Log in

Zullen we het eens over energie hebben?

redactioneel

Als één onderwerp fel besproken werd de laatste weken, dan is het wel energie. Van nucleaire rentes over de kost van zonnepanelen en hernieuwbare energie en oplopende aardolieprijzen tot Fukushima en de toekomst (of niet) van kernenergie. Weinig debatten weerspiegelen trouwens zoveel breuklijnen in de huidige samenleving als dat over energie: overheid versus privé, conservatief versus progressief, duurzaam versus economisch kortetermijnrendement,… het zit er allemaal in.

Zo brengt het debat over de ondersteuning van hernieuwbare energie een interessante paradox naar boven. Vertegenwoordigers van de grote industriële elektriciteitsverbruikers eisen dat de overheid liefst voor elk individueel project het absoluut minimaal benodigde steunbedrag zou bepalen en dit toekennen. Ze hopen zo de kost die ze doorgeschoven krijgen te beperken. De overheidsagentschappen die het ondersteuningsbeleid vorm geven en uitvoeren, moeten daarop antwoorden dat ze in de verste verte niet in staat zijn om zo gedetailleerd in te grijpen, omdat ze niet over de vereiste tijd, middelen en kennis beschikken om dit te doen. Doordat het ondersteunen van hernieuwbare elektriciteitsproductie verloopt via de markt voor groenestroomcertificaten, worden de vrijemarktadepten dus fans van overheidsbemoeienissen en bekennen ambtenaren zich tot believers in de marktwerking.

Conservatieve politici staan vaak sceptisch tegenover hernieuwbare energie en soms zelfs ten opzichte van de klimaatproblematiek. Zo noemt Wilders’ partij windturbines ‘een linkse hobby’. De oplossing voor alle problemen met de elektriciteitsbevoorrading is voor hen glashelder: bouw een paar kerncentrales en we kunnen overgaan tot de orde van de dag. Dat de huidige gunstige (kostprijs)situatie van de Belgische nucleaire centrales voortvloeit uit het versnelde afschrijvingsbeleid en niet aan de inherente kwaliteiten van deze technologie, wordt gemakshalve uit het oog verloren. Aan de kant van de voorstanders van hernieuwbare energie wordt soms te lang geaarzeld voordat er ingegrepen wordt in, door de technologische evolutie, te hoog geworden subsidieniveaus of om duidelijke keuzes te maken om bepaalde technologieën niet (meer) te ondersteunen. Het maatschappelijk draagvlak voor de ondersteuning van hernieuwbare energie vaart er niet wel bij.

Een debat over de echte kosten van ons energiemodel dringt zich op, maar dreigt te verzanden in een oeverloos cijfergegoochel. Dat hebben we al gezien in het debat over de nucleaire rente. De federale energieregulator CREG en de Nationale Bank werden tegen elkaar uitgespeeld door de regering, in de hoop argumenten te verzamelen om de bijdrage van Electrabel aan de schatkist wat te kunnen opdrijven.

Ondertussen is van enige echte energiebeleidsvisie op federaal vlak al enige tijd in de verste verte geen sprake meer. Het is trouwens opvallend dat de recentste wetteksten van het federale niveau over energie, de omzetting van het derde Europese energiepakket, teruggrijpen naar een formule van prijzencontrole die verdacht veel lijkt op de tijd waarin de leden van het Controle Comité voor de Elektriciteit en het Gas in een achterkamer de koek onder elkaar verdeelden.

