Abonneer Log in

Hoe kan een links patriottisme er uitzien?

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 67 tot 74

Na de Tweede Wereldoorlog koos de arbeidersbeweging resoluut voor het Belgische gestel. Voor Ludo Abicht is dat een fundamentele vergissing. Een nationale emancipatiebeweging is niet noodzakelijk conservatief of neoliberaal. Een sociale, progressieve beweging kan niet groeien zonder een duidelijke verankering in de eigen bevolking en haar geschiedenis. De auteur pleit, hieronder, voor een ‘patriottisme zonder grenzen’, een solidariteit die niet alleen wereldwijd is en binnen een land alle inwoners zonder onderscheid omvat, maar die geen probleem heeft met de erkenning en verdediging van de eigen cultuur en tradities in een steeds meer geglobaliseerde en geüniformiseerde wereld. Hij onderscheidt vier eigenschappen die een progressieve patriottische beweging moet hebben.

EIGENSCHAP 1: INCLUSIEF

Op de eerste plaats moeten progressieve bewegingen, om het even wat de oorspronkelijke inspiratie was (een sociaal conflict, een levensbeschouwelijke keuze, een streek, een land of zelfs een culturele of gender identiteit), inclusief zijn om geloofwaardig te blijven. Er is bijvoorbeeld niets verkeerds aan een beweging voor seksuele bevrijding, zolang de legitieme zorg voor de rechten en de ontplooiing van een specifieke groep haar er niet toe verleidt, haar programma te bouwen op de uitsluiting van ‘de ander’, in dit geval de mannelijke helft van de bevolking. Dit geldt zelfs wanneer de dominante groepen (mannen, koloniale heersers, intellectuele elites) de onbetwistbare verschillen tussen henzelf en de rest misbruiken om hun geprivilegieerde positie in stand te houden. De onderdrukte groepen zullen hun vrijheid niet veroveren door de foutieve ideologie en het verkeerde van hun onderdrukkers na te bootsen.

De reactie van Nelson Mandela, toen hij eindelijk zijn gevangenis mocht verlaten en toen zijn wild enthousiaste en triomferende aanhangers klaar stonden om ongenadig wraak te nemen op de vroegere blanke meesters, is daar een fantastisch voorbeeld van. Hij waarschuwde zijn mensen er met aandrang voor zeker niet te worden zoals diegenen die hen een halve eeuw lang onderdrukt en uitgebuit hadden en herinnerde hen aan de morele superioriteit van de Afrikaanse Ubuntu-filosofie: ‘Ik kan alleen waarachtig groeien en bloeien, wanneer ik ervoor zorg dat ook jij kan groeien en je ontplooien.’ Het gevolg van deze keuze was dat zijn kameraden in de vrijheidsstrijd als Desmond Tutu erin slaagden het tij van de dreigende wraaknemingen om te buigen in een pijnlijk maar fair wederzijds onderzoek naar de fouten en misdaden van de voorbije periode om de hele waarheid na te streven, hoe onaangenaam en lelijk die ook mocht zijn, als de noodzakelijke grondvoorwaarde voor een authentieke en duurzame verzoening. Het zou trouwens een openbarende oefening in democratisch politiek denken zijn, dit ethisch superieure antwoord van Mandela te vergelijken met de sluwe en efficiënte, maar onmenselijke en dodelijke raad die Adolf Hitler in Mein Kampf aan zijn lezers gaf: het is zoveel eenvoudiger het volk te mobiliseren tegen een echte of vermeende vijand dan hen ertoe aan te zetten de nodige inspanningen te leveren om hun eigen toestand op orde te brengen. Hitler en Mandela staan hier aan de tegenovergestelde uitersten van een spectrum waarin de keuzes niet altijd zo scherp van elkaar kunnen worden onderscheiden. We weten dat het makkelijker is met de wijsheid van achteraf (met ‘het geluk van de later geborenen’) het juiste oordeel te vellen, iets wat doorgaans niet het geval was voor de mensen die er middenin zaten en de kracht van bepaalde indoctrinaties moeilijker konden inschatten. Ook in de strijd voor nationale bevrijding is het heel verleidelijk de schuld op ‘de anderen’ te schuiven, op hen die niet tot de incrowd behoren en hen zo negatief mogelijk af te schilderen (in het Duits noemt men dit heel gepast een Feindbild, een overal verspreid karikaturaal duister portret van de tegenstander). Probeer maar eens met de modale Israëli over ‘de Arabieren’ te praten en, omgekeerd, met de doorsnee Palestijn over ‘de Joden’ en je zal meteen begrijpen waarom de politieke leiders aan beide kanten hun mensen zo moeiteloos tegen de anderen kunnen ophitsen (en waarom het zo verrassend is, wanneer een aantal van hen dit juist niet doen). Deze weigering om de leden van de eigen gemeenschap tegen die anderen op te zetten, ook al lijkt het erop dat de totale nederlaag van die tegenstanders de enige maner is om onszelf te bevrijden, is in feite een van de eerste dringende taken van een authentiek progressieve patriottische beweging of, om het in de taal van de Ubuntu-filosofie te zeggen: ‘alleen wanneer mijn inzet voor de legitieme rechten, de welvaart en het welzijn van mijn eigen groep samenvalt met een echte inzet voor de rechten en verlangens van de anderen, ook die van mijn huidige opponenten, zal dit ethisch aanvaardbaar zijn.’ Er is een wereld van verschil tussen de objectieve erkenning van een aantal reële twistpunten en tegenstrijdige belangen die daarom moeten worden opgelost en de irrationele waan dat het beter is ‘eerst te schieten en daarna vragen te stellen’, dat wil zeggen het bestaan zelf van die tegenstanders als een belangrijke hindernis te beschouwen voor het bereiken van mijn persoonlijke vrijheid en geluk.

