Log in

Welke oppositie voor Links?

Het is zover. We hebben een centrumrechtse regering op Vlaams en federaal niveau, met als merkwaardig feit dat ook de N-VA er zich bij heeft aangesloten zonder enige duidelijke communautaire agenda. Gevolg is dus dat alle linkse politieke krachten in Vlaanderen een oppositierol hebben. De evidente vraag die zich dan stelt, is: welke strategie dienen ze te volgen?

SOCIOLOGISCHE EENHEID OP RECHTS

Voor we het over de toekomst van links hebben, kijken we best eerst naar het succes van de rechterzijde in Vlaanderen, om eventueel lessen te trekken. Want alle (centrum)rechtse krachten hebben zich weten te verenigen in een project dat ze zo mooi en eenduidig omschrijven als ‘herstelregering’ of ‘regering van structurele hervormingen’. Het interessante is dat dit over de ‘communautaire’ barrières heen loopt: Vlaams-nationalisten van N-VA met ‘federalisten’ als Open VLD, VOKA, VBO, enzovoort. Er werd al langer gesproken van de aanwezigheid van de (neo)liberale vleugel binnen de N-VA, die veeleer geïnteresseerd is in het verdrijven van elke linkse kracht uit het beleid, en meer bepaald de vermaledijde PS, maar het is toch opzienbarend dat Vlaamsgezinden binnen N-VA zich nauwelijks kritisch opstellen nu het communautaire schijnbaar van het toneel verdwenen is.

Dat komt doordat in de strategie van Bart De Wever hun nationalisme vooreerst wordt voorgesteld als wetenschappelijk en noodzakelijk. Inzake goed bestuur werd de vereiste van een redelijk homogene politieke ruimte vooropgesteld. De Wever citeert (ook in zijn boek Werkbare waarden, 2011) vaak de politieke theoreticus Miroslav Hroch (Social preconditions of national revival in Europe, 1999) en de Marxistisch geïnspireerde politicoloog Benedict Anderson (Imagined Communities, 2006). Hoewel de N-VA-voorzitter een loopje neemt met de kernaspecten van de theorieën van beide heren (zoals door Ico Maly aangetoond in de paper Scientific nationalism: N-VA, banal nationalism and the battle for the Flemish nation; 2013), slaagt hij erin een wetenschappelijk, technisch en economisch discours te combineren met een nationalistisch verhaal.

Daardoor werd de sociologische heterogeniteit aan de Vlaamse rechterzijde overwonnen. Een (rechts)liberale bedrijfsleider kon moeiteloos verbonden worden met een rechts-nationalistische (voormalige VB) kiezer, hoewel die verder niet veel met elkaar gemeen hebben.

Ook de dynamiek van het voormalige kartel CD&V/N-VA speelt een rol. Met als doel een einde te stellen aan het paarse bewind, sloten de CD&V’ers een verbond met de nationalisten van N-VA. Belangrijk bindmiddel was een zeker sociologisch conservatisme, zij het dat dit bij CD&V veeleer communitaristisch geïnspireerd was, terwijl N-VA een meer klassiek-conservatisme aanhing. Dit kartel stond Bart De Wever toe zijn ‘wetenschappelijk nationalistisch’ discours te verspreiden. Sterker nog, CD&V deed hier (uit kortzichtig electoraal belang) gretig aan mee. Wat het echter onderschatte, was dat ideologische tendensen niet statisch zijn binnen het electoraat. Van denkers als Marx, Gramsci, Mannheim, Althusser en Lukacs weten we dat gedachten sterk beïnvloed worden door maatschappelijke structuren en mogelijkheden tot representatie. Indien de politieke elite en media steeds dezelfde terminologie en logica hanteren (zonder enige vorm van contestatie), dan is het moeilijk om zich hiertegen af te zetten of om dat begripskader niet au sérieux te nemen. Bijgevolg voelden steeds meer CD&V’ers zich aangesproken door het N-VA-discours rond identiteit. Daarnaast zag de christendemocratische rechtervleugel sowieso wel wat in het meer liberale economische verhaal van de N-VA.

