Log in

Arbeid op de markt

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 14

Het discours van rechten en plichten ten aanzien van werklozen is op zijn minst een vals of minstens een dubbelzinnig discours. ‘Voor wat hoort wat’ geldt ook voor de werkgever en voor de overheid. Wederkerigheid is langs beide kanten een actieve houding. Er kondigt zich een enorme schaarste aan op de arbeidsmarkt. Wil je aan die schaarste tegemoet komen, dan zal de arbeidsmarkt aantrekkelijker moeten worden gemaakt. Lynda Gratton, van de London Business School, probeert vooruit te kijken in haar boek De werkrevolutie. Ze ziet twee mogelijke evoluties voor het jaar 2025. Aan de ene kant isolement, fragmentatie en uitsluiting en aan de andere kant samenwerking, keuze en wijsheid. We staan voor een fundamentele ommekeer: kiezen we voor de duistere kant of de zonzijde van de werkrevolutie?

MENSEN ZIJN NIET GEMAAKT OM TE RUSTEN

In 1759 schreef Voltaire Candide, het boekje waarin de idee ‘We leven in de best denkbare van alle mogelijke werelden’ uitgeprobeerd wordt. Maar het is vooral een verhaal dat alle optimisme op de helling zet. Meer tegenslag lijkt niet mogelijk. En dan helemaal op het einde besluiten Candide en Pangloss dat het er eigenlijk op aankomt om onze tuin te bewerken. De mens is niet gemaakt om te rusten. Een ander personage voegt er aan toe ‘Laten wij werken, zonder te redeneren, (…) dat is het enige middel om het leven draaglijker te maken.’ (144) Iedereen was het daarmee eens en begon zich naar zijn aanleg te bekwamen en iedereen bracht iets bij. Pangloss zag daarin de bevestiging van zijn filosofie, maar Candide drong aan om toch maar de tuin te bewerken.

Eigenlijk is dit ook mijn uitgangspunt: mensen zijn niet gemaakt om te rusten, maar om te werken. Alleen moeten ze dat kunnen doen waartoe ze aanleg hebben en geschikt zijn. Dat geeft zin aan het leven, maakt het leven dragelijk. Pas op, werk hoeft niet noodzakelijk werk in dienstverband te zijn, het hoeft ook niet noodzakelijk een klassieke full time bezigheid te zijn. Het moet wel voor zowel uzelf als uw omgeving (h)erkend worden als werk. En de omstandigheden moeten toch ook wel waardig zijn.

Er zijn op dit ogenblik in België nog zo’n 430.000 werklozen (eind 2011), maar er zijn natuurlijk nog pakken meer mensen zonder werk. Ik geloof gewoon niet dat ze niet willen werken, zoals ik ook niet geloof dat bijvoorbeeld al die jong gepensioneerden hun dagen in ledigheid willen doorbrengen. Ik vermoed bij hen heel veel tristesse. Ten aanzien van werklozen begrijp ik het discours van rechten en plichten, maar eigenlijk denk ik dat dit een vals of minstens een dubbelzinnig discours is.

ER ZIJN TOCH MENSEN DIE NIET WILLEN WERKEN?

We kennen ze toch allemaal, diegenen die niet willen werken? Eerlijk gezegd, ik ken er niet zo veel. Maar ik ken ook mensen die iedere maand aan de kassa voorbij komen om hun loon op te strijken en niet werken. En ik bedoel dat echt wel letterlijk: ze komen ’s morgens aan, ze punten en ze laten de tijd voorbijgaan. Wat rondlopen, wat babbelen, wat koffie drinken, wat telefoneren, een klein beetje schijnbewegingen en dan opnieuw punten. Ik denk dat die mensen daar niet gelukkig mee zijn, maar ze hebben het werken afgeleerd. Heel geleidelijk hebben ze alle attitudes, nodig voor het werken, verloren. En na zoveel jaren beseffen ze het niet eens meer. Ik beschouw dat als een ziekte, noch min noch meer. En ze komt inderdaad ook bij werklozen voor. Misschien bij mensen die ooit hard gewerkt hebben. Ze krijgen een tegenslag en verliezen hun job. Ze willen vlug terug aan de slag, maar het lukt niet. Keer op keer worden ze ontgoocheld. Na verloop van tijd verzinken ze in een soort lethargie. Het kan hen niet meer schelen, ze willen eigenlijk niet meer. Of bij mensen die nooit hebben zien werken. We spreken van generatiearmen, maar men kan ook spreken van generatiewerklozen. Kinderen en kleinkinderen van ouders en grootouders die nooit gewerkt hebben. Ze zijn niet gelukkig, ze zijn in de feiten gewoon arm, maar ze weten niet meer van beter.