In de beweging voor Vlaamse ontvoogding hebben, net als in bijna alle emancipatiebewegingen, bepaalde leiders deze strijd met succes gereduceerd tot de kleinering van ‘de Ander’, in dit geval bijvoorbeeld de (luie) Walen, de (arrogante) Franssprekende meerderheid in Brussel en de kleine maar invloedrijke sociaaleconomische elite van (irritante) Franssprekenden in Vlaanderen zelf. Een dergelijke exclusieve en, geef toe, vrij simplistische aanpak is niet alleen gewoon onjuist en moreel fout, maar biedt ook een duidelijk voorbeeld van de manier waarop de verkeerde middelen het edele einddoel kunnen perverteren. Mensen die uitgegaan waren om te strijden voor hun legitieme culturele en sociale rechten keren naar huis terug als hun eigen levende karikaturen, bekrompen, narcistisch en hopeloos regressief. Eens dat we ons wagen op de gladde glijbaan van vertekening en de uitsluiting van anderen zijn discriminatie, xenofobie en racisme nooit ver weg.

EIGENSCHAP 2: SOLIDAIR

De tweede eigenschap van een progressieve patriottische beweging is nauw met deze eerste, antiracistische opstelling verbonden. Indien de zorg voor de leden van een groep, vooral van de zwaksten onder hen, een natuurlijk en onvermijdelijk deel uitmaakt van elke emancipatiebeweging moet de solidariteit met nieuwkomers en immigranten, vluchtelingen en asielzoekers even natuurlijk zijn. Een patriottische beweging die niet op de frontlijn staat in de strijd voor de menselijke, culturele, sociale en politieke rechten van deze mensen die ten gevolge van omstandigheden die zij niet de baas konden vaak aan de voet van de maatschappelijke ladder opnieuw moeten beginnen, is niet echt geloofwaardig. Terwijl het klopt dat al heel wat gewone burgers en lokale verenigingen zich voor de materiële en geestelijke belangen van deze mensen hebben ingezet - en we mogen deze inspanningen vanuit het ‘middenveld’ onder geen beding onderschatten - zou dit ook een van de kerntaken van iedere ontvoogdingsbeweging moeten zijn. De opvang van potentiële nieuwe medeburgers vergt immers meer dan individuele en lokale goede wil, maar zou in het programma van de beweging als zodanig ingeschreven moeten staan. Dit houdt onder meer in dat er druk wordt uitgeoefend op de autoriteiten, toch in feite de door ons betaalde vertegenwoordigers en ambtenaren in de mooie betekenis van civil servants, om de nodige structurele ruimte te scheppen waarin deze nieuwkomers de nodige steun kunnen vinden, zoals onder meer opvoeding en bijscholing, gezondheidszorg, sociale woningen, jobtraining en de essentiële instrumenten om functioneel met mensen uit hun nieuw omgeving te kunnen communiceren (bijvoorbeeld de kennis van de taal en de geldende minimale normen en gedragsregels). Deze instrumenten moeten hen ook in staat stellen zo vlug en zo intensief als ze dat wensen deel te nemen aan de administratie van het land waarvoor ze gekozen hebben zich te vestigen. Zij die zich, in de naam van ‘de liefde voor het behoud van de eigen traditionele identiteit’ tegen een dergelijke politiek verzetten zijn niet alleen ethisch verwerpelijk, maar zadelen vroeger of later hun eigen toekomst als een leefbare en vooruitstrevende gemeenschap met een zware hypotheek op. Het