Log in

De legitimiteit van de welvaartsstaat onder de loep

In het publieke debat is kritiek op de welvaartsstaat alomtegenwoordig. Critici van de welvaartsstaat argumenteren dat sociale voorzieningen onwenselijke economische en morele neveneffecten produceren. Maar hoe percipiëren burgers de gevolgen van sociaal beleid? Aan de hand van gegevens van het European Social Survey tonen we aan dat de Belgische publieke opinie eerder aandacht heeft voor de positieve effecten van sociale zekerheid dan voor vermeende negatieve bijwerkingen. Dit impliceert dat er voor politici voldoende draagvlak bestaat om in te gaan tegen de dominante nadruk op negatieve gevolgen, en meer aandacht te schenken aan positieve aspecten.

OVER ECHTE EN VALSE GEHANDICAPTEN

Eind augustus 2011 wist Karel De Gucht zich in het oog van een kleine mediastorm te werken. De Eurocommissaris voor Handel liet volgende uitspraak optekenen in het weekblad Humo (nr. 3703, 23/08/2011): ‘Ik durf te zeggen dat er volgens mij te veel gehandicapten zijn in België. De échte gehandicapten zijn daar de dupe van, want die krijgen daardoor te weinig geld. Er zijn veel mensen die een gehandicaptenuitkering krijgen terwijl ze perfect zouden kunnen werken. Als ik met mijn rug, die met haken en ogen aan elkaar hangt, in zo’n screeningsmechanisme beland, word ik gegarandeerd voor 75 procent arbeidsongeschikt verklaard.’ De Guchts onderscheid tussen ‘echte’ en ‘valse’ personen met een handicap alludeert op zeer expliciete wijze aan het beeld van de profiterende uitkeringstrekker, die eigenlijk aan de slag zou moeten gaan maar zich comfortabel in de hangmat van de sociale zekerheid nestelt. Dit stereotype wordt wel vaker uit de kast gehaald wanneer het over de welvaartsstaat gaat. De Guchts uitspraak is echter ongewoon in de zin dat ze personen die een invaliditeitsuitkering genieten met de vinger wijst, een doelgroep die door de publieke opinie als sterk rechthebbend wordt beschouwd. Doorgaans zijn eerder andere groepen, zoals werklozen en leefloners, het voorwerp van negatieve beeldvorming (van Oorschot, 2006).

De Guchts controversiële statement lokte dan ook heel wat reactie uit. De sector, daarin bijgetreden door Staatssecretaris voor personen met een handicap Jean-Marc Delizée, reageerde bijzonder ontstemd. Vanuit andere hoek kreeg De Gucht dan weer steun. De N-VA, bij monde van gemeenschapssenator Helga Stevens, reageerde dat de uitspraken van De Gucht weliswaar ‘lomp en cru’ zijn, maar dat hij in de grond wel een punt heeft. Door te verwijzen naar vermeende1 verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië probeerde de partij de zaak bovendien een communautair tintje te geven.

Dit mediarelletje illustreert een meer algemeen patroon. In het maatschappelijk debat en in de media is kritiek op de welvaartsstaat alomtegenwoordig. De positieve effecten van de sociale zekerheid blijven daarentegen grotendeels onderbelicht. Een dergelijk discours is niet zonder gevaar. Negatieve stereotypering van uitkeringstrekkers dreigt de legitimiteit van de welvaartsstaat te ondergraven. Een publieke opinie gedomineerd door negatieve opiniebeelden kan een gevaar betekenen voor de toekomst van de welvaartsstaat. Herverdelend sociaal beleid veronderstelt namelijk een draagvlak bij een voldoende groot deel van de bevolking.2 Of anders gesteld: sterke publieke steun perkt de mogelijkheden in voor beleidsmakers om sociale voorzieningen terug te schroeven.

