Log in

Zijn we gebaat bij een waterpas?

Op 1 december 2012 vond in Gent, in het Kunstencentrum Vooruit, in het kader van het druk bijgewoonde en levendige Visiecongres van de sp.a, het debat ‘Ongelijkheid werkt niet’ plaats. Het debat werd mooi ingeleid door Liesbet Stevens die sterk de aandacht richtte op het in 2009 verschenen boek The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better1 van Richard Wilkinson en Kate Pickett. Het werd een boeiend debat, dat minstens duidelijk maakte dat gelijkheid/ongelijkheid weer de volle aandacht van sociaalemocraten verdient. Omdat debatten vluchtig zijn, geschreven woorden toch iets langer bewaren, en vooral met de bedoeling in de aanloop tot het Visiecongres van 8 juni 2013 nog wat ideeën over gelijkheid los te weken, deze bedenkingen en een terugblik op the spirit level, de waterpas. Ongelijkheid werk niet, helemaal niet zelfs, maar zijn we gebaat bij een waterpas?

THE SPIRIT LEVEL (DE WATERPAS)

Het is goed dat er een succesrijk boek verscheen dat het opneemt voor gelijkheid. We zien in verschillende landen (in sommige al meer dan in andere, en België blijft grotendeels gespaard) een toename van de ongelijkheid. Er is de laatste decennia relatief weinig aandacht geweest voor gelijkheid, in de politiek, maar ook (o schande) in de sociale wetenschappen. Er lijkt in de samenleving nog weinig enthousiasme om gelijkheid te bevorderen en/of om mensen van de ene op de andere generatie of in de loop van hun leven kansen te geven hun welvaart en hun welzijn te verbeteren. Dit is een gesloten samenleving aan het worden. We moeten ze openen. Weer meer mensen perspectief en toekomst geven. Dat kan alleen in een meer gelijke samenleving. Daarom was het boek van Wilkinson en Pickett, en het succes dat het mocht oogsten, meer dan welgekomen. Alleen spijtig dat het een zo verdomd slecht boek is.

Maar eerst het waardevolle van het boek. De voordelen van gelijkheid worden geïllustreerd door kenmerken van landen te vergelijken. In landen met meer inkomensgelijkheid is er minder misdaad, zijn mensen gezonder, leven ze langer, sterven minder baby’s, is er minder geweld, zitten minder mensen in de gevangenis, zijn mensen gelukkiger. Kortom, gelijkere samenlevingen zijn niet alleen rechtvaardiger voor wie van gelijkheid houdt, zij zijn ook veel, veel beter om in te leven. Die vaststelling is ontegensprekelijk. De boodschap helder en scherp. Alleen slechte en domme mensen verkiezen een ongelijke boven een gelijke samenleving. Het zou een prachtig, slank boekje zijn geweest, hadden Wilkinson en Pickett zich tot die vaststelling en boodschap beperkt. Maar neen. Zij beweren dat het beter leven is in de meer gelijke landen omdat daar meer inkomensgelijkheid is. Dat is een heel andere stelling dan de vaststelling dat mensen beter, gezonder, veiliger, langer en gelukkiger leven in landen die meer gelijkheid kennen. Het verschil tussen de twee is het verschil tussen een verband en een oorzakelijke relatie.

NOG EENS VAN DE KIP EN HET EI

Recent verscheen een zeer betrouwbare studie waarin wordt vastgesteld dat de chocoladeconsumptie per hoofd van de bevolking sterk samenhangt met de levensverwachting. Chocoladeliefhebbers kunnen dat beschouwen als goed nieuws, maar het lijkt niet aangewezen te geloven dat we met elke reep een paar maanden aan onze levensverwachting toevoegen. Een verband wijst niet noodzakelijk op een oorzaak. Wilkinson en Pickett begaan die fout. Zij interpreteren meteen elk verband tussen gelijkheid, en de (gewenste) toestanden die zij beschrijven, als een oorzakelijk verband en zij beschouwen daarbij gelijkheid steeds als de oorzaak en de andere toestanden (zoals een gemiddeld betere gezondheid, langer leven, veiliger leven, enzovoort) als het gevolg.

