Abonneer Log in

Kinderarmoede in België en Vlaanderen

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 1 (januari), pagina 12 tot 21

Het verminderen van kinderarmoede is voor alle overheden in ons land, de Europese incluis, een absolute beleidsprioriteit. Toch boeken we geen vooruitgang en, erger, lijkt het probleem alleen maar groter te worden. Frank Vandenbroucke stak onlangs nog de lont in het kruitvat met zijn vaststelling dat de kinderarmoede in ons land significant was gestegen, terwijl het armoederisico voor gepensioneerden - traditioneel een zeer kwetsbare groep - significant was gedaald.1 Vandenbroucke besloot dat kinderarmoede de nieuwe koortsthermometer voor welvaartsstaten aan het worden is. Dat de Belgische welvaartsstaat koorts heeft is het vertrekpunt van deze bijdrage.

HET IJKEN VAN DE KOORTSTHERMOMETER

Wie de berichtgeving over kinderarmoede in de pers erop naleest, blijft echter een beetje in verwarring achter. Het is immers niet altijd even duidelijk hoe hoog de koorts nu precies oploopt. Is het nu een op vier kinderen of een op vijf kinderen die in armoede leven? Of toch ‘slechts’ een kind op tien? Sommige berichten maakten dit jaar zelfs gewag van een verdubbeling van de kansarmoede bij kinderen. Klopt dat, of is de koortsthermometer stuk? Net zoals een chirurg bij voorkeur over een juiste diagnose beschikt alvorens aan het opereren te slaan, moet het beleid geïnformeerd worden middels een genuanceerde interpretatie van zo juist mogelijke cijfers.

Om die reden zal ik in dit stuk in de eerste plaats veel aandacht besteden aan het ijken van de koortsthermometer: wat bedoelen we met kinderarmoede, hoe meten we dat en wat kunnen we daarover met zekerheid zeggen? Wat leert een vergelijking met andere EU-landen? En hoe kunnen we dat verklaren? Ik zal hierbij zowel de Belgische als de regionale situatie in ogenschouw nemen. Op basis van die diagnose zal ik dan ten slotte - en binnen de beperkte ruimte van dit stuk - een aantal beleidsopties op een rijtje zetten die een reëel effect kunnen hebben op het armoederisico van kinderen, met een focus op de specifieke rol die Vlaanderen kan en zou moeten spelen. Daarbij neem ik expliciet stelling tegen een recente tendens om kinderarmoede als een ‘lokaal probleem’ te beschouwen, waaruit dan volgt dat de oplossing zich eveneens op het lokale niveau situeert. Ter illustratie: kinderpsychiater Peter Adriaenssens zei recent in een uitzending van Terzake over kinderarmoede dat ‘je daar als land, als groot beleid, niet zo veel aan kunt veranderen’.2 Ik ben het daar niet mee eens. Contra Adriaenssens wil ik betogen dat een land maar een succesvol kinderarmoedebeleid kan voeren wanneer het consistent, volgehouden en structureel inzet op inkomensbescherming, dienstverlening en tewerkstelling.

WAAROM PRIORITAIR INZETTEN OP KINDEREN?

Alvorens mij aan een diagnose van het probleem kinderarmoede te wagen, wil ik even kort ingaan op de vraag waarom het noodzakelijk is om als samenleving in te zetten op kinderarmoede en, breder, te investeren in kinderen. Inzetten op kinderen impliceert uiteraard niet dat er geen aandacht moet worden besteed aan andere risicogroepen. Eerder integendeel. Zoals we straks zullen zien, is een succesvol kinderarmoedebeleid immers ook een beleid dat succesvol is in de strijd tegen armoede bij volwassenen, en vice versa. Maar ik ben er van overtuigd dat er goede redenen zijn om als samenleving bijkomende inspanningen te doen voor kinderen.

