Abonneer Log in

Meer gelijkheid in het onderwijs

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 12

Ongelijkheid en gelijkheidsstreven staan weer in de politieke en wetenschappelijke belangstelling. In grote mate omdat sedert de jaren 1970 de ongelijkheid in verschillende landen weer is toegenomen, soms spectaculair. In landen gaande van de al heel ongelijke Verenigde Staten tot het sociaaldemocratische Zweden1, nam de ongelijkheid over de laatste decennia sterk, ja spectaculair toe. Zozeer dat de negatieve effecten van ongelijkheid zichtbaar worden en om aandacht vragen. We kunnen alleen maar hopen dat we de wetenschappelijke en politieke vruchten van deze herboren belangstelling voor de problematiek van ongelijkheid kunnen plukken, en binnen afzienbare tijd opnieuw een beleid kunnen voeren dat meer gelijkheid, rechtvaardigheid en economische groei brengt.2

Het is niet ongelijkheid op zich die ons als sociaaldemocraten bezighoudt. Wat onze verontwaardiging oproept, is het gegeven dat sommige mensen heel veel hebben van al de goede dingen van het leven en anderen heel weinig of niets. Wat onze verontwaardiging oproept is dat sommige mensen altijd aan het kortste eind trekken. Het gaat ons daarom niet zozeer om ongelijkheid op zich, als resultante van individuele pech of geluk. Het gaat om sociale klassen, om verzamelingen van mensen met heel ongelijke kansen om de goede dingen van het leven te verwerven en het gaat ons om de factoren en mechanismen die resulteren in hardnekkige ongelijkheden tussen deze klassen. Ongelijkheden die in grote mate van generatie op generatie worden doorgegeven. Het is tegen die klassenongelijkheid dat de sociaaldemocratie zich keert. Het is ons te doen om die systematische vormen van ongelijkheid waardoor ganse klassen van mensen niet krijgen waar ze recht op hebben, wat zij zouden krijgen in een rechtvaardige, volgens sociaaldemocratische principes ingerichte samenleving.

De strijd voor dat soort gelijkheid en voor die rechtvaardige samenleving moet worden gevoerd met kennis van zaken. Het uitgangspunt moet empirische kennis van de concrete levens van concrete mensen zijn. Wat zijn vandaag de onmiddellijke oorzaken van kansarmoede? Welke factoren en mechanismen maken dat sommige groepen mensen zo pijnlijk kansarm en anderen zo opvallend kansrijk zijn?

ONGELIJKHEID NAAR ONDERWIJS

Eén factor die sedert een paar decennia als uitermate belangrijk uit veel onderzoek in verschillende landen naar voorkomt, is het onderwijsniveau of het diploma.3 We stellen vast dat van heel veel van de begeerde dingen, van goede jobs tot een lang en gezond leven, hoogopgeleiden veel meer krijgen dan laaggeschoolden.4 Laagopgeleiden nemen in veel mindere mate deel aan de arbeidsmarkt en zijn vaker werkloos. Als zij werken hebben zij minder werkzekerheid en lopen zij een groter risico op een arbeidsongeval. Laaggeschoolden verdienen minder. Laagopgeleiden schatten hun gezondheid aanzienlijk negatiever in dan midden- en hoogopgeleiden. Laaggeschoolden lijden meer aan chronische aandoeningen, hebben meer lichamelijke en meer psychische klachten en ervaren meer pijn. Hun slechtere gezondheid is ten dele te wijten aan een ongezondere leefomgeving en levensstijl. Laagopgeleiden leven vaker in omgevingen die een gevaar inhouden voor hun gezondheid. Al die gezondheids- en leefstijlverschillen cumuleren in een aangrijpende ongelijkheid in levensverwachting. Laaggeschoolden leven veel minder lang dan hoogopgeleiden. De relatie tussen het diploma en de levenskansen die mensen krijgen is zo sterk geworden, dat men nu van onderwijsklassen kan spreken.

