Log in

Het onderbuikdiscours van de N-VA

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 9 (november), pagina 59 tot 65

Dat N-VA-voorzitter Bart De Wever een ijzersterke communicator is, wordt door vriend en vijand erkend. Als geen ander weet De Wever in te pluggen in het algemene gevoel van malaise dat leeft bij grote delen van de bevolking. Hij toonde zich in het verleden de beste leerling van de politieke neurolinguïstiek die het politieke discours niet ontleedde op basis van haar inhoud, maar op basis van de emotionele triggers die het in gang kan zetten. Maar er lijkt de laatste tijd sleet te zitten op het discours. Komen de verkiezingen van 2014 net op tijd of net te laat voor Bart De Wever?

‘Wij zijn bereid om vanaf de eerste dag de regering-Di Rupo te vervangen door een sociaaleconomische herstelregering’, verklaarde De Wever in De Zondag op 6 oktober 2013. Een maand eerder zag hij zelfs Kris Peeters aan het hoofd staan van, jawel, een sociaaleconomische herstelregering. Helaas heeft tot op heden ons niemand uitgelegd wat dat precies betekent, een ‘sociaaleconomische herstelregering’. Het is een van die vele begrippen die vandaag in het politieke jargon opduiken maar die inhoudelijk niet geduid worden, alsof het voor iedereen duidelijk is wat er mee wordt bedoeld. Die truc is zo oud als de straat. Amerikaanse neurologen en psychologen, zoals George Lakoff en later Drew Westen, wezen er al op dat conservatieven in de VS zich er al sinds de jaren 1960 in hebben bekwaamd om de taal zo te gebruiken dat ze de juiste emotionele triggers bespeelt om kiezers hun kant op te drijven. Conservatieven slagen er in het buikgevoel van de kiezer met enkele woorden te vatten, terwijl progressieven voortbouwen op de ratio en met cijfers en tabellen hun gelijk proberen te halen. Dat laatste lukt nauwelijks, omdat mensen hun keuze bepalen op basis van emoties en niet op basis van de rede.

‘WIJ’ EN ‘ZIJ’

Het mechanisme werd al in 1996 blootgelegd door de Amerikaanse hoogleraar linguïstiek en cognitieve wetenschappen George Lakoff. Onze perceptie van de werkelijkheid is niet gebaseerd op feiten, betoogt Lakoff, maar op taal en de emotionele effecten ervan. Ook Drew Westen toonde middels hersenscans aan dat bij politieke kwesties vooral het emotionele gedeelte van de hersenen geactiveerd wordt. De recente enquête van socioloog Mark Elchardus, in opdracht van de socialistische mutualiteiten die op 19 oktober de pers haalde, illustreert haarscherp het verschil tussen een rationele én een emotionele keuze. Uit de studie blijkt dat maar liefst 40 procent van de Vlamingen vindt dat een 85-plusser geen ingreep van 50.000 euro meer waard is. Die uitspraken vervulden de socioloog met afschuw. Dezelfde dag nog verstuurde senator Louis Ide van N-VA een nauwelijks opgemerkt persbericht waarin hij de cijfers van Elchardus relativeerde. Het resultaat zou ongetwijfeld anders zijn, stelde het persbericht, mochten de oudere of de terminaal zieken een gezicht krijgen. ‘Als je mensen vraagt naar middelen die moeten worden geïnvesteerd in hun eigen ouders of in een ziek kind, zal je zien dat de kostprijs veel minder een probleem zal zijn,’ verduidelijkte Ide. Daarmee toont ook hij zich een goede leerling van de neurolinguïstiek. Want zoals Drew Westen het in Samenleving en politiek (Sampol, jg. 18, 2011, Nr. 7) al eerder stelde, zit de emotionele trigger in het ‘wij’-aspect van de communicatie. Een abstracte groep 85-plussers wordt een ‘zij’, de eigen oma van 85 behoort tot het ‘wij’. Dat geldt volgens Westen ook als we over armoede spreken. ‘Mensen horen er wel over maar denken niet dat het hun kind of familie is die in de armoede zal terechtkomen,’ zei Westen in Sampol.