ECONOMISCHE, MORELE EN SOCIALE GEVOLGEN VAN DE WELVAARTSSTAAT

Critici van de welvaartsstaat argumenteren dat sociale voorzieningen meer slecht dan goed doen, en onwenselijke neveneffecten produceren. Ruwweg kunnen twee verschijningsvormen van welvaartsstaatkritiek onderscheiden worden. Een eerste lijn focust op vermeende negatieve economische gevolgen van sociaal beleid. De sociale bijdragen en belastingen bestemd voor de financiering van de sociale zekerheid zouden de loonkosten voor bedrijven de hoogte in jagen, en zo de internationale concurrentiepositie aantasten. Bovendien zouden sociale uitkeringen de arbeidsmarkt te rigide maken (Lindbeck, 1995). Kortom, de welvaartsstaat wordt gezien als een vorm van overheidsinterventie die de gezondheid van de vrije markt in gevaar brengt. Deze neoliberale argumentatie is een vast ingrediënt in het discours van werkgeversorganisaties.

Een tweede vorm van welvaartsstaatkritiek benadrukt dat genereuze sociale voorzieningen ongewenste morele gevolgen met zich meebrengen. De welvaartsstaat zou de wil om te werken aantasten en individuele verantwoordelijkheidszin doen afkalven (Murray, 1984). Vanuit communitaristische hoek wordt daar aan toegevoegd dat de welvaartsstaat informele zorg en sociale netwerken uitholt (Etzioni, 1995). De Britse psychiater Theodore Dalrymple, die regelmatig een forum krijgt in de Vlaamse media, is een van de meest prominente pleitbezorgers van deze redenering (zie bijvoorbeeld zijn boek uit 2004, met volgende veelzeggende titel: ‘Leven aan de onderkant. Het systeem dat de onderklasse in stand houdt’). Maar elementen uit deze argumentatie vinden we - weliswaar in mildere vorm - ook terug in het Voor wat hoort wat-discours van Patrick Janssens. In zijn recente boek (Janssens, 2011) duidt de Antwerpse burgervader de samenlevingsproblemen in zijn stad in de eerste plaats als het gevolg van een gebrek aan verantwoordelijkheid bij een minderheid van de inwoners.3 De kernboodschap van het boek is dat traditioneel sociaal beleid - dat rechten toekent zonder daar al te veel plichten aan te koppelen - het zeer moeilijk maakt om verantwoordelijk gedrag af te dwingen. Hiermee wijst Janssens bepaalde vormen van sociaal beleid aan als (mede)oorzaak van sociale wantoestanden.

Opmerkelijk is dat deze onbedoelde negatieve neveneffecten de bovenhand halen in het publieke debat. Naar de positieve sociale gevolgen van de welvaartsstaat gaat beduidend minder aandacht uit. Slechts zelden valt te lezen dat de welvaartsstaat door haar herverdelende functies het armoederisico bijna weet te halveren,4 en zo een meer egalitaire samenleving creëert. Evenmin wordt veel aandacht besteed aan het feit dat gesubsidieerde kinderopvang en thematische verloven het makkelijker maken om werk en familieleven te verzoenen. Dit gebrek aan positieve aandacht noopte de koepel van Christelijke werknemersorganisaties ACW er in 2008 toe een heuse promocampagne voor de sociale zekerheid te lanceren, met als slagzin ‘De sociale zekerheid is er voor u’.

GEPERCIPIEERDE GEVOLGEN IN BELGIË EN EUROPA

In deze bijdrage gaan wij na hoe Belgische en Europese burgers de economische, morele en sociale gevolgen van de welvaartsstaat percipiëren.5 Vertaalt de nadrukkelijke aandacht voor economische en morele consequenties in het publieke debat zich ook in de publieke opinie? Deze vraagstelling is van groot belang: de legitimiteit van de welvaartsstaat is ernstig bedreigd indien burgers weinig oog hebben voor positieve sociale effecten, en vooral percipiëren dat de welvaartsstaat negatieve bijeffecten produceert.

