Abonneer Log in

Identiteit en angst

Het neoliberale kapitalisme ontleed

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 9 (november), pagina 34 tot 43

In deze bijdrage identificeer ik, chronologisch, drie verschillende maatschappijen die telkens een ernstige impact hebben (gehad) op de identiteit, onbehagen en pathologie. Ik benoem ze als de Victoriaanse, de post mei ’68 en de Enron maatschappij. Een alternatieve, meer ironische, benaming wordt respectievelijk het tijdperk van het juiste orgasme, dat van de verplichte vrije liefde en uiteindelijk dat van het genot op afbetaling. De laatste, de Enron maatschappij, is de neoliberale samenleving waarin we nu leven. Ze is ethisch verwerpelijk.

SIGMUND FREUD

Vandaag gaat zo ongeveer iedereen ervan uit dat mentale problemen (depressie, ADHD, angst) uitingen zijn van onderliggende neurobiologische processen, die bovendien een genetische basis hebben. Pillen zijn in, praten uit. Mijn stelling staat daar lijnrecht tegenover: psychologische en zelfs psychiatrische problemen zijn morele stoornissen. De huidige mens beantwoordt ofwel te weinig ofwel te veel aan het maatschappelijke ideaalbeeld dat hem opgedrongen wordt, en precies daardoor wordt hij ziek. Met deze opvatting herneem ik een klassiek Freudiaans idee dat hij verwoordde in Civilisation and its discontents.

Freuds visie is een flink stuk genuanceerder dan het naïeve anti-maatschappelijke standpunt dat hem vaak toegeschreven wordt. Hij gaat ervan uit dat er een spanningsveld bestaat tussen maatschappij en individu, waarbij het individuele verlangen noodzakelijkerwijze ingeperkt wordt en moet worden door de maatschappij. De vraag is welke verschillende vormgevingen dit spanningsveld kan aannemen. Ik ga ervan uit dat een andere maatschappelijke organisatie leidt tot andere identiteitsvorming en tot andere mentale stoornissen.

HET VICTORIAANSE MODEL OF HET BELANG VAN HET JUISTE ORGASME

Over het Victoriaanse model kan ik vrij kort zijn, omdat we dit het best kennen. Dit is een door en door patriarchale maatschappij waarbij alle accent ligt op verbod. Bovendien ligt dit uitdrukkelijk gekoppeld aan een traditionele klassenmaatschappij en aan een dominant religieus vertoog. Er is nauwelijks ruimte voor het individu, dat slechts een onderdeel is van een dwingende maatschappij - in WO I neemt bijna een hele generatie spontaan dienst en gaan volwassen mannen zonder al te veel protest ‘over the top’ hun dood tegemoet. Het is ook geen toeval dat psychoanalyse in een dergelijke maatschappij haar ontstaansgrond gevonden heeft, waarbij een te dwingende moraal als ziekmakende factor beschouwd werd.

Freud neemt zonder aarzelen een duidelijke ethische stellingname in over deze verhouding maatschappij-individu. Psychopathologie wordt minstens voor een stuk bepaald door de al te strenge moraal, waardoor seksualiteit allerlei pathologische uitwegen moet zoeken via de neurotische symptomen. De impliciete norm voor een geslaagde behandeling is dan ook dat iemand op de juiste manier tot orgasme kan komen, voorbij de neurasthenische masturbatie, de angstneurotische abstinentie, de hysterische frigiditeit en de dwangneurotische smetvrees. Uit therapeutische overwegingen moet de analyticus vaak ingaan tegen een al te streng Ueber-Ich, zo schrijft Freud, en hetzelfde geldt voor wat hij het culturele Ueber-Ich noemt (Freud, 1930a). Terzelfder tijd is hij ervan overtuigd dat de analyticus nooit de positie van zielenredder of goeroe mag innemen (Freud, 1923b). De bedoeling van de behandeling is dat de analysant voldoende vrijheid verwerft om zelf ethische keuzes te maken.