Maar het blijft niet bij materiële verschillen. Tussen laag- en hoogopgeleiden is ook een grote sociale afstand gegroeid. De maatschappelijke participatie van laagopgeleiden ligt veel lager dan die van hoogopgeleiden. Binnen het verenigingsleven ontmoeten zij elkaar minder dan vroeger het geval was. Verzuilde verenigingen scheidden levensbeschouwelijke groepen van elkaar, maar slaagden er wel beter in laag- en hooggeschoolden samen te brengen dan de hedendaagse ontzuilde themaverenigingen. Dat deficit aan sociale participatie gaat gepaard met een beperkte politieke participatie. De laagopgeleiden gaan in mindere mate stemmen dan de middenopgeleiden, die op hun beurt in mindere mate gaan stemmen dan de hoogopgeleiden. Dergelijke verschillen gelden eveneens voor de politieke interesse, de politieke kennis, het lidmaatschap van een politieke partij, de mate van persoonlijk contact met politici en de vrijwillige inzet tijdens verkiezingscampagnes. De lage betrokkenheid van de laagopgeleiden bij de institutionele politiek wordt overigens niet gecompenseerd door een grotere betrokkenheid bij andere vormen van politieke actie of mobilisatie zoals het consulteren van politieke websites, het ethisch consumeren of het betogen. Ook dat wordt veel meer door hoogopgeleiden gedaan.

We zien, met andere woorden, dat er zich tussen de laag- en hoogopgeleiden een proces van sociale segregatie voordoet. Uitermate belangrijk in dat kader is de keuze van levensgezel of huwelijkspartner. Hoogopgeleiden huwen overwegend met hoogopgeleiden en laagopgeleiden met laagopgeleiden. Die homogamie naar onderwijsniveau is opvallend hoog, veel groter dan bijvoorbeeld homogamie naar sociale afkomst of beroepsgroep. Die homogamie naar onderwijsniveau speelt daarenboven een belangrijke rol in de verdeling van onderwijskansen. Men krijgt enerzijds gezinnen van hoogopgeleiden waarin de hulpbronnen die kinderen helpen in hun onderwijsloopbaan in grote mate aanwezig zijn, waar de kinderen doorgaans heel sterk intellectueel en cognitief gestimuleerd worden en daartegenover gezinnen van laagopgeleiden waar die hulpbronnen in grote mate ontbreken, waar de kinderen doorgaans veel minder gestimuleerd worden, veel minder kansen krijgen om ook buiten de school en op een aangename en creatieve manier in contact te komen met wat het artistieke en wetenschappelijke erfgoed te bieden heeft.

De zeer ongelijke verdeling van de hulpbronnen waarop schools succes steunt, die ontstaat door de sterke onderwijshomogamie, draagt bij tot de sluiting van de samenleving. Er is minder onderwijsmobiliteit. De kinderen van laaggeschoolden worden in grote mate laaggeschoold of stromen ongekwalificeerd uit, komen zonder de nodige diploma’s en competenties op de arbeidsmarkt. Neerwaartse sociale mobiliteit bestaat, maar de kinderen van hooggeschoolden worden in grote mate de volgende generatie hooggeschoolden.

Het spreekt vanzelf dat dergelijke grote sociale en economische verschillen, dergelijke grote verschillen in gezondheid en leefstijl ook gepaard gaan met grote culturele verschillen, verschillen in houdingen en opvattingen. Lager opgeleiden blijken pessimistischer te zijn over de gang van zaken in de samenleving, negatiever te staan tegenover de politiek en meer bezorgd te zijn over (de toename van) misdaad en criminaliteit dan de hogeropgeleiden. Laagopgeleiden hebben ook minder vertrouwen in de rechtspraak, zijn minder te vinden voor de multiculturele samenleving, zijn voorstander van meer autoritaire relaties en opvoedingsstijlen, vellen vaker een negatief oordeel over globalisering en hebben dikwijls het gevoel dat de overheid hen tekort doet. Kortom, laaggeschoolden geven blijk van veel hogere gevoelens van maatschappelijk onbehagen.