is onze taak en die van de overheid al deze diep gewortelde vooroordelen aan te pakken en te blijven hameren op de reële voordelen van de diversiteit voor iedereen, al was het maar vanwege het contact met mensen met andere ervaringen die onze blik op onszelf en de wereld kunnen verrijken. Vanzelfsprekend berust gelijk welke vorm van succesrijke integratie op wederzijdse communicatie en bereidheid tot samenwerking en vraagt het inspanningen van alle kanten, maar er is geen alternatief, tenzij we willen uitmonden in een gettovorming binnen onze steden die zowat het omgekeerde is van een aanvaardbare samenleving en die, in een niet zo verre toekomst, een fataal recept zal worden voor algemene onrust en gevaarlijke maatschappelijke conflicten.

De vraag die hierbij vaak gesteld wordt, wat we dan doen met individuen en groepen die om allerlei redenen (angst om de eigen cultuur te verliezen, wantrouwen tegenover de overheid en wellicht nog meer tegenover de onverschillige tot vijandige autochtonen, onbegrip of een reeks negatieve ervaringen) zich gewoonweg niet willen integreren in een samenleving die ze vrezen, verachten of verwerpen? Daarop bestaat er jammer genoeg geen eenduidig bevredigend antwoord. Hoe overtuig je mensen ervan dat die ‘integratie’ niet hetzelfde is als een openlijk afgedwongen of slinkse manier de assimilatie, de hoger vermelde Gleichschaltung of uniformering op te dringen? Hoe kan je verhinderen dat de talrijke uitingen van discriminatie en xenofobie, die wij liefst als betreurenswaardige uitschuivers en uitzonderingen minimaliseren, door velen van hen eerder als de regel begrepen worden (‘wij zijn hier, ondanks al onze inspanningen, niet welkom’)? Het eerste wat vanuit een democratisch perspectief moet worden gedaan (niet alleen gezegd), is de strategie ten opzichte van mensen die dit integratieproces afwijzen in geen geval te beperken tot mensen die uit de migratie komen, omdat het percentage ‘weigeraars’ bij hen hoogstwaarschijnlijk niet hoger ligt dan bij de blanke Vlamingen. Nu verontschuldigt het verkeerde gedrag van de enen nooit dat van de anderen, maar het zou nuttig zijn dit regelmatig duidelijk in beeld te brengen: de basisregels van onze democratie, dat wil zeggen de universele verklaring van de mensenrechten, mogen door niemand - zónder uitzondering - als een vodje papier beschouwd worden en het zou daarom onfair en dwaas zijn, deze ‘weigering’ die over de hele bevolking verspreid is, tot de meer zichtbare groep van niet-blanke jongeren te beperken. Anderzijds helpen we letterlijk niemand, wanneer we om tactische redenen ook maar de schijn zouden geven van een relativering van deze basisprincipes die, na een strijd van meer dan drie eeuwen, niet langer tot stof voor onderhandelingen mogen worden gereduceerd. Over de gelijkwaardigheid van man en vrouw, het recht op vrije meningsuiting en vrij onderzoek, de rechten van holebi’s, het habeas corpus-principe van rechtszekerheid en de gelijke behandeling van alle burgers zonder onderscheid wordt niet meer onderhandeld. Punt. In dit uitzonderlijke geval is koppigheid niets anders dan een progressieve en wijze houding en we zouden daar best klaar en ondubbelzinnig over praten en schrijven.