HET POST MEI ’68 MODEL OF DE VERPLICHTE VRIJE LIEFDE

Dit brengt ons bij het post mei ’68 model, waarvan het effect een omkering is van het vorige. We kunnen dit mooi aflezen aan een bepaalde evolutie op het vlak van rechten. De Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 was in eerste instantie bedoeld voor bepaalde groepen. Het ging over de rechten van de vrouw, van het kind,… waarbij het ook over gemeenschappelijke belangen ging: recht op onderwijs, op gezondheidszorg, enzovoort. Vanaf de jaren 1960 werd dit hoe langer hoe meer gericht tegen ongeveer elke vorm van autoriteit, waarbij niet zozeer bepaalde groepen maar in toenemende mate vooral het individu bevrijd moest worden. Het is het tijdperk van het autonome zelf en de authentieke persoonlijkheid met liefst zoveel mogelijk rechten; de plichten werden doorgeschoven naar de gemeenschap.

De problemen waarvoor mensen toen op consultatie kwamen, verschilden in wezen niet van die uit het vorige tijdperk, zij het dat ze andere antwoorden verwachtten en ook kregen. Psychotherapie stond in het licht van de algehele bevrijding. In plaats van de Victoriaanse verdringing kregen we de post mei ’68-opdringing, en alles wat vroeger verboden was, werd verplicht. Aldus werd op relatief korte tijd het patriarchaal accent op de plichten vervangen door wat Peter Sloterdijk (2007) het grote verwenparadijs genoemd heeft. De effecten daarvan werden vooral in de jaren 1990 duidelijk, waarbij in West-Europa de verzorgingsmaatschappij uit een verzameling individuen bestond die elk hun eigen rechten vanzelfsprekend vonden.

Vandaag de dag is het bon ton hiertegen te reageren, waarbij de mei ’68 periode met de vinger gewezen wordt: de slinger is te ver doorgeslagen, de mensen zijn veel te egoïstisch en vertonen te weinig gemeenschapszin, enzovoort. Theodor Dalrymple (2001) is daar een welbespraakte illustratie van. Zijn stelling is zeer simpel: de huidige stortvloed aan psychische stoornissen is een gevolg van onze verwenmaatschappij en wordt bovendien in stand gehouden door al die therapeuten die mensen veel te lang in behandeling houden en wijsmaken dat ze er zelf niks aan kunnen doen. Zijn boeken staan vol sappige anekdotes die voor leken zeer overtuigend overkomen.

Anekdotes hebben evenwel geen wetenschappelijke bewijskracht en de man is bovendien niet goed op de hoogte van de sociaal-politieke evolutie. De verzorgingsstaat die hij als oorzaak van het kwade beschouwt, is zeker in Groot-Brittannië ten grave gedragen vanaf de jaren 1990. Dat er misbruik gemaakt wordt van ons systeem, is ongetwijfeld juist, maar profitariaat en ziektegewin kunnen onmogelijk de steeds stijgende cijfers van zelfmoord bij volwassenen en van zogenaamde gedragsstoornissen bij kinderen verklaren. In mijn redenering zijn beide fenomenen - zowel het profitariaat als de toenemende zelfmoordcijfers - niet het gevolg van een verwenmaatschappij, integendeel zelfs. Samen met het doorgedreven individualisme zijn dit de gevolgen van een derde maatschappelijk model, dat in menig opzicht nieuw is, en dat ik hier benoem als het Enron model of het genot op afbetaling. Het is dit model dat voor het hedendaagse onbehagen zorgt, zij het dan dat de term ‘onbehagen’ een veel te zwakke uitdrukking is.

HET ENRON MODEL OF HET GENOT OP AFBETALING

Niet zo lang geleden werd de maatschappij bepaald door het samenspel tussen minstens vier dimensies: het politieke, het religieus-ideologische, het economische en het culturele, waarbij het politieke en het religieuze luik de doorslag gaven. Vandaag zijn al die dimensies verdwenen: politici zijn voer voor stand-upcomedians, religie roept ofwel seksueel misbruik ofwel zelfmoordterrorisme op, en iedereen is kunstenaar. Zygmunt Bauman (1999) heeft een bepaald gevolg daarvan het scherpst verwoord: nooit hebben wij zoveel vrijheid gekend, en nooit hebben we ons zo machteloos gevoeld. In mijn lezing is deze vrijheid een al te optimistische benaming voor de huidige onverschilligheid die in de plaats gekomen is van de ideologische en religieuze beperkingen van weleer.