Een eerste reden is normatief van aard en gaat over verantwoordelijkheid. Het is een zeer sterk en wijd verspreid (i.e. door de meerderheid van de mensen gedeeld) principe van rechtvaardigheid dat mensen niet verantwoordelijkheid kunnen worden gehouden voor hun levenssituatie wanneer zij er niets aan kunnen doen, wanneer het hen is ‘overkomen’. De staat heeft dan de morele plicht om die onrechtvaardigheid (denk aan het Rawlsiaanse principle of redress) zo goed als mogelijk ongedaan te maken, wat meteen een krachtig kinderarmoedebeleid legitimeert. In de ogen van de buitenwereld ontstaat vaak twijfel over de oorzaak van armoede bij volwassenen (heeft men niet de verkeerde keuzes gemaakt?). Naar mijn aanvoelen is deze (schuld)vraag de foute vraag om te stellen, maar het is ook een gevoelige kwestie die de perceptie van veel burgers voedt en eigenlijk een aparte behandeling verdient. Voor kinderen is de situatie echter glashelder: zij kiezen er niet, nooit, voor om in een arm gezin geboren te worden en op te groeien.

Een tweede reden is instrumenteel van aard en gaat over de temporele dimensie van investeren in kinderen. Kinderen zijn, om het wat oneerbiedig uit te drukken, de meest kostbare grondstof van een samenleving. Wij hebben er allemaal belang bij dat alle kinderen kunnen opgroeien tot volwaardige burgers die hun plaats in de samenleving en op de arbeidsmarkt kunnen opnemen. Kinderarmoede bestrijden gaat dus niet alleen over onrechtvaardigheid hier en nu, maar is ook investeren in een rechtvaardige samenleving in de toekomst. En dat is nodig. Opgroeien in armoede heeft voor kinderen immers nefaste gevolgen voor hun cognitieve en sociale ontwikkeling, gevolgen die tot ver in de volwassenheid blijven doorwerken, en hoe jonger het kind, hoe hardnekkiger de gevolgen. Kinderen die opgroeien in armoede zetten over het algemeen minder goede schoolprestaties neer, vertonen meer problematisch gedrag en maken meer kans op vroegtijdige schooluitval. Hun ouders zijn ook minder goed in staat om hen te helpen bij hun schooltraject (niet alleen financieel maar ook cognitief) en vaak groeien ze ook nog eens op in buurten en wijken die al deze problemen cumuleren, waardoor hun sociaal netwerk beperkter is. Als kind daaraan ontsnappen lukt simpelweg niet op eigen kracht. Op langere termijn groeien deze kinderen op tot volwassenen die niet op een volwaardige manier aan het arbeidsmarktproces kunnen deelnemen en meer dan andere groepen afhankelijk zijn van uitkeringen. Het ultieme failliet is dan dat deze arme kinderen vaak zelf arme ouders worden. Het doorbreken van deze intergenerationele armoedecyclus is dan ook noodzakelijk om alle potentieel van onze samenleving dezelfde ontwikkelingskansen te geven.

DE DIAGNOSE

Het gros van de armoedecijfers die vandaag in de krant verschijnen, zijn gebaseerd op eenzelfde gegevensbron, de EU-SILC (European Union Survey on Income and Living Conditions). Deze databank vormt de basis voor het Europese statistisch instrumentarium om de levensomstandigheden van Europese burgers op te volgen. Speerpunt van een ganse batterij indicatoren is de ‘at-risk-of-poverty’ indicator. Mensen worden als arm (of beter: levend met een risico op armoede) beschouwd wanneer hun netto besteedbaar gezinsinkomen minder bedraagt dan de armoedegrens, bepaald als 60% van het mediaan gezinsinkomen van de lidstaat in kwestie.3 De armoedegrens is relatief en hangt bijgevolg af van het algemeen welvaartsniveau van een land (de grens ligt dus bijvoorbeeld een pak hoger in Luxemburg dan in Roemenië) en weerspiegelt het minimum minimorum om op een aanvaardbare manier te kunnen deelnemen aan de samenleving. Deze inkomensgrens correspondeert voor ons land goed met de referentiebudgetten, budgetnormen die gebaseerd zijn op reële korven van goederen en diensten die noodzakelijk worden geacht om menswaardig te leven.4 Voor België geeft de relatieve ‘armoederisiconorm’ dus een accuraat beeld van welke middelen men nodig heeft om op een menswaardige manier te kunnen deelnemen aan de samenleving. De armoedecijfers die ik hieronder presenteer zijn dan ook gebaseerd op deze indicator. Wanneer ik spreek over kinderarmoede gaat het over kinderen (0-17 jaar) die leven in een gezin met een gezinsinkomen beneden de armoedegrens.