Wonderbaarlijker is zelfs dat Louis Ide er in hetzelfde persbericht in slaagt de vermeende hardvochtigheid van de Vlamingen te relativeren, maar enkele paragrafen verder een hardvochtig beleid dat zal schrappen in de gezondheidszorg met verve verdedigt. ‘Patiënten en hun familieleden moeten beseffen dat in sommige gevallen een behandeling zinloos is en moeten dan ook afscheid kunnen nemen,’ schrijft Ide die daar meteen de N-VA mantra van de ‘eigen verantwoordelijkheid’ aan koppelt. Want patiënten moeten ook gewezen worden ‘op hun eigen rol in het maken van deze kosten.’ Dat is een eigenaardige dubbele boodschap. Enerzijds wordt het signaal gegeven dat er niet zal worden geraakt aan de verzorging van de eigen oma, anderzijds moet er ‘afscheid kunnen worden genomen’ van de anonieme oma’s en opa’s van de anderen, en moeten de patiënten toch eens goed nadenken over hun eigen verantwoordelijkheid in de kosten voor de gezondheidszorg. Met een rationale analyse geraak je uit die contradictie niet wijs, met een emotionele analyse wel: we willen immers graag de eigen oma van een goede verzorging voorzien omdat we weten dat zij die écht nodig heeft, maar we willen ook dat ‘de profiteurs’ van het systeem eindelijk eens aangepakt worden. Op die spreidstand speelt de N-VA steeds verder: de goed menende, gezagsgetrouwe, hardwerkende Vlaming tegenover het profitariaat én de - uiteraard - linkse partijen die dat vermeende profitariaat ondersteunen.

BEGRIPPEN DIE EMOTIES TRIGGEREN

‘Sociaaleconomische herstelregering’

Diezelfde teneur zit ook ingebakken in het begrip sociaaleconomische herstelregering. Ze triggert de emotie dat die ellendige Franstalige socialisten (zij) ons (wij) hele sociaaleconomische weefsel verknoeid hebben en dat wij nu recht hebben op een krachtig herstel. De N-VA speelt op de algemene malaise die bij brede lagen van de bevolking leeft over de aanpak van de problemen waarmee we vandaag geconfronteerd worden: de financiële en economische crisis, de klimaatopwarming en de dwingende maatregelen die dat met zich mee zal brengen, de energiecrisis en de stijgende prijzen, de problemen van afval en voedselveiligheid... Niets lijkt nog veilig, alles lijkt te wankelen. Het ‘systeem’ lijkt stuk.

Herstel is reparatie van iets wat stuk is. Een sociaaleconomische herstelregering repareert dus een kapot sociaaleconomisch weefsel. In tijden van ernstige financiële en economische crisis is dat uiteraard de doelstelling van elke regering en bij uitbreiding van elke partij die naar de kiezer trekt. Een ‘sociaaleconomische herstelregering’ betekent dus niets. Ze triggert enkel een emotie. Of het betekent evenveel als beweren dat je vanaf de eerste dag een regering wilt die het land bestuurt. Een mens met een beetje verstand vraagt zich dan toch af: maar hoe wil je besturen? Zoals een mens toch wil weten wat je precies gaat herstellen en hoe je dat wil doen.

‘Structurele hervormingen’

Hetzelfde fenomeen doet zich voor met het inmiddels belegen begrip ‘structurele hervormingen’, dat ook vooral door conservatieven wordt gebruikt. De liberale Europese Commissaris Olli Rehn bepleit ‘structurele hervormingen’ en krijgt daarvoor in ons land applaus van de liberale Open VLD én de neoliberale N-VA. Maar welke structuren ze willen hervormen en vooral wat ze precies bedoelen met hervormingen is volstrekt onduidelijk. De enige aanwijzing die we hebben, is dat er ‘bespaard’ moet worden. Waarop? Op de fiscale cadeaus die we aan multinationals geven? Op de gigantische subsidiestromen die naar fossiele brandstoffen en nucleaire energie gaan? Op de fraudebestrijders die ons veel eerder hadden kunnen vertellen dat er in Europa jaarlijks 1000 miljard euro verdwijnen via belastingsfraude of -ontwijking? Ik denk niet dat dat wordt bedoeld. Als we leren dat het N-VA-bestuur in Antwerpen de publieke kindercrèches wil privatiseren, wordt duidelijker wat precies bedoeld wordt met ‘structurele hervormingen’. Géén publieke kinderopvang meer, ja dat zou inderdaad een structurele hervorming zijn. Maar is het dat wat de hardwerkende Vlaming wil?

Die schijnbaar neutrale retoriek, die de indruk wekt alsof er eenvoudige logistieke maatregelen moeten worden genomen, verbergt vanzelfsprekend een specifiek wereldbeeld of maatschappijmodel. Een onuitgesproken ideologisch model dat de minimale overheid voorstaat, het sociaal vangnet tot een minimum beperkt, geloof hecht aan de weldoende effecten van een laissez-faire kapitalisme met een minimum aan regels... zijn de kernpunten die verborgen worden achter vage begrippen als ‘structurele hervormingen’. Hou het vooral vaag en ‘onderbuiks’, dan gaat het er als zoete koek in.