Er was onlangs wat heisa in een krant over het aantal oudere werklozen die van een wachtuitkering leven. Ze zijn dertig jaar geleden van school gegaan en hebben nooit gedurende een iets langere periode gewerkt. Er kan geen discussie over zijn dat dit geen normale situatie is, maar het gaat om nog geen 500 mensen die ouder zijn dan 50. Als ze samenwonen en een gezinslast hebben, krijgen ze iets meer dan 1000 euro in de maand. Als ze alleen wonen 770 euro en als ze samenwonen zonder gezinslast 427 euro. Zijn dat geen sukkelaars? Zijn dat geen zieke mensen, die als zodanig moeten worden benaderd?

Maar tonen de knelpuntberoepen dan niet aan dat mensen niet willen werken? Er zijn ook jobs bij voor ongeschoolden. Waarom raken die niet ingevuld? Dat is het nu net: de meeste van die jobs raken wel degelijk ingevuld. Daar gaat het eigenlijk niet over. Ze raken moeilijker ingevuld, het duurt gewoon langer, maar ze raken meestal ingevuld. En de reden waarom het langer duurt kan drievoudig zijn: er zijn te weinig afgestudeerden, als er afgestudeerden zijn blijken ze de job toch niet zo goed te kennen of de arbeidsomstandigheden zijn totaal onaantrekkelijk. Als we het over plaatsen voor lager geschoolden hebben, zal vooral de derde reden spelen.

Wie een idee wil krijgen van de arbeidsomstandigheden van die groep moet het boekje lezen van Florence Aubenas. Zij is een Franse journaliste die een half jaar undercover gewerkt heeft in het Normandische Caen. Zij doet zich voor als een alleenstaande vrouw zonder kwalificaties. Ze kan in die zes maanden alleen precaire baantjes vinden in de schoonmaak. Een paar uur ’s morgens vroeg of ’s avonds, enkele uren extra in oproepsysteem. Ze moet heel hard werken. Ze kan het werk gewoon niet rond krijgen en krijgt voortdurend op haar kop. Ze verdient nauwelijks het zout op de patatten en is ’s avonds uitgeput. Van de betere baantjes mag je in die situatie niet eens dromen, want je bent De bodem van de pan, zoals de titel van het boek luidt. Dat is de realiteit vandaag voor heel veel laag geschoolden. Dat is niet werken in de tuin volgens aanleg en mogelijkheden. Dat is uitgebuit worden voor een onbetamelijke vergoeding.

PRINCIPE VAN DE WEDERKERIGHEID

Rechten en plichten, zegt men, of het principe van de wederkerigheid. Je hebt recht op een uitkering als je inspanningen doet om aan werk te geraken. Je moet je aanbieden of je moet scholing volgen. Juist, maar je moet niet veel terugvragen als je zelf weinig gegeven hebt! ‘Voor wat hoort wat’ geldt ook voor de werkgever en voor de overheid!

Als de arbeidsomstandigheden niet zijn wat ze moeten zijn, mag je niet verwachten dat mensen zich (blijven) aanbieden. De mens is niet gemaakt om te rusten, maar ook niet om fysiek of psychisch uitgebuit te worden. Hij wil werken, maar hij wil ook fier zijn op zijn werk.
Maar hij moet het werk ook aankunnen. Er wordt geschat dat 20 % van de langdurig werklozen te kampen heeft met een problematiek die niets te maken heeft met de arbeidsmarkt. Dat is dus een belangrijke groep die een alcoholprobleem heeft, een psychisch probleem of wat dan ook dat hen het werken gewoon onmogelijk maakt. Er zijn ondertussen allerlei programma’s om zogenaamd moeilijk plaatsbare mensen een opstapje te geven. Fantastisch, maar verwacht er geen wonderen van. Mensen die het moeilijk hebben, die zeg maar niet aangepast zijn voor het gewone leven en werk, kun je niet zo maar in één twee drie bijschaven. Het slaagpercentage is met andere woorden heel laag, om er gewoon moedeloos van te worden. Wat ga je doen met al die mensen? In de gevangenis stoppen?