Er is inmiddels een kleine, rechtse industrie van geschriften op gang gekomen, die aantonen dat Wilkinson en Pickett geen overtuigende evidentie aandragen om die twee veronderstellingen te staven. Op die manier dreigt een boek dat aanvankelijk enthousiast door links werd onthaald, een boomerang effect te krijgen: op wat voor twijfelachtige en ongeloofwaardige evidentie steunt links een van zijn belangrijke engagementen! Het is daarom goed de vaststelling en de veronderstelling van Wilkinson en Pickett netjes van elkaar te scheiden. Vaststelling: in gelijkere samenlevingen is het veel beter leven. Veronderstelling: het is daar beter leven omdat er meer gelijkheid is.

HET SOCIAALDEMOCRATISCH PROJECT

Die veronderstelling is mijns inziens niet plausibel. Een aantal van de dingen die door Wilkinson en Pickett worden beschreven als gevolgen van ongelijkheid lijken mij veeleer oorzaken van ongelijkheid. Volgens Wilkinson en Pickett leidt ongelijkheid bijvoorbeeld tot meer geweld. Dat kan, maar is het ook niet plausibel dat in samenlevingen waar er meer geweld wordt gepleegd op personen, dus minder respect is voor de integriteit van personen, ook minder snel een solidaire samenleving en een verzorgingsstaat wordt uitgebouwd? Zijn we nu echt bereid te geloven dat als Obama er in slaagt weer iets meer gelijkheid te brengen in die zo onvoorstelbaar ongelijke Verenigde Staten, de leden van de Tea Party in drummen gaan opteren voor steun aan ongehuwde moeders, een uitbreiding van de verplichte ziekteverzekering, minder lange gevangenisstraffen en meer gesubsidieerd onderwijs? Neen, ik geloof dat niet. In reactie op meer gelijkheid gaan die mensen driester worden. In een land waar de cultuur, de heersende mens- en maatschappijopvattingen van die aard zijn dat het land gespaard blijft van bewegingen als de Tea Party of dergelijke bewegingen slechts als een rafelfranje van de politiek laat groeien, is de kans groter dat een solidaire en dus ook een gelijkere samenleving wordt uitgebouwd. Het brutale, onmenselijke gevangeniswezen van de V.S., die archipel van verkrachting, electroshocks en geweld, dat falen van de overheid en de verschrikkelijke gevolgen van de marktconforme exploitatie van het gevangeniswezen, weerspiegelt uiteraard de ongelijkheid van haar samenleving, maar dat soort gevangeniswezen en die ongelijkheid zijn beide het gevolg van eenzelfde cultuur die nog sterk getekend is door archaïsch traditionalisme en religieus fanatisme.

In het boek van Wilkinson en Pickett wordt op die manier oorzaak en gevolg geregeld omgedraaid. Dat gebeurt omdat de auteurs niet elk verband zorgvuldig onder de loep nemen, maar ze er altijd vanuit gaan dat materiële condities de cultuur bepalen en een invloed in de omgekeerde richting ondenkbaar of alleszins ideologisch niet correct is. In die zin is dat boek ook een wat ontmoedigend oubollig boek.

Maar los van de richting van de verbanden, los van de vraag of gelijkheid oorzaak of gevolg is, stelt zich de vraag of het wel om oorzakelijke verbanden gaat. Als men de relaties, die Wilkinson en Pickett op landenniveau presenteren, bekijkt ziet men dat van de westerse landen Zweden, Finland, Noorwegen, Denemarken, Oostenrijk, Duitsland en nipt, hijgend op enige afstand van de kopgroep, ook België tot de meest gelijke behoren en het op de criteria die Wilkinson en Pickett bekijken doorgaans ook het beste doen. In één van die landen wil je leven. De V.S., Portugal, Ierland, Griekenland, Spanje, Nieuw Zeeland, Australië, Italië zijn ongelijke landen en doen het doorgaans slecht op de criteriumvariabelen. Nu, die twee groepen landen verschillen onderling in veel meer dan in de mate van inkomensongelijkheid. De eerste groep landen bestaat uit sterke verzorgingsstaten, de tweede groep uit zwakke verzorgingsstaten. De eerste groep landen zijn sterk geseculariseerd, met grote delen van de bevolking voor wie religie een strikt privéaangelegenheid is geworden of helemaal geen aangelegenheid meer is. De tweede groep landen zijn veel religieuzer, met grotere delen van de bevolking die traditioneel-religieuze opvattingen huldigen. De eerste groep landen hebben sterke en open onderwijssystemen, de tweede groep landen zwakke of zeer ongelijke onderwijssystemen. Welk van die kenmerken is het, dat de vastgestelde positieve gevolgen veroorzaakt, dat zorgt voor een betere gezondheid, minder kindersterfte, langer leven, meer veiligheid, betere onderwijsprestaties, enzovoort? Dat wordt in het boek niet onderzocht.

