Abonneer Log in

Links en het Vlaams-nationalisme: buren vol argwaan

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 10 (december), pagina 15 tot 20

Mijn vriend en collega Bruno De Wever heeft mij behoorlijk op stang gejaagd met zijn artikel ‘Links en het Vlaams-nationalisme: Living Apart Together’ (Samenleving en politiek, jaargang 18, nr.8, oktober 2011). Het thema interesseert me in hoge mate en meer dan eens heb ik al gepleit voor een grotere en vooral meer duidelijke positionering van de Vlaamse socialistische beweging (ruimer dus dan de politieke formatie sp.a) voor de Vlaamse Beweging, het Vlaams nationalisme en het Vlaams-nationalisme, drie verwante maar geen identieke begrippen. Ik dacht en hoopte bij Bruno steun en nieuwe inspiratie te vinden. Misschien komt dit nog, maar eerst moet ik met hem een flinke pennentwist uitklaren.

LIVING APART (TOGETHER?)

Met de kort door de bocht analyse van Bruno over de latrelatie tussen Links en het Vlaams-nationalisme (de variant met het koppelteken tussen Vlaams en nationalisme) ben ik het ten gronde oneens. Het gaat over dezelfde aard van oneens zijn als deze van mijn zeer kritische houding tegenover de Gravensteengroep. Ja, Bruno heeft gelijk met te stellen dat nationalisme en natievorming an sich geen rechts concept is, maar in de concrete en historische gestalte van het Vlaams-nationalisme en zijn onomwonden finaliteit, het separatisme, kan er wat mij betreft geen sprake zijn van een latrelatie. Het woord staat in de Grote Van Dale: het gaat om partners, die hun bed en veel andere dingen innig delen, maar wel en minstens de zelfstandigheid van elk een eigen huis willen behouden. Voor mij is zo’n partnerschap ondenkbaar en dit is zowel een ideologische belijdenis als een pragmatische politieke houding. Het Vlaams-nationalisme heeft in een nog vroege fase van zijn ontwikkeling, vanaf de late jaren 1920, een genetische mutatie ondergaan. Het dominante D.N.A. werd rechts radicaal en de overblijvende linkse componenten trokken er uit of geraakten besmet. Na de oorlogstragedie 1940-1945 kon men van 1954 (stichting van de Volksunie) tot 1977 (Egmontpact) - moeizaam - hopen dat een breder gedragen visie op Vlaams nationalisme (zonder koppelteken) mogelijk zou worden. De krachtige en pertinente analyse van Harry Van Velthoven (zie Waarheen met België? - pp. 4-14) toont aan hoe deze hoop van de eerste naar de zesde staatshervorming steeds meer gehypothekeerd werd/wordt. Zwaar gehypothekeerd, ja, maar toch is het licht niet helemaal gedoofd. Het oude debat over links en Vlaams moet in deze lichtbron nieuwe inspiratie zoeken.

ZONNIGE AUTOSTRADE OF MISTIGE KRONKELWEG?

Vooraleer daar verder op in te gaan wil ik duidelijk maken waarom Bruno’s analyse over die latrelatie tussen Links en het Vlaams-nationalisme mij zo op de kast heeft gejaagd. De climax van de ergernis zit in zijn besluit dat ik hier letterlijk herhaal: ‘Met een anti-Belgisch en centrumrechts programma bekoorde de N-VA in 2010 bijna 30% van de Vlaamse kiezers. Telt men daar het resultaat van het VB bij, dan kiezen meer dan 40% van de Vlamingen voor het separatisme terwijl de Vlaamse sociaaldemocraten nooit minder stemmen haalden. De sp.a staat op een kruispunt. Accepteert ze de Vlaamse natievorming en kiest ze voluit voor de Vlaamse staatsvorming met een links programma? Of wordt ze de vaandeldrager van de wederopbouw van de Belgische samenhorigheid? Dat laatste belooft een lange en moeizame weg te worden.’ (Samenleving en politiek, 18, nr.8, oktober 2011, p.12) Dit besluit zit vol van vraagtekens. Na een politieke rekenfout plaatst Bruno de sp.a op een wegscheiding. Op de ene, brede weg gaat de sp.a met een links programma naar de Vlaamse natievorming. Op de andere, lange en moeizame weg is de sp.a vaandeldrager van de Belgische ‘wederopbouw’. Die keuze tussen een zonnige autostrade en een mistige kronkelweg heeft Bruno uitgetekend na een interessante maar te reductionistische analyse, vertrekkend van het theoretische model van de Tsjechische historicus Miroslav Hroch. Zoals Bruno dit model interpreteert bestond er in het historische proces meteen een Vlaamse natie, die echter een ‘kleine natie’ was binnen het territorium van een ‘grote en dominante Belgische natie’. De Vlaamse Beweging werd daarin drager van de Vlaamse natievorming. Reikwijdte en impact ervan was in belangrijke mate afhankelijk van de participatie van de arbeidersbeweging. Die participatie kwam er niet door de slechte timing waarin de kleine Vlaamse natie zich ontwikkelde. Tot zover het discours van Bruno. Ook daar zou ik graag verder over debatteren, maar de kolommen van Sampol zijn er niet voor een debat onder historici. Terug dus naar dat ergerniswekkende besluit.