Al eens gedacht wat voor verspilling onze samenleving zich veroorlooft? Want er zijn natuurlijk niet alleen wat men arbeidsgehandicapten zou kunnen noemen. Of dacht je dat in die massa werkloze jongeren in Brussel alleen maar hopeloze gevallen zitten? Er zit gewoon een schatkamer aan talent, maar je moet het durven aanboren. Je moet de mensen durven aanspreken in wat ze echt kunnen en niet veroordelen op hun uiterlijk of hun gebrek aan diploma’s.

Maar eigenlijk is het grootste probleem het onderwijs. Te veel jonge mensen verlaten de school zonder enige kwalificatie. Ze zijn slachtoffer van het fameuze watervalsysteem, ze moeten zitten blijven … ze worden het na verloop van tijd kotsbeu. Het probleem zit vooral in het beroepsonderwijs. De grote meerderheid die het beroepsonderwijs verlaat is laaggeletterd, wat wil zeggen dat ze de woorden wel kunnen lezen, maar de betekenis niet snappen. Hoe kun je van die gasten verwachten dat ze zich in een lettersamenleving staande houden? Maar zolang we beroepsonderwijs zien als opvang voor paria’s kunnen we dat probleem niet oplossen. En dat doen we. Hoogstens concentreren we ons op het technisch onderwijs en proberen daar een soort algemeen secundair van te maken. Dat jongeren een totaal andere aanleg kunnen hebben, die zijn eigen waardering vraagt, komt niet bij ons op. Beroepsonderwijs zou een absolute prioriteit moeten zijn, het is een vuilbak. Begin ermee om de leerkrachten beter te betalen dan in het secundair. Je hebt je beste krachten nodig in het beroepsonderwijs!

WEDERKERIGHEID IS LANGS BEIDE KANTEN EEN ACTIEVE HOUDING

Frank Vandenbroucke kennen we als de man van de actieve welvaartsstaat. Je moet mensen niet zomaar een uitkering geven en daarmee gedaan. Je moet hen aanporren om terug aan het werk te gaan en je mag niet aarzelen om hen ook voor hun verantwoordelijkheid te plaatsen. In een recente bijdrage in een boek van Patrick Janssens lijkt hij iets milder geworden. Hij houdt een principieel pleidooi voor gelijkheid en zegt dat de keerzijde van gelijkheid verantwoordelijkheid is. Die wederkerigheid mag echter geen voorwendsel zijn om mensen uit te sluiten. Wederkerigheid is langs beide kanten een actieve houding. En mensen moeten meer dan een kans krijgen. Hij heeft het voorwaar over mededogen!

We hebben de klassieke sociale risico’s onder controle proberen te krijgen door het verzekeringsprincipe: je betaalt bijdragen, die aanleiding geven tot rechten. Die klassieke risico’s blijven bestaan en moeten verder bestreden worden. We worden echter ook met tal van nieuwe risico’s geconfronteerd, die niet meer met dat principe te bekampen vallen. Het gaat om te lage of te weinig aangepaste scholing, de onmogelijkheid om familiale verantwoordelijkheid en betaalde arbeid te verzoenen en langdurige afhankelijkheid van zorg. Deze nieuwe risico’s gaan niet op de eerste plaats terug op individuele keuzen, maar zijn vooral bepaald door de sociale klasse! Ze moeten preventief aangepakt worden. Dat impliceert dat de overheid investeert, vooral in onderwijs en kinderopvang.

En daar wringt het schoentje. Na 10 jaar Europees investeringsbeleid vindt Vandenbroucke dat je moet erkennen dat het tewerkstellingsbeleid arme gezinnen onvoldoende bereikt. De nieuwe jobs gingen vooral naar gezinnen waar er al een job was! Het overheidsbeleid was niet herverdelend genoeg: er gingen relatief meer middelen naar programma’s voor de middenklasse (kinderopvang en dienstencheques). Er is een relatieve achteruitgang vast te stellen van de uitkeringen (werkloosheid en bijstand), zodat de armoede gestegen is. Vrouwen zonder kinderen zijn in België meer aan het werk dan vrouwen met kinderen. We hebben in ons land geïnvesteerd in tewerkstelling en collectieve dienstverlening, maar niet meer dan in andere Europese landen. En we hebben vooral in de klassieke risico’s geïnvesteerd. Dat belet dan weer niet dat het peil van de klassieke uitkeringen laag blijft. België is geen voorbeeld van een nieuwe investeerder in een innoverende welvaartsstaat!