Er is maar één dominant discours meer over, met name het economische. Wij leven in een neoliberale samenleving waar alles een product geworden is. Bovendien gaat dit gepaard met een koppeling aan de zogenaamde meritocratie, waarbij iedereen verantwoordelijk geacht wordt voor het eigen succes of de eigen mislukking - dit is de mythe van de self made man. Als je slaagt, heb je het aan jezelf te danken, als je mislukt ook en het belangrijkste criterium is winst, geld - het moet opbrengen, dat is de boodschap.

In sociaaleconomische termen spreken we over een neoliberale meritocratie. Het neoliberale verwijst naar de overtuiging dat elke markt zichzelf reguleert en bijgevolg best zo weinig mogelijk gestuurd wordt zodat iedereen gelijke kansen krijgt. Dit klinkt heel mooi, maar het resultaat van dit model is nagenoeg het tegenovergestelde: de ongelijkheid neemt hand over hand toe, samen met de regelgeving. In plaats van de burger als onderdeel van een gemeenschap krijgen we nu het individu dat lijnrecht tegenover de organisatie gaat staan. De identiteit van dat individu wordt bovendien aangetast, wat vooral blijkt uit de aard en de frequentie van bepaalde stoornissen.

Neoliberale meritocratie

Zolang meritocratie zich beperkt tot het beste jongetje of meisje van de klas dat daardoor de begeerde studiebeurs krijgt en later een mooi salaris verdient, is er geen vuiltje aan de lucht. Vandaag is meritocratie ten volle ingebed in een hoogtechnologische, razendsnelle en geglobaliseerde pseudovrije markt, en het is die combinatie die dodelijk is voor de samenleving als gemeenschap. Dit wordt vooral duidelijk als we de effecten daarvan bekijken op het spanningsveld tussen individu en maatschappij. Tot voor kort werd dit veld beheerd door de klassieke ethiek die steevast gebaseerd was op een groot overkoepelend verhaal, hetzij religieus, hetzij ideologisch-vrijzinnig. Deze ethiek is samen met die overkoepelende verhalen verdwenen, en de vroegere idealen worden vandaag afgedaan als ‘wollig’.

Alasdair MacIntyre heeft de geschiedenis van deze verdwijning zeer treffend beschreven samen met de gevolgen. In de plaats van de vroegere ethiek, zo schrijft hij, leven we vandaag onder het juk van een morele fictie, met name dat van de systematische effectiviteit. Hij noemt dit moreel omdat bij de realisatie van die effectiviteit steevast mensen gemanipuleerd worden voor het bereiken van een extern doel. En hij noemt het een fictie omdat het helemaal niet effectief is, integendeel, het is niets anders dan een masker voor een doorgedreven sociale controle (MacIntyre, 2007, pp. 73-79).

Voorbij dat masker is het niet zo moeilijk om het externe doel te ontdekken: meer winst. Binnen dit model is alles een commodity geworden, een verhandelbaar goed, en dat geldt bij uitstek voor wat vroeger het voorwerp van ethiek was, met name genot. Het geldt evenzeer voor zaken die gisteren nog tot de rechten van de burger behoorden, zoals zorg, onderwijs en een vrije pers. Ultiem gezien geldt het zelfs voor ons: ook wij zijn ondertussen een verhandelbaar product, want digitale gegevens over ons consumptiegedrag worden voor grof geld verhandeld.

Vandaag is de voornaamste plicht zoveel mogelijk te genieten, ‘te profiteren’ zoals het dan heet, zij het tegen betaling en in toenemende mate op afbetaling. De alomtegenwoordige publiciteit illustreert hoe ongeveer alle marktwaren geërotiseerd worden. Genot in de eigenlijke betekenis van het woord is een belangrijk medisch commercieel doel, waarbij farmaceutische bedrijven o.a. bestuderen hoe ze gezonde mannen kunnen overtuigen om viagra te slikken.1 Het resultaat is dat mensen ziek worden wegens een teveel aan ‘genot’, van seks- tot shopverslaving.