Het is gemakkelijk om mensen tegen elkaar op te zetten met slogans als ‘u betaalt mee voor de zonnepanelen van uw buurman’, zoals Freya Van den Bossche terecht opmerkte. Zonnepanelen en windmolens zijn duidelijk in het oog springende tekenen van het succesvolle beleid om onze energiebevoorrading meer hernieuwbaar te maken. Ze wekken ook veel weerstand op. Het discours van de kernlobby - gek genoeg objectief versterkt door het debat over de nucleaire rente - dat kernenergie betrouwbaar en goedkoop is, steekt scherp af tegen het beeld dat over hernieuwbare energie opgehangen wordt: wind- en zonne-energie is onbetrouwbaar en naast elke windturbine moet je een gascentrale zetten voor als er geen wind is. Wie durft aanvoeren dat in Vlaanderen ruwweg vijf keer meer hernieuwbare elektriciteit geproduceerd wordt door middel van biomassa, krijgt te horen dat dit een winstmachine voor de omgebouwde kolencentrales is. Niet geheel ten onrechte, maar geldt datzelfde argument niet dubbel en dik voor de nucleaire centrales? Toch vraagt Luc Van der Kelen zich naar aanleiding van de ruzie tussen de CREG en Electrabel af ‘wat voor een beest die CREG eigenlijk is’ en waar ze het vandaan haalden om ‘de enige serieuze elektriciteitsproducent in dit land’ te durven bekritiseren. Hij draagt blijkbaar liever bij aan de Parijse superwinsten dan aan de zonnepanelen van zijn buurman.

Laten we eerlijk zijn, het debat over energie is ingewikkeld, maar toch kunnen we meteen al een aantal dingen duidelijk stellen: het wordt er in de toekomst niet goedkoper op. Zoals Bram Claeys verderop dit nummer betoogt, is dat niet de schuld van de hernieuwbare energie of van linkse subsidiefetisjisten, maar van een reeks eenvoudige feiten. Fossiele brandstoffen raken op, klassieke centrales geraken verouderd en zijn aan vervanging toe, uitstoot van CO2 zal steeds meer een economische factor worden, enzovoort. Het voeren van een doelbewust beleid gericht op het bevorderen van hernieuwbare energie kost ook geld, alleen wordt dat nu - verkeerdelijk - afgewogen tegenover een denkbeeldig scenario alsof het verder zetten van het huidige model geen extra kosten zou meebrengen.

Een ander hoogst scheefgetrokken debat, is dat over de kostentransparantie. De kosten van de klassieke centrales (steenkool, aardgas, aardolie of nucleair) worden versleuteld in de factuur van de klant, tenminste voor zover ze niet in de algemene overheidsmiddelen verscholen worden. Dit laatste is het geval met heel wat kosten verbonden aan de nucleaire centrales: onderzoek en ontwikkeling, afvalbeheer, verzekeringen en andere borgstellingen, ze worden in belangrijke mate gecollectiviseerd. Dat vertekent het beeld, zeker als de kosten voor de hernieuwbare energie wel apart op de factuur vermeld worden. Dat de meeste elektriciteitsleveranciers daarbij eenvoudigweg de (hoge) boeteprijs voor gebruiken die ze moeten betalen als ze geen certificaten inleveren in plaats van de reële kostprijs, maakt het probleem alleen maar groter. Niet dat ze zich hiermee verrijken, maar het laat hen wel toe om de kosten mooi te herverdelen: zo weinig mogelijk op die posten waar ze zelf verantwoordelijk voor lijken, zoveel mogelijk op die kostenposten waar de overheid verantwoordelijk voor lijkt. Waarom ik hier ‘lijken’ gebruik en niet ‘is’? Omdat het groenecertificatensysteem de elektriciteitsleveranciers wel degelijk toelaat de meest kostenefficiënte strategie te kiezen om aan de opgelegde verplichtingen te voldoen, en zo een gunstige positie in te nemen ten opzichte van de concurrentie. Alleen kiezen de elektriciteitsleveranciers er collectief voor om de kost op de rekening van de overheid te schrijven.

Beschouw dit als een oproep om het energiedebat verder te voeren op een geargumenteerde en becijferde basis en niet met slogans of vooroordelen, zoals nu veelal het geval is. Met dit nummer doet Samenleving en politiek eens te meer een bijdrage aan een onderbouwd maatschappelijk debat.

Dirk Van Evercooren
Redactielid Samenleving en politiek

edito - energie - energiebeleid - groene stroom

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 5 (mei), pagina 9 tot 11