Ook Bea Cantillon, onder meer in een bijdrage in hetzelfde boek, bevestigt dit. ‘De ervaring in westerse welvaartsdemocratieën leert dat een lage graad van armoede samenhangt met een universeel beleid, dat gericht is op alle lagen van de bevolking, en niet alleen op de armen.’ (142-143) Een universele benadering werkt immers preventief en kan rekenen op een brede steun. Maar als je kijkt naar de economische en sociale veranderingen sedert de jaren 1970 zie je dat vooral de hooggeschoolden en de fysisch en psychisch sterkeren gewonnen hebben. De laaggeschoolden en de sociaal zwakkeren zijn de dupe. ‘Een belangrijke groep van laaggeschoolden is overbodig geworden, met een toenemende afhankelijkheid van (en kost voor) de sociale zekerheid.’ (145) Sinds 1970 is er nauwelijks vooruitgang geboekt inzake relatieve onderwijskansen van lagere sociale groepen. Ze zijn vooral slachtoffer van werkloosheid en ziekte. Ze konden nauwelijks genieten van de aangroei van jobs. Hun uitkeringen werden relatief lager. Loopbaanonderbreking, tijdskrediet, dienstencheques, ouderschapsverlof en kinderopvang komen op de eerste plaats ten goede aan de hogere klassen. Hoe noemde haar leermeester, professor Herman Deleeck, dat ook al weer? Het Mattheüseffect, juist.

WERKNEMERS MOETEN HUN VRIJHEID ONTDEKKEN

Er wordt ondertussen vrij algemeen gedacht dat een en ander niet meer een zaak van keuze is. Er kondigt zich een enorme schaarste op de arbeidsmarkt aan, je zult mensen wel moeten aantrekken. Van de 100 personen op beroepsactieve leeftijd zijn er maar 67,6 aan de slag. Voor Europa zouden het er minstens 75 moeten zijn. Volgens sommige berekeningen heb je alleen al in de periode 2010-2014 zo’n 770.000 extra werkkrachten nodig. Er is vooral een probleem bij jongeren, laaggeschoolde vrouwen, ouderen en allochtonen.
Als je dat even in een verder perspectief plaatst, zie je een probleem van ontgroening en vergrijzing. Dit laat zich wel geleidelijk voelen, zodat een (politiek) ingrijpen mogelijk is. Er hoeft echt niet gedramatiseerd te worden, maar er worden gewoon minder kinderen geboren, zodat zonder immigratie de bevolking daalt. Door de vroegere hoge geboortecijfers en langere levensduur is er een vergrijzingsprobleem, met financiële gevolgen voor de sector van de pensioenen en gezondheid. Je kunt je het steeds minder veroorloven om zoveel mensen in de inactiviteit te laten.

Wil je aan die schaarste tegemoet komen, dan zal de arbeidsmarkt aantrekkelijker moeten worden gemaakt. Fons Leroy, gedelegeerd bestuurder van de VDAB, drukt het zo uit: vandaag hebben we een citroenloopbaan, we moeten naar een sinaasappelloopbaan. In een citroenloopbaan wordt een werknemer uitgeperst, er wordt zo veel mogelijk op zo korte tijd uitgehaald. Daarna wordt hij uit de arbeidsmarkt gestoten. Een sinaasappelloopbaan is overal even vol en zoet. Door onder meer levenslang leren kun je ook langer werken. We moeten stoppen met denken in termen van een baan in één bedrijf, waarbij een werknemer binnen komt en tot zijn pensioen blijft. We moeten denken in termen van een loopbaan, waarbij een werknemer dikwijls van werkgever kan veranderen. Werken en niet werken zijn geen tegengestelden. Er moeten regelmatig overgangen, bruggen, gemaakt worden. Ook bruggen naar een ander soort werk. Bruggen met twee richtingen. De actieve welvaartsstaat legt te eenzijdig nadruk op werk. Het gaat ook om de kwaliteit van werk en er moet een verband met burgerschap zijn. Sleutelbegrippen zijn participatie en variatie. Meer mensen aan het werk, meer diversiteit, langere en andere loopbanen. En niemand hoeft zich illusies te maken: hiervoor is een sterke overheid nodig, die massieve sociale investeringen doet. En er is ook een nieuwe sociale architectuur nodig (een nieuw sociaal pakt): nieuwe sociale grondrechten (prioritair recht op startkwalificatie, recht op erkenning van verworven competenties, recht op loopbaanbegeleiding); nieuwe sociale zekerheid (loopbaanverzekering); vernieuwingen in arbeidsrecht (arbeidsovereenkomst moet bepalingen bevatten inzake competentieontwikkeling, opleiding en loopbaanbegeleiding); aangepaste arbeidsorganisatie; vernieuwd HRM-beleid; sluitend maatwerk; sociale economie als katalysator.

