Abonneer Log in

'Nous avons trouvé une solution, mais c'est pas pour écrire à la maison'

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 4 (april), pagina 1 tot 3

Nederlanders staan bekend om hun talenknobbel. Net zoals wij, Vlamingen, zijn ze trots op hun talenkennis. En wie denkt verschillende talen te spreken, laat ook geen gelegenheid voorbijgaan om deze kennis te tonen. Soms loopt het echter grondig fout. Zo doet de ronde dat voormalig Nederlands CDA-premier Ruud Lubbers ooit na zware en lange Europese onderhandelingen verklaarde: ‘We hardly worked, let’s go for a coffee’.1 Vrij vertaald: ‘We hebben geen lap uitgevoerd, laten we een koffie gaan drinken’.

Ook wij gaan prat op onze talenkennis. We beschouwen het als één van onze troeven. Onze talenkennis, beweren we, is ons handelsmerk om in de wereld ons mannetje te staan. We spreken en verstaan Frans (in tegenstelling tot ons collectief idee over de Franstaligen waarvan we menen te mogen zeggen dat ze geen Nederlands begrijpen en spreken) en we drukken ons vlotjes uit in het Engels. Toch vergissen we ons. Onze kennis van het Engels is in vele gevallen een constructie van op zichzelf staande vertaalde Nederlandse woorden die tot een soort Nederlands-Engelse zin worden omgetoverd. Ook de vaardigheid om ons vlot in onze tweede landstaal uit te drukken gaat onherroepelijk achteruit. We zijn fier als Vlaming op onze talenkennis, maar er zijn belangrijke aanwijzingen dat deze trotsheid eerder ingegeven is door een gebrek aan kritische zelfreflectie. De kennis van het Frans daalt bij elke nieuwe generatie Vlamingen. Jongere generaties, waartoe ik mezelf geheel onterecht nog reken, moeten toegeven dat ze zich zeer slecht in het Frans kunnen uitdrukken. Mijn studenten lezen voornamelijk artikels in het Engels en het Nederlands. Teksten in het Frans worden zoveel mogelijk vermeden, omdat het te moeilijk is.

We vergissen ons ook over de Franstalige Belgen. In het Franstalig onderwijs bestaan op dit moment ongeveer 250 zogenaamde immersiescholen. Dit zijn scholen waarin bepaalde vakken (bijvoorbeeld aardrijkskunde of biologie) in het Nederlands (of Engels of Duits) worden gegeven door leraren waarvan de moedertaal in regel het Nederlands (of Engels of Duits) is. Daarnaast worden de andere vakken in de moedertaal, het Frans, onderwezen. Immersieonderwijs (vrij vertaald: onderdompelingsonderwijs) is in Wallonië en Brussel aan een stevige opmars bezig. Onze Franstalige landgenoten lijken doordrongen van het feit dat de huidige generatie in een meertalig onderwijssysteem moet opgroeien om zich te wapen voor de toekomst. Wie van slechte wil is, en ik verdenk hier niemand van, zou kunnen stellen dat dit een politiek-ideologische keuze is van een Franstalige politieke elite die de staat België wil redden. We kunnen het betreuren dat de Franstaligen zich rond de vorige eeuwwisseling hebben verzet tegen een tweetalig België. Een België waar zowel in Wallonië als in Vlaanderen het Frans en het Nederlands als officiële taal zou kunnen worden gebruikt. Het draaide voor België dus anders uit.

Gedane zaken nemen echter geen keer en de toekomst ziet er anders uit dan het verleden. Alvast de Franstaligen lijken dit te hebben begrepen. Wij, Vlamingen, daarentegen lijken blind voor een nieuwe werkelijkheid en missen het inzicht voor wat nodig is voor een welvarende toekomst.

Naast het stimuleren van basisattitudes en kennis die innovatie én creativiteit genereren, is talenkennis een noodzakelijke kerncompetentie om innovatieve en creatieve ideeën succesvol in een globaliserende wereld te implementeren. Deze competenties moeten niet enkel het voorrecht blijven van een kleine elite die veel kansen krijgt. Het is net de opdracht van overheidsorganisaties en politieke leiders om er voor te zorgen dat deze competenties worden verworven door iedereen, ongeacht de sociaaleconomische omstandigheden waarin kinderen opgroeien. Dit heeft niet alleen te maken met het vrijmaken van middelen voor het stimuleren van bepaalde onderwijsstructuren, maar minstens evenzeer met het stimuleren en het ontwikkelen van een bepaalde attitude en ingesteldheid. Het gaat om een openheid voor anderen, het zoeken van een emotionele binding met diegene die anders zijn. In relatie tot taal betekent dit dat we een positieve emotionele openheid moeten hebben naar diegenen die een andere moedertaal hebben.

