Abonneer Log in

Een interne paradox van het kapitalistisch denken

Het neoliberalisme ontleed

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 9 (november), pagina 44 tot 50

In deze tekst wil ik één enkele redenering presenteren. De conclusie ervan zal zijn dat een kapitalistisch systeem slachtoffer is van een interne paradox of spanning waaruit geen ontsnappen mogelijk is: het willen en vermijden van totale kennis. Het detecteren en blootleggen van paradoxen beschouw ik als één van de kerntaken van de logicus-filosoof en dus mag de aanpak die ik hier voorstel als specifiek logisch-filosofisch gezien worden. Het vormt een aanvulling op andere argumentaties die tot dezelfde conclusie leiden.

INLEIDING

Misschien eerst waarover ik het niet wil hebben in deze bijdrage. Het ligt voor de hand om een filosofische-logische kritiek van het kapitalisme te baseren op de (louter) economische processen die dit particulier systeem kenmerken. Maar die oefening is al grondig gebeurd door vele filosofen en economen, Karl Marx voorop, en ik wens mij niet met hen te meten. Evenmin wil ik het hebben over datgene wat de huidige variant van het kapitalisme kenmerkt, namelijk de grootschalige productie van kennis en de verwording van die kennis tot een economische waar zoals een andere. Hoewel ik ervan overtuigd ben dat een tot het einde doorgedachte kenniseconomie totaal onhoudbaar is en dus zichzelf opheft, wil ik dit hier niet verder exploreren, hoewel het kort even ter sprake zal komen. En ook wil ik het niet hebben over de onder- en bovengrenzen van een mensbeeld, die een kapitalistisch systeem lijkt te negeren, een thema dat ik in een vorige bijdrage heb geëxploreerd (zie Van Bendegem [2010]).

EEN REDENERING DIE DE PARADOX OF SPANNING AANTOONT

Laat ik starten met een korte beschouwing over economische actoren. Wat zijn de basiskenmerken van een actor in een economisch systeem dat als kapitalistisch kan worden gekenmerkt? Om een lastige en moeilijke definitorische kwestie te vermijden, zal ik mij focussen op één enkel aspect dat misschien niet exclusief is maar zeker tot de kern ervan kan worden gerekend en dat is dat egoïsme voorop staat. Indien twee actoren de mogelijkheid hebben voor zichzelf meer te bekomen dan voor de ander, dan zullen zij dat doen. Indien een altruïstische act wordt gesteld, dan nog zijn de basismotieven egoïstisch. (Vaak wordt hier dan een evolutionair-biologisch verhaal aan vastgekoppeld om dergelijke vormen van altruïsme bijvoorbeeld een genetische basis te geven, zie de klassieker Dawkins [1989]). Het is eenvoudig in te zien hoe dit moet leiden tot continue concurrentie en competitie. Dit is wat ik nodig heb om mijn redenering te starten met een eerste premisse:

(P1) Elke economische actor probeert voor zichzelf de beste toestand te bekomen, ongeacht de consequenties voor andere actoren.