Dat wil uiteraard niet zeggen dat deze manier van ‘armen tellen’ vrij is van kritiek. Zo is ‘inkomen’ uiteraard te beperkt om alle dimensies van het leven in armoede te vatten en is de indicator ook ruw: het aantal bevraagde mensen is te klein om op een gedetailleerd (geografisch) niveau armoede-evoluties in kaart te brengen, al zeker niet voor subgroepen (zoals bijvoorbeeld jonge kinderen). Daarom zal ik de onderstaande analyses aanvullen met de kansarmoede-indicator van Kind en Gezin (K&G). Deze indicator weerspiegelt het aantal kinderen die worden geboren in een kansarm gezin, gebaseerd op het inkomen, de opleiding en de werksituatie van de ouders, de ontwikkeling van de kinderen, hun gezondheid en hun woning. Het is dus een multidimensionale indicator die specifiek de situatie van de jongste kinderen in kaart brengt en derhalve een goede aanvulling vormt op de relatieve armoede-indicator op basis van EU-SILC. De EU-SILC en de K&G indicator zijn feitelijk de enige twee bronnen die ons toelaten iets over kinderarmoede te zeggen in Vlaanderen.

Wie trouwens van mening is dat leven onder de armoedegrens geen ‘echte’ armoede is mag gauw wat anders denken. De armoedegrens bedraagt op het moment van schrijven 1000 euro voor een alleenstaande of 1.600 euro voor een alleenstaande ouder met twee jonge kinderen. Als je met twee jonge kinderen woont voor 500 euro (en dat is op de private huurmarkt vaak nog zeer goedkoop) heb je nog 37 euro per dag om voor eten, kledij, scholing en gezondheidszorg te zorgen. En dan is de elektriciteitsrekening nog niet betaald.

Figuur 1 toont het armoederisico van kinderen en van de ganse bevolking voor Europese landen in het jaar 2009 (het meest recente jaar waarvoor ik betrouwbaarheidsintervallen kan berekenen). Een eerste vaststelling is dat de landenverschillen erg groot zijn. Het kinderarmoederisico gaat van ongeveer 10% in Denemarken, Finland en Noorwegen over ongeveer 18% in België, Frankrijk, Malta en Slowakije tot meer dan 25% in Spanje, Letland, Bulgarije en Roemenië. België is maar een middenmoter in het Europese peloton. Een tweede vaststelling is dat er een duidelijk verband is tussen het armoederisico voor de hele bevolking en het armoederisico voor kinderen (r = 0,87): een effectief algemeen armoedebeleid is ook een goed kinderarmoedebeleid

Figuur 1: Armoederisico voor kinderen en de ganse bevolking, Europese landen, 2009.
(Bron: eigen berekeningen op EU-SILC 2010.)


Figuur 2 toont het verband tussen het herverdelingsbeleid (de sociale uitgaven zonder pensioenen in % van het totale beschikbare inkomen) en kinderarmoede: hogere sociale uitgaven gaan gepaard met minder kinderarmoede (r = -0,60). Dat is meteen ook munitie voor de stelling dat het ‘groot beleid’, het geheel van sociale bestedingen, een belangrijke rol speelt in het terugdringen van kinderarmoede. Maar de correlatie is niet perfect. Sommige landen, waaronder België, geven relatief veel uit en slagen er toch niet zo goed in om de kinderarmoede te verminderen. De doelmatigheid van de sociale uitgaven is niet voor elk land gelijk.

Figuur 2: Verband tussen sociale uitgaven en kinderarmoede, Europese landen, 2009.
(
Bron: eigen berekeningen op EU-SILC 2010.)