Deze vragen kunnen empirisch beantwoord worden met behulp van data van het European Social Survey (ESS). Het ESS is een tweejaarlijks, academisch survey waaraan ondertussen een 30-tal Europese landen deelnemen. De onderzoekspopulatie bestaat uit toevallig geselecteerde inwoners van 15 jaar en ouder.6 De vierde ronde (2008) van het ESS bevat acht verschillende survey items die peilen naar percepties over de gevolgen van de welvaartsstaat. Aan de respondenten werd gevraagd aan te geven in welke mate ze akkoord gaan met stellingen over de effecten van de welvaartsstaat. Hierbij werd gebruik gemaakt van een 5-punten schaal (gaande van ‘helemaal eens’ tot ‘helemaal oneens’). Tabel 1 geeft de exacte vraagverwoording weer, alsook het percentage Belgen, Vlamingen en Walen dat aangeeft eens of helemaal eens te zijn met de stellingen. (Brussel werd niet als aparte regio geanalyseerd wegens de relatief kleine steekproefgrootte)

Tabel 1. Vraagverwoording en percentage instemming voor de items m.b.t. de gepercipieerde gevolgen van de welvaartsstaat.

Uit Tabel 1 blijkt dat de items betreffende de positieve sociale gevolgen van de welvaartsstaat op grote instemming kunnen rekenen. Telkens zowat 70% van de Belgische onderzoekspopulatie is van oordeel dat sociale voorzieningen armoede voorkomen, tot een meer gelijke samenleving leiden en de combinatie van werk en gezin eenvoudiger maken. Stellingen die refereren aan (negatieve) morele en economische consequenties kunnen op opvallend minder goedkeuring rekenen. Een (weliswaar omvangrijke) minderheid van om en bij de 40% percipieert dat sociale zekerheid de economie belast, mensen lui maakt en verantwoordelijkheidszin en zorgbereidheid hypothekeert. Van alle items refererend aan negatieve consequenties krijgt enkel de stelling dat sociale voorzieningen de bedrijven te veel kosten aan belastingen steun van een meerderheid van de Belgen (56%). Uit een vergelijking met de andere Europese landen blijkt deze gevoeligheid voor belastingsdruk eerder specifiek is voor de Belgische publieke opinie.

In Vlaanderen en Wallonië leven nagenoeg dezelfde opvattingen over de sociale en economische effecten van de welvaartsstaat. Op dit vlak is er helemaal geen sprake van een uiteenlopende Vlaamse en Waalse publieke opinie. Het enige noemenswaardige verschil is dat Vlamingen iets vaker de gunstige effecten voor de combinatie werk-gezin weten te appreciëren. Wat betreft de morele consequenties van de welvaartsstaat bestaan meer uitgesproken regionale verschillen. Walen maken zich opvallend meer dan Vlamingen zorgen over eventuele morele gevolgen van sociaal beleid.

In de meeste Europese landen vinden we een soortgelijk patroon terug. Figuur 1 geeft gemiddelde scores weer op de drie dimensies (gepercipieerde sociale, morele en economische gevolgen) voor 25 ESS-landen (schaal van 1 tot 5). In 22 van de 25 landen ligt de gemiddelde score op gepercipieerde sociale consequenties boven het middenpunt van de schaal (namelijk 3). Percepties van de negatieve economische en morele gevolgen zijn beduidend minder sterk: gemiddelden boven het schaalmidden zijn slechts te vinden in respectievelijk 12 en 9 landen. Dat positieve percepties de bovenhand halen wordt ook weerspiegeld in de balansvariabele (dit is de score op positieve sociale consequenties min het gemiddelde van de negatieve en economische gevolgen). In zowat alle landen is de balansvariabele positief, wat erop wijst dat sociale consequenties van de welvaartstaat in de publieke perceptie sterker doorwegen dan negatieve gevolgen.

