Abonneer Log in

Kinderen van de migratie

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 3 (maart), pagina 1 tot 3

Dit jaar vieren we 50 jaar Turkse en Marokkaanse migratie naar België.

In 1964 ondertekende de Belgische overheid bilaterale verdragen met Turkije en Marokko voor het leveren van ‘contingenten werkkrachten’ om zwaar werk te verrichten in de Belgische mijnen en in de staal- en textielindustrie. De verdragen vormen een hoogtepunt van een liberaal migratiebeleid. De ijzeren wetten van vraag en aanbod speelden volop: als België arbeidskrachten nodig had, dan waren de ‘gastarbeiders’ welkom, maar bij economische laagconjunctuur mochten ze hun boeltje pakken en terugkeren. Dat gebeurde een eerste keer in 1967 bij een tijdelijke verslechtering van de economie: arbeidspassen werden plots niet meer toegekend en regularisaties van clandestiene arbeidsmigranten werden stopgezet. In 1974 sloot men meer permanent de grenzen voor (laaggeschoolde) arbeidsmigratie. Sindsdien staat 1974 in de annalen van de geschiedenis geboekstaafd als ‘het jaar van de migratiestop’. Al is ‘migratiestop’ een relatief begrip, want mensen blijven uiteraard bewegen op zoek naar een beter leven voor zichzelf en hun kinderen. Dat is een wetmatigheid die de politiek moeilijk onderkent. Sedert 1974 werd georganiseerde arbeidsmigratie vervangen door huwelijksmigratie en gezinshereniging uit Turkije en Marokko. Hoewel huwelijks- en gezinsmigratie het laatste decennium fors dalen, blijven deze migratiekanalen tot op vandaag populair.

Het gouden jubileum van de Turkse en Marokkaanse migratie gaat gepaard met tal van tentoonstellingen, debatten en boeken. Deze activiteiten blikken doorgaans terug op de migratiegeschiedenis en geven een indringend beeld van hoe mensen zich behielpen in het Vlaanderen van toen en daar ook wel verloren liepen door een falend onthaalbeleid. Minstens even indringend en vooral verontrustend is de foto van de maatschappelijke positie van de (klein)kinderen van deze migranten. Uit recente cijfers van de sociaaleconomische monitoring blijkt immers dat de (klein)kinderen van de Turkse en Marokkaanse migranten nog steeds dramatisch achterophinken op de arbeidsmarkt. Ook de laatste PISA-studie schetst een somber beeld: nergens in Europa is de etnische en sociale ongelijkheid in schooluitkomsten zo groot als in België. Daarnaast tonen academische praktijktesten aan dat etnische minderheden op de woning- en arbeidsmarkt nog steeds structureel benadeeld worden: ze worden minder vaak uitgenodigd en aan hen worden hogere eisen gesteld. België staat zeker niet alleen met deze pijnlijke cijfers. Ook andere welvaartsstaten zoals Zweden en Denemarken kampen met de integratie van hun etnische minderheden...

Voor dit themanummer vroegen we aan een aantal gevestigde waarden en aanstormende talenten om hun mening te geven over de toekomst. Volgende vragen stonden centraal: Hoe zie jij de toekomst op vlak van migratie en integratie de komende 20 jaar? Zullen we er als maatschappij in slagen om de achterstelling van etnische minderheden weg te werken? Welke maatregelen of veranderingen zijn nodig? Bij het beantwoorden van deze vragen konden de auteurs zich toespitsen op de Turkse en Marokkaanse gemeenschap in België, maar ze mochten ook breder gaan. Hun antwoorden prikkelen, dagen uit en smaken naar meer. Elk van hen verlaten op hun domein de platgereden paden en brengen een vernieuwende boodschap. Ze tonen aan dat het anders moet en anders kan.