In tegenstelling tot wat Wilkinson en Pickett poneren is het veel waarschijnlijker alle door hen geobserveerde goede gevolgen alsook de grotere mate van gelijkheid toe te schrijven aan drie, nauw aan elkaar verwante ontwikkelingen. Ten eerste, de uitbouw van de verzorgingsstaat, van een stevig stelsel van sociale zekerheid en een voldoende hoog niveau van sociale overheidsuitgaven. Ten tweede, aan de secularisering zoals die zich onder meer uit in het afschaffen van de doodstraf, het streven naar gendergelijkheid, het respect voor seksuele voorkeur of nog, in het steunen van beleidsbeslissingen en beslissingen in het persoonlijke leven op een door de wetenschap gedisciplineerde rede eerder dan op religieuze voorschriften en geopenbaarde waarheden. Ten derde, de ontwikkeling van een kwaliteitsvol, open en gelijk onderwijs. Het zijn deze ontwikkelingen die in een land meer gelijkheid brengen én een betere (geestelijke) gezondheid, minder geweld, minder mensen in de gevangenis, minder overgewicht, een langere levensverwachting, minder kindersterfte, betere onderwijsprestaties, enzovoort.

Wat sociaaldemocraten moeten bewaken, is dat project: een stevige welvaartsstaat, een rechtvaardige fiscaliteit, een geseculariseerde samenleving, waar de wetenschappelijke rede het denken ondersteunt, een dynamische kenniseconomie, een grote en gelijke toegang tot kennis en competentie. Daar gaat het om. Dat is het maatschappijproject dat naar het goede leven leidt. Geen enkele andere beweging heeft evenveel bijgedragen tot het verwezenlijken van dat project als de sociaaldemocratie. Dat is het project dat wij moeten bewaken en verder ontplooien. Gelijkheid is daar een gevolg van, één goed gevolg onder zovele andere.

ZORGEN OM GELIJKHEID

Maar ook als we gelijkheid op die manier in zijn juist perspectief plaatsten, moet het streven naar meer gelijkheid een zorg voor de sociaaldemocratie blijven. Ik zie een vijftal grote uitdagingen. Maar misschien moet eerst iets worden gezegd over armoede. Er gaan stemmen op, niet zozeer onder sociaaldemocraten maar onder sociaal liberalen en christelijke travaillisten, om de aandacht toch vooral toe te spitsen op armoedebestrijding. ‘We moeten iedereen meenemen, niemand achterlaten’, heet het dan. Dat is een mooie boodschap. Zij drukt een belangrijke waarde uit. Ik denk dat armoedebestrijding een prioriteit van onze beweging moet zijn. Ik denk ook dat we terug grondig moeten nadenken over hoe we dat doen, want gegeven het deel van het bruto nationaal product dat we gemeenschappelijk besteden, is het niveau van armoede bij ons toch onverantwoord hoog. Maar de problematiek van gelijkheid en ongelijkheid kan niet worden beperkt tot armoedebestrijding.

DE ONDERWIJSSTANDEN

Een aspect van ongelijkheid dat door Wilkinson en Pickett nagenoeg volkomen wordt verwaarloosd, is dat ongelijkheid op zich niet het enige belangrijke gegeven is. De systematiek van wie door ongelijkheid wordt getroffen, is heel belangrijk is. Ongelijkheid wordt veel erger als het steeds dezelfde mensen zijn die er het slachtoffer van zijn, doorheen hun leven en van generatie op generatie en als die mensen daarenboven nog gemakkelijk te onderscheiden zijn in termen van een paar kenmerken. En dat is bij ons het geval. Vandaar dat, vroeger meer dan vandaag, gesproken werd van sociale klassen: mensen die van generatie op generatie en doorheen hun leven slachtoffer zijn van ongelijkheid. In heel veel landen wordt nu vastgesteld dat ongelijkheid heel sterk gekoppeld is aan het niveau en de aard van het gevolgde onderwijs. Laaggeschoolden trekken bijna steeds aan het kortste eind: minder kans op werk, meer kans op langdurige werkloosheid, minder goede gezondheid, meer fysieke pijn, meer problemen van geestelijke gezondheid, kortere levensduur, hoger risico op armoede, enzovoort, enzovoort. Kinderen van laaggeschoolde ouders worden dikwijls ook zelf laaggeschoold. Laaggeschoolden huwen ook grotendeels laaggeschoolden en hooggeschoolden hooggeschoolden. Daardoor worden de onderwijskansen heel ongelijk verdeeld. Daardoor krijgt men eigenlijk ook een gesegregeerde samenleving. Laag- en hooggeschoolden onmoeten elkaar nog zelden, kennen mekaars leefwereld niet. De verenigingen waar ze elkaar nog ontmoeten boeren achteruit. Men ziet zelfs hier en daar tendenzen om ze op te splitsen naar partijen: enerzijds partijen voor laaggeschoolden, anderzijds partijen voor hooggeschoolden.