Figuur 1. Gemiddelde perceptie van sociale, economische en morele gevolgen van de welvaartsstaat - 25 Europese landen

Noot: De figuur geeft de landengemiddelden weer op de gepercipieerde economische, morele en sociale consequenties (schaal van 1 tot 5), alsook de algemene balans van de positieve sociale gevolgen min het gemiddelde van de negatieve economische en morele gevolgen. De landen zijn gerangschikt van hoog naar laag op de algemene balans variabele. CY: Cyprus, GR: Griekenland, FI: Finland, SE: Zweden, DK: Denemarken, NO: Noorwegen, EE: Estland, NL: Nederland, BE: België, CH: Zwitserland, ES: Spanje, TR: Turkije, DE: Duitsland, LV: Letland, PT: Portugal, SI: Slovenië, FR: Frankrijk, HR: Kroatië, CZ: Tsjechië, RO: Roemenië, PL: Polen, BG: Bulgarije, UK: Groot-Brittannië., SK: Slowakije, HU: Hongarije.

Naast gelijkenissen vinden we ook enkele verschillen terug tussen de Europese landen. In de Scandinavische landen en Nederland, maar ook in Cyprus, Griekenland en Estland is de balansvariabele opvallend sterk positief (groter dan 0.5). In deze landen zijn percepties van sociale gevolgen gevoelig sterker dan percepties dat de welvaartsstaat negatieve neveneffecten heeft. De reden waarom ook enkele minder ontwikkelde welvaartsstaten hoog scoren is dat de bevolking van deze landen de morele gevolgen van de welvaartsstaat lager inschat dan de meer ontwikkelde landen. In drie landen, namelijk het Verenigd Koninkrijk, Slowakije en (vooral) Hongarije, wegen de gepercipieerde positieve sociale gevolgen niet op tegen de negatieve.

NAAR EEN VERKLARING VOOR GEPERCIPIEERDE GEVOLGEN

De hierboven gepresenteerde gemiddelden per land verbergen dat binnen landen heel wat diversiteit bestaat in opvattingen over de gevolgen van de welvaartsstaat. Een belangrijke vraag is dan ook hoe verschillen in percepties - zowel tussen individuen als tussen landen - verklaard kunnen worden. Deze onderzoeksvraag hebben wij proberen te beantwoorden aan de hand van een multilevel analyse van de ESS data (van Oorschot, Reeskens & Meuleman, in druk). Deze paragraaf vat de voornaamste bevindingen samen.

Individuen die overtuigd zijn van de positieve sociale effecten van de welvaartsstaat, en individuen die vooral oog hebben voor economische en morele neveneffecten hebben een sterk uiteenlopend profiel. Percepties van negatieve gevolgen blijken samen te gaan met een laag opleidingsniveau, geen of slechts in gering gebruik van sociale uitkeringen, een rechtse politieke positie, niet-egalitaire en autoritaire opvattingen en negatieve beeldvorming over uitkeringstrekkers. Het profiel van een persoon die een sterke perceptie heeft van de positieve sociale effecten is iemand die uitkeringen ontvangt, tevreden is over de persoonlijke inkomenssituatie, er een politiek linkse oriëntatie en egalitaire instelling op na houdt, vertrouwen heeft in de overheid en positief staat tegenover overheidsingrijpen in het algemeen. Kortom, meningsverschillen over de gevolgen van de welvaartsstaat blijken grotendeels georganiseerd te zijn rond de kloof tussen een conservatieve versus progressieve kijk op de samenleving.

Naast deze individuele factoren heeft ook de nationale context een impact op percepties. Vooral de omvang van de welvaartsstaat lijkt een invloed te hebben op percepties van zowel negatieve economische en morele, als positieve sociale gevolgen. In landen die meer uitgebreide sociale voorzieningen hebben, nemen burgers sterker waar dat de welvaartsstaat een meer egalitaire samenleving creëert, armoede voorkomt en de combinatie van werk en gezin gemakkelijker maakt. Tegelijkertijd worden individuen in deze omvangrijke welvaartsstaten ook gevoeliger voor mogelijke negatieve gevolgen. Echter, het effect van de generositeit van de welvaartsstaat is groter op de positieve sociale dan op de negatieve morele en economische gevolgen.