De hoge mate van homogamie, de lage mate van sociaal contact tussen hoog- en laagopgeleiden, de beperkte onderwijsmobiliteit van de ene op de andere generatie, de grote en politiek heel gevoelige verschillen in hun opvattingen en houdingen, maken dat het zelfs juister is te spreken van onderwijsstanden dan van onderwijsklassen. Die standen leven daarenboven sterk gesegregeerd. Zij wonen niet in dezelfde wijken, gaan niet naar dezelfde restaurants, komen elkaar niet tegen in operahuizen en theaters, gebruiken verschillende vervoersmiddelen, sturen hun kinderen naar verschillende scholen, en als de kinderen naar dezelfde school gaan, komen zij terecht in verschillende onderwijsvormen en als zij in dezelfde onderwijsvorm zitten, is de kans groot dat zij, van zodra een klas kan worden gesplitst, in verschillende klassen terecht komen.

Voor de verdeling van werk, gezondheid en inkomen, voor de sociale netwerken en de vormen van binding waartoe mensen toegang hebben, voor de keuze van huwelijkspartner, voor hoe men zich in de samenleving voelt, alsook voor politiek belangrijke opvattingen, is het onderwijsniveau nu belangrijker dan de sociaaleconomische status van het gezin van herkomst en in vele gevallen ook belangrijker dan de beroepsstatus. Dit betekent dat onderwijs een kerngegeven wordt in het nastreven van een rechtvaardige samenleving, voor het verwezenlijken van binding, het bieden van redelijke kansen op goed werk en bestaanszekerheid. Het is duidelijk dat zich in de hedendaagse samenleving grote ongelijkheden en verschillen tussen de onderwijsstanden voordoen en dat deze een nieuwe, diepe scheidslijn in de samenleving vormen die ook de solidariteit tussen de laag- en hooggeschoolden kan ondergraven en op die manier ook de samenhang van deze samenleving en, zo blijkt ook meer en meer, haar economische slagkracht. In het licht van onze sociaaldemocratische waarden zijn dergelijke ongelijkheden volkomen onaanvaardbaar.

STREVEN NAAR GELIJKHEID

Goed werk en een goed leven voor mensen met weinig kwalificaties en een gebrek aan kwalificaties

Niet alle verschillen naar onderwijs, zoals hierboven beschreven, zijn verschillen door onderwijs. Onderwijs treedt vooral op als spelverdeler. Het bepaalt in grote mate wie op welke posities terechtkomt. Het bepaalt in veel mindere mate hoe ongelijk die posities zijn. Streven naar meer gelijkheid via onderwijsbeleid betekent dan ook dat we:
(1) iedereen maximale kansen op gepast onderwijs geven; talenten ten volle laten ontwikkelen, maar ook
(2) mensen kans op een goed en waardig leven geven, ook al gaan ze niet lang naar school en behoren ze daar niet tot de uitblinkers.

De tweede van die doelstellingen - mensen met een elementaire opleiding, mensen die ongekwalificeerd de school hebben verlaten - ook een kans op het goede leven bieden, moet in grote mate buiten het onderwijs worden nagestreefd. Die doelstelling is onderdeel van het sociaaldemocratische streven naar een rechtvaardige samenleving waarin inkomen en macht niet disproportioneel geconcentreerd zijn bij een steeds kleinere, steeds meer gesloten kliek.

Ook al zijn we uitzonderlijk succesrijk in het bevorderen van onderwijs- en competentieverwerving, dan nog zullen er steeds mensen zijn met zeer elementaire competenties en zelfs een gebrek aan competenties. Een degelijke verzorgingsstaat moet de mensen niet alleen zo goed mogelijk toerusten, maar moet ook een goed leven en bestaanszekerheid bieden aan degenen die slecht toegerust zijn. Daarom moeten onder meer bijzondere inspanningen worden geleverd voor de tewerkstelling van jongeren met zeer elementaire vormen van opleiding en competentie.