De N-VA slaagde er dus in om diverse strekkingen aan de rechterzijde te verenigen. Niet alleen in hun eigen electorale kracht (die eigenlijk nog steeds meevalt), maar voornamelijk in de hegemonie van het discours rond ‘snoeien om te groeien’, ‘langer werken voor minder loon’, ‘voor wat hoort wat’, enzovoort. Dan stelt zich uiteraard de vraag: hoe komt het toch dat links het zo moeilijk heeft om haar sociologische heterogeniteit te overwinnen en het overheersende discours vorm te geven, zeker in een tijdsgewricht dat daar vanuit sociaaleconomisch oogpunt geknipt voor is?

SOCIAALDEMOCRATIE IN CRISIS

Het is al uitvoerig geanalyseerd, en ook geen louter Vlaams fenomeen: de sociaaldemocratie kampt met structurele problemen. Het sociaaldemocratische model bestaat uit het ondersteunen van een welvaartsstaat waarin men bescherming biedt aan de armsten en ondersteuning aan de middengroepen. De klassenstrijd werd na de Tweede Wereldoorlog onderdrukt door een uitgebreid sociaal zekerheidssysteem, gekaderd binnen een keynesiaans geïnspireerd vraagmanagement beleid en geflankeerd sociaal overleg tussen vakbonden en werkgeversorganisaties. In de jaren 1970 kwam dit model in moeilijkheden. Er brak een aanbodgedreven crisis uit met ‘stagflatie’ (hoge inflatie gecombineerd met hoge werkloosheid) tot gevolg. Het tijdperk voor een correctie in de richting van de belangen van het kapitaal diende zich aan. Ingrijpende veranderingen in de economische structuur (substitutie van arbeid door kapitaal en het verdwijnen van industrietakken) verzwakten de politieke slagkracht van arbeid.

Voor prof. Maarten Goos (KUL) worden veel westerse arbeidsmarkten gekarakteriseerd door een polarisering, een verschuiving van jobs naar handmatige arbeid enerzijds en de topbanen anderzijds. De slachtoffers van deze polarisering bevinden zich precies in het midden: die werknemers die werk verrichten dat sterk onderhevig is aan de mogelijkheden tot automatisering. Bijgevolg ontstaat er een verscherpte spanning in dat middenkader: men is winnaar of verliezer. Eens aan de slechte zijde van het verhaal bestaan er weinig mogelijkheden om terug op te klimmen.

Bijgevolg zakte de basis van de sociaaldemocratie weg en kwam de electorale coalitie tussen lagere middenklasse en ‘arbeiders’ onder druk. Een brede interpretatie van sociale zekerheid en welvaartsstaat wordt steeds minder gezien als financieel duurzaam, precies omwille van de groeiende spanning op de arbeidsmarkt. Een pervers aspect daarvan vinden we terug in de regeerakkoorden van Bourgeois I en Michel I. De keuze voor verhoogde selectiviteit van middelen die herverdeeld worden (gratis bussen, laag inschrijvingsgeld, sociale woningen), verdedigt rechts door erop te wijzen dat deze ruime interpretatie van de welvaartsstaat steeds meer in de richting gaat van de hogere inkomensgroepen, wat als inefficiënt wordt ervaren door de lagere inkomensgroepen. Het is een enge interpretatie van Rawls als wapen tegen het sociaalliberalisme en de sociaaldemocratie. De diverse middenveldgroepen die opkomen voor het behoud van die brede interpretatie worden gezien als elk aparte bewegingen die enkel voor hun eigen deelbelang strijden: vakbonden voor de belangen van de insiders en de babyboomgeneratie, kunstenaars en de culturele sector voor hun eigen budgets, enzovoort.

Om terug te komen op de sociologische heterogeniteit, die werd overkomen door rechts, wijzen we op de analoge problematiek aan de linkerzijde. Met het verdwijnen van de brede middenklasse komt het kernelectoraat van de sp.a onder druk. Het klassieke arbeiderselectoraat (zoals in meerdere West-Europese landen) was sowieso al gevallen voor het discours van uiterst rechts en via dat kanaal voor het discours van N-VA. Groen blijft veeleer scoren bij het meer urbane, progressief-intellectuele kiezerspubliek. De partij slaagt er, ondanks de duidelijke wens om zich ‘wat roder’ te positioneren, moeilijk in om de sociologische brug tussen haar stedelijk-intellectualistisch electoraat en meer klassieke sociaaldemocraten (vakbondsmilitanten, lagere middenklassers, arbeiders) te maken. Deze tendensen hebben er deels toe bijgedragen dat het electorale potentieel van de linkerzijde verminderde en bovendien versnipperde over twee (centrum)linkse partijen die steeds sterker op elkaar gingen lijken.