Ook de rechten van weleer zijn te betalen producten geworden. Naast zorg kost ook degelijk onderwijs een fortuin in een neoliberale omgeving. Dat onderwijs is heel erg belangrijk want binnen dit model heeft het individu slechts één plicht: hij moet het maken, waarbij hij alle kansen en opportuniteiten maximaal moet benutten. Wie slaagt, heeft dat aan zijn eigen inzet te danken; wie mislukt ook, dat is het nieuwe credo. Uit hoofde van het meritocratische systeem gebeurt dit slagen noodzakelijkerwijs in concurrentie met de collega’s, solidariteit kan enkel als het op korte tijd persoonlijk profijt oplevert. De stijl hiervoor werd gezet in het Amerikaanse Enron bedrijf, onder de benaming Rank and Yank. De prestaties van iedere werknemer werden competitief beoordeeld, en op grond daarvan kreeg jaarlijks één vijfde van de werknemers de bons, na eerst publiek vernederd te zijn door hen met naam en foto én mislukking op de website van het bedrijf te zetten (de Waal, 2009, p. 51). Binnen de kortste keren vervalste ongeveer iedere werknemer zijn prestaties, wat uiteindelijk tot een bankroet leidde. Dit neemt niet weg dat afgezwakte versies van het Enron model ondertussen zo ongeveer overal toegepast worden.

Wat zijn de effecten hiervan op het nieuwe onbehagen? Ruimer: op het spanningsveld burger en maatschappij, en de daaruit voortvloeiende identiteit en stoornissen?

HET NIEUWE ONBEHAGEN

Van burger als lid van een maatschappij naar het individu tegenover de organisatie

Vanaf de jaren 1990 verschuift het klassieke spanningsveld tussen maatschappij en burger naar een tegenstelling tussen het individu en de organisatie. Deze veranderingen kaderen binnen een veralgemeende managementcultuur waar effectiviteit het hoogste en in feite zelfs het enige goed is. Het gaat inderdaad om een tegenstelling, omdat het individu zich niet langer identificeert met die organisatie en al helemaal niet meer bereid is zich daarvoor op te offeren. Het enige wat hem interesseert is wat het oplevert. Bij gebrek aan een overkoepelende ethiek is alles toegelaten, zolang het maar niet expliciet door het contract verboden wordt, dat is de kern van de neoliberale moraal. Lijnrecht daartegenover staat de organisatie, die de rechten - beter gezegd: de eisen - van het individu vooral wil inperken in functie van een verondersteld algemeen belang - maar in feite in het belang van die organisatie.

Aangezien er geen overtuigende gemeenschappelijke ethiek is die dat algemeen belang verwoordt, wordt de nieuwe morele maatstaf puur utilitair. Concreet betekent dit dat alles afgemeten wordt, liefst zelfs letterlijk, in termen van productie, groei en winst. Om dit meetproces te realiseren, moet elke organisatie frequente evaluaties doorvoeren, die binnen de kortste keren de allures krijgen van controles. Immers, elk individu is verdacht, aangezien iedereen uit is op eigen profijt. Op de koop toe wordt een organisatie ook geleid door individuen, die als individu evenzeer hun eigen profijt opeisen, en die bijgevolg nog méér verdacht zijn. Vandaar dat ook zij gecontroleerd en geëvalueerd moeten worden, maar de vraag is wie die controle evalueert, enzovoort. In een dergelijke maatschappij verdwijnt de vroegere autoriteit, zoals die ooit gedragen werd door identificeerbare figuren, en wordt ze vervangen door een bureaucratische macht binnen een anonieme organisatie die functioneert op basis van steeds meer gedetailleerde contracten.

