Log in

Van stemmen naar praten: het ideaal van de deliberatieve democratie

Recent deed de theorie van de deliberatieve democratie haar intrede in het debat over het functioneren van de politiek. Dit nieuwe model stelt voor om de deliberatie over politieke thema’s niet enkel aan verkozen politici toe te vertrouwen, maar ook aan gewone burgers. Deliberatie als democratisch experiment bleef echter voornamelijk een academische kwestie, maar de sterke groei van de deliberatieve praktijk wakkerde ook het publieke debat aan rond de betrokkenheid van burgers bij de politieke besluitvorming. In deze bijdrage proberen we de idee van de deliberatieve democratie te contextualiseren. Eerst kijken we naar het politieke klimaat waarin het ontstond. Vervolgens bespreken we wat democratische deliberatie eigenlijk is, en doen we ook haar voor- en nadelen uit de doeken. Ten slotte gaan we dieper in op de vraag of dit nieuwe democratische model in staat is om een democratisch antwoord te bieden aan zelfs de diepste maatschappelijke conflicten.

EEN VRUCHTBAAR POLITIEK KLIMAAT

Om het ontstaan van het deliberatieve model van democratie te schetsen moeten we terugkeren naar het West-Europa van de jaren 1990. Op dat moment was West-Europa in de ban van de crisis van de representatieve democratie. Het overheidsapparaat, zo klonk het toen, beantwoordde niet langer aan de noden van een moderne democratie, en de afstand tussen vertegenwoordiger en vertegenwoordigde was nog nooit zo groot.
In alle West-Europese landen werd daarenboven gewag gemaakt van een zekere publieke apathie die zich op grote schaal manifesteerde: de volatiliteit onder het electoraat werd steeds groter, de participatie aan het middenveld daalde sterk, en vanuit de Verenigde Staten kwamen berichten overwaaien als zou het vertrouwen van de burger in de politieke instellingen op een historisch dieptepunt zitten. Dit grote ongenoegen over de werking van de democratie tastte de fundamenten van het politieke systeem aan.

Ook in België liet de roep om democratische innovatie zich steeds nadrukkelijker voelen. Na Zwarte Zondag kwam het discours van politieke vernieuwing in een stroomversnelling terecht. De sterke electorale score van partijen die zich expliciet richtten op de politiek wantrouwige kiezer bleek een sterke katalysator voor de innesteling van de gedachte dat de representatieve democratie in ademnood verkeerde.

Na de eclatante verkiezingsoverwinning van het extreemrechtse Vlaams Blok en het links-libertaire ROSSEM, maakte verstomming al snel plaats voor de vraag waarom de kiezer zich tot zulke proteststemmen had gewend. Daarbij werd gretig teruggegrepen naar de Burgermanifesten van Guy Verhofstadt, waarin hij een - bijna profetische - analyse maakte van het zieke politieke systeem.

Centraal in Verhofstadts analyse stond de kloof tussen burger en politiek. De burger wou zelf keuzes maken over alle aspecten van zijn eigen levensloop, en daarom ook zelf zijn politiek lot bepalen. Daar wrong nu net het schoentje want ‘[o]p wat franjes na, komt de burger er niet echt aan te pas, tenzij hij bij wijze van uitzondering deel uitmaakt van het raderwerk, van een kamwiel in het grote horloge’.1 Het oude politieke bedrijf beantwoordde niet langer aan de verwachtingen van de burger, en moest daarom heruitgevonden worden.
Verhofstadt fulmineerde hierbij tegen de zuilen die het maatschappelijke debat monopoliseren, en de vertegenwoordigende relaties ontwrichten: ‘De politiek zit [...] opgesloten in de kluizen van de drukkingsgroepen, de corporaties en comités die met hun grote invloed niet te koop lopen’ (Verhofstadt 1994, p. 21).2 Deze oligarchie van de werkelijke machtshebbers lag aan de basis van een moeilijk overbrugbare kloof met de burger.
Het heil moest dan ook komen van mechanismen die de betrokkenheid van burgers aan het politieke leven versterkte. Een democratie gekenmerkt door de toegenomen participatie van individuele burgers vormde het ideaal, waarbij bindende referenda en de afschaffing van de stemplicht de remedies bij uitstek vormden voor het gesloten karakter van de Belgische besluitvorming. Maar ook de politieke partijen zelf voerden talrijke maatregelen door die hun interne democratie moesten versterken, zoals de rechtstreekse verkiezing van de partijvoorzitters. Al deze maatregelen hadden tot doel om de verstoorde vertegenwoordigende relaties te normaliseren.
Naast zijn kritiek op de inputzijde van het politieke systeem, nam Verhofstadt echter ook de bestuurskant op de korrel. De sterke verdeeldheid van het partijpolitieke landschap leidde immers tot een versplintering van de macht. Dit maakte de vorming van grote coalities noodzakelijk, maar zulke coalities misten de bestuurskracht om snel en effectief op maatschappelijke problemen te reageren. Ook de Dutroux-affaire en de talrijke corruptieschandalen maakten op pijnlijke wijze duidelijk dat de overheid er niet in slaagde om te besturen op een manier die responsief was t.a.v. de problemen waar de burger mee kampte.