IMPLICATIES VAN DEZE STUDIE

De voornaamste boodschap van deze bijdrage is dat de Belgische bevolking in sterke mate aandacht heeft voor de positieve effecten van sociale bescherming. Percepties van economische en morele neveneffecten zijn beduidend zwakker. De publieke opinie lijkt het maatschappelijke debat, dat gedomineerd wordt door welvaartsstaatkritiek, dus niet te weerspiegelen.

Deze bevindingen hebben enkele implicaties voor het debat rond de architectuur van ons sociaal model. Ten eerste moet de stelling dat de legitimiteit van de welvaartsstaat in een ernstige crisis verkeert - een stelling die ook Patrick Janssens verdedigt (Janssens, 2011, p. 8) - genuanceerd worden. De idee van een legitimiteitscrisis circuleert al sinds de jaren 1970. Nochtans toont herhaaldelijk empirisch onderzoek een constante en sterke publieke steun voor sociale voorzieningen aan (van Oorschot, 2000). Een zogenaamd krimpend draagvlak kan dan ook geen argument zijn bij het hertekenen van sociaal beleid.

Hiermee willen wij uiteraard niet suggereren dat de publieke legitimiteit van de welvaartsstaat perfect of onaantastbaar is. Politici, opiniemakers en mensen uit het middenveld die de sociale zekerheid een warm hart toedragen hebben hier dan ook best voortdurend aandacht voor. Vaker benadrukken dat sociale zekerheid broodnodige bescherming biedt tegen allerhande sociale risico’s kan wellicht helpen om de legitimiteit op peil te houden of zelfs te versterken. Tegelijk bestaat er ruimte om in te gaan tegen het voortdurend benadrukken van negatieve gevolgen. Een meerderheid van de burgers lijkt deze boodschap alvast te onderschrijven.

Tot slot valt te onthouden dat de uitbouw van een sterke sociale zekerheid wellicht de beste garantie biedt voor een stevig draagvlak. Onze analyses tonen immers dat de omvang van de welvaartsstaat een sterker effect heeft op positieve dan op negatieve percepties. Hogere sociale uitgaven hebben m.a.w. een positief netto-effect op de legitimiteit van de welvaartsstaat.

Bart Meuleman - Docent Sociologie, KU Leuven
Tim Reeskens - Post-doctoraal onderzoeker, KU Leuven
Wim van Oorschot - Hoogleraar Sociologie, Universiteit Tilburg

Referenties
- Arber S., & Attias-Donfut C. (Eds.). (2000). The myth of generational conflict: The family and state in ageing society. London: Routledge.
- Atkinson A. B. (1995). The welfare state and economic performance. London: London School of Economics.
- Barr N. (1992). Economic theory and the welfare state: a survey and interpretation. Journal of Economic Literature, 30(2), pp. 741-803.
- Bird E. (2001). Does the welfare state induce risk-taking? Journal of Public Economics, 80(3), pp. 357-383.
- Dalrymple T. (2004). Leven aan de onderkant. Het systeem dat de onderklasse instandhoudt. Antwerpen: Spectrum.
- Esser I. (2005). Why work? Comparative studies on welfare regimes and individuals’ work orientation. Thesis, Swedish Instititute for Social Research SOFI, Stockholm University.
- Etzioni A. (1995). The spirit of community. London: Fontana Books.
- Gallie D., & Alm S. (2000). Unemployment, gender and attitudes to work. In D. Gallie & S. Paugam (Eds.), Welfare regimes and the experience of enemployment in Europe (pp. 109-133). Oxford: Oxford University Press.
- Janssens P. (2011). Voor wat hoort wat. Naar een nieuw sociaal contract. Antwerpen: De Bezige Bij.
- Knijn T., & Komter A. (Eds.). (2004). Solidarity between the sexes and the generations. Cheltenham: Edward Elgar.
- Kohli M. (1999). Private and public transfers between generations: linking the family and the state. European Societies, 1(1), pp. 81-104.
- Lindbeck A. (1995). Welfare state disincentives with endogenous habits and norms. Scandinavian Journal of Economics(97), pp. 477-494.
- Murray C. (1984). Losing Ground: American Social Policy 1950-1980. New York: Basic Books.
- van Oorschot W. (2000). Why pay for welfare? A sociological analysis of reasons for welfare solidarity. The Netherlands’ Journal of Social Sciences 36(1), pp. 15-36.
- van Oorschot W. (2006). Making the difference in social Europe: deservingness perceptions among citizens of European welfare states. Journal of European Social Policy, 16(1), pp. 23-42.
- van Oorschot W., Reeskens T. & Meuleman B. (in druk). Popular perceptions of welfare consequences. A multi-level, cross-national analysis of 25 European countries. Journal of European Social Policy.