Wat kunnen we nu op basis van armoederisico-indicator vertellen over de evolutie van kinderarmoede in België? Figuur 3 toont de evolutie van het armoederisico voor kinderen, actieven (18-64), ouderen (65+) en de gehele bevolking tussen 2005 en 2009 voor België, Vlaanderen en Wallonië (de SILC laat helaas niet toe om betrouwbare armoedecijfers voor Brussel te berekenen). We zien dat het gemiddelde armoederisico in deze tijdsspanne van vijf jaar gelijk is gebleven. Deze stilstand verbergt verschuivingen bij subgroepen: het armoederisico bij ouderen is significant gedaald (van 23% tot 19%) terwijl het armoederisico bij kinderen significant gestegen is (van 15% tot 18%). De Belgische bril verhult echter tegengestelde evoluties in Vlaanderen en Wallonië. Het armoederisico voor ouderen is significant gedaald in Vlaanderen, maar niet in Wallonië terwijl het kinderarmoederisico significant is gestegen in Wallonië (van 19% naar 24%) maar niet in Vlaanderen.

Figuur 3: Evolutie van het armoederisico voor België, Vlaanderen en Wallonië, 2005 en 2009.
(Bron: eigen berekeningen op EU-SILC 2006 en 2010.)
\*(\*): significantie

Prima facie lijkt het probleem van stijgende kinderarmoede dus geen Vlaams probleem te zijn. Hoewel de kinderarmoede in Vlaanderen wel stijgt van 10,2 naar 10,8% kunnen we deze kleine verschuiving niet onderscheiden van statistische ruis. Dat wil echter niet zeggen dat er geen probleem is. De kansarmoede-index van K&G toont immers een ander beeld: tussen 2005 en 2011 is het aantal geboortes in een kansarm gezin gestegen van 5,9% tot 9,7%. Het kan dus goed zijn dat onze koortsthermometer (de armoede-indicator op basis van EU-SILC) op dit moment nog te ruw is om toegenomen risico’s bij specifieke groepen adequaat op te pikken. De K&G indicator laat meer geografisch detail toe en toont vooral een stijging in stedelijk gebied.

Verdere analyses op basis van SILC (niet in de figuur) tonen dat kinderarmoede geconcentreerd is bij een beperkt aantal gezinstypes: grote gezinnen, alleenstaande moeders en migrantengezinnen (ruw gedefinieerd als gezinnen waarbij de ouders niet in de EU zijn geboren). Vooral de kinderen in deze laatste groep lopen een zeer groot risico. Ter illustratie: wanneer ik deze groep uit de SILC gegevens weglaat en het kinderarmoedecijfer opnieuw bereken, zakt het kinderarmoederisico met zo’n 5 procentpunt. Dat zo’n kleine groep (in absolute aantallen) zo’n sterke invloed heeft op het algemene kinderarmoedecijfer toont dat hun kwetsbaarheid bijzonder groot is.

Ten slotte speelt de arbeidsmarktdeelname van de ouders een zeer grote rol: het armoederisico van kinderen in werkarme gezinnen (dat zijn gezinnen waar minder dan de helft van het arbeidspotentieel wordt benut5) bedraagt 70%, dat is hoger dan het Europese gemiddelde, terwijl het armoederisico van kinderen in werkrijke gezinnen 8% bedraagt, lager dan het Europese gemiddelde. Veel volwassenen op actieve leeftijd in een arm gezin hebben dan ook een zwak arbeidsmarktprofiel. Een vergelijking met de Europese landen die het beter doen op vlak van kinderarmoede leert 1) dat er in deze landen minder kinderen leven in werkarme gezinnen; en 2) dat het armoederisico bij de werkarme gezinnen lager is. Met andere woorden, deze landen slagen er in om meer mensen aan het werk te krijgen en tegelijk de gezinnen waar niet voldoende wordt gewerkt via uitkeringen een zekere levensstandaard te garanderen. Opnieuw blijkt hieruit het belang van het ‘groot beleid’.