Aldus ontstaat er een negatieve spiraal tussen individu en organisatie, die elkaar hoe langer hoe minder vertrouwen. Precies omdat de overkoepelende ethiek verdwenen is, moet de organisatie steeds meer regelgevingen invoeren, in combinatie met steeds meer registratiesystemen om te zien of die regels wel toegepast worden. Vandaar de exponentiële groei van camera’s om toch maar iedereen en alles te controleren, samen met openlijke en verborgen evaluatiesystemen, functioneringsgesprekken, enzovoort. Op zijn beurt voelt het individu zich hoe langer hoe meer aangetast in zijn rechten, en neemt hij nog meer afstand van de organisatie. Concreet: iedereen probeert zoveel mogelijk te ontsnappen aan de toenemende regels en registratiesystemen. Dit is niet eens zo moeilijk, omdat de mogelijkheid om met die registratie- en meetsystemen te knoeien recht evenredig toeneemt met de groei ervan. De metingen worden daardoor hoe langer hoe minder betrouwbaar, waardoor er nog méér registraties en controles komen. Als gevolg daarvan ontstaat er onvermijdelijk een klimaat van angst en onzekerheid.

In mijn visie is het belangrijkste effect de verschuiving van intrinsiek naar extrinsiek. In het vorige model kon elke professional tot op zekere hoogte zelf bepalen wat hij wel en wat hij niet belangrijk vond. Dit impliceerde meteen een motivatie die van binnenuit kwam, een intrinsieke drijfveer om het goed te doen, waarbij men zich ook zelf verantwoordelijk voelde. Vandaag worden de kwaliteitscriteria opgelegd van buitenaf, zonder rekening te houden met eventuele plaatselijke en individuele verschillen, waardoor er een uniform product ontstaat, een eenheidsworst. Dergelijke externe criteria impliceren meteen dat de motivatie om het goed te doen niet meer van binnenuit komt, maar evenzeer extern ligt, in functie van het beantwoorden aan die opgelegde externe normen. Ongeveer elk motivatieonderzoek toont dat dit zeer negatief is, zowel voor de inzet en arbeidsvreugde van de werknemer als voor de kwaliteit van het geleverde werk (Pink, D. 2009).

Na verloop van een aantal jaar eindigt dit in het verdwijnen van een arbeidsethiek, en vervolgens in het verdwijnen van een ethiek op zich. In de plaats daarvan komt er een externe regelgeving die via allerlei vormen van kwaliteitshandboeken en cameracontrole bewaakt wordt. Immers, als ikzelf de kwaliteit van mijn werk niet meer kan bepalen en de criteria van buitenaf opgelegd worden, dan voel ik mij nog nauwelijks betrokken en bijgevolg ook niet meer verantwoordelijk. Nog een stap verder en het kan mij eigenlijk niet veel meer schelen, zolang ik maar binnen de lijntjes kleur. Op dat ogenblik is de ethiek grotendeels verdwenen.

Sociale angst als het kenmerk van de nieuwe identiteit

Elk maatschappelijk bestel bepaalt zowel de identiteitsontwikkeling als de eventuele stoornissen van haar leden.2 Onder het juk van een hyperstreng Ueber-Ich produceerde de Victoriaanse maatschappij neurotische burgers die steeds bereid waren om als groep voor hun eigen patriarch te vechten tegen die van een andere groep. De Enron maatschappij produceert consumerende individuen die elkaar onderling beconcurreren. Voor Lacan luidt het bevel van het postmoderne Ueber-Ich als volgt: ‘Jouis’, geniet (Lacan, 1966, p. 821). Het onbehagen van de Victoriaanse burger had te maken met een tekort aan genot en een teveel aan groep. Het huidige onbehagen van het postmoderne individu is een effect van een teveel aan genot en een tekort aan groep. Wij moeten ons te pletter genieten, of, correcter uitgedrukt, te pletter consumeren en in vergelijking met niet eens zo lang geleden zijn de huidige inperkingen minimaal. De adder onder het gras is evenwel dat wij het moeten verdienen, letterlijk en figuurlijk, door het te maken - dat is onze plicht - en dit in voortdurende concurrentie met de ander. Een dergelijke bestel maakt de angst van Thomas Hobbes bewaarheid, met name het Homo homini lupus est.3 Het resultaat is depressive hedonia, naar een rake uitdrukking van Mark Fisher (2009, p.21).