DE ‘DELIBERATIEVE WENDING’

De diagnose van de zieke democratie, die in de jaren 1990 in het publieke debat doorheen alle West-Europese landen kwam bovendrijven, bood een vruchtbare voedingsbodem voor de zoektocht naar alternatieve vormen van democratisch bestuur. De meeste remedies waren echter oude wijn in nieuwe zakken en grepen terug naar ideeën die al meerdere decennia rondzwierven in het debat, zoals het invoeren van referenda.

In dezelfde turbulente periode ontwikkelde zich echter ook een internationale onderzoeksgemeenschap van politiek filosofen die inspiratie zochten in het werk van Jürgen Habermas. Wat deze filosofen verenigde was de overtuiging dat politiek meer is dan louter stemmen. Democratische beslissingen hangen, vanuit een deliberatief oogpunt, niet af van het optellen van individuele voorkeuren; ze moeten daarentegen gevoed worden door de publieke discussie die aan het stemmen voorafgaat.
Dit nieuwe model stelt zich m.a.w. vragen bij de aggregatieve logica die de representatieve en directe democratie kenmerkt, en plaatst veeleer het praten over politieke thema’s op het voorplan. Voordat er echter sprake kan zijn van echte democratische deliberatie, moet dit praten voldoen aan de twee strikte criteria van de ‘ideale gesprekssituatie’. Enerzijds moet echte deliberatie inclusief zijn. Iedereen die onderworpen is aan een beslissing moet worden betrokken in het proces dat leidt tot die beslissing. Alle meningen - dus ook afwijkende meningen - moeten met gelijk respect behandeld worden. Anderzijds moet deliberatie rationeel zijn. Argumenten voor en tegen een bepaalde positie moeten op redelijke grond gerechtvaardigd worden, en ze moeten geformuleerd worden in termen die acceptabel zijn voor anderen. Dit betekent dat argumenten in een deliberatie niet louter de eigenbelangen van de sprekers mogen reflecteren maar moeten verwijzen naar het algemene goed. Een rationele discussie houdt echter ook in dat deelnemers aan deliberatie openstaan voor overtuiging: wanneer er overtuigende tegenargumenten geformuleerd worden, vereist het deliberatieve ideaal dat burgers toegeven aan ‘de dwangeloze dwang van het betere argument’.
In een dergelijk deliberatief systeem zijn politieke beslissingen niet het gevolg van harde machtspolitiek, wel van redelijke overtuigingskracht. Door met elkaar te praten, verwerven burgers inzicht in de redenen waarom anderen een bepaalde positie innemen, en door andere perspectieven op te nemen is het mogelijk om een politieke consensus te vinden waar iedereen zich achter kan scharen.

DELIBERATIEVE DEMOCRATIE EN DE KLOOF TUSSEN BURGER EN POLITIEK

Het deliberatieve ideaal stelt dus een politiek systeem voor dat gebaseerd is op praten, een systeem waarin niet machtspolitiek maar het wikken en wegen van redelijke argumenten leidt tot beslissingen. Vanuit normatief oogpunt is dit model zeer aantrekkelijk. Toch stelt zich de vraag of een democratie gebaseerd op deliberatie een afdoende antwoord kan bieden op de problemen waar de representatieve democratie mee kampt, zoals de kloof tussen burger en politiek.