Nochtans kan je je de vraag stellen wat je er precies bij wint als je kiezers niet te weten komen wat je maatschappijmodel precies is, hoe je iets wilt herstellen en wat je allemaal wilt hervormen. Het merkwaardige is dat precies die vaagheid extra kiezers lokt. Want iedereen kan naar eigen goeddunken invullen wat er hersteld en hervormd moet worden. De captains of industry hebben totaal verschillende belangen dan de loodgieter of de vuilnisophaler, maar alle drie hebben ze hun ergernissen en angsten die ze kunnen projecteren in begrippen als herstel of hervorming.

‘Verandering’

Verandering. Nog zo’n N-VA begrip dat ons helemaal niet vertelt wat er veranderd moet worden en hoe dat moet gebeuren. Het zou al helpen mocht iemand de kiezer uitleggen dat herstel en verandering tegengestelde begrippen zijn. Herstel impliceert een terugkeer naar het model van vroeger, verandering naar een nieuw paradigma. Maar De Wever slaagt er in ze beiden met het grootste gemak te gebruiken, alsof ze hetzelfde betekenen. Ook hier weer geldt de regel dat iedereen ze, afhankelijk van de eigen ergernissen en angsten, vrij kan inkleuren.

‘Belastingsregering Di Rupo’

De ‘belastingsregering Di Rupo’. Nog zo eentje. Wil de N-VA ons eens uitleggen hoe je een land runt zonder belastingen? Elke regering is een belastingregering. Daar gaat het dus niet over. Het gaat over wat je belast, hoe je belast, hoeveel je belast en wat je de bevolking daarvoor in ruil geeft.

POLITIEK WIKIWOORDENBOEK

Taal krijgt zijn betekenis in een context. George Lakoff roept politieke analisten en journalisten dan ook op om het politieke jargon maatschappelijk te kaderen, duidelijk te maken hoe politieke partijen begrippen ‘framen’. Hij roept de pers zelfs op om een politiek wikiwoordenboek aan te leggen waarin schijnbaar neutrale politieke begrippen geduid worden, al naargelang de politieke familie die ze gebruikt.

‘Verandering’ zou dan kunnen worden geduid als de afbraak van sociale verworvenheden, inperking van het belang van de vakbonden, een afgeslankte overheid, (nog) minder regels voor het bedrijfsleven, meer privé-initiatief in de zorgsector, de kinderopvang, de geneeskunde of het onderwijs... als het uit de mond komt van liberale en neoliberale politici. Het zou ook kunnen gaan over transitie naar een koolstofvrije economie, universele rechten voor werknemers, meer burgerparticipatie, eerlijkere belastingen, het vrijwaren van publieke goederen zoals water, schone lucht, het genoom van levende wezens, van de greep van de markt... als het uit de mond komt van progressieve politici.

Structurele hervormingen kunnen zowel de invoering van mini-jobs betekenen (conservatief) als het invoeren van minimumlonen (progressief). Alleen bij het begrip ‘herstelregering’ zou de progressieve invulling beter blank blijven. Het systeem herstellen dat ons in de miserie heeft geholpen, is niet echt constructief. Progressieven kunnen dat begrip beter vervangen door het begrip ‘transitieregering’, een regering die echt werk maakt van de omslag naar een nieuw economisch paradigma dat ontdaan wordt van de vernietigende effecten van het model dat de N-VA wil herstellen. Want zoals Nederlands hoogleraar transitie, Jan Rotmans, het stelt: ‘We leven niet in een tijdperk van verandering, maar in een verandering van tijdperk.’ Het is die transitie die politiek begeleid moet worden. Herstel naar de toestand van vroeger is in dat licht bijna hilarisch te noemen.

HET TREURIGE BEELD VAN DE GRONDSTROOM VAN DE WEVER

Dat de N-VA goed lijkt in te pluggen op de leefwereld van de Vlamingen bleek eveneens uit de resultaten van de recente Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND) die een jaarlijkse snapshot geven van het ‘leven en werken’ van de Vlaming. Die werden in de pers samengevat onder de titel: ‘Een goede burger is een brave burger’. Burgerschap wordt in Vlaanderen steeds meer een verhaal van rechten en plichten. De Vlaming wil dat er beleefd geluisterd wordt naar wat hem van bovenaf opgelegd wordt in de vorm van wetten, regels en voorschriften. De omgekeerde dynamiek, waarbij Vlamingen zich spontaan maatschappelijk engageren, is op de terugweg. Zwakkeren helpen, dat vindt de Vlaming niet echt prioritair.