Een meritocratisch systeem gaat heel snel bepaalde persoonlijkheidskenmerken privilegiëren en andere afstraffen, waarmee het bestel zichzelf in stand houdt. Zo is een competitieve instelling een must, en dus neemt individualisme de overhand. Flexibiliteit is ten zeerste gewenst, met als prijs een oppervlakkige en instabiele identiteit. Solidariteit wordt een kostbare luxe, in de plaats daarvan ontstaan er steeds tijdelijke coalities met als voornaamste zorg dat men er meer baat bij heeft dan verlies. Diepgaande sociale banden met collega’s zijn daardoor nagenoeg uitgesloten, een emotionele betrokkenheid bij het werk zelf is er nog nauwelijks en al helemaal niet meer bij het bedrijf of de organisatie. In dit verband is een typisch hedendaags defensiemechanisme letterlijk sprekend, met name: cynisme, als uiting van het zich niet meer willen of kunnen engageren.

Individualisme, profitariaat en graaicultuur worden quasi endemisch, en zijn wel degelijk gevolgen van het Enron model, en niet van de verzorgingsstaat van weleer. Onderhuids leeft er angst, van faalangst tot ruimere sociale angst. Deze psychiatrische categorie is de laatste decennia spectaculair gestegen, en is een financieel succes voor de farmaceutische industrie. Het vervolg herken ik in de toenemende diagnose ‘autisme’ bij jongeren. Deze heeft volgens mij nog weinig te maken met het klassieke autisme, en verwijst vooral naar toenemende vormen van sociale isolatie, weg van de al te bedreigende ander.

De dwingende concurrentie op grond van een financiële meritocratie maakt steeds meer evaluaties noodzakelijk op de werkvloer. Dit veroorzaakt een daling in de autonomie, in het zogenaamde agency gevoel. Een dergelijke daling in combinatie met een groeiende afhankelijkheid van externe en bovendien regelmatig verschuivende evaluatiecriteria veroorzaken wat de socioloog Richard Sennett heel treffend een infantilisering van de werknemers noemt (Sennett, 2003, p. 46; pp. 102-107). Volwassen mensen vertonen kinderlijke woedeaanvallen, zijn jaloers voor trivialiteiten, vertellen leugentjes om bestwil, deinzen vaak niet terug voor bedrog, en koesteren leedvermaak en kleinzielige wraakgevoelens. Pesten was vroeger een probleem op de scholen, nu is het volop aanwezig op de werkvloer, als een typisch symptoom van onmacht, waarbij de frustraties afgereageerd worden op de zwaksten - dit is de zogenaamde ‘bicycle reflex’: trappen naar beneden en duwen naar boven.

Samen met de daling inzake agency ontstaat er ook een centrale aantasting van zelfrespect en identiteit. Beide hangen in grote mate af van de erkenning die men krijgt van de ander, dit is de les die van Hegel tot Lacan doorklinkt. Voor Hegel ligt de erkenning door de ander aan de basis van ons zelfbewustzijn. Lacan legt in de uitspraak Tu es cela (‘Dat ben jij’, Lacan, 1966, p.100) het vertrekpunt van onze identiteitsontwikkeling waarbij het onderliggende motief de angst is dat die ander ons niet meer nodig heeft, het Veut-il me perdre? (‘Wil hij me kwijt?’ Lacan, 1973, p.194). Ongeweten verwoordt Sennett hetzelfde wanneer hij in de mond van de huidige werknemer de vraag legt Who needs me? (1998, p.146). Voor een groeiende groep is het antwoord: niemand. Zij maken deel uit van de quantité négligable, overbodig en zelfs onzichtbaar.

Resultaat: vernedering, schuld en schaamte, omdat men het niet gemaakt heeft, omdat men een loser is, meteen een van de belangrijkste nieuwe scheldwoorden. Dit is des te schrijnender omdat het vooral optreedt bij mensen die ondanks hard werken, toch uit de boot gevallen zijn. Burn-out wordt niet zozeer veroorzaakt door een te hoge werkdruk, wel door een tekort aan waardering en respect, zowel horizontaal als verticaal (Vanheule et al., 2003; Vanheule & Verhaeghe, 2005). Dit blijft niet beperkt tot de onderkant van de maatschappij, maar is op elk niveau vaststelbaar. Zo is stress en ziekte bij academici geen gevolg van een te hoge werkdruk, wel van de combinatie tussen die druk en het gebrek aan autonomie binnen dat werk (Berg et al., 2004).