Authentieke solidariteit moet vrijwillig en wederzijds zijn en kan nooit eenvoudigweg van bovenaf opgelegd noch eenzijdig toegepast worden. Je zou zelfs de retorische vraag kunnen stellen of een maatschappij zonder solidariteit nog de moeite loont om in en voor te leven. We hebben het hier niet over een vorm van religieus of humanistisch geïnspireerde liefdadigheid (‘help je naaste en houd hem netjes op zijn plaats’), maar over een vrijmoedige uitwisseling van informatie en bijdragen tussen gewone burgers die er nooit van hadden kunnen dromen dat ze hier zouden belanden en van anderen die, wat hen betreft, zich nooit hadden kunnen voorstellen plotseling met buren uit Afghanistan, Marokko of Burkina Faso te maken te hebben. Indien we er echter niet in slagen aan deze nieuwkomers uit te leggen dat onze strijd voor meer autonomie ook en vanzelfsprekend hun strijd is, moeten we onszelf en onze houding ernstig in vraag stellen. Denk maar aan de miljoenen Joodse immigranten in de Verenigde Staten, van wie de zonen en kleindochters de leiders van sociale bewegingen, vakbonden, pedagogische hervormingsprojecten en, recent, de strijd voor de emancipatie van de vrouw geworden zijn. Uiteraard waren ze Joods en trots het te zijn, maar ze waren tegelijkertijd loyale patriotten, zo Amerikaans als je maar zijn kan. Wat betekent dat nieuwkomers na een beginperiode van vaak moeilijke aanpassing een duidelijke aanwinst voor de Vlaamse gemeenschap kunnen betekenen op economisch, intellectueel en artistiek gebied, net zoals het in zoveel andere landen gebeurd is.