Om deze toestand effectief te bekomen, is het redelijk om aan te nemen dat actoren beslissingen moeten nemen op basis van beschikbare informatie. In de meeste omstandigheden gebeurt dit bij onwetendheid en in onzekerheid. Het is niet nodig om hier een uitgebreide uiteenzetting te houden over speltheorie waarin deze denkwijze tot een formeel-logisch-wiskundig apparaat is uitgewerkt. Een belangrijk kenmerk van die onzekerheid is dat een bepaalde keuze wel waarschijnlijk kan zijn maar niet (honderd procent) zeker. Dat betekent een risico, wat een subtiel spel van risicobeheersing met zich meebrengt. Het is een bijna triviale vaststelling dat, indien we zouden beschikken over meer betrouwbare informatie, we in staat zijn om dat risico te bedwingen en de onzekerheid weg te nemen. (Dit moet evenwel meteen genuanceerd worden want Herbert Simon heeft voldoende aangetoond dat een teveel aan informatie verlamming in de hand werkt, zie Simon et al. [2008]). In de limiet waar het risico helemaal kan worden bedwongen, wordt het nemen van een beslissing herleid tot rekenwerk. Indien alles geweten is, indien alles gemeten kan worden, dan kan de uitkomst van de beslissing berekend worden. Een eenvoudig voorbeeld is de beslissing om bij mogelijke regen al of niet een paraplu mee te nemen. Stel dat de actor de regel hanteert ‘Als het regent, neem paraplu mee en, als het niet regent, neem paraplu niet mee’, dan is het hanteren van deze regel niet voldoende om te beslissen wat te doen indien de kans op regen zestig procent is. Slechts als het zeker of regent of niet regent, laat de regel toe automatisch te beslissen en de keuze te berekenen. Men kan altijd een regel toevoegen die zegt ‘Is de kans op regen meer dan vijftig procent, beschouw dit als regen zonder meer’, waardoor het probleem opgelost wordt, maar het is duidelijk dat deze regel vaak het nutteloos meeslepen van een paraplu voor gevolg zal hebben. Is de kost van een paraplu voor de actor in kwestie groot, dan zal het optrekken van de vijftig procent naar tachtig of meer bijzonder aantrekkelijk zijn. Laat dit dan de tweede premisse van mijn redenering zijn:

(P2) Economische actoren zullen bij het nemen van beslissingen meer kennis verkiezen boven minder kennis om het risico, de onwetendheid en de onzekerheid van de situatie te beheersen.

De volgende stap in de redenering is de eenvoudige vaststelling dat elke economische actor (P2) onderschrijft en dat weet van elke andere actor. Anders gezegd, alle actoren zullen proberen (P2) te realiseren, wetende dat alle anderen dat ook proberen. Dit leidt onvermijdelijk tot de volgende situatie: indien er twee actoren zijn en de ene beschikt over meer informatie dan de andere dan heeft de ene een voordeel en heeft de andere er alle belang bij om ook deze informatie te bekomen. Zo lang er een onderscheid blijft bestaan in de beschikbare informatie tussen verschillende actoren, zal men proberen dit onderscheid te reduceren. Dit leidt dan tot de derde premisse:

(P3) Indien economische actoren verschillen van elkaar door de hoeveelheid informatie waarover zij beschikken, dan zullen zij proberen dit verschil te reduceren om hun positie te verbeteren.

De zo vaak aangehaalde noodzaak van ‘gezonde’ concurrentie en competitie in een kapitalistisch economisch systeem, is een perfecte motor om dit reduceringsspel draaiende te houden. De volgende vraag ligt voor de hand: wanneer zal dit spel een einde nemen? Het antwoord is al even eenvoudig: wanneer alle verschillen zijn weggewerkt. Dat wil zeggen, wanneer alle betrokken actoren dezelfde informatie of kennis hebben, want, zolang er nog een verschil bestaat, kan een actor in principe hieruit een voordeel halen ten opzichte van een andere. Dus uit (P1), (P2) en (P3) moet noodzakelijkerwijze de eerste conclusie volgen dat:

(C1) De reductie van de verschillen neemt maar een einde indien alle verschillen nul zijn en alle actoren over dezelfde informatie en kennis beschikken.

Dit resultaat kan echter nog scherper gesteld worden. De informatie en kennis waarover men beschikt, moeten totaal zijn want, gesteld dat we in een situatie zitten waar iedereen dezelfde kennis en informatie heeft, maar die is niet volledig, dan kan nog altijd iemand ergens een miniem voordeel halen door net iets meer te weten. Dus dat proces kan maar eindigen als alles geweten en gekend is. Dus een tweede, sterkere conclusie is:

(C2) In de eindfase moeten de beschikbare kennis en informatie totaal zijn voor alle actoren.