Vat dit ietwat treurige beeld de befaamde ‘grondstroom’ waarover Bart De Wever het al enkele jaren heeft en die hij aanhaalt om het succes van zijn partij te duiden? Grondstroom behoort overigens ook tot die categorie begrippen die dermate vaag zijn dat ze voor nagenoeg alle tendensen kan worden gebruikt. Of zoals wijlen Patrick De Witte het in januari 2013 nog opmerkte in een opiniestuk in De Morgen: ‘Weet iemand ondertussen eigenlijk al wat daarmee wordt bedoeld? Want grondstroom is weinig meer dan een loos containerbegrip dat kan worden aangewend om eender welke actie te vergoelijken’. In De Standaard van 15 november 2012 schrijft Peter De Roover, chef politiek van het Vlaamse opinieblad Doorbraak, over Bart De Wever: ‘Maar alle grondstromen nog aan toe, iedereen lijkt te vergeten dat hij veel opgekropte frustraties capteert.’ Waarmee De Roover bedoelt dat de N-VA voorman ‘zich laaft aan vele grondstromen’. Gelukkig verduidelijkt De Wever in Knack precies wat die Vlaamse grondstroom is: ‘centrumrechts’.

Dat de Vlaming zich volgens de VRIND minder engageert in het middenveld moet de N-VA alvast als muziek in de oren klinken, want zoals De Standaard in maart al schreef, stelt de partij dat middenveld ter discussie. Sinds haar kartel met de CD&V, een kleine 10 jaar geleden, kneedt de N-VA gestaag aan ‘haar grondstroom’. Toen werd die grondstroom verpakt in een nationalistisch-separatistisch jasje, maar dat is de afgelopen 10 jaar flink open komen te vallen, zodat het strenge, neoliberale plunje dat daaronder schuil gaat, steeds opvallender wordt: een kleine overheid, met een minimaal pakket aan kerntaken, een vakbeweging die liever aan de ketting wordt gehouden, een ondernemersvriendelijke omgeving waar zo weinig mogelijk regels gelden, en een burgerschap met zoveel mogelijk regels die de ‘normen en waarden’ van de goede Vlaamse huisvader moeten weerspiegelen. Bij elke electorale overwinning en elke gunstige peiling werd het discours van de N-VA strenger én negatiever.

Het Antwerpse laboratorium - waar de Vlaamse zaak verder van nul en generlei waarde is - toont de marsrichting duidelijk aan. Het is van ‘moeten’ en ‘niet mogen’. Je houdt onverlaten enkel op het rechte pad als je de stok achter de deur ook regelmatig eens ter hand neemt. Betogers die onder politiebegeleiding afwijken van het rechte pad - het pad dat door de regels werd voorgeschreven - worden gecriminaliseerd, kunstenaars en andere subsidievreters moeten niet te veel noten op hun zang hebben, allochtonen hebben racisme vaak aan zichzelf te wijten, net zoals leefloners ook zelf schuld hebben aan hun benarde situatie, het federale gedoogbeleid inzake kleine hoeveelheden soft drugs betekent niets, want ‘men is vergeten dat de wet soft drugs verbiedt’, zeeklassen voor stadskinderen zijn te duur geworden, de oppositie in de gemeenteraad moet luisteren en slikken wat papa zegt ‘omdat papa het zegt’. Zelfs de uit de partij gevluchte N-VA’ers uit Turnhout laten verstaan dat de partijtop niet luister naar ‘wat de man in de stad of in het dorp denkt of voelt.’

STRENGE VADERMODEL VERSUS ZORGEND GEZINSMODEL

Luisteren is nooit het sterkste punt geweest van een traditioneel, patriarchaal beleidsmodel, want: ‘Vader weet het beter’. Volgens George Lakoff is het conservatieve wereldbeeld gebouwd op de metafoor van een patriarchaal model, het zogenaamde ‘strict father model’, terwijl progressieve politiek vertrekt van de ‘nurtuant parent family’, het ‘zorgende gezinsmodel’. Het strenge vadermodel gaat er van uit dat kinderen leren via beloning en bestraffing, zoals bij de ‘operante conditionering’ in de gedragswetenschappen, waarbij gedrag veranderd wordt door er de consequenties van te laten ervaren. Die consequenties kunnen de vorm aannemen van een beloning of een bestraffing. Het vadermodel gaat er van uit dat kinderen onafhankelijker kunnen worden en meer zelfdiscipline aan de dag kunnen leggen als ze een strenge vader hebben. Onafhankelijkheid als gevolg van discipline, dat is ook wat de N-VA wil bereiken door langdurig werklozen en leefloners desnoods te straffen. Want wie te lang de zorgende hand voelt, wordt lui en hulpeloos, is de redenering.