Uit hoofde van dit systeem zelf ontstaat er na verloop van een aantal jaren een heel duidelijke polarisatie tussen winnaars en verliezers. Wie verliest, krijgt bovendien te horen dat het zijn eigen schuld is, terwijl zijn ervaring is dat hij hoe langer hoe minder zeggingskracht en autonomie heeft. Daartegenover staan de winnaars, waarbij stoute sociologen beweren dat de meest succesvolle figuren in een doorgedreven meritocratie deze met een psychopathisch profiel zijn (Babiak & Hare, 2006). Ter informatie: in de bijbel van het neoliberalisme, Atlas shrugged geschreven door Ayn Rand, wordt hebzucht naar voor geschoven als de belangrijkste menselijke deugd.

Het zelfbestendigende karakter van het bestel heeft te maken met de bevoordeling van de winnaars - op relatief korte tijd leidt dit tot een winner takes it all systeem, waardoor de middengroep steeds kleiner wordt, en de afstand tussen de bovenklasse en de ondergroep steeds groter. Een toenemende sociale ongelijkheid correleert heel duidelijk met toenemende maatschappelijke mistoestanden, van schools falen tot misdaad, én met heel wat ziektes, van diabetes tot depressie. De studies van Richard Wilkinson en Kate Pickett (2010 en 2007) leveren op dit vlak overdonderend cijfermateriaal en zouden verplichte lectuur moeten zijn voor elke politicus.4

De eerder geciteerde Alasdair MacIntyre voorspelde twintig jaar geleden al wat er nu in de hulpverlening aan het gebeuren is: psychotherapeuten en managers versmelten tot een hybride cerberus die vooral moet waken over sociale aanpassing en efficiëntieverhoging. Hij voegt eraan toe: ‘Neither manager nor therapist, in their roles as manager and therapist, do or are able to engage in moral debate’ (o.c., p. 30). Voor mij, als psychoanalyticus en als hoogleraar, is dit een breekpunt. Ten tijde van de Victoriaanse dubbele moraal nam Freud een standpunt in tegen een al te repressieve maatschappij. Tijdens de post mei ’68 periode deelde het merendeel van de analytici een verstandig stilzwijgen. Dit laatste is nu geen optie meer, omdat het huidige bestel ethisch verwerpelijk is. Een maatschappij die toestaat dat de sociale netwerken, in de eigenlijke betekenis van het woord, systematisch ondergraven worden door de wijze waarop arbeid georganiseerd wordt, tekent haar eigen doodvonnis.

Paul Verhaeghe
Hoogleraar psycholanalyse, UGent

Noten
1/ In een officieel gepubliceerd artikel (Bradfield et al., 2009), niet toevallig in het Journal of Medical Marketing, wordt deze strategie - in feite volksmisleiding - in zoveel woorden toegegeven, samen met de bejubeling van het financiële succes. Een paar citaten: ‘Although a standardized ‘functional’ or ‘dysfunctional’ erection does not exist, Pfizer has reclassified and pathologized ‘normal’ sexual changes as sexual dysfunctions (p.347) (...) By including a ‘mild’ category of erectile dysfunction, Pfizer was able to expand the market from 10 million men with ‘impotence’ to 30 million men with ‘occasional erectile dysfunction’ (p. 348) (...) Moreover, the publication and dissemination of these high rates of dysfunction gives the impression that normal sexual decline is now a serious public health ‘epidemic’’ (p. 348).
2/ Paul Verhaeghe, Identiteit, 2012, Amsterdam, De Bezige Bij.
3/ Het grote verschil is dat deze ‘oorlog van allen tegen allen’ ten tijde van Hobbes gemotiveerd werd in naam van religieuze en politieke idealen, en dat er bovendien een duidelijke schaarste was van overlevingsgoederen. Bij een neoliberale meritocratie wordt de concurrentie uitsluitend aangegaan in functie van persoonlijke winst, en is overleving niet meer het punt, wel ongelijkheid, die het best gemeten kan worden via verschil in inkomen (zie Wilkinson, 2007). Deze zijn de laatste decennia in West-Europa zeer sterk toegenomen, zodat er zelfs sprake is van de verdwijning van de middenklasse.
4/ Op grond van een indrukwekkende hoeveelheid onderzoek toont Wilkinson (2007) aan dat lichamelijke en psychische gezondheid en levensduur heel duidelijk negatief correleren met drie centrale factoren: lage sociale status met daardoor veroorzaakt gebrek aan agency, beperkte sociale relaties, en negatieve vroegkinderlijke ervaringen. De sterkste voorspeller voor die drie factoren is sociale ongelijkheid gebaseerd op inkomsten, en laat dat nu net het doel zijn van een neoliberale meritocratie. Twee voorbeelden uit de vele. Lagere (Britse) ambtenaren vertonen op grond van stress een hogere bloedstollingsfactor wat dan tot vier maal meer sterfte op grond van hartfalen leidt (p. 163). Experimenteel werd aangetoond dat lage sociale status bij apen insuline resistentie installeert, wat dan de voorloper is van diabetes (p.73). Verhoogde agressie bij mannen en depressie bij vrouwen, gedragsproblemen bij kinderen en verslaving bij elke categorie zijn dan de psychologische gevolgen (hoofdstukken 5, 6 en 7).