Volgens deliberatieve democraten slaagt hun model er wel degelijk in om het politieke proces zowel aan de input- als de outputzijde op te waarderen. Aan de inputzijde heeft deliberatieve democratie een sterk voordeel in termen van legitimiteit. In haar ideaaltype wil deliberatieve democratie de burger immers rechtstreeks betrekken bij de besluitvorming over de thema’s die hem of haar direct aangaan. Iedereen die de gevolgen van beslissingen draagt, moet in een deliberatieve democratie immers inspraak krijgen in de besluitvorming, waardoor ook minderheden de uitkomsten van een deliberatief proces als legitiem beschouwen.

Naast de voordelen in termen van inputlegitimiteit, heeft democratische deliberatie ook epistemische merites. Eenvoudig gezegd komt dit erop neer dat besluitvorming volgens deliberatieve principes leidt tot kwalitatief betere resultaten. Om dit uit te leggen, moeten we een beroep doen op het zogenaamde ‘diversity trumps ability’-theorem.3 Dit principe stelt dat de kwaliteit van deliberatieve besluitvorming niet afhangt van de individuele competenties van de besluitvormers, maar wel van de diversiteit onder hen. Een grote maar zeer diverse groep van besluitvormers slaagt er dus beter in dan een kleine groep van experts om beslissingen te nemen die een positieve uitwerking hebben.
De reden hiervoor is dat beleidsbeslissingen altijd een verschillende impact hebben op verschillende groepen. Een homogene groep van technische experts beschikt immers slechts over een klein aantal perspectieven op de problemen die ze moeten oplossen. Daardoor kunnen ze onvoldoende rekening houden met de verschillende impact die maatregelen hebben op diverse groepen. De kans op zulke foute inschattingen neemt echter af naarmate de groep meer divers is omdat dan verschillende perspectieven op een probleem naar boven komen. Beslissingen genomen door inclusieve, respectvolle en rationele deliberatie genereren dan ook een output die beter aangepast is aan de maatschappelijke complexiteit.

DELIBERATIEVE DEMOCRATIE TUSSEN IDEAAL EN PRAKTIJK

Naast de meerwaarde die het deliberatieve ideaal genereert aan de input- en outputzijde van het politieke systeem, heeft het model ook enkele belangrijke nadelen. Eerst en vooral wordt ‘de ideale gesprekssituatie’ vaak beschouwd als een onrealistische en veeleisende standaard. Deliberatie over politieke thema’s zal immers nooit vrij zijn van dwang en macht, en de kracht van het betere argument zal vaak de strijd moeten aangaan met gevestigde belangen. Daardoor verwordt een deliberatieve democratie tot een utopisch ideaal eerder dan een werkbare formule voor het nemen van beslissingen.

Daarenboven zorgde de relatie tussen deliberatieve, representatieve en directe democratie voor controverse. Sceptici claimen dat een deliberatieve democratie onverzoenbaar is met een representatief systeem. Initieel was de theorie van deliberatieve democratie echter heel sterk gericht op de representatieve besluitvormingsarena’s, en beoogde zij de hervorming van de formele instellingen op een deliberatieve basis. Dat wil zeggen dat de machtspolitiek die in parlementen overheerste, moest worden vervangen door de politiek van het betere argument. Gaandeweg werd echter ook het belang van deliberatie in de ruimere publieke sfeer beklemtoond met als achterliggende idee dat parlementaire deliberatie maar vruchtbaar kan zijn als ze gevoed wordt vanuit een breder maatschappelijk debat. Deliberatie en representatie zijn dan ook niet wederzijds exclusief; ze vormen veeleer een aanvulling op elkaar en samen kunnen ze het beste van twee werelden aanbieden.
In dezelfde zin sluiten deliberatieve democraten het gebruik van direct democratische technieken niet a priori uit. Ze stellen echter wel een bijkomende voorwaarde: de toepassing van directe democratie moet geïnformeerd gebeuren. Referenda moeten gepaard gaan met een publiek debat dat aanzet tot kritische reflectie omdat stemmen pas nuttig is als het vooraf gegaan wordt door praten.