Arbeidsmarktdeskundige Jan Denys zegt hetzelfde, in zijn pleidooi voor vrije werknemers. De werknemers beseffen te weinig dat ze op de arbeidsmarkt wel degelijk vrij zijn. Hun referentiekader is middeleeuws (gebonden aan heer en land). Na de 19de eeuwse uitspattingen zijn pogingen gedaan om de arbeidsmarkt buitenspel te zetten: werknemers zochten een veilig onderkomen voor de ganse loopbaan. In de jaren 1970 was de arbeidsmarkt, ondanks de massale werkloosheid, geen issue! Men dacht dat het volstond om voor nieuwe werkplaatsen te zorgen. Pas vanaf de jaren 1990 werd de arbeidsmarkt ontdekt (economisch en sociaal). Het duurde tot na 2000 voor werklozen echt werden opgevolgd en de sluitende aanpak werd ingevoerd. Werknemers werden arbeidsmarktanalfabeet. Eens ze werk hebben komen ze niet meer vrijwillig op de arbeidsmarkt. En de werkgevers voelen zich daar comfortabel bij. Ook de meeste regels staan in functie van een loopbaan in één bedrijf. Dat is echter achterhaald: ‘De vrijheid van de markt van de werknemer is er alleen op vooruit gegaan.’ (17) Brede inzetbaarheid, daar gaat het om. ‘De grootste zekerheid is vandaag op de arbeidsmarkt te vinden en niet meer in de bedrijven.’ (23)

WE ZULLEN MOETEN KIEZEN

De arbeidsmarkt is echt wel een markt. Denk maar aan een zuiders land: je vindt prachtige en overdadige standen, je vindt kramen waar de kopers naartoe getrokken worden als motten naar het licht. Maar je vindt er ook een kaasboerke dat enkele producten van eigen makelij aanbiedt of zelfs een besje dat, gehurkt op de grond, wat ajuinen probeert te verkopen. Het is een markt waar niet iedereen evenveel kansen heeft om op het eind van de voormiddag met een dikke beurs naar huis te gaan. Ook de kopers zijn heel divers. Sommigen hebben veel mogelijkheden en dingen niet eens af. Ze bekvechten zelfs met andere kopers om een schaars product. Anderen proberen af te dingen op de prijs.

Je moet alle werklozen aansporen, helpen en begeleiden. En wanneer er onwil is moet je durven pushen tot het uiterste. Maar je moet toch mededogen overhouden. Als je verantwoordelijkheid vraagt van mensen zonder werk, moet je die ook durven vragen van de samenleving. Die investeert tot op vandaag niet genoeg. Het is een schande dat jongeren op de arbeidsmarkt komen zonder ook maar een troef. Het is niet vol te houden dat de maatschappelijke investeringen de meest kwetsbaren niet voldoende bereiken. Maar hoe dan ook, de ontgroening en de vergrijzing zullen het nodig maken alle talent maximaal aan te spreken. Het is een markt, maar de overheid zal er zich serieus moeten mee moeien.

Dat is het? Misschien dat we toch nog een beetje preciezer in de toekomst kunnen kijken. Het is riskant, ik weet het, maar het is van groot belang. We zullen immers keuzes moeten maken. Lynda Gratton, van de London Business School, heeft geprobeerd vooruit te zien in De werkrevolutie, een van de betere boeken van 2011. Zij heeft daarbij een specifieke methodologie gevolgd, waar een heel consortium van onderzoekers over een langere termijn bij betrokken is. Ik ga hier niet op in, ook niet op de vijf krachten die volgens haar verantwoordelijk zijn voor een fundamentele verandering in onze manier van werken. Die slaan op technologie, globalisering, demografie en levensduur, veranderingen in de samenleving en energiebronnen. Voor die vijf krachten worden tweeëndertig stukken materiaal verzameld. Ik beperk me verder tot de twee mogelijke evoluties die zij ziet voor het jaar 2025. Het gaat om aan de ene kant isolement, fragmentatie en uitsluiting en aan de andere kant samenwerking, keuze en wijsheid. We staan in elk geval voor een fundamentele ommekeer.