Een recent rapport van de OESO over de integratie van migranten toont alarmerende resultaten over de arbeidsmarktdeelname van migranten op de Belgische arbeidsmarkt: minder dan de helft is aan het werk.6 Wanneer we deze vaststelling combineren met de eerdere bevinding dat kinderarmoede relatief geconcentreerd is bij migrantengezinnen en dat de middelmatige Belgische prestatie kan worden toegeschreven aan het feit dat er minder kinderen opgroeien in gezinnen waar voldoende wordt gewerkt, dan is het wel zeer duidelijk (ofschoon ik dit thema hier niet verder kan kwantificeren) dat de integratie van migranten in de arbeidsmarkt een van de beleidsuitdagingen van de toekomst wordt.

DE WEG VOORWAARTS

De diagnose maakte voor een stuk duidelijk waar de uitdagingen liggen om kinderarmoede in België en Vlaanderen te bestrijden. In de beter presterende landen (de Scandinavische welvaartsstaten, maar ook Nederland en Slovenië) leven minder kinderen in werkarme gezinnen en in die gezinnen waar te weinig wordt gewerkt om via inkomen uit arbeid een zekere levensstandaard te garanderen is het armoederisico kleiner dan bij ons. Deze landen combineren die goede prestatie met een hoog peil van sociale uitgaven, terwijl in België een hoog peil van sociale uitgaven tot minder goede resultaten leidt.

Wat is dan de weg voorwaarts voor het beleid? Een stevig kinderarmoedebeleid is een langetermijnbeleid waarbij - en daar moet niemand zich illusies over maken - een volgehouden budgettaire inspanning, en dus politieke keuzes, noodzakelijk zijn. Het beleid moet geconcentreerd zijn rond drie pijlers (tewerkstelling, inkomensbescherming, dienstverlening) die, indien coherent en consistent uitgevoerd, de hoger vermelde pijnpunten kunnen helpen wegwerken. Ik zal voor elke pijler een beleidsoptie bespreken die (post staatshervorming) tot de Vlaamse bevoegdheden behoort en die specifiek een rol kunnen spelen in het bestrijden van kinderarmoede.

Tewerkstelling

We weten intussen zeer duidelijk dat tewerkstelling een goede buffer is tegen armoede en dat kinderen die opgroeien in een gezin waar voldoende wordt gewerkt een zeer laag armoederisico kennen. Het is dan ook essentieel om de werkintensiteit van gezinnen op te krikken, en met de zesde staatshervorming heeft Vlaanderen meer homogene bevoegdheden rond de activatie van werklozen en inactieven in handen. Daarbij moet onvermijdelijk veel aandacht zijn voor mensen die ver van de arbeidsmarkt staan en een zwak arbeidsmarktprofiel hebben, wat ook investeringen in onderwijs en begeleiding impliceert. Een activeringsbeleid dat een positieve impact heeft op kinderarmoede mag echter niet hardvochtig zijn.

Ten eerste tonen de analyses van Bart Cockx en collega’s over de effecten van het activeringsbeleid (ingevoerd in 2004) dat het beter opvolgen van werklozen wel degelijk effectief is: er is een snellere overgang naar werk.7 Maar de sleutel tot succes is dat er ook voldoende beschikbare kansen moeten zijn op de arbeidsmarkt. Als er geen passende betrekkingen beschikbaar zijn, of wanneer werkgevers kwetsbare arbeidsmarktprofielen geen kansen bieden, heeft een verscherpte opvolging van werklozen en inactieven weinig zin. Wanneer er dan bestraffende instrumenten worden ingezet, zal de netto balans in functie van kinderarmoede eerder negatief zijn. Ten tweede weten we ook dat niet elke vorm van tewerkstelling positieve effecten genereert. Instabiele vormen van tewerkstelling, met bijvoorbeeld onregelmatige of onvoorspelbare arbeidsuren kunnen de ontwikkeling van kinderen negatief beïnvloeden en bieden vaak ook geen inkomenszekerheid op langere termijn. Niet alleen moeten er dus voldoende jobs beschikbaar zijn, ook de kwaliteit van tewerkstelling is van belang.

Inkomensbescherming

Kinderarmoede hangt nauw samen met voldoende sociale uitgaven en de manier waarop die sociale uitgaven worden verdeeld over de bevolking, en de analyses gaven aan dat de middelmatige Belgische prestatie veel te maken heeft met de onderbescherming van huishoudens waar (te) weinig wordt gewerkt. De doelmatigheid van de sociale uitgaven qua bescherming van gezinnen met kinderen moet dus beter.