Landenvergelijkend onderzoek wijst er overigens op dat de laaggeschoolden niet kunnen worden beschouwd als de verliezers van de modernisering, integendeel. In de meest gemoderniseerde Europese landen (de Scandinavische, Nederland, Duitsland, België) is de materiële situatie van de laaggeschoolden op het vlak van tewerkstellingskansen en gezondheid veel beter dan in de minder gemoderniseerde Europese landen. De materiële verschillen tussen laag- en hoogopgeleiden zijn kleiner in de meer dan in de minder gemoderniseerde Europese landen. Laaggeschoolden hebben baat bij een maatschappijontwikkeling die wordt gekenmerkt door de uitbouw van de verzorgingsstaat, de onderwijsexpansie en de uitbouw van de kenniseconomie. Die verschillende processen hangen in de Europese context onderling ook zeer nauw samen. Het is verantwoord hen te beschouwen als één maatschappij-transformerende ontwikkeling die kan worden aangeduid als Europese modernisering. Dat een dergelijke ontwikkeling kan worden waargenomen en op belangrijke punten leidt tot een absolute en relatieve verbetering van de positie van de laaggeschoolden, wijst erop dat een gebeurlijke verslechtering van de kwaliteit van het werk en van de financiële situatie en de bestaanszekerheid van de laaggeschoolden niet onafwendbaar is, niet kan worden beschouwd als een economische wetmatigheid of een onvermijdelijk gevolg van globalisering.
Het verslechteren van de positie van de laaggeschoolden zou daarentegen een breuk betekenen met het ontwikkelingspad dat de meest geavanceerde Europese landen over de laatste halve eeuw hebben uitgetekend en gevolgd. De sociaaldemocratie heeft een belangrijke rol gespeeld bij de verwezenlijking van dat samenlevingsproject. We moeten de voorwaarden van dat succes, de verzorgingsstaat en de arbeidswetgeving vandaag met hand en tand verdedigen, tegen de ontoereikend gereguleerde globalisering en tegen het neoliberale project dat vandaag door de Europese Unie wordt uitgedragen. Het volstaat niet het surplus van een ongereguleerde markteconomie af te romen om een welvaartsstaat in stand te houden. De markteconomie zelf moet worden gereguleerd op een manier die leidt naar minder armoede, minder ongelijkheid en minder uitsluiting.

De huidige tendens in Europa is duidelijk. En vooral de laaggeschoolden en de middenklasse dreigen daarvan het slachtoffer te worden. Goede jobs worden vervangen door wegwerpjobs. Meer en meer mensen moeten twee of meer jobs hebben om te overleven. Men wil ‘mini-jobs’ creëren. Meer en meer mensen werken zonder degelijk arbeidscontract. Er zijn meer en meer zogeheten nul-uurcontracten waarbij mensen niet weten of ze volgende week effectief gaan werken en op het einde van de maand hun huur gaan kunnen betalen. In wegwerpwerknemers wordt ook niet geïnvesteerd. Daardoor gaat competentie verloren en ondergraven we onze concurrentiekracht. De spelregels die er zijn om mensen goed werk te geven, worden meer en meer omzeild. En dat kan omdat er een aanbod van werkkrachten uit landen met een veel zwakkere sociale bescherming is. Europa heeft de binnengrenzen geopend voor arbeidsmigratie. Dat zorgt voor een toevloei van mensen die voor minder geld onder slechtere condities willen werken. Zij zouden moeten zijn gebonden aan de wetten van het land waar ze werken, maar er zijn werkgevers die constructies opzetten om die wetten te omzeilen en op die manier een oneerlijk voordeel te halen ten opzichte van de werkgevers die de wet respecteren. En Europa maakt dat bedrog en het ondergraven van de arbeidswetgeving niet alleen mogelijk door onvoldoende sluitende wetgeving, maar verzet zich ook nog tegen pogingen om daar effectief iets aan te doen, zoals staatssecretaris John Crombez heeft ondervonden.