Noten
1/ In een persbericht van 24/08/2011 stelt Stevens: ‘De uitspraken van De Gucht waren lomp verwoord, maar daarom niet volledig onwaar. Uit cijfers van de FOD Sociale Zekerheid blijkt immers dat er maar liefst 50 procent meer personen met een handicap zijn in Wallonië dan in Vlaanderen. Dat men in Wallonië de weg naar de Sociale Zekerheid veel gemakkelijker vindt dan elders, is gewoon een objectief feit.’ In een reactie wees Jean-Marc Delizée er echter op dat de 65-plussers niet meegerekend worden in de cijfers van Stevens. Indien deze groep wel in rekening wordt gebracht, blijkt er niet langer een verschil tussen Vlaanderen en Wallonië te bestaan.
2/ Deze redenering vinden we ook terug in Patrick Janssens’ recente boek ‘Voor wat hoort wat. Naar een nieuw sociaal contract’ (Janssens, 2011, p. 9).
3/ Volgend citaat uit Janssens (2011) illustreert deze stelling: ‘De twijfels over de financiële draagkracht van ons systeem, gekoppeld aan het krimpend draagvlak voor solidariteit en de voortdurende sociale problemen vormen een grote bedreiging. Willen we die afwenden, dan moeten we er eerst en vooral voor zorgen dat elke euro juist besteed wordt en tot resultaten leidt. Dat kan alleen als ieder van ons zijn verantwoordelijkheid neemt. We moeten als samenleving verder durven investeren in sociaal beleid, maar diegenen die daar de vruchten van plukken (en dat zijn we allemaal op een of andere manier) moeten ook hun verantwoordelijkheid opnemen.’ (p. 9).
4/ Indicatoren van het Centrum voor Sociaal Beleid tonen dat sociale transfers het armoederisico in België wisten terug te dringen van 27% naar 14,7% in 2008.(Bron: http://www.centrumvoorsociaalbeleid.be/indicatoren/index.php?q=node/203)
5/ Een andere belangrijke onderzoeksvraag is uiteraard in welke mate de vermeende economische en morele neveneffecten van de welvaartsstaat zich ook daadwerkelijk voordoen. Opvallend genoeg is hier niet bijzonder veel onderzoek naar verricht. De bestaande empirische studies komen doorgaans tot veel minder alarmerende conclusies dan critici van de welvaartsstaat veronderstellen. Zo blijken landen met hoge sociale uitgaven bijvoorbeeld net meer i.p.v. minder risicokapitaal aan te trekken (Bird, 2001). Er is geen bewijs dat genereuze werkloosheidsuitkeringen tot een langere periodes van werkloosheid leiden (Atkinson, 1995) of de werkethiek corrumperen (Barr, 1992; Gallie & Alm, 2000; Esser, 2005). Informele zorg binnen de familie en intergenerationele solidariteit erodeert niet onder invloed van sociale voorzieningen (Kohli, 1999; Arber & Attias-Donfut, 2000; Knijn & Komter, 2004).
6/ Volgende site bevat meer gedetailleerde informatie het ESS en de wijze waarop het veldwerk werd uitgevoerd: http://www.europeansocialsurvey.org/. De data kan worden gedownload via http://ess.nsd.uib.no/.

welvaartsstaat - sociale zekerheid - links

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 8 (oktober), pagina 78 tot 85