Er is eerst die rekenfout: 40% van de Vlamingen zijn voor het separatisme, beweert Bruno. Het is een eenvoudige samentelling van de verkiezingsresultaten van de N-VA en het Vlaams Belang (VB). Dit is een merkwaardige conclusie. Zelfs de partijleiders van N-VA en VB weten dat niet al hun kiezers achter hun separatistisch einddoel staan. Alle sociologische onderzoeken zeggen hetzelfde. Het electorale succes van N-VA en VB heeft veel andere oorzaken en het is onbetwijfelbaar dat de zeer divers samengestelde kiezersmassa om veel andere motieven stemde dan voor het separatistische motief. Vanzelfsprekend is iedereen in meer of mindere mate beïnvloed door het steeds hopelozer klinkende verdriet van België, maar het blijft vooralsnog een minderheid die zegt ‘België splitsen en opdoeken, nu, onmiddellijk’. En zelfs die minderheid heeft geen coherent verhaal want er is geen grote dosis redelijk inzicht nodig om te beseffen dat het nu, onmiddellijk, onuitvoerbaar is.
Wie van de N-VA- en VB-kiezers atavistisch uit Vlaams-nationale motieven stemt is nog steeds een minderheid. Die minderheid zijn leidende kaders, militanten en een deeltje van kiezers. Zij zijn nu wel gescheiden door enerzijds puur rechts radicale en anderzijds democratische en centrumrechtse uitgangspunten, maar in de achterban blijven er veel communicerende vaten werkzaam. En dit speelt ook mee in de electorale aantrekkingskracht. Het N-VA-vat wordt groter en voller, wellicht dankzij het verbluffend grote politieke talent van Bart De Wever, maar ook dankzij het politieke klimaat in ons land en in gans Europa. Meer en meer burgers vinden dat ons politiek systeem niet meer deugt en dat de politiekers machteloze knoeiers zijn die meer aan hun eigen profijt dan aan het algemeen burgerprofijt denken. Tegenover zo veel verstorende factoren en ervaringen zijn dus eenvoudige antwoorden en duidelijke vijandbeelden zeer aanlokkelijk. En vermits wij in België sinds 40 jaar (sinds de eerste staatshervorming in 1970) in stijgende en wellicht niet meer omkeerbare mate twee gescheiden publieke opinies hebben zien groeien, bieden N-VA en VB in deze zowel algemene als specifieke maatschappelijke ruimte blijkbaar wel eenvoudige antwoorden en duidelijke vijandbeelden.

LINKS IN/EN VLAANDEREN

De Vlaamse sociaaldemocraten (zijnde de huidige sp.a en een breder te vormen front) heeft geen enkel belang om met deze exponenten van het Vlaams-nationalisme een latrelatie aan te gaan. Het zijn hooguit buren waarmee we in een democratische samenleving niet op de vuist willen gaan maar we zullen elkaar met grote argwaan bejegenen. Wel moeten we beter en met aandacht onderzoeken waarom er bij hen zo veel (kiezers)volk binnen loopt en hoe lang dat nog gaat duren. Ik vermijd daarbij de te simpele verklaring van populisme en verwijs verder naar de helaas nog niet barende berg van onderzoek over de crisis van de sociaaldemocratie.

Het gaat in dit artikel uitsluitend over Links in Vlaanderen, maar wel in een bredere context dan het reductionistisch verhaal van Bruno. Ik besef dat men hem gevraagd had een kort exposé te schrijven, maar zoals het er nu staat is het besluit te eendimensionaal en is de analyse correct, maar ze bevat onvoldoende ingrediënten. Een aantal essentiële woorden komen helemaal niet voor in zijn exposé: Brussel, Europa, Nederland, neerlandofonie versus francofonie in binnenland en in Europa. Hoog boven een te verwerpen latrelatie met het Vlaams-nationalisme moet Links in Vlaanderen helder en duidelijk een invulling vinden voor deze woorden. Dit is de eerste opdracht en ik doe een poging om ze zeer beknopt in te vullen.