Bibliografie
- Babiak, P. & Hare, R. (2006). Snakes in Suits: When Psychopaths Go to Work. ReganBooks.
- Bauman, Z. (1999). In search of politics. Stanford: Stanford University Press.
- Berg, E., Barry, J. & Chandler, J. (2004). The New Public Management and Higher education: A Human Cost?’, In: Dent, M., Chandler, J. and Barry, J. (red.). Questioning the New Public Management. Ashgate: Aldershot, pp. 161-175.
- Bradfield, O., Parker, C. & Goodwin, L. (2009). Sustaining performance: Learning from buyers experience of Viagra. Journal of Medical Marketing, 9, pp. 343-353.
- Dalrymple, T. (2001). Life at the Bottom: The Worldview That Makes the Underclass. Chicago: Ivan R. Dee, Publisher, 2001.
- de Waal, F. (2009). Een tijd voor empathie. [The Age of Empathy; Nature’s Lessons for a Kinder Society]. Amstel: Atlas-Contact.
- Fisher, M. (2009). Capitalist Realism. Is There No Alternative? Winchester/Washington: Zero Books.
- Freud, S. (1978 [1923b]). The Ego and the Id. The Standard Edition of the Complete Psychological Works of Sigmund Freud, 19 (pp. 1-66). London: The Hogarth Press.
- Freud, S. (1978 [1930a]). Civilization and its Discontents. The Standard Edition of the Complete Psychological Works of Sigmund Freud, 21 (pp.57-145). London: The Hogarth Press.
- Lacan, J. (1966). Ecrits. Paris: Seuil.
- MacIntyre, A. (2007 [1981]). After Virtue. A study in moral theory. Third Edition. London, Duckworth.
- Pink, Dan (2009). The surprising science of motivation. TEDGLOBAL 2009.
- Sennett, R. (1998). The Corrosion of Character. The Personal Consequences of Work in the New Capitalism. New York/London: Norton Company.
- Sennett, R. (2003). Respect in a World of Inequality. New York/London: Norton company.
- Sloterdijk, P. (2007). Het kristalpaleis. Een filosofie van de globalisering. SUN: Nijmegen.
- Tiefer, L. (2006). Female Sexual Dysfunction: a Case Study of Disease Mongering and Activist Resistance. PlosMedicine, vol. 3, issue 4, pp. 436-440.
- Vanheule, S., Lievrouw, A. & Verhaeghe, P. (2003). Burnout and intersubjectivity: A psychoanalytical study from a Lacanian perspective. Human Relations, 56(3), pp. 321-339.
- Vanheule, S., & Verhaeghe, P. (2005). Professional burnout in the mirror: A qualitative study from a Lacanian perspective. Psychoanalytic Psychology, 22(2), pp. 285-305.
- Wilkinson, R. (2007 [2005]). The Impact of Inequality. How to make sick societies healthier. London/New York: Routledge.
- Wilkinson, R. & Pickett, K. (2010). The Spirit Level. Why Equality is Better for Everyone. London: Penguin Books.

identiteit - kapitalisme - neoliberalisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 9 (november), pagina 34 tot 43