EIGENSCHAP 3: INTERNATIONAAL

Moet het gezegd worden dat een links patriottisch project gewoon per definitie deel moet uitmaken van de nationale en internationale arbeidersbeweging in haar huidige wereldwijde strijd tegen de afbraak van de welvaartsstaat? We mogen niet vergeten dat de hele strijd voor het invoeren van de sociale zekerheid gestreden en voor een groot gedeelte veroverd werd binnen het kader van de traditionele natiestaten en nu ernstig bedreigd wordt door het valse kosmopolitisme van het geglobaliseerde kapitalistische systeem. Vals, omdat dit systeem, om het voorzichtig uit te drukken, niet echt geïnteresseerd is in de uitbreiding van deze sociale voordelen naar de bevolking van de hele wereld, maar wel in het verhogen van zijn winsten met alle middelen waarover het beschikt. In deze zin zijn organisaties en stromingen die de historische verwezenlijkingen van de nationale, regionale en lokale sociale bewegingen tegen dit valse kosmopolitisme verdedigen in feite de natuurlijke bondgenoten van de sociale strijd op wereldschaal. Deze sociale strijd zal onvermijdelijk ook ecologisch moeten zijn, omdat we weten dat initiatieven als wijlen de ‘groene revolutie’ en vandaag de zogenaamde ‘groene economie’ en de talrijke door de politiek en de media bevorderde ‘voorbeelden van correct groen gedrag’ voorspelbaar zullen mislukken binnen het kader van een nog steeds tot winstmaximalisatie en vandaar productivisme veroordeeld totaalsysteem. Zoals Theodor Adorno ooit terecht schreef ‘is er geen echt leven binnen het onechte’ of, met een parafrase van de beroemde uitspraak van zijn collega Max Horkheimer, ‘wie fundamenteel over ecologie wil praten maar over het kapitalisme zwijgt’ vergist zich of speelt vals. Een patriottische beweging die mee zou draaien met neoliberale en conservatieve trends wordt daardoor een objectief tegenstander van haar eigen programma voor ‘meer autonomie’, omdat ze blind is voor de echte verdeling van de macht in de huidige wereld. En omdat een progressieve beweging principieel democratisch is moet voor haar ook elke vergroting van de politieke schaal, op Europees of wereldniveau, meteen ook het niveau van democratische participatie en controle door de bevolking verhogen, iets wat tot nog toe zeker niet het geval geweest is met de geglobaliseerde economie, waarin de politieke macht van de burgers ernstig beknot wordt door het financiële en politieke zwaargewicht van supergrote spelers, voor wie internationalisme een excuus is voor hun eigengereide manipulatie van de arbeidsmarkt en alleen maar dient om hun greep op de economie in het nadeel van de impact van de werknemers te versterken. Alleen al om die reden moeten regionale of nationale progressieve organisaties zo hecht als mogelijk samenwerken met hun bondgenoten in de rest van de wereld. We weten dat dit bijzonder moeilijk wordt tijdens een periode van stijgende werkloosheid, schaarste van arbeidsplaatsen, conservatieve maatregelen door vakbonden en de delokalisering van bedrijven van traditionele industrielanden naar lagelonenzones ergens anders ter wereld. Maar dit zou niet noodzakelijk sociale en politieke contacten over de grenzen mogen beletten, die in de toekomst wellicht verschillende vormen van samenwerking zullen mogelijk maken.

EIGENSCHAP 4: EMANCIPATIEF

Naast deze inclusiviteit, de effectieve solidariteit met alle medeburgers en het internationalisme met de wereldwijde arbeidersbeweging kan een authentiek progressief patriottisme ook functioneren als een memoriaal van de eeuwenoude strijd voor emancipatie ter plaatse en in het buitenland. In het verleden vond die ontvoogding vooral plaats op lokaal en regionaal vlak. Maar ook vandaag nog kan de levend gehouden herinnering aan onze voorouders - die ondanks vreselijke tegenslagen en vervolgingen nooit de strijd voor hun menselijke waardigheid en een betere toekomst voor hun kinderen en kleinkinderen hebben opgegeven en inderdaad een lang traject hebben afgelegd op de weg naar een rechtvaardigere en vrijere maatschappij - ons inspireren om hun werk voort te zetten. Het is een onvoltooide arbeid die alle medeburgers de kans zal geven de volle rijkdom van hun creatieve mogelijkheden te ontplooien.

Zoals dit gebeurd is in andere industriële maatschappijen hebben gewone Vlaamse mensen, fabrieksarbeiders en kinderen van kleine boeren, samen met een handvol sympathiserende intellectuelen gevochten voor hogere lonen, het stakingsrecht en betere arbeids- en wooncondities. Maar als gevolg van de specifieke culturele overheersing door de Franssprekende dominante klasse hebben ze ook moeten vechten voor het recht om hun kinderen in hun moedertaal te laten opvoeden, voor het gebruik van het Nederlands in de gerechtshoven en de administratie en, algemeen, voor de erkenning van hun eigen culturele traditie als gelijkwaardig aan die van de elite.

Deze strijd voor culturele emancipatie was de natuurlijke bondgenoot van de strijd voor sociale en politieke gerechtigheid. Ik kan dit treffend illustreren met een strofe uit een subversief gedicht door de Duits-Joodse auteur Heinrich Heine, Duitsland. Een wintersprookje (1844):

Er is op aarde genoeg brood
Voor alle mensenkinderen,
Ook rozen en mirten, schoonheid en vreugd,
En suikererwten niet minder.