Dat is de richting waarin de neoliberale invulling van het Europese Unieproject ons stuurt. Dat mag niet ons Europa worden. We moeten niet, zoals rechts ons steeds voorhoudt, de race tegen de sweat shops van de wereld winnen, wij moeten de race voor een rechtvaardige samenleving en het goede leven winnen. Wij moeten daarbij ook aan de kant van ondernemers staan, maar wij moeten duidelijk maken dat een ondernemer die enkel concurrerend kan zijn door de arbeidsvoorwaarden te ondergraven, door goed werk te vervangen door slecht werk, door wegwerpwerknemers te maken, de naam ondernemer niet waardig is. Wij moeten volharden in de hervorming van de verzorgingsstaat en de arbeidsmarkt, maar we moeten er met hand en tand voor vechten dat deze conform onze waarden gebeuren, want precies dat heeft in het verleden voor welvaart en welzijn voor velen gezorgd. Het is op die manier dat we in de eerste plaats aan de ongelijkheid tussen de onderwijsklassen moeten werken. Maar die ongelijkheid moet ook in de scholen, via onderwijsbeleid worden aangepakt.

MEER GELIJKHEID IN HET ONDERWIJS

Niet noodzakelijk maar altijd langer studeren

De beschikbare evidentie wijst op een sterke samenhang tussen het diploma en de kans een goed leven te leiden. Daaruit zou men kunnen besluiten dat men zoveel mogelijk mensen een diploma van het hoger onderwijs moet laten behalen. Dat lijkt ook het beleid dat door de Europese Unie en de OESO wordt gestimuleerd. Ik denk dat het aantal hoger opgeleiden in Vlaanderen hoog genoeg is en dat in plaats van ernaar te streven zoveel mogelijk jonge mensen in het hoger onderwijs te krijgen, we ons twee andere doelen moeten stellen:
- zoveel mogelijk mensen een adequaat niveau van duurzame competenties laten bereiken
- en erop toezien dat ook mensen met beperkte competenties toegang krijgen tot het goede leven.

Het onderwijsniveau is slechts een middel, de competenties en het goede leven zijn het doel. Het doel moet zijn iedereen een adequate opleiding te geven, die toegang geeft tot het goede leven en tevens aan de economische behoeften van de samenleving voldoet. Bijzondere inspanningen moeten worden geleverd om iedereen de sleutelcompetenties te laten verwerven die nodig zijn in de hedendaagse samenleving. In het verkiezingsprogramma onderwijs 2014 van de sp.a zitten verschillende voorstellen om dat te doen op een manier die meer gelijkheid en meer gelijke kansen schept.

Minder homogeniseren, minder selecteren en kanaliseren, meer leren

Ons onderwijs wordt al lang gekenmerkt door een grote mate van ongelijkheid. Deze komt tot uiting in de grote verschillen in competentie tussen de zwakke en de sterke leerlingen, in een sterke samenhang tussen die verschillen en de verschillen in sociaaleconomische achtergrond, en in een sterke samenhang tussen verschillen in competentie en etnische achtergrond, zelfs na controle voor de sociaaleconomische verschillen. Die ongelijkheden zijn bij ons groter dan in vergelijkbare landen. Veel onderzoekers zijn van oordeel dat die grote ongelijkheden veel te maken hebben met een overdreven homogenisering, met soms meer aandacht voor selectie dan voor onderwijs, met te snelle en nagenoeg onomkeerbare differentiatie en met een segregatie tussen de onderwijsvormen. De huidige hervorming van het secundair onderwijs heeft de bedoeling daaraan te verhelpen. Die hervorming gaat naar mijn inzien niet ver genoeg. De huidige b-stroom wordt bijvoorbeeld niet fundamenteel herdacht – hij verandert alleen van naam en heet nu schakeltraject. Er zijn nu nagenoeg geen leerlingen die de waterval opklimmen en ik verwacht ook niet dat de hervorming, als ze er komt, daar veel aan zal veranderen. Maar als ze er komt, wordt toch vooruitgang geboekt. In het voorstel worden de huidige vormen vervangen door domeinen, bijvoorbeeld wetenschap en techniek of economie en organisatie. Een school zou één of twee domeinen moeten kiezen en zich daarin specialiseren. Binnen die domeinen worden de onderwijsvormen terug ingevoerd, maar wel op dezelfde campus. Leerlingen kiezen eerst hun domein in het 1ste jaar van de 2de graad en pas later de vorm. Dat zou ten opzichte van de huidige structuur toch een echte vooruitgang zijn omdat (1) de keuze naar vorm wat wordt uitgesteld, (2) pas wordt genomen na een kennismaking met het domein, (3) omdat er minder segregatie is tussen de vormen die op dezelfde campus blijven en, (4) wie weet, misschien worden de mogelijkheden van transits tussen de vormen ook groter.