Het vraagt een aparte bewijsvoering om te laten zien hoe nauw dit idee aansluit bij het westerse denken in het algemeen waar de zoektocht naar de waarheid-met-grote-w, naar volledigheid, naar totaliteit een onderneming was zowel van wetenschappers als van gelovigen, protestanten voorop. Wat zou anders de zin kunnen zijn van alle boeken die de titel Is God een wiskundige? dragen? Het heeft zich ook vertaald in een onderliggend economisch systeem dat diezelfde zoektocht belichaamt. Lees er maar Max Weber op na. Maar los van deze problematiek is het interessant om stil te staan bij een aantal curieuze gevolgen van (C2) die aantonen dat de drie premissen tezamen niet houdbaar zijn.

Een eerste belangrijk gevolg is dat het nemen van beslissingen verdwijnt. Het is niet langer nodig voor een actor om overwegingen te maken, met diverse argumenten rekening te houden, met onzekerheid en onwetendheid om te gaan en te durven risico’s nemen. Indien de informatie totaal is, dan herleidt, zoals reeds vermeld, de beslissing zich tot rekenwerk, tot het toepassen van een algoritme, het uitvoeren van een reeks instructies die noodzakelijk leiden tot het gewenste resultaat, gegeven uiteraard dat fouten kunnen worden vermeden. Als ik, om mijn parapluvoorbeeld te hernemen, volledige informatie over het weer heb, dan zal ik tot op de minuut weten wanneer het al of niet regent. Dus:

(G1) Totale kennis en informatie maken het nemen van beslissingen overbodig en het proces van beslissen wordt herleid tot rekenen.

Daardoor is alle risico, tezamen met alle onwetendheid en onzekerheid verdwenen. Een bijzonder vreemde situatie want het nemen van risico, denk maar aan de financiële markten als voorbeeld par excellence, is een essentieel onderdeel van dit economisch proces. We komen, bizar genoeg, terecht in een volkomen geplande economie, wegens totaal berekenbaar, wat precies het tegendeel is van wat men in een ‘vrije’ economie op het oog heeft. Gesteld dat we in een dergelijke situatie zouden belanden, dan is het evident dat er ook geen verandering meer kan zijn, in welke zin ook, dus ook geen groei meer mogelijk is. Wat opnieuw in tegenspraak is met één van de fundamentele kenmerken van een kapitalistische economie, namelijk de steeds verkondigde noodzaak van groei. Dus een tweede gevolg is:

(G2) De situatie waarin totale kennis en informatie wordt bereikt, is een evenwichtssituatie of een status quo die alle verandering uitsluit.

De laatste stap is het belangrijkste element om mijn betoog te vervolledigen en dat is dat om de gevolgen (G1) en (G2) tegen te gaan het noodzakelijk is steeds nieuwe informatie en kennis te produceren. Want, slechts als er nieuwigheden te rapporteren vallen, moeten onze beslissingen opnieuw bekeken worden omdat we misschien elementen over het hoofd hebben gezien en zodoende introduceren we nieuwe onzekerheden en wordt risico nemen terug mogelijk. Dus het derde gevolg is:

(G3) Om een evenwichtssituatie te vermijden, dienen voortdurend nieuwe informatie en kennis geproduceerd te worden.

Dit proces moet blijven doorgaan omdat (G3) de vorige conclusies en gevolgen niet ongedaan maakt maar slechts tijdelijk uitstelt. De zucht naar totaliteit blijft evenzeer aanwezig en dus moet (G3) continu het geval zijn. Dit is de paradox of spanning zoals ik die meen waar te nemen: een economie die aan de gestelde premissen voldoet (en een kapitalistisch systeem behoort hiertoe) moet terechtkomen in een fundamentele spanning tussen een verlangen naar totale kennis aan de ene kant en een continue creatiedrang aan de andere kant om dit tegen te gaan. Deze spanning heeft geen oplossing en dus moet ze escaleren tot (G3) onhoudbaar wordt.