Ik vat dat alles samen door te stellen dat sociale klassen bij ons eigenlijk onderwijsklassen zijn geworden en dat dit in feite geen klassen zijn maar standen: niet alleen economisch, maar ook sociaal en cultureel van elkaar gescheiden.

Dat is een eerste uitdaging. Hoe doorbreken we dat soort ongelijkheid? Nu, ik heb daar ook niet meteen een antwoord op, want het antwoord zal heel technisch zijn en in verschillende beleidsdomeinen moeten worden gerealiseerd. Er dienen zich verschillende mogelijke pistes aan. Eén, die al wordt bewandeld, maar onder druk van de N-VA op een ontmoedigend trage wijze, is het terugdringen van de sterke segregatie tussen de onderwijsvormen in het secundair onderwijs (later en meer omkeerbaar differentiëren). We moeten laaggeschoold werk financieel aantrekkelijker maken. Waarom meteen een bonus geven aan diploma’s? We moeten toch ook eens echt gaan onderzoeken of de bescherming van onze arbeidsmarkt er niet toe leidt dat mensen met een elementair niveau van scholing en competentie, net trouwens als leden van minderheidsgroepen, moeilijker aan de bak komen. Binnen het cultuurbeleid zou er meer steun moeten komen voor verenigingen die erin slagen de onderwijsstanden samen te brengen. Scholen die concentraties van kansarme bevolkkingen hebben, moeten meer werkingsmiddelen krijgen. Nog meer dan nu. Politieke partijen zouden ook meer rekening moeten houden met de verzuchtingen van laaggeschoolden en dat zal moeilijk kunnen via het luisteren naar de actieve leden want dat zijn bijna allemaal hooggeschoolden. Waarschijnlijk kan dat nog enkel door zorgvuldig bevolkingsonderzoek. We moeten ook naar andere landen kijken. Sommige landen doen het veel beter dan andere. De proportie jonge mensen tussen 15 en 25 die niet op school zit, geen werk heeft en geen training volgt, ligt bij de 20% in Italië, Spanje en Ierland, tussen de 4 en de 6% in Nederland, Luxemburg en Denemarken, en bij de 12% in België. Waarom is dat bij ons zo hoog ondanks een leerplicht tot 18? Laaggeschoolden leven minder lang, trekken minder lang pensioen, sturen hun kinderen niet of zelden naar de universiteit… betalen zij dan ook niet te veel belastingen? Krijgen zij ongeveer evenveel van de verzorgingsstaat terug als de hooggeschoolden of onderhouden zij de hooggeschoolden? Is enige herverdeling hier niet aan de orde?