Vandaar dat de oproep van Bruno Tobback onmiddellijk na de verkiezingen van 25 mei - om alle progressieve krachten te verenigen binnen sp.a - geen goede zaak is. Het is foutief te denken dat de linkerzijde kan worden verenigd door alle politieke krachten op te slorpen binnen de sp.a, dat dan een soort linkse N-VA zou moeten zijn. Dit gaat volledig voorbij aan de verschillende sociologische problematiek van links en rechts in Vlaanderen. Het zal veel moeilijker zijn om de diverse linkse stromingen te verenigen dan de rechtse. Daarnaast moeten we opmerken dat N-VA niet terstond succesvol is geworden, maar wel door het voeren van een zeer gerichte mediastrategie en door het sluiten van allianties met organisaties in het middenveld (werkgeversorganisaties), om zo de publieke opinie te beïnvloeden en het politieke discours te domineren.

BESTRIJD TINA

Voor rechts moet er bespaard worden. Er is geen alternatief (There is no alternative - TINA). Een eerste opdracht van de linkse oppositie dient te zijn om dit sociaaleconomische pensée unique te doorprikken. Hier valt een sterk verhaal aan op te hangen. Onder economen bestaat er steeds meer consensus dat we in een klassieke vraaggedreven crisis zitten, waarin de effectieve vraag van gezinnen (consumptie) en bedrijven (investeringen) is stilgevallen als direct gevolg van de financiële crisis. Daardoor daalden de kredieten sterk in volume voor de privésector; die al haar middelen spaart als verzekering tegen de onzekerheid. Monetaire overheden hebben de interestvoeten op quasi nul gezet, maar nog steeds zien we geen druk om meer te consumeren of investeren. Het is een basisles macro-economie dat onder zulke omstandigheden budgettair beleid op voldoende grote schaal bijzonder effectief is en dat de schuldratio (schijnbaar een paradox) kan dalen door op korte termijn deficits op te bouwen.

BRENG DE EUROPESE DIMENSIE BINNEN

Dat brengt ons bij een ander aspect waar links aan moet werken: het binnenbrengen van de Europese dimensie. Uiteraard is het niet eenvoudig voor een kleine open economie als België om zich af te zetten tegen de dominante koers van de Europese raad van regeringsleiders. Maar Noord-Europese landen, die over het algemeen een gunstige begrotingssituatie hebben, kunnen wel een gecoördineerde inspanning doen die de gehele eurozone kan rechttrekken. Het uitbouwen van een budgettaire unie, naast een monetaire unie, is een haast noodzakelijke voorwaarde geworden om nog een redelijk breed sociaaldemocratisch beleid te kunnen voeren.

Het is belangrijk dat linkse politici deze boodschap in koor brengen, omdat ze zo sterk gefundeerd is in een sociaaleconomische analyse en omdat het terstond het aura van sérieux vanwege de rechterzijde wegneemt. Kiezers moeten zien dat de keizer van het ‘snoeien om te groeien’ naakt is. Linkse politici trekken zich best niet terug in een discours waarbij men vlucht in het aanvallen van rechts als zijnde ‘boekhouders’ of ‘cijferaars’ en men zichzelf voorstelt als het ‘sociale gelaat’. Er is geen betere strategie om de rechtse hegemonie te bestrijden dan de aanval te voeren op dat domein waar rechts zich zo dominant op voelt; met name dat van het economische. Links heeft het ‘economische gelijk’ immers aan zijn kant.