Eerst Brussel. Zoals destijds de Antwerpse socialist en burgemeester Lode Craeybeckx zei: ‘We mogen Brussel niet loslaten’. We moeten een positieve bijdrage leveren tot een sterker Brussel in Vlaamse, Europese en internationale context. We moeten er als Vlaming cultureel, sociaal en educatief aanwezig blijven. We zullen echter Brussel en de Brusselse rand niet kunnen vervlaamsen, tenzij misschien in een niet offensief perspectief van meerdere generaties, maar dit is nu een politiek verstorende wensdroom. Nederlandssprekenden zijn er een minderheid maar in een Brussel dat nu nagenoeg een volwaardig gewest is geworden, moeten zij wel een volwaardige plaats in de instellingen behouden. Ik verwijs hier een tweede maal naar het artikel van Harry Van Velthoven dat zeer duidelijk de positie van Brussel in een confederaal België uittekent. Het is hapklare inspiratie voor de Vlaamse socialisten. Het is ook een helder signaal naar de Franssprekenden, die best zo snel mogelijk hun concept van een ‘Fédération Wallonie-Bruxelles’ verlaten. Dat is pas gevaarlijk België-Breek-Maar-spel.

We hebben politiek en sociaal een sterker Europa nodig. Een sterk Vlaanderen in een confederaal België heeft een politiek sterk en sturend Europa nodig voor alles wat wij binnen onze eigen grenzen alleen niet aankunnen, in de eerste plaats de arbeidsmigratie en de financiële markten en machten. Eurofobie is goedkoop en aantrekkelijk voer voor het populistisch discours, maar de Vlaamse socialisten moeten krachtig en precies van de onmisbaarheid van een politiek sterk Europa hun politiek credo maken.

Nederland en de Vlaams-Nederlandse samenwerking moet voor een Vlaams socialist in de prioriteitenlijst komen. Hollandersmoppen kunnen aanstekelijk grappig zijn en de vertolking zijn van een grote kloof tussen de publieke opinies van Vlaanderen en Nederland, maar dit maskeert de urgentie en de voordelen van een sterkere samenwerking. De langste grens van Knokke-Breskens tot Maaseik-Maastricht en de Rijn-Scheldedelta bieden talloze opportuniteiten voor versterking van één van de rijkste regio’s in de wereldeconomie. Bovenal echter versterkt een groot deel gemeenschappelijke geschiedenis en vooral een gemeenschappelijke taal onze positie in Europa en zelfs daar buiten.

Een krachtige gemeenschappelijke politiek om de neerlandofonie cultureel en educatief te promoten is ook politiek en economisch geld waard. En het zal vooral meer gezag en prestige opleveren dan in taalgrensgemeenten te gaan vendelzwaaien en Vlaamse liederen te brullen. Het probleem van de afstand/tegenstelling tussen Links en Vlaamse Beweging vindt ook hier een stuk verklaring. Noch voor de Vlaams-Nederlandse samenwerking, noch voor de potenties van de neerlandofonie heeft het Vlaams socialisme sinds August Vermeylen veel aandacht gehad. Ik voel me op dit terrein vaak te eenzaam.

Het woord is in mijn repliek al twee keer gevallen: Belgisch confederalisme. Links in Vlaanderen moet de kiezer duidelijk maken wat daarmee bedoeld wordt, wat daarvan de voordelen zijn, wat het in creatief en toekomstgericht perspectief betekent tegenover het populistische schietgebed ‘Verlos ons van de luie en op Vlaams geld terende Waal’. Confederalisme betekent dat op alle beleidsterreinen waar het mogelijk nuttig, nodig en lonend is de samenstellende delen volle en volkomen staatsbevoegdheid krijgen, maar dat er voor wat rest ook een sterk, herkenbaar, erkend en werkbaar centrum blijft dat wij en het buitenland kennen en benoemen als België. Het oude België was kwetsend voor de Vlaming. en zijn taal. Het nieuwe België is voor de Vlaming, de Waal, de Brusselaar en de Duitstalige Belg een nuttig instrument. Het is hun instrument, van elk van hun. Het is een plek met weinig en gezagsvolle bevoegdheden waar geen plaats meer is voor de oude wafelijzerpolitiek. In die zin blijft het lonend na te denken over de voordelen van een beperkte confederale kieskring.

DE VLAAMSE SOCIALIST IS BELG, MAAR IN HEM IS BELGIË NOOIT GEBOREN

Dit heeft niets met Belgicisme te maken. België is een constructie uit 1830. Vlaanderen is een constructie uit dat België. Ik denk hier aan een gedicht van de Limburger Leonard Nolens. Het heet Plaats en datum. Hij schreef het in 1986 en hij heeft er een deel van herhaald in het gedicht De Krantencommentaren (uit de bundel Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen, Amsterdam, Querido, 2011):

Ik ben in België geboren, ik ben Belg.
Maar België is nooit geboren in mij.