Ik besef terdege dat deze redenering onvermijdelijk bijzonder abstract en algemeen is en misschien daardoor aan overtuigingskracht verliest maar ik meen dat er voldoende voorbeelden te vinden zijn die deze spanning illustreren. De redenering kan dus ook gezien worden als een referentiekader om gebeurtenissen te plaatsen en ze op die manier een duiding te geven. Een meer bescheiden resultaat maar daarom niet minder belangrijk.

EEN PAAR ILLUSTRATIES

De drang naar totale informatie en kennis komt duidelijk tot uiting in de wens van ondernemers om hun klanten beter en beter te leren ‘kennen’, anders gezegd om meer en meer zekerheid te bekomen over het succes van een bepaald product dat op de markt wordt gebracht. Hoewel ik er niet specifiek wil over uitweiden, speelt hier de kenniseconomie een uiterst belangrijke rol. In de mate dat psychologen en sociologen mij kunnen verzekeren dat een mens, lees consument, in bepaalde omstandigheden zich zus of zo zal gedragen, ondersteunen zij het economische proces. ‘Data mining’ en ‘real-time profiling’ zijn quasi logische gevolgen van dit proces, zie bijvoorbeeld Hildebrandt en Gutwirth [2008]. Als Amazon-dot-com mij, bij een volgend bezoek aan hun website, tien boeken kan aanraden waarvan er drie mij zeker zullen aanspreken dan behalen ze een succes dat een boekhandelaar nooit kan bereiken met een toevallige bezoeker. En dan is het Amazon-dot-com voorbeeld vrij onschuldig want het aangemaakte profiel is een directe reflectie van jouw aankoopgedrag. Als informatie wordt meegenomen over sociale status door bijvoorbeeld het woonadres te analyseren, over professionele netwerken door bijvoorbeeld Facebook en andere netwerken te checken, dan krijgen we een ander maar daarom niet minder reëel en gevaarlijk verhaal.

Indien geen totale kennis kan worden bereikt dan zijn er mogelijke risico’s aanwezig en dus wordt de kunst om daartegen bescherming te bedenken. Het antwoord dat deze maatschappij heeft bedacht in de vroege economische ontwikkeling die zou leiden tot de situatie die we vandaag kennen, is zeer wel bekend: de verzekering. Een alternatieve benaming is simpelweg een weddenschap met weliswaar speciale kenmerken. Zeker geen kansspel maar een beredeneerde, of moet ik zeggen een berekende gok. Statistiek laat mij toe om mortaliteitstabellen op te stellen en, onder andere, aan de hand daarvan kan ik berekenen, indien een klant een bepaalde leeftijd heeft, wat de levensverwachting is en op basis daarvan een premie berekenen die een evenwicht vormt tussen wat de ‘klant’ bereid is te betalen en wat de verzekeraar bereid is te verliezen als het ‘verkeerd’ loopt. De zucht naar totaliteit is ook hier actief want we willen ook de gezondheidstoestand in detail kennen - alcohol, tabak, obesitas, hartproblemen, psychiatrisch verleden, noem maar op - tot op het punt dat we de ‘klant’ willen voorschrijven hoe hij of zij dient te leven. Maar toch valt het risico niet uit te sluiten en dus ontstaat een ‘hogere orde fenomeen’, namelijk verzekeraars verzekeren zich tegen verzekeringen die ‘verkeerd’ lopen. Aangezien dit alleen maar kan bij andere verzekeraars moet men zich ook verzekeren tegen de situatie dat die verzekeraar in de problemen komt.