Ik spits de aandacht hier toe op een element van het streven naar gelijkheid via onderwijs, dat in het verkiezingsprogramma 2014 nagenoeg volkomen wordt verwaarloosd.

Het basisonderwijs, daar wordt de strijd voor meer onderwijsgelijkheid gewonnen of verloren

Voor de latere onderwijskansen is het basisonderwijs en zelfs de kinderopvang heel belangrijk. In de mate dat het onderwijs, en bijvoorbeeld niet het gezin, de onderwijskansen van kinderen maakt, gebeurt dat in grote mate in het basisonderwijs. Dit zou daarom de focus van het streven naar gelijkheid van onderwijskansen moeten zijn.

Hoewel bijna alle kinderen in de laatste jaren van het kleuteronderwijs zijn ingeschreven, weten we dat een aantal onregelmatig aanwezig is, en stellen we vast dat wie wegblijft precies de kinderen uit de gezinnen zijn die het meeste baat zouden hebben bij dat onderwijs. Ik ben daarom van oordeel dat we van het kleuteronderwijs leerplicht onderwijs moeten maken. Daarbij stellen zich twee obstakels. In onze gekke institutionele structuur is de leerplicht een federale aangelegenheid, en misschien zouden de Franstaligen zich tegen dat voorstel verzetten. Ten tweede zou zo’n maatregel bommen geld kosten als we in het kleuteronderwijs de vrije keuze van levensbeschouwing moeten garanderen. Het kleuteronderwijs lijkt me de juiste plek om daarmee te stoppen.

We zouden ook sterker op leren moeten inzetten in het kleuteronderwijs. Het is met meer nadruk op leren dat we de zwakkeren in deze samenleving effectief kunnen helpen. De opvatting dat men de kinderen in het basisonderwijs zo lang mogelijk gewoon moet laten spelen zonder op een aangepaste wijze bij te dragen tot hun cognitieve ontwikkeling, is goed voor elites (die zich in vele gevallen zelf wel inzetten voor de cognitieve ontwikkeling van hun kinderen) en slecht voor de anderen (die veel minder kansen hebben dat te doen en aangewezen zijn op de school, die moeten kunnen rekenen op de school).

Het leren werken met differentiatie binnen de klas, maatwerk binnen de klas, zou al in de kleuterklasjes moeten beginnen, bijvoorbeeld met het aanleren van het Nederlands aan de kindjes die in het thuismilieu geen Nederlands spreken of daar geconfronteerd worden met heel gebrekkig taalgebruik.

In het kleuteronderwijs en het lager onderwijs moet ook veel meer geïnvesteerd worden in contact met de ouders en in het vroeg detecteren en opvangen van sociale en psychische problemen.