Volgens Lakoff is dit model gebaseerd op de visie dat de wereld een gevaarlijke plek is en dat kinderen niet ‘goed’ worden geboren, maar ‘goed’ gemaakt moeten worden. De strenge vader is de morele autoriteit die zijn kinderen, en bij uitbreiding zijn hele gezin, het ‘goede’ moet bijbrengen middels een strikte discipline. Goede mensen zijn gedisciplineerde mensen; of zoals de VRIND-indicatoren het zeggen: goede Vlamingen zijn brave Vlamingen. Het N-VA wereldbeeld van traditionele normen en waarden moet een tegengewicht vormen voor de ‘uit de hand gelopen linkse experimenten van het einde van de jaren 1960’. Die progressieve wereldvisie zorgde er volgens De Wever in een opiniestuk uit 2008 voor dat de ‘sociale normering die gebaseerd was op de traditie van het christendom steeds sneller wegsmolt, met maatschappelijk verval, toenemende echtscheidingen, psychologische problemen en agressie’ tot gevolg. De Wever schetst hier inderdaad een gevaarlijke wereld. Een strenge vader lost zoiets op middels strikte discipline en gezagsgetrouwheid.

Dat angstige wereldbeeld staat haaks op wat Lakoff het zorgend gezinsmodel noemt dat de basis vormt voor het progressieve wereldbeeld. Dat gaat er van uit dat de wereld noch intrinsiek vijandig, noch intrinsiek vriendelijk is, maar wel verbeterd kan worden. Ook kinderen kunnen zich vervolmaken. Ze kunnen dat doen door de wereld te verkennen onder de beschermende begeleiding van hun beide ouders. Respect en medeleven zijn kernbegrippen in die wereldvisie. Kernbegrippen die aangeleerd kunnen worden door het goede voorbeeld te geven, niet door gehoorzaamheid af te dwingen. Dat gebeurt op basis van zorg, wat volgens Lakoff empathie impliceert zodat mensen niet enkel goed voor zichzelf zorgen, maar ook zorgzaam zijn voor anderen waarvoor ze zich verantwoordelijk voelen. Op een ruimer politiek niveau vertaalt die zorgzaamheid zich naar een sociaal vangnet, overheidsregulering, universeel onderwijs, universele gezondheidszorg, burgerrechten, gelijke behandeling, verantwoordelijkheid, een transparante overheid en de stimulering van een economie die die waarden ondersteunt.

INGEPLUGD OF WEGBEREIDER?

De VRIND-indicatoren leren ons dat het strenge vadermodel, waarbij gezagsgetrouwheid, de zorg voor zichzelf zonder verantwoordelijkheid te voelen voor het leed van anderen, aan een opmars bezig is. De vraag luidt of de N-VA heeft ingeplugd op die ‘grondstroom’, of dat ze er integendeel de wegbereider van is? Ongetwijfeld is daar geen eenduidig antwoord op te geven. Ook Peter De Roover, die De Wever eerder gunstig gezind is, schrijft dat ‘De Wevers bewering dat hij surft op de Vlaamse grondstroom, eerder ongenuanceerd dan verkeerd is. Er bestaat uiteraard niet één Vlaamse grondstroom die alles domineert.’ De Wever slaagt er in om frustraties en angsten die uit verschillende bronnen opborrelen, te capteren. Door dat te doen, verandert hij de stroompjes en stromen, zoals een bever dat doet, en loodst hij ze in een bredere stroom van ongenoegen die over Vlaanderen spoelt. Het is maar de vraag of die brede stroom van frustraties voldoende is om een maatschappelijk project op te bouwen dat de burgers hoop kan geven op een betere toekomst. Want wie wat verder kijkt dan de neus lang is, weet dat je te langen leste met azijn geen vliegen kunt vangen.

Jan de Zutter
Redactielid Samenleving en politiek

communicatie - Westen Drew - N-VA

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 9 (november), pagina 59 tot 65