MINDERHEIDSGROEPEN EN GROOTSTEDEN

Een tweede uitdaging, niet volkomen verschillend van de vorige, is de positie van minderheden en van die belangrijke minderheidsgroep, de moslimbevolking. Die problemen kunnen ten dele worden aangepakt met een beleid beter afgestemd op de noden van laaggeschoolden, maar niet volkomen. Minderheidsgroepen vergen bijzondere aandacht. Zij moeten echt gelijke kansen krijgen en omdat zij vertrekken vanuit een zeer kansarme positie betekent dit dat hen meer kansen moeten worden gegeven. Persoonlijk denk dat het multiculturele model dat in dit land werd gebruikt om met de groeiende diversiteit om te gaan, nefaste gevolgen heeft gehad. België is wat de kansen en de integratie van minderheidsgroepen betreft een van de slechtste leerlingen van de Europese klas. Nochtans hebben we, conform het multiculturele model, die groepen snel heel veel rechten gegeven. Het ware waarschijnlijk veel beter geweest meer voorwaarden te stellen op het vlak van tewerkstelling, zoals dat bijvoorbeeld in Oostenrijk is gebeurd, en tegelijkertijd meer kansen te geven. De positie van die groepen vergt in elk geval bijzondere aandacht: hun schoolloopbaan moet beter worden ondersteund, er moet kordater en harder worden opgetreden tegen discriminatie op de arbeidsmarkt, de grootstedelijke economie moet worden gestimuleerd want die groepen leven geconcentreerd in de (groot)steden waar de werkloosheidsgraad van de jongeren van de tweede en de derde generatie onaanvaardbare proporties bereikt.

SOCIALE MOBILITEIT

Een derde probleem is sociale mobiliteit. Zowel binnen het leven als over generaties. Jonge mensen vandaag worden met twee problemen geconfronteerd. Zij kunnen niet meer de hoop koesteren dat ze het materieel beter gaan hebben dan hun ouders. Wie nu twintig is, kan in tegenstelling tot vorige generaties niet hopen binnen twintig jaar een hoger welvaartspeil te hebben bereikt dan zijn of haar ouders. De tijd van steeds meer is voorbij. Daarom moeten we nu hard werken aan steeds beter, los van een verdere toename van materiële welvaart.

Ten tweede, als de jongeren laaggeschoolde ouders hebben, is hun kans om via het onderwijs op te klimmen heel beperkt en is hun kans om in de loop van hun leven verder op te klimmen als ze als laaggeschoolde beginnen, nog beperkter. We moeten jonge mensen, ook als ze geboren worden in een bescheiden gezin, met eerder laagopgeleide ouders, weer meer toekomst bieden. We moeten de samenleving openen, sociale doorstroming mogelijk maken. Dat kunnen we alleen doen door diegenen die kansarm geboren worden betere kansen te geven zodat zij, ondanks de omgeving waarin ze geboren worden, gelijke kansen hebben in het onderwijs. Dankzij een sociaaldemocratisch onderwijsbeleid moeten we effectief gelijke kansen scheppen. Dat is ook het beleid dat sociaaldemocratische ministers van onderwijs proberen te voeren, maar het is duidelijk dat het beleid van de Vlaamse regering nu sterk wordt beïnvloed door de N-VA die blijkbaar gelooft dat een ongelijk onderwijs meer kan bijdragen aan de veerkracht van het land. Zowat alle evidentie wijst op het tegendeel: een land wordt veerkrachtiger naarmate het alle talenten laat bloeien en alle talenten voor uitdagingen plaatst.

AANVAARDBARE EN ONAANVAARDBARE ONGELIJKHEID

We moeten ook de vraag stellen hoeveel gelijkheid en hoeveel ongelijkheid we willen. Spreken van aanvaardbare en onaanvaardbare ongelijkheid mag geen exclusiviteit van rechts zijn. Natuurlijk moeten we ons verzetten tegen het schandaal van de bonussen en de cleptocratie, maar door ons daartegen te verzetten, hebben we nog geen antwoord gegeven op de vraag hoeveel ongelijkheid we aanvaardbaar achten en hoe en wanneer we die aanvaardbaar achten.