DE DUISTERE KANT VAN DE WERKREVOLUTIE

Als we niet bijsturen zal de werkrevolutie voor een aantal zeer negatieve zaken zorgen. Plaatsen we ons in 2025 dan kan dat er als volgt uitzien.

We zijn al flink in die richting opgeschoven, maar binnen een aantal jaren zal geen enkele activiteit langer duren dan 3 minuten. Mensen concurreren voortdurend met mensen over de hele wereld. De wereld zal zoveel connectiviteit kennen dat 24/7 werken de norm zal worden. De cloud zal daarin een belangrijke rol spelen, want daardoor wordt het overal en altijd mogelijk om complexe gegevens en programma’s te downloaden. We huren gewoon wat en wanneer we iets nodig hebben. ‘Stelt u zich dat voor: geen rust, geen stilte, geen tijd om na te denken. Voortdurend ingelogd, ingeplugd, online.’ (61) Fragmentatie wordt een sluipende normaliteit! Het gevolg daarvan zal zijn: overbelasting, tijdsgebrek, verlies aan concentratie. Het ergste is dat de concentratie van het meesterschap verloren gaat. Mensen hebben niet meer de tijd, gelegenheid of aandacht om echt goed in iets te zijn. Ze kunnen wel goed zijn, maar ze hebben niet geleerd heel goed te zijn. Om meesterschap te verwerven is immers een langdurige concentratie op ontwikkeling van vaardigheden nodig. Mensen kunnen steeds minder observeren en leren van anderen die bekwamer zijn dan zijzelf, nochtans een voorwaarde om te leren! Grilligheid en spel zijn weg, waardoor de kans op creativiteit daalt. We eisen onmiddellijke bevrediging en gecomprimeerde leerprocessen.

Maar het is niet alleen een zaak van fragmentatie, maar ook van isolement. Vandaag reeds wordt in een provinciaal ziekenhuis in ons land bij operaties geïntervenieerd door specialisten uit het buitenland. Het zal steeds meer gebeuren dat van op afstand gewerkt wordt. Mensen worden een soort neo-nomade, werken voor mensen die ze nooit zullen zien, in teams waar ze niemand kennen en voor ondernemingen die aan de andere kant van de wereld kunnen staan. Maar het niet meer in contact komen met echte mensen is niet neutraal. ‘In 2025 is de structuur van ons werkleven misschien voor een groot deel ontdaan van persoonlijke relaties.’ (82) Misschien verdwijnt alle kameraadschappelijkheid en passen we ons aan de virtuele relaties aan. Maar waarschijnlijk komt er isolement. Dat is moeilijk te compenseren in de familie, want die zal meer en meer verspreid raken over de hele wereld.

Naast fragmentatie en isolement dreigt ten slotte ook uitsluiting. Economische motoren concentreren zich op een klein aantal plaatsen. De technologie duwt banen weg, op de duur ook in de zorgsectoren, waar robotten medische toestanden opvolgen en eenvoudige huishoudelijke taken verrichten. Er is concurrentie met opkomende economieën en mega-steden worden reusachtige sloppenwijken. Er ontstaan immense landelijke gebieden en afgelegen plaatsen. Wie weinig geschoold is, komt niet aan de bak en moet zich tevreden stellen met deeltijdse hamburgerjobs. Er ontstaat een globale economische onderklasse, zonder aansluiting bij snel globaliserende talentenreservoir. Eigenlijk doet zich een subtiele verschuiving voor: van de plaats waar je geboren bent naar talent/motivatie/persoonlijke connecties. De kloof tussen winnaars en verliezers wordt steeds groter. We gaan naar een samenleving van ‘the winner takes it all’. Daar kunnen alleen maar meer sociale spanningen van komen, meer wantrouwen, meer stress, meer isolement.

DE ZONZIJDE VAN DE WERKREVOLUTIE

Zover hoeft het niet te komen, want we kunnen ook kiezen voor een veel positievere evolutie. We hebben het dan over samen creëren, empathie en evenwicht en het opbouwen van creatieve levens.