Die positieve houding missen we in Vlaanderen. Immersieonderwijs blijft beperkt tot een proefproject in 9 scholen en het is wachten op de resultaten van een aangekondigde evaluatie. De terughoudendheid voor dit type van onderwijs is onder andere ingegeven door de vrees voor de creatie van grotere ongelijkheid tussen kinderen uit sociaaleconomisch zwakkere gezinnen en kinderen die opgroeien in gezinnen met hoogopgeleide ouders. Deze argumenten zijn bijzonder belangrijk. Maar ook de context waarin kinderen vandaag opgroeien, bepaalt in het huidige onderwijssysteem de (slaag)kansen van kinderen. Het aanpakken van de sociale context waarin kinderen opgroeien, door bijvoorbeeld extra begeleiding, lijkt daarom meer aangewezen.
Taalspecialisten zijn het vaak oneens over hoe taal het gemakkelijkst wordt geleerd. Er wordt al eens getwijfeld of het ‘aanleren’ van een tweede taal binnen een schoolse context wel de meest efficiënte manier is. Het lijkt er op dat het verwerven van een tweede, derde, vierde taal het best gebeurt wanneer er een positieve emotionele band wordt ontwikkeld met diegene die een andere taal spreekt. Het is dus best denkbaar dat ons huidige taalonderwijs helemaal niet zo slecht is als het maar gepaard gaat met - en laten we even kort door de bocht gaan - ‘genoeg emotionele taalpraktijkervaring’ die onmiddellijk aansluiting vindt bij het bestaande taalonderwijs.

We leven in een bijzonder interessant land om deze taalpraktijkervaring te ontwikkelen. Toch is er geen systematische samenwerking en (onderwijs)beleid dat er op gericht is om kinderen die verschillende moedertalen hanteren op een georganiseerde manier met elkaar in contact te brengen. Het kan toch niet zo moeilijk zijn om (buitenschoolse) activiteiten te ontwikkelen die een emotionele binding en daarbij horende taalpraktijkervaring stimuleert.

Wellicht zit de tijdsgeest tegen. De fixatie op een onverwerkt verleden, op een verleden van discriminatie en achterstelling, maakt ons blind voor de hedendaagse werkelijkheid die slechts sporadisch restanten vertoont van dit verleden. Het kunstmatig opbouwen van een identiteit op basis van een historisch minderwaardigheidscomplex wapent ons niet voor hedendaagse en toekomstige ontwikkelingen. Het getuigt daarnaast van een misplaatst superioriteitsgevoel dat nefast is voor het klaarstomen van mensen en samenlevingen voor de rol die het in een globaliserende wereld kan spelen. Door polarisering tussen de etnische groepen in België verdwijnt meteen ook een positieve houding ten opzichte van elkaar en deze is net nodig willen we elkaars taal begrijpen en spreken.

We zullen ‘anders zijn’ moeten omarmen, we zullen het moeten aanvaarden. We zijn een minderheid. We kunnen niet verwachten dat anderen onze taal en gewoonten zullen leren. Maar wij, als kleine taalgemeenschap, hebben er alle belang bij die andere wel te leren begrijpen, hun taal te spreken. Het is de enige manier waarop wij ons kunnen voorbereiden op de toekomst. We hebben politici nodig die ons op deze toekomst voorbereiden. Politici die net de tegenovergestelde waarden en ideeën voorstellen dan deze die we vandaag de dag tot in den treuren horen. Wanneer de leidende politieke klasse verzuimt om toekomstige generaties hierop voor te voorbereiden, zal enkel een kleine elite zich weten te handhaven in een open meertalige wereld. En misschien moeten we ons dan tevreden stellen wanneer een Vlaamse onderhandelaar bij het bereiken van een akkoord met onze Franstalige landgenoten een Nederlandse collega-onderhandelaar imiteert met de uitspraak: ‘Nous avons trouvé une solution, mais c’est pas pour écrire à la maison’.2

Patrick Vander Weyden
Hoofdredacteur Samenleving en politiek

Noten
1/ Jan Dijkgraaf publiceerde in 2010 een boekje vol met Engelse taalblunders van Nederlanders. Een aanrader voor wie van humor houdt en niet oninteressant om eens kritisch te blijven stilstaan bij het eigen vreemde talengebruik. Jan Dijkgraaf (2010). I have it in my own hands. Rotterdam: BBNC Uitgevers (ook als e-book verkrijgbaar).
2/ Volgens Jan Dijkgraaf maakte een Nederlandse ambtenaar deze ‘Franse zin’ na afloop van Europese onderhandelingen.

edito - taal - staatshervorming

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 4 (april), pagina 1 tot 3