Als ik kijk naar mijn eigen instelling, de universiteit, dan stel ik vast dat men nog bitter weinig kandidaten vindt om decaan te worden en dat zelfs mensen vermijden te promoveren tot gewoon hoogleraar omdat ze dan kunnen worden geroepen om decaan te worden. Die situatie zal slechts op te lossen zijn door decanen iets meer te betalen, een stap die de meeste universiteiten inmiddels hebben gezet. Dat roept meteen de vraag op of er geen verschillende verloning moet komen tussen actieve en niet-actieve hoogleraars. Er is nu het voorstel (blijkbaar onder invloed van de vakbonden die tegen elke vorm van differentiële verloning zijn) om de premies voor Vlaamse ambtenaren die uitzonderlijk goed presteren af te schaffen. Is dat een goed idee? Het zal rechts worst wezen want het enige verhaal dat zij hebben over de overheid is dat er altijd te veel ambtenaren zijn en dat diegenen die er zijn te veel verdienen. Sociaaldemocraten hebben de plicht te zorgen voor een effectieve, lenige en scherpe overheid. Ik weet niet of het dan een goed idee is die premies af te schaffen die het verschil maken tussen mensen die daar zitten te zitten en mensen die een grote bijdrage leveren aan het welzijn en de welvaart van dit land. Is dat de gelijkheid die wij willen verdedigen: zelfde leeftijd, zelfde statuut, zelfde loon, ongeacht of u zich uit de naad werkt of er uw voeten aan veegt? Ik denk dat alle ernstige werkgevers, in de privé en de publieke sector, zich de vraag stellen: ‘hoe kan ik mijn mensen motiveren om goed werk te verrichten’ en zich afvragen welke rol monetaire incentives daarbij kunnen spelen. We moeten als socialisten dringend - en liefst in overleg met werkgevers en ondernemers - een visie ontwikkelen op welke vormen van differentiatie kunnen en welke niet kunnen, over wat kan worden beschouwd als een zinvolle differentiatie van de verloning en wat moet worden beschouwd als grabbel- en graaicultuur.

VERANTWOORDELIJKHEID

De vraag betreffende de aanvaardbaarheid van differentiële verloning, roept de veel bredere en veel moeilijkere vraag betreffende de persoonlijke verantwoordelijkheid op. De hedendaagse maatschappij wordt gekenmerkt door een steeds groter beroep op persoonlijke verantwoordelijkheid.

Hoewel een maatschappij als de onze niet kan functioneren zonder beroep te doen op de verantwoordelijkheidszin van haar burgers, terwijl een verzorgingsstaat niet kan bestaan zonder een verantwoordelijkheidsgevoel van diegenen die er een beroep op kunnen doen, dienen we ons af te vragen waar en in welke mate het beroep op verantwoordelijkheid verantwoord is. Met verantwoordelijkheid is het als met belastingen. De sterkste schouders dragen niet de zwaarste lasten. Dikwijls zijn het de zwaksten die het snelst verantwoordelijk worden gesteld voor dingen waarop zij geen vat hebben. Op die manier verwordt verantwoordelijkheid snel van een belangrijke waarde tot een stok om een hond te slaan. Dit is een politiek grotendeels onontgonnen gebied: de mate waarin mensen persoonlijk verantwoordelijk kunnen worden gesteld. Ook daarrond moet worden gewerkt. Basisprincipes zijn duidelijk. Hoewel misschien wel de moeite te herhalen. Ik denk dat we er kunnen van uitgaan dat een aantal mensen die echt in de problemen geraken dat doen omdat ze dom en onverantwoord hebben gehandeld. Men toont zich geen sociaaldemocraat door dat te ontkennen; op die manier toont men zich alleen een beetje onwetend over wat er in de wereld omgaat. Het is wel sociaaldemocratisch te stellen dat mensen, ongeacht de weg die ze hebben afgelegd voor ze hulpbehoevend werden, niet alleen recht hebben op onze solidariteit en steun, maar ook op respect en waardigheid. Dat is een kernprincipe; een wezenlijk verschil ook tussen het sociaaldemocratische maatschappijproject dat in Europa wordt verwezenlijkt en de vernederende vormen van steun die in een aantal Angelsaksische landen (en binnenkort in Antwerpen?) worden opgezet. Hoe belangrijk ook, dat principe is op zich echter ontoereikend om te kunnen zeggen waar wel en waar niet, in welke mate en op welke manier en onder welke omstandigheden de notie van persoonlijke verantwoordelijkheid kan worden gehanteerd om mensen toegang te ontzeggen tot de voorzieningen van de verzorgingsstaat. En ook op die moeilijke vraag zullen we een duidelijk, en in termen van onze beginselen verantwoord, antwoord moeten geven.

Mark Elchardus
Emeritus hoogleraar sociologie

Noot
1/ boekbespreking De waterpas doet het nog steeds. 'The Spirit Level. Why Equality is Better for Everyone' - Arne Schollaert en Steven Janssen (Samenleving en politiek, jaargang 18, 2011, nr.6 - juni);
boekbespreking Het Griekse alfabet van de ongelijkheid. 'The Spirit Level. Why Equality is Better for Everyone' - Francine Mestrum (Samenleving en politiek, jaargang 18, 2011, nr.6 - juni)

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 1 (januari), pagina 4 tot 11