Vijf miljard mensen die met elkaar verbonden zijn, maakt een ongekende globale connectiviteit mogelijk. Die is belangrijk voor het overbrengen van werkervaring en om aan te sluiten op talentreservoir. De kennis wordt gedigitaliseerd, sociale participatie groeit exponentieel en er ontstaat een cultuur van duurzaamheid en creativiteit. Mensen kunnen werken aan projecten waarbij ze een team samenstellen met leden van over de hele wereld, met de meest diverse specialiteiten. Innovatie is dan niet langer het exclusieve terrein van bepaalde groepen, ondernemingen of overheden, maar een cumulatieve, sociale activiteit waarin samenwerking centraal staat. De essentie is samenwerking binnen een groep waarvan de leden heel verschillend kunnen zijn. Alleen wil iedereen hetzelfde probleem oplossen.
Het gaat niet alleen om teams die samen voor innovatie zorgen. Er komt empathie en evenwicht, er ontstaat een globale mentaliteit. ‘Mensen reizen meer, begrijpen anderen beter en voelen daardoor meer empathie met de situatie waar ze leven. (…) Wellicht ontwikkelen we ons de komende jaren tot mensen die meer geneigd zijn tot affectie, gezelschap, sociabiliteit en empathie.’ (150-151) Een en ander heeft ook te maken met de generatie Y, die niet meer uitsluitend gefocust is op werken, maar inderdaad evenwicht nastreeft.

De derde positieve ontwikkeling sluit daar heel nauw bij. Mensen bouwen creatieve levens op. Ze hebben hun eigen onderneming, maar op een heel andere manier dan vandaag. Ze hebben bijvoorbeeld geen winkel meer, maar zijn partner van een wereldwijde groep. Groepen gelijkgezinde mensen worden verzameld rond een idee. Clusters van micro-ondernemingen bepalen de richting waarin de markt groeit. De groep is een platform om met anderen in contact te komen. Niemand denkt eraan om op een bepaalde leeftijd met werken te stoppen.

VERSCHUIVINGEN

Willen we in die positieve richting evolueren, dan zijn een drietal verschuivingen nodig:

Ten eerste een verschuiving van oppervlakkige generalist naar seriële meester. U zult zelf moeten uitzoeken welke kennis/competenties waardevol zullen zijn en waarin je meesterschap wilt verwerven. Maar een niet-gespecialiseerde manager, afgestemd op een bedrijf zal niet langer overleven. De voornaamste concurrent voor iemand met all round kennis is Wikipedia of Google! Je zult kennis en diepgang van een ambachtsman moeten verwerven. Je zult moeten spelen als een kind, want zo werkt creativiteit. Barrières tussen werk en privé zullen verdwijnen. Je zult je echter niet beperken tot een domein, maar verschillende diepgaande vaardigheden combineren (serieel meesterschap). Je zult je stempel moeten drukken, opvallen.
Ten tweede een verschuiving van geïsoleerde concurrent naar innovatieve connector. Dat veronderstelt een fundamenteel anders denken over samenwerken, connectiviteit en innovatie. Het gaat om een combinatie van intellectueel en sociaal kapitaal. Creativiteit ontstaat door aan te sluiten bij de kennis, competenties en netwerken van anderen. Ontwikkelen van persoonlijke vaardigheden en kennis is niet voldoende, je moet het samen met anderen doen.
Ten slotte een verschuiving van gretige consument naar bezielde producent: ‘Het is de verschuiving van werk dat ons helemaal in beslag neemt naar een meer uitgebalanceerde, zinvolle manier van werken.’ (216) Het oude werkcontract heeft afgedaan. We zullen ons meer laten leiden door onze persoonlijke en unieke aspiraties, behoeften en capaciteiten. We willen onze toekomst baseren op dingen waar we om geven en minder consumeren. We willen meer delen.

TOCH MAAR BEGINNEN MET DE TUIN TE BEWERKEN

Werkzaamheidsgraad en werkbaarheidsgraad zijn een Siamese tweeling, zegt Fons Leroy. Werkbaarheid betekent ook arbeidsvreugde. Daar zijn we ver vanaf, maar daar moeten we naar toe. De samenleving moet zich daar iets anders voor inrichten, maar ook bij de bedrijven zijn fundamentele aanpassingen nodig. Werknemers moeten breed inzetbaar gemaakt worden. Dat begint bij het onderwijs. Maar ook daar zijn we nog ver vanaf. Ondertussen moeten we hard pushen, maar niet zonder mededogen. Wederkerigheid jawel, maar langs beide kanten.