Ten derde wordt ook de schaal van moderne democratieën als een probleem beschouwd. In een relatief kleine Griekse stadstaat kan deliberatie tussen alle burgers werken, maar de gemiddelde westerse massademocratie stelt op zijn minst logistieke problemen voor het organiseren van publieke deliberatie. Dit heeft ertoe geleid dat deliberatieve besluitvorming vaak de vorm aanneemt van zogenaamde ‘mini-publics’ waarin een representatieve staal van de bevolking vertegenwoordigd is.

Ten slotte wordt democratische deliberatie, ondanks haar sterk egalitaire inslag, gekenmerkt door ongelijkheden. Deliberatieve capaciteiten, vaardigheden en kansen zijn immers ongelijk verdeeld over de bevolking. Niet iedereen beschikt over de vaardigheden om strikt rationele argumenten te begrijpen, om met rationele argumenten over complexe politieke thema’s te praten. Daardoor bestaat er een trade-off tussen de rationaliteit en de inclusiviteit van de deliberatie: hoe rationeler de discussie moet zijn, hoe minder burgers aan de vereisten kunnen voldoen.
De deliberatieve gelijkheid komt echter ook nog op een andere manier in het gedrang. Vele burgers voelen zich niet opgewassen tegen de taak om met wildvreemden te praten over een sterk gepolariseerd thema als politiek, en de vrees voor ridiculisering zorgt er voor dat ze hun mening achterhouden. Sommige mensen verkiezen dan ook om niet deel te nemen aan publieke deliberaties, en lopen zo het risico dat hun perspectief niet vertolkt wordt. De kritiek dat deliberatie als democratisch experiment te kampen heeft met een zelfselectiebias is dan ook niet onterecht, en dat heeft natuurlijk gevolgen voor de meerwaarde die deliberatie in de praktijk kan creëren.

Toch is het te gemakkelijk om het deliberatieve alternatief enkel om die reden naar de prullenmand te verwijzen. We moeten ons immers de vraag stellen in welke mate dit probleem van ongelijkheid specifiek is voor het deliberatieve model. We zouden in een stoutmoedige bui zelfs durven beweren dat deliberatieve evenementen de veelheid van perspectieven onder de bevolking vaak beter reflecteren dan dat het parlement dat doet. We kunnen de bijna volledige afwezigheid van laaggeschoolden of arbeiders in het parlement bijvoorbeeld toch moeilijk onder de mat schuiven.

DELIBERATIE EN CONFLICT: DE GRENZEN VAN EEN DEMOCRATISCH MODEL

Naast deze beperkingen van het deliberatieve model, die vaak inherent zijn aan elke vorm van democratie, kunnen we de bijkomende vraag stellen of al dat praten wel werkt wanneer een samenleving zo diep verdeeld is dat een consensus onder de elites al moeilijk blijkt. In samenlevingen zoals de Belgische is de politieke infrastructuur er immers op gericht om de kampen uit elkaar te houden, en om contact tussen de burgers van verschillende segmenten te vermijden. In zulke situaties wordt dan ook het uiterste gevraagd van het deliberatieve model.

De algemene teneur in de literatuur over dit onderwerp is ronduit negatief: deliberatie tussen tegengestelde groepen verwordt in het beste geval tot een hopeloos naast elkaar praten, en in het slechte geval ontaardt het in een scheldtirade. Wanneer je mensen van verschillende groepen samen zet om te praten over erg gepolariseerde thema’s, worden immers hun latente sociale identiteiten wakker geschud, en zijn er twee reacties mogelijk. Ofwel gaan ze de communicatie over de grenzen stopzetten, en enkel met leden van hun eigen groep praten, ofwel gaan ze een beroep doen op hun vooroordelen en stereotypen, en verwerpen ze de argumenten van de andere kant zonder meer.