Ik ben in Vlaanderen geboren voor altijd,
Maar niet in Vlaanderen stond mijn oudste wieg.

Vlaanderen is mijn moderne kunstmoeder nu
Van wie ik mijn kindertong niet kreeg,
Van wie ik de hartbrekende wartaal bestudeer.
Vlaanderen werd traag mijn historische vader
Wiens voorgeslacht het mijne niet is.

De Vlaamse socialist is Belg, maar in hem is België nooit geboren. De republikeinse pre-socialisten, die in september-oktober 1830 vochten in het Brussels Warandepark hadden enkele weken de illusie dat zij vochten voor een sociale democratie. Het werd snel duidelijk dat katholieke en liberale burgers de republikeinen en het gemeen volk niet nodig hadden om van ‘Belgique’ een sterke natie te maken. De Vlaamse socialist heeft 80 jaar moeten vechten vooraleer in 1919 zuiver Algemeen Stemrecht kon worden veroverd. Vooral de arbeidersbeweging stond er voor op de barricaden en het was niet mogelijk geweest zonder de inzet van de grootste arbeidersmassa, die in Wallonië woonde en werkte. Bruno heeft de ontegensprekelijke context geschetst waarin de arbeidersbeweging zich politiek organiseerde in Belgisch nationale context en waarom dit zo bleef tot bij de splitsing in 1978 van de BSP in een PS en een SP (die in de ontreddering van de jaren 1990 gemeend heeft er een onduidelijke letter A aan toe te voegen). De arbeidersbeweging had geen andere keuze, ook gezien de beklemmende kracht van een anti-socialistisch front in de Vlaamse provincies. Maar Bruno heeft terecht ook verwezen naar de studie van Maarten Van Ginderachter over de vergeten communautaire spanningen in de Belgische Werkliedenpartij van het stichtingsjaar 1885 tot het oorlogsjaar 1914. Het is inderdaad zo dat in deze jaren nog veel nawerkte van de flamingantische inzet van de allereerste generatie Vlaamse socialisten, die de eerste moderne vakbonden vorm gaven, die de Vlaamse sectie van de Eerste Internationale oprichtten, die een netwerk van coöperatieve en mutualistische verenigingen omsmeedden tot instrumenten van sociale en politieke strijd. Vandaag is de naam van ‘Bond Moyson’ bekend als socialistisch ziekenfonds. Het is goed er aan te herinneren waarom die eerste generatie Vlaamse socialisten die naam kozen in 1875. Emiel Moyson (1838-1868) heeft als vrijdenker, socialist en flamingant in zijn korte leven enorm veel gedaan om Vlaamse strijd te binden aan arbeidersstrijd en zo een derde politiek front te openen tegenover het dominante dualisme van katholieken versus liberalen. Lees bijvoorbeeld zijn gedicht Katholiek en Liberaal (Gent, 1867):

Er bestaan twee vreemde woorden
- ‘katholiek’ en ‘liberaal’ -
die in onze rustige oorden
reeds verwekten veel schandaal;
en ’t en zijn maar ijd’le namen,
want gij weet als ik, gewis,
dat er tusschen beide kramen
al geen groot verschil en is.
(…)
Wie er moge zegevieren,
’t bisdom of de franc-maçon’s,
zijn de mannen die bestieren
niet standvastig franskiljons?
Brengt de Logie of de Kerke
ons wel een’ge beternis?
Neen, zij binden ons de vlerke,
als er spraak van vrijheid is.
(…)
Ja, om ’t Volk verslaafd te hoûen
zijn zij al’ van ’t zelfde advies,
en op hun’ beloften bouwen
is ons enkel tijdverlies.
Laat ons bij ons zelven trachten
naar volleed’ge lafenis:
’t Volk dat steunt op eigen krachten,
daar is ’t dat de redding is!

Anseele senior die in 1894 als eerste Vlaamse socialist tot volksvertegenwoordiger werd verkozen op een Luikse (!) lijst schreef in 1881 zijn eerste roman. Het was Voor ’t volk geofferd, een hagiografie van Moyson, Mijnheer Emiel, de burgerzoon aan de zijde van de Gentse spinners en wevers. Hier denk ik dat er helemaal geen sprake meer is van tegenspraak met Bruno. Ik mag mijn boze pen in mijn binnenzak opbergen. Misschien, ik hoop het, heb ik hem van zijn onbezonnenheid overtuigd. Het debat mag in elk geval niet gesloten worden.

Herman Balthazar
Em. prof. UGent **
27 november 2011 (dag van het begrotingsakkoord; wat staat ons nu te wachten?)**

links - Vlaams-nationalisme - Brussel

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 10 (december), pagina 15 tot 20