook in een machtspositie genesteld die ernstige bezwaren oproept.

Mijn fundamenteel bezwaar is het volgende. De N-VA blijft zweven tussen een regeringsdeelname en een verkiezingsoverwinning en in die vrije, ondefinieerbare ruimte glijdt alle kritiek van haar af als water van een eend. Dit uit zich duidelijk op politiek niveau. Zo zit, op het Vlaams Belang na, iedereen op een bepaalde manier in het bad van de onderhandelingen. Een structurele oppositie tegenover de handel en wandel van N-VA vanuit de politiek zelf is daarom onmogelijk. Als er al oppositie is, dan komt die vaak vanuit Franstalige hoek waardoor hij meteen kan worden ingeschreven in de onderhandelingslogica zelf om zo weer geneutraliseerd worden. Er is dus een verkiezingsoverwinnaar waartegen sinds 2007 geen vorm van georganiseerde, politieke oppositie mogelijk is. Dit is misschien ook één van de redenen waarom burgerprotesten zo lang uitgebleven zijn en waarom deze protesten een wat vaag en apolitiek karakter hebben. Er is immers geen enkele partij met noemenswaardige electorale aanhang die mee vorm en inhoud kan geven aan het protest. De burgers zijn op zichzelf aangewezen want de politiek is doofstom geworden. Het toont de zwakte van de huidige Vlaamse politiek en de noodzaak van een blijvend burgerprotest.

Maar de burgerprotesten, en misschien in het bijzonder de SHAME-betoging, openbaarden ook opnieuw de almachtige positie waarin de N-VA zich heeft genesteld en dus de machteloosheid van de protesten zelf. Bij N-VA kon men met veel moeite over de tong krijgen dat men ‘begrip’ had voor de betogers maar dat de N-VA enkel wenst rekening te houden met het mandaat dat men van de kiezer kreeg. Opnieuw, dat is normaal wanneer men zich in een onderhandelingsperiode bevindt. Vanuit dit perspectief kan de reactie van N-VA dan ook enigszins gelegitimeerd worden. Maar wat de N-VA reactie wel volledig over het hoofd ziet is de abnormaliteit van de context waarin men opereert, namelijk: een onderhandelingsperiode die zo waanzinnig lang gerekt wordt dat ze tot de normale orde van de Belgische politiek is gaan behoren. Tussen nu en de eerste verkiezingsoverwinning van N-VA ligt bijna vier jaar. In die vier jaar is een groeiende kritiek ontstaan vanuit de burgers op de manier waarop de N-VA haar overwinningen vooral niet heeft verzilverd. Deze kritiek pareert men bij de N-VA echter systematisch door te verwijzen naar diezelfde verkiezingsoverwinningen. Het is een cirkelredenering die iedere vorm van kritiek op de duur van de onderhandelingen bij voorbaat monddood maakt. Maar, het is ook een redenering die eigenlijk zondigt tegenover een fundamenteel democratisch principe.

Dat principe luidt als volgt. In een representatieve democratie wordt de winnende partij altijd verkozen door slechts een deel van het volk maar regeert de regerende partij in naam van het hele volk. Die stap van een representatie van het eigen kiespubliek naar een representatie van het gehele volk is noodzakelijk. Democratische verkiezingen leggen immers altijd de fundamentele verdeeldheid van het volk bloot: op het moment dat het volk zich als volk dient uit te spreken, toont dat volk zich niet als één maar als bestaande uit verschillende fracties. Net daarom is het zo belangrijk dat men na een verkiezingsoverwinning ook de eenheid van het volk gaat benadrukken door te handelen in naam van en voor het ganse volk en niet in naam van het eigen electoraat. Het vermijdt immers dat de politieke verdeeldheid de aanzet kan zijn tot een reële, maatschappelijke verdeeldheid die het samenleven zelf finaal onmogelijk maakt. Het is deze sprong van het handelen in naam van het eigen electoraat naar het handelen in naam van het hele volk die men door de impasse niet kan en misschien ook niet meer wil maken. Dit signaleert het falen van een belangrijk democratisch proces. Dat sommigen de duur van de onderhandelingen als een overwinning voor de democratie voorstellen is daarom pertinent onjuist.

Hoe langer deze impasse duurt, hoe meer averij onze representatieve democratie oploopt. Maar hoe meer averij onze democratie oploopt, hoe sterker het N-VA discours ook bevestigd wordt. Dat is het zorgwekkende. De machtspositie waarin N-VA zich bevindt, versterkt tezelfdertijd voortdurend haar discours waardoor men ook niet bepaald snel bereid is om deze positie op te geven. Het N-VA-discours is verworden tot een selffulfilling prophecy. Want iedere dag zonder regering versterkt het idee dat België een land is dat bestaat uit twee democratieën waartussen geen compromis meer mogelijk is. In het uitblijven van dat compromis vernauwt de kloof tussen wat men bij N-VA wil bevestigd zien en wat bevestigd wordt tot een greppeltje waarover men met het volste gemak kan heen en weer springen. Het verklaart waarom het verschil tussen tegenwoordige en toekomstige tijd steeds meer vervaagt in de N-VA retoriek. België zal verdampen en is aan het verdampen. België is reeds gesplitst en zal splitsen. België bestaat uit twee democratieën en zal bestaan uit twee democratieën.

Dit in elkaar overvloeien van heden en toekomst is volgens mij veelzeggend. Het is de linguïstische manifestatie van een partij die haar eigen standpunt boven de politieke discussie heeft opgetild en dat standpunt meer en meer als een ontegensprekelijk feit representeert. Hiermee lijkt de N-VA wel te hebben gevonden wat in een democratie niet kan gevonden worden, namelijk: een bevoorrechte en objectieve wijze om de samenleving als geheel te begrijpen waarbij de interpretatie van de maatschappelijke werkelijkheid en die werkelijkheid zelf nauwelijks nog te onderscheiden zijn. Een dergelijke interpretatie presenteert zichzelf dan ook als onweerlegbaar. Het doet me denken aan het criterium dat Karl Popper bedacht om wetenschap van pseudowetenschap te onderscheiden. Volgens Popper kan men een stelling enkel wetenschappelijk noemen indien er potentieel kan worden aangetoond dat ze niet waar is. Misschien geldt dat ook voor politiek. Misschien is een echte democratische politieke positie een positie waarvan kan worden aangetoond dat ze ook niet waar is. Maar net dat lijkt ten aanzien van het N-VA discours steeds moeilijker te worden. De unieke machtspositie van de N-VA, haar discours en de uitzichtloosheid van de onderhandelingen versterken elkaar voortdurend en vormen zo een potentieel ondemocratische kiem in het hart van de democratie zelf.

Dat verontrust me als filosoof, burger en activist.

Thomas Decreus
Politiek filosoof KUL en medeorganisator SHAME-betoging

staatshervorming - N-VA - democratie

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 3 (maart), pagina 52 tot 56