Dit ‘hogere orde fenomeen’ is ook zeer wel gekend in misschien wel het mooiste voorbeeld van deze kapitalistische economie: de beurs. Los van het feit dat een aandeel op zich al een perfecte uiting is van dit economisch systeem, is de handel in aandelen er de ultieme bevestiging van. De spanning tussen totale kennis en voortdurende vernieuwing is hier maximaal. Het eerste wordt weerspiegeld in het feit dat een groot deel van het
aandelenverkeer geautomatiseerd is, met andere woorden, algoritmisch verloopt. Hier wordt niets meer beslist, hier wordt alles berekend, weliswaar op bijzonder complexe wijze maar dat verandert niets aan de essentie. Idealiter zou deze vorm van verhandelen de standaardvorm moeten worden. Maar dat kan of mag niet, dus worden er voortdurend nieuwe ‘producten’ bedacht die opnieuw risico en onzekerheid in het verhaal brengen. Nu is het verhandelen van aandelen zelf al een tweede orde fenomeen maar het ‘reserveren’ van aandelen om die op een later moment te kopen of verkopen is al van derde orde en het (tijdelijk) verkopen van die gereserveerde aandelen om ze later terug te kopen met winst, situeert zich al op vierde orde. Dit proces lijkt zonder einde want wat zou er beletten om de premie op de ‘reservatie’ zelf weer door te verkopen? Onnodig om het te vermelden maar ook in dit hogere orde spel speelt de wiskunde een belangrijke rol. Een typisch voorbeeld is de (complexe) Black-Scholes formule die toelaat exact een premie te berekenen zodanig dat een controle op het risico verzekerd is. De formule is extensief gebruikt geweest maar deed het in de praktijk niet goed wegens ‘onvoorziene omstandigheden’. Dus blijkbaar nog geen kennis genoeg om ook dit te kunnen bezweren. Het mag geen verbazing wekken dat uitgerekend Nassim Taleb in The Financial Times (7 december 2008) hierover heeft bericht want hij is de auteur van The Black Swan, waarin hij een uitvoerig pleidooi houdt voor de onmogelijkheid om het onverwachte en het verrassende uit te sluiten.

BESLUIT

Met de presentatie van deze redenering en illustraties heb ik nog helemaal niets gezegd over hoe dit proces zich verder zal ontwikkelen. Heeft mijn verhaal enige coherentie dan is er geen uitweg om deze spanning op te lossen en dus zal een kapitalistische maatschappij verplicht zijn steeds maar nieuwe producten te bedenken. Het enige wat dit proces kan stoppen, is een gebrek aan middelen om het nieuwe te kunnen garanderen, met andere woorden, tot de uitputting erop volgt. De hamvraag, waarop ik op dit ogenblik geen antwoord heb, is of het mogelijk is om binnen een dergelijke economie alternatieven te ontwikkelen die niet aan dezelfde spanning ten onder gaan. Of, als ik het met een beeld mag uitdrukken, hoe vermijden we dat een spaarlamp effectief besparend is en niet gevangen raakt in een keten van altijd maar zuiniger en efficiënter spaarlampen (met dank aan de wetenschap en de technologie), wat ons verplicht om ze om de zoveel maand te vervangen, wat de besparing grotendeels teniet doet?

Jean Paul Van Bendegem
Hoogleraar Logica, Vrije Universiteit Brussel (VUB)

Referenties
- Richard Dawkins: The selfish gene. Oxford: Oxford University Press, 1989.
- Mireille Hildebrandt en Serge Gurtwirth (eds.): Profiling the European Citizen. Cross-Disciplinary Perspectives. New York: Springer, 2008.
- Herbert A. Simon, Massimo Egidi, Riccardo Viale, Fondazione Rosselli & Robin Marris: Economics, Bounded Rationality and the Cognitive Revolution. Cheltenham: Edward Elgar Publishing, 2008.
- Nassim Nicholas Taleb: The Black Swan. The Impact of the Highly Improbable. Londen: Penguin, 2007.
- Jean Paul Van Bendegem: Onder- en bovengrenzen en hoe erover te spreken. Samenleving en politiek, jg.17/nr. 8, 2010, pp. 51-54.

kapitalisme - kennis - neoliberalisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 9 (november), pagina 44 tot 50