Hoogstwaarschijnlijk hebben socialistische Duitse immigranten in de Verenigde Staten de tekst van dit heel populair geworden gedicht meegebracht, want in 1911 schreef de sociaal geëngageerde Amerikaanse dichter James Oppenheim - net als Heine van Joodse origine - het beroemde arbeiderslied Brood en Rozen:

Ja, we vechten inderdaad voor brood, maar we vechten niet minder voor rozen.

Dit werd het strijdlied van de succesrijke staking in de textielfabrieken van Lawrence, Massachussets in 1912, die georganiseerd werd door de textielarbeidsters die meestal afkomstig waren uit de Oost-Europese shtetls. De titel van het lied werd onlangs nog eens ontleend, ditmaal door Ken Loach voor zijn sociale film Bread and Roses (2000).

In deze context symboliseren de rozen de kostbare geestelijke goederen, van taal tot cultuur en de kunsten. Het zou een vreselijke vergissing zijn de legitieme strijd voor betere sociale condities en waarachtige democratie te willen loskoppelen van de evenzeer legitieme strijd voor culturele erkenning, omdat ze allebei deel uitmaken van het nog altijd voortdurende streven naar emancipatie. Een progressieve beweging die in het beste geval onverschillig staat tegenover de behoefte aan culturele emancipatie is al even gehandicapt als een militante organisatie voor de verdediging van een nationale cultuur die zou neerkijken op de fundamentele sociale behoeften van de bevolking. En net zoals we in staat en daarom ook verplicht zijn over de voor- en nadelen van een echt radicale, waarlijk antikapitalistische beweging tegenover die van een meer gematigde sociaaldemocratische optie te discussiëren, kunnen we geloofwaardig argumenteren over de pros en cons van een totaal onafhankelijk Vlaanderen tegenover die van zijn huidige status als een federale deelstaat en, vooral, over de talrijke formules die daartussen liggen. Dit laatste debat vormt niet het onderwerp van dit essay, want we weten uit de geschiedenis en uit de huidige ontwikkelingen in Catalonië, Schotland en Québec, en nog meer in de opkomende ex-koloniale naties, dat patriottisme op zich van de extreme rechterzijde tot de extreme linkerzijde kan variëren en dat we daarom best de eigenlijke tekst van een ons aangeboden boek lezen, in plaats van het op de verdienste van zijn omslag te beoordelen. Wellicht hebben de burgers van Vlaanderen voor de eerste keer in de moderne geschiedenis - dat wil hier zeggen sinds het eind van de negentiende eeuw - op een rustige en geweldloze manier de nodige economische en intellectuele kracht verworven om op en voor zichzelf te beslissen in wat voor land ze willen wonen en wat voor maatschappij ze hun kinderen en kleinkinderen willen nalaten. Tegen alle echte of vermeende negatieve indicaties van het moment in blijft het cruciaal, ons de definitie van een rechtvaardige maatschappij te herinneren zoals die ooit door Marx en Engels verwoord werd in Het communistisch manifest: ‘In de plaats van de oude burgerlijke maatschappij met haar klassen en klassentegenstellingen zullen we een verband hebben waarin de vrije ontplooiing van eenieder de voorwaarde is voor de ontplooiing van allen’. Zolang we dit streefdoel niet bereikt hebben, is er gewoon geen excuus om de strijd op te geven. Dat en niets anders is de kernopdracht van een authentiek progressieve Vlaamse beweging.

Ludo Abicht
Docent politieke geschiedenis van het Midden-Oosten en lid van de Gravensteengroep

Dit is het laatste hoofdstuk van het nieuwste boek van Ludo Abicht: ‘Patriottisme kent geen grenzen. Naar een nieuwe progressieve agenda voor Vlaanderen’ (Pelckmans, Kalmthout, 2014)

links - sociaaldemocratie - patriottisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 67 tot 74