Maken we op termijn een kans om dat te bereiken? Als we even abstractie maken van de concrete politieke en economische verhoudingen maken we kans. We zien een ideaalbeeld van een creatieve en empathische samenleving. Maar we kunnen evenzeer terechtkomen in een wereld waar het talentenreservoir slechts voor een minderheid toegankelijk is en er vooral een mondiale uitsluiting bestaat. En die minderheid die het ogenschijnlijk goed heeft zou wel eens in groot isolement kunnen leven, terwijl de vermeende creativiteit eigenlijk vrij pover is. Geen meesterschap, wel oppervlakkig springen van hot naar her.

Ik denk dat minstens het tijdsperspectief van Lynda Gratton te kort is. 2025 is minder dan 15 jaar van ons verwijderd. En ik geef toe dat haar positieve weg een beetje naïef aandoet. Ik vrees met andere woorden dat de negatieve weg veel waarschijnlijker is. Professor Paul Verhaeghe (UGent) ziet alvast een verband tussen de allesbepalende rol van de neoliberale economie en de ziektebeelden in zijn consultatiekamer. Isolement en uitsluiting horen daarbij.

Maar kunnen we eigenlijk wel abstractie maken van de concrete politieke en economische verhoudingen? Kunnen we de uitstoot van de traditionele arbeidsplaatsen tegenhouden? Is te ontkomen aan een duale wereld? Sommigen denken dat dit alvast niet kan zonder de ontwikkeling van een derde sector, naast de industrie en de diensten. Die ligt dicht bij vrijwilligerswerk en gemeenschapsdiensten. Zullen de concrete politieke en economische verhoudingen daar voldoende ruimte voor laten?

En toch moeten we ervoor gaan. En om ons te motiveren is het dan misschien goed om het (voorlopig) laatste boek van de Nederlandse primatoloog Frans De waal te lezen. Een tijd voor empathie, heet het. In zijn voorwoord schrijft hij letterlijk: ‘De politiek lijkt klaar voor een nieuw tijdperk waarin de nadruk op samenwerking, integratie en sociale verantwoordelijkheid ligt.’ (9) Met zijn jarenlange ervaring met primaten durft hij te stellen dat de mens misschien nog zo slecht niet is. Er schuilt een empathisch wezen in hem en dat is verankerd in zijn zoogdierenwezen. Het enige wat zou moeten gebeuren, is dat het bereik van die empathie ruimer zou moeten worden en niet beperkt zou mogen zijn tot de eigen groep, natie, religie… Misschien ligt onze redding in onze biologie!

De toekomst ligt niet vast, we moeten kiezen. Laat ons toch maar beginnen om onze tuin te bewerken.

Luc Vanneste
Redactielid Samenleving en politiek

Literatuur
- Aubenas F., De bodem van de pan, undercover aan de onderkant van de samenleving (2010). Atlas, Amsterdam 2011.
- Cantillon B., The paradox of the social investment state. Growth, employment and poverty in the Lisbon era. CSB, Working paper 11/03, maart 2011.
- Denys J., Free to work, voor een open en moderne arbeidsmarkt. Houtekiet, Antwerpen/Amsterdam 2010.
- De Swert G., Het pensioenspook. Epo, Berchem 2011.
- De Waal F., Een tijd voor empathie, wat de natuur ons leert over een betere samenleving. Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen 2009.
- Gratton L., De werkrevolutie, de vijf krachten die onze manier van werken fundamenteel gaan veranderen. Spectrum, Antwerpen 2011.
- Janssens P., Voor wat hoort wat, naar een nieuw sociaal contract. De Bezige Bij, Antwerpen 2011.
- Leroy F., Bloggen over de arbeidsmarkt. Die Keure-Business & Economics, Brugge 2011.
- Pintelon O., Cantillon B., Van den Bosch K, T. Whelan C., The social stratification of social risks. CSB, working paper 11/04, april 2011.
- Rifkin J., End of work, the decline of the globale labor force and the dawn of the post-market era. GP. Patroma’s Son, New York 1995.
- VDAB studiedienst, Analyse vacatures 2010, Knelpuntberoepen-kansenberoepen. Brussel 2011.
- Verhaeghe P., Het einde van de psychotherapie. De Bezige Bij, Amsterdam 2009.
- Verhaeghe P., Liefde in tijden van eenzaamheid, over drift en verlangen (1998). De Bezige Bij, Amsterdam 2011.
- Voltaire, Candide of het optimisme (1759). Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1975.

arbeid - werk - marktwerking

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 14