ONDERWIJS

Allereerst moeten we investeren in de sociaaleconomische emancipatie van elkeen. En de motor van deze vooruitgang is het onderwijs. Of dit zou het toch moeten zijn. Zowel Rachida Lamrabet als Armand De Meyer breken een lans voor een meer inclusief onderwijs. Dit type onderwijs gaat verder dan louter het garanderen van ‘gelijke kansen’. Het is gericht op de optimale ontwikkeling van alle kinderen tot kritische, zelfstandige en bekwame burgers. Het vertrekpunt is hier niet louter gelijke startkansen, maar eerder welke stimulansen en ondersteuning een kind nodig heeft om in de maatschappij te kunnen meedraaien. Ik onderschrijf ook volmondig het pleidooi van Patrick Loobuyck voor de invoering van een algemeen vormend vak diversiteit in het onderwijs. Samenleven in diversiteit moet men immers leren. In dit vak brengen we leerlingen interculturele vaardigheid, levensbeschouwelijke geletterdheid en burgerschapsattitudes bij.

Onderwijs en vorming gaan natuurlijk veel breder dan wat gebeurt binnen de schoolmuren. Als ‘project in de kijker’ selecteerde Sampol daarom vzw Uilenspel in Gent. Deze vzw mobiliseert vrijwilligers uit de buurt die wekelijks thuis bij een gezin langsgaan om op speelse manier de schoolse vaardigheden van de kinderen te versterken. Deze begeleiding stimuleert zowel onderwijsvaardigheden van de kinderen als de buurtsolidariteit. Twee vliegen in één klap met andere woorden.

DISCRIMINATIE

Een tweede uitdaging is ongetwijfeld de strijd tegen discriminatie. In dit nummer staan drie opmerkelijk oproepen die op zijn minst aanzetten tot denken zonder er daarvoor volledig mee eens te zijn. Dajo De Prins daagt uit met zijn pleidooi om de strijd tegen discriminatie te ontnemen aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding. Hij beargumenteert dat het wenselijker en efficiënter is om de middelen die daar nu voor gebruikt worden aan het georganiseerde middenveld te geven. Hij wijst op buitenlandse voorbeelden waar het middenveld, en niet een overheidsinstelling, de motor van antidiscriminatie is. Milica Petrovic breekt een lans voor verplichte minimumquota voor bedrijven van een zekere grootte. De overheid kan bedrijven die hun quota niet nakomen zelfs financieel sanctioneren door ze zwaarder te belasten. Ook Pieter-Paul Verhaeghe snijdt in zijn stuk de strijd tegen discriminatie aan. Hij gaat de mogelijkheid na om via sociaal contact de wederzijds vooroordelen te doorbreken. Interessant is zijn stelling dat de toenemende diversiteit binnen de Turkse en Marokkaanse gemeenschap eigenlijk het grootste antidotum van deze vooroordelen is. Deze vaststelling haakt in bij het populaire concept van ‘superdiversiteit’. Lees in dit verband zeker het boekessay van Bilal Benyaich over drie boeken over dit thema.

NIEUW PACT

Na 50 jaar migratie is België een superdiverse immigratiesamenleving geworden. Of we het nu willen of niet, onze kinderen zullen opgroeien in een omgeving gekenmerkt door diversiteit en migratie. Het is een onderdeel van ons DNA geworden. In die zin zijn we allemaal kinderen van de migratie. Het is dan ook in ieders belang dat we van deze immigratiesamenleving een succes maken. Onze sociale welvaartsstaat heeft zich echter nog onvoldoende aangepast aan deze superdiverse immigratiesamenleving met structurele achterstelling tot gevolg. Vijftig jaar na de bilaterale verdragen met Turkije en Marokko hebben we daarom een nieuw verdrag nodig: een pact voor een sociale, superdiverse welvaartsstaat.

Yasmine Kherbache
Redactielid Samenleving en politiek

edito - 50 jaar migratie** **

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 3 (maart), pagina 1 tot 3