STERKER APART

De diverse linkse krachten in de samenleving hoeven zich niet te verenigen in een formele eenheidsstructuur. Integendeel. Groen, sp.a en PVDA+ kunnen perfect de diverse linkse krachten vertegenwoordigen door een taakverdeling en specialisatie in te voeren. Zo is het voor bepaalde onderdelen uit de christelijke arbeidersbeweging Beweging.net eenvoudiger om aansluiting te zoeken bij Groen dan bij sp.a, omwille van de gedeeltelijke erfenis van de verzuiling. Sp.a kan gebruik maken van haar goede contacten in de academische wereld en bij de top van de socialistische vakbond voor haar klassieke sociaaldemocratische verhaal (met bovenvermelde Europese dimensie). PVDA+ kan op haar beurt meer het klassieke arbeiderselectoraat aanspreken, om zo de meer anti-establishment kiezers terug te brengen van Vlaams Belang en N-VA, voor wie het allicht een grotere drempel is om naar sp.a of Groen over te stappen. Zulke taakverdeling is enkel mogelijk als deze partijen leren om niet de absolute dominantie op de politieke linkerzijde te willen bereiken. Het is illusoir dat elke partij apart poogt om de sociologisch veel scherpere heterogeniteit te overbruggen en om dé vertegenwoordiger van links te zijn. Dat wil uiteraard niet zeggen dat er geen overleg of meer coherentie dient plaats te vinden. Sp.a kan beter een wat duidelijker, meer volksere vorm van sociaaldemocratie brengen, net zoals PVDA+ kan wijzen op de noodzaak van een Europese budgettaire unie.

Deze taakverdeling is niet enkel noodzakelijk aan Nederlandstalige zijde. Ook in Franstalig België is een zekere discipline vereist bij het oppositie voeren. De scherpe animositeit tussen Ecolo, PS/cdH en PTB-GO! moet verdwijnen. Sociologisch gezien is dit veel lastiger om te bewerkstelligen. Zowel PS als PTB-GO! zijn op hetzelfde publiek georiënteerd (vakbondsmilitanten en het klassieke arbeiderselectoraat). Ook zagen we bij de laatste verkiezingen dat PS haar verlies aan PTB-GO! goedmaakte door Ecolo-kiezers aan te trekken (met een ander profiel, gelijkaardig aan het stedelijk-progressieve electoraat van Groen).

A-COMMUNAUTAIRE OPPOSITIE

Het is van belang dat de Franstalige (centrum)linkse oppositiekrachten zich niet laten verleiden tot de eenvoudige communautaire kritiek op Michel I. Meespelen in deze frame helpt de N-VA om zich intern coherent te houden. Voor de rechts-liberale vleugel binnen N-VA is de toekomst van België secundair, maar de meer klassieke Vlaams-nationalistische (en ook de sterk vertegenwoordigde VB) achterban houdt zich nog steeds vast aan de verwachting dat deelname aan een federale regering past binnen de confederale/separatistische monsterstrategie (waar of niet) van Bart De Wever. Het wegnemen van deze illusie, door een a-communautaire oppositie te voeren, zet veel meer druk op die interne coherentie en bijgevolg op de spil van de eenheid aan de rechterzijde in Vlaanderen.

Deze laatste opmerking heeft niet enkel een louter strategische oorzaak. Ze hangt nauw samen met het grotere verhaal om een uitgebreid sociaaldemocratisch beleid te voeren. Linkse partijen moeten inzien dat, zolang we een muntunie hebben zonder flankerend budgettair (sociaal) beleid op Europees niveau, elke individuele lidstaat zal worden gedwongen om haar arbeidsmarkten flexibeler te maken en haar overheidsfinanciën te oriënteren op het beleid van de dominante lidstaten binnen de eurozone. Concreet, om het conservatieve beleid van Angela Merkel zoveel mogelijk te implementeren. In die zin zijn pogingen om zich terug te trekken in kleinere entiteiten, zonder ook de vrijhandel of een gezamenlijke muntunie op te geven (cfr. ook de Schotse kwestie binnen Groot-Brittannië), een zinloze oefening die nogmaals de onmogelijkheid van sociaaldemocratisch beleid in één staat aantoont.

WELKE OPPOSITIE VOOR LINKS?

Bovenstaande opmerkingen focussen op het bredere (sociologische) kader en de problematiek van linkse eenheid binnen België. Verder moeten we ook vragen stellen bij de huidige inhoud en strategie van de linkse oppositie. Het is een natuurlijke reactie om nu wild om zich heen te slaan bij ongeveer elke besparingsmaatregel die