Het gros van het inkomensbeleid is federale materie, maar met de zesde staatshervorming wordt Vlaanderen zelf bevoegd voor het stelsel van de kinderbijslagen. Internationaal onderzoek heeft duidelijk aangetoond dat kinderbijslagen een effectief instrument kunnen zijn om kinderarmoede te verminderen. Hier is nog veel ruimte voor verbetering. Het huidige Belgische systeem van kinderbijslagen is relatief duur, dekt de kosten van kinderen niet meer en is niet doelmatig in de strijd tegen kinderarmoede. De reden daarvoor is tweeledig: enerzijds hebben de bedragen van de bijslagen de laatste dertig jaar de stijging van de welvaart niet gevolgd, anderzijds zijn de selectieve componenten in het systeem (de ‘sociale toeslagen’) veel te gering om enige rol van betekenis te kunnen spelen. De staatshervorming biedt een uniek momentum om de kinderbijslagen te hervormen. Een universele architectuur van de bijslagen waarbinnen voldoende ruimte is voor selectiviteit naar lage inkomensgezinnen en specifieke gezinstypes zoals eenoudergezinnen is daarbij het meest effectief.8 Een bijkomend voordeel van een universele kinderbijslag is dat er geen werkloosheidsvallen worden gecreëerd, wat indirect ook de eerste pijler van de tewerkstelling ten goede komt.

Dienstverlening

Met betrekking tot kinderarmoede moet onder dienstverlening in de eerste plaats kwaliteitsvolle kinderopvang worden verstaan, opgevat als een universele basisvoorziening die voor alle kinderen, ongeacht de sociale achtergrond, toegankelijk en betaalbaar is. Kinderopvangvoorzieningen worden in de laatste decennia sterk gepromoot omdat ze een dubbele doelstelling kunnen vervullen. Ten eerste laten ze ouders (lees: moeders) toe om te werken en zo het gezinsinkomen te verhogen. Ten tweede is er overweldigend veel evidentie over de rol die kwaliteitsvolle opvang kan spelen bij de ontwikkeling van kinderen, en dan vooral bij kinderen die in armoede moeten opgroeien. Een stimulerende omgeving draagt bij tot een groter succes in hun latere levenskeuzes in de school en op de arbeidsmarkt. Zo draagt kinderopvang niet alleen bij tot meer tewerkstelling nu, maar ook tot meer tewerkstelling in de toekomst en draagt het een enorm potentieel in zich om de armoedecyclus te doorbreken. Het is dus absoluut noodzakelijk om hier als overheid sterk op in te zetten. Het Vlaamse ‘kaderdecreet kinderopvang’, waarbij men in Vlaanderen opvangaanbod wil voorzien voor de helft van de kinderen in 2016 en voldoen aan de vraag tegen 2020, is daarbij een belangrijke stap in de goede richting. Nu moet er zo snel mogelijk duidelijkheid komen over de langetermijnengagementen en de financiering van de plannen.

Toch wil ik ook waarschuwen voor overtrokken verwachtingen. De neiging bestaat in het publieke discours om kinderopvang als een mirakeloplossing te beschouwen: zolang kinderen maar naar de crèche gaan, zal het wel goedkomen. Zo eenvoudig is het helaas niet. Ik geef drie redenen. Ten eerste weten we heel goed dat dit soort voorzieningen in de eerste plaats ten goede komen aan de kinderen uit de betere gezinnen. Kinderen die opgroeien in lage inkomensgezinnen hebben veel minder toegang tot kwaliteitsvolle opvang dan kinderen die opgroeien in hogere inkomensgezinnen. Dat heeft veel te maken met de tewerkstellingssituatie van de ouders, maar ook met sociale en culturele barrières. Wanneer de Vlaamse overheid er zou (!) in slagen om tegen 2020 te voldoen aan de vraag, dan nog kunnen we er gif op innemen dat de kinderen die ook dan geen gebruik van opvang maken, de kinderen zullen zijn die er eigenlijk het meest baat bij hebben. Dat kan ironisch genoeg de ontwikkelingskloof tussen kinderen vergroten in plaats van verkleinen. Ten tweede is veel van het onderzoek over de baten van kinderopvang voor de ontwikkeling van kinderen gebaseerd op Amerikaanse modelprogramma’s (met zeer dure en intensieve begeleiding voor een beperkt aantal kinderen), en het is eigenlijk niet zo duidelijk of die bevindingen zomaar vertaald kunnen worden naar een Europese context en of die voor elke vorm van opvang (denk aan onthaalouders) geldig zijn. Ten derde moet opvang ingebed worden in een breder beleid. Om het eenvoudig voor te stellen: kwalitatieve opvang is weinig zinvol als een kind ’s avonds terug in een vochtig huis moet slapen. Men zal dus niet alleen stevig moeten investeren in kinderopvang, maar ook in huisvesting, gezondheidszorg; kortom: in het bredere sociaal beleid. Ik herinner aan het adagium dat een goed algemeen armoedebeleid ook een goed kinderarmoedebeleid is.