We moeten daarom ook sleutelen aan de lerarenopleiding. Het lijkt me geen gek idee alle opleidingen voor het onderwijs te situeren op het niveau van academische master en er opleidingen voor leraars van te maken, waarbij dan intern wordt gedifferentieerd naar niveau (kleuter, basis, graden van secundair) en naar vakspecialisatie. De competenties nodig op de lagere niveaus, in termen van de bekwaamheid leer- en andere problemen te detecteren en te remediëren, lijken me zeker evenveel opleiding te vergen als degene nodig om Nederlands, Frans of wiskunde te geven in de derde graad van het secundair onderwijs.

Het basisonderwijs op die manier ondersteunen zal geld kosten. Het is heel onwaarschijnlijk dat het onderwijsbudget de komende jaren veel groter zal worden. Dus als we meer in het basisonderwijs willen investeren, zal het geld van ergens moeten komen. En het is nooit prettig ergens geld te moeten wegnemen, maar er gaat bij ons relatief veel geld naar de universiteiten, naar het academische onderwijs; het groeipad dat voorzien is voor het hoger onderwijs tot 2025 is veel te royaal. Dat is een elitaire optie, geen sociaaldemocratische. Dat groeipad moet afgevlakt en de middelen die aldus vrijkomen moeten naar het basisonderwijs.

Er doen zich trouwens een aantal verkwistende ontwikkelingen voor in het hoger onderwijs. De tendens van studenten om verschillende universitaire opleidingen te gaan cumuleren bijvoorbeeld, dikwijls zonder duidelijke band tussen die opleidingen, gewoon omdat men nog geen goesting heeft om te gaan werken. Er kan worden gediscussieerd over de vraag of we de eerste universitaire opleiding nagenoeg gratis moeten houden - in elk geval spotgoedkoop in vergelijking met de buurlanden - maar toch niet de tweede of de derde! We gaan toch geen mensen met bescheiden inkomens laten betalen voor de tweede en derde universitaire studie van de kinderen van de veelverdieners. Er is ook de krankzinnige productie van doctoraten waarop niemand zit te wachten. Het aantal doctoraten is tussen het academiejaar 1998-99 en vorig academiejaar met 280% toegenomen. Gewoon omdat universiteiten gesubsidieerd worden op basis van het aantal doctoraten dat zij afleveren. Dat begint voor schabouwelijke doctoraten te zorgen en voor gedoctoreerden die het werk van masters en bachelors doen.

Willen we echt streven naar gelijke kansen in het onderwijs, dan moet er een grote verschuiving van budgetten komen naar het basisonderwijs toe, en het lijkt me nagenoeg onvermijdelijk dat het academische niveau daartoe relatief veel zal moeten bijdragen.

Het is in het basisonderwijs waar de strijd tegen de ongelijkheid wordt gewonnen of verloren.

Mark Elchardus
Professor emeritus Sociologie, VUB

Noten
1/ http://www.oecd.org/social/soc/49564868.pdf.
2/ Neerslag van de toespraak gehouden op het sp.a Visiecongres, in de Vooruit, Gent, 7 december 2013.
3/ Overzichten worden gegeven in De Groof et al., 2012 en Elchardus, 2012, 2013, waarop we voor deze bijdrage steunen.
4/ Als in deze bijdrage wordt gesproken van laaggeschoolden komt dit, in termen van de International Standard Classification of Education (ISCEd, overeen met (ISCEd 0-2); middengeschoold is (ISCEd 3-4) en hoog (ISCEd 5-6) of lager secundair/hoger secundair/hoger.

Bibliografie
- De Groof, S., M. Elchardus, et al. (2012). Maatschappelijke baten en kosten van onderwijs en leerervaring. Een micro-benadering. Brussel, OBPWO-Ministerie Vlaamse Gemeenschap.
- Elchardus, M. (2012). Onderwijs als (nieuwe) sociale scheidslijn. De sociale klasse voorbij. Over nieuwe scheidingslijnen in de samenleving. Den Haag, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het SCP en de RMO: 35-84.
- Elchardus, M. (2013) Ongelijkheid in de kenniseconomie. S&D, 70,3:44-65.

ongelijkheid - onderwijs - basisonderwijs

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 12