Ondanks het pessimistische beeld dat theoretici ophangen, zijn er toch hoopvolle signalen dat deliberatie over diepe verdeeldheid toch kan werken. Twee experimenten springen daarbij in het oog. In Noord-Ierland werden Protestanten en Katholieken samengebracht in een Deliberative Poll om te delibereren over onderwijshervormingen. In een land waar de spanningen tussen de groepen vaak gewelddadige proporties aannamen, bleken Noord-Ierse ouders perfect in staat om creatieve en constructieve oplossingen te vinden over thema’s waar de politici al jaren mee worstelden. De meningen, voorkeuren en attituden van de deelnemers begonnen zich immers te transformeren doorheen het proces van deliberatie. Het eindresultaat was natuurlijk niet dat er een perfecte consensus ontstond waar iedereen zich in kon vinden, maar de tevredenheid over het proces en de uitkomsten werd over het algemeen erg hoog ingeschat.
Het andere experiment vond plaats in België in 2010. Tegen de achtergrond van erg moeilijke communautaire onderhandelingen en de val van de regering over Brussel-Halle-Vilvoorde, brachten we negen groepen van gewone burgers samen om te delibereren over ‘de toekomst van België’. Door de groepssamenstelling te laten variëren, wilden we nagaan wat er gebeurde met de kwaliteit van de interactie wanneer burgers van beide taalgroepen met elkaar geconfronteerd werden. Tegengesteld aan de theoretische verwachtingen vonden we dat de kwaliteit van de deliberatie hoger i.p.v. lager was in verdeelde groepen. Confrontatie met leden van de andere taalgroep zorgde voor een rationelere discussie; het opende de geesten en cultiveerde een attitude van respect die vaak ontbreekt tussen politici.

Daarmee willen we natuurlijk niet zeggen dat burgers in een diep verdeeld land zoals België de wapens volledig neerlegden, noch dat dat een wenselijk scenario zou zijn want een zekere mate van onenigheid vormt de basis van een levendige democratie. Maar ondanks de vaak pittige en gespannen discussies bleek wederzijds begrip tussen mensen met diametraal tegengestelde ideeën en voorkeuren toch mogelijk. Het deliberatieve model lijkt dan ook te werken onder minder ideale situaties. Het is relatief robuust, zelfs wanneer het met diepe tegenstellingen geconfronteerd wordt.

BESLUIT

Deliberatieve democratie ontstond onder een moeilijk maatschappelijk gesternte. Nooit eerder stond de burger zo kritisch tegenover alles wat politiek was, maar tegelijkertijd was de nood aan een democratisch alternatief voor elitepolitiek nooit zo groot. Toch kan het deliberatieve model goede kaarten voorleggen. Het slaagt er - theoretisch althans - in om een antwoord te bieden op de twee voornaamste problemen in het discours rond de kloof tussen burger en politiek. Deliberatieve besluitvorming vereist immers een veel grotere betrokkenheid van gewone burgers aan de inputzijde, en het leidt tot kwalitatief betere uitkomsten. Daarenboven lijkt het model haar beloften zelfs te kunnen waarmaken onder zeer moeilijke omstandigheden. Deliberatie in settings met een hoog conflictpotentieel hoeven immers niet noodzakelijk te ontaarden in nog diepere conflicten, maar kan net tot wederzijds begrip leiden.

Daarmee willen we natuurlijk niet zeggen dat democratische deliberatie, en de manier waarop ze vaak in de praktijk wordt gebracht, vrij is van gebreken. In zijn meest strikte vorm, eist het ideaal immers zeer veel inzet van burgers, zoveel zelfs dat sommige groepen uit de boot dreigen te vallen. Niettemin mogen we democratische innovaties zoals de G1000 niet a priori afschrijven, en moeten we erkennen dat ze een groot potentieel bevatten voor het betrekken van de burger bij de publieke zaak.

Didier Caluwaerts
Doctoraatstudent Politieke Wetenschappen (VUB) **
over ‘Deliberatieve democratie in verdeelde samenlevingen. **** Experimenten met democratische deliberatie in België.’**

Noten
1/ Verhofstadt, G. (1994), Angst, afgunst en het algemeen belang. Antwerpen: Hadewijch, p. 19.
2/ Verhofstadt, G. (1994), Ibid., p. 21.
3/ Page, S.E. (2007), The Difference: How the Power of Diversity Creates Better Groups, Firms, Schools and Societies. Princeton: Princeton University Press.

deliberatieve democratie - democratie - G1000

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 9 (november), pagina 79 tot 85