STRUCTUREEL ARMOEDEBELEID

Zo, de thermometer is geijkt en de koorts loopt inderdaad hoog op. In dit stuk heb ik een aantal van de pijnpunten rond kinderarmoede geduid, maar ook beleidswegen voor de toekomst geformuleerd (zonder volledigheid te willen pretenderen). Daarbij heb ik er sterk op gehamerd dat niet het lokale beleid, maar de grote beleidsinstrumenten van belang zijn. Dat wil uiteraard niet zeggen dat het lokale niveau niet belangrijk is. Een structureel beleid kan nooit voor elk individu of voor elke situatie een oplossing op maat bieden, en er is dus een belangrijke rol weggelegd voor lokale structuren en projectmatige initiatieven die van zeer nabij en op een innovatieve manier gezinnen in een probleemsituatie kunnen bereiken en opvolgen. Maar zolang er aan de structuren van de samenleving niets verandert, zal dat niet meer zijn dan een druppel op een hete plaat. Om op lange termijn vooruitgang te boeken, moet het lokale armoedebeleid een noodzakelijke aanvulling zijn van een stevig en doorgedreven structureel armoedebeleid. Niet omgekeerd.

Wim Van Lancker
Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, Universiteit Antwerpen

Noten
1/ The Active Welfare State Revisited, Inaugurale lezing voor de Leerstoel Herman Deleeck, 31 oktober 2012, Antwerpen. Te downloaden http://www.centrumvoorsociaalbeleid.be/sites/default/files/CSB%20Working%20Paper%2012%2009\_Oktober%202012\_0.pdf.
2/ Terzake, 25/09/12. Adriaenssens was er te gast naar aanleiding van een projectenmarkt ‘lokale kinderarmoedeaanpak’.
3/ Het gezinsinkomen wordt gestandaardiseerd aan de hand van een equivalentieschaal, om gezinnen van verschillende grootte en samenstelling met elkaar te kunnen vergelijken.
4/ Storms B. en Bogaerts K. (2012), Referentiebudgetten en minimuminkomensbescherming in België, in Dierckx D., Oosterlynck S., Coene J. en Van Haarlem A., Armoede en sociale uitsluiting, jaarboek 2012, Leuven: Acco.
5/ Wanneer er bijvoorbeeld twee volwassenen op actieve leeftijd in het gezin wonen en een van beiden werkt voltijds, dan wordt exact de helft van het arbeidspotentieel benut.
6/ OESO (2012), Settling In: OECD Indicators of Immigrant Integration 2012, Parijs: OESO.
7/ Cockx B., Dejemeppe M. en Van der Linden B. (2011), Sneller aan werk dankzij activering van het zoeken?, Regards Économiques, 85: pp. 1-14.
8/ Cantillon B., Van Lancker W., Goedemé T., Verbist G. en Salanauskaite L. (2012), Kinderbijslagen en armoede: kan de zesde staatshervorming het immobilisme doorbreken?, CSB Berichten, Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck.

kinderbijslag - kinderarmoede - armoede - armoedebestrijding

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 1 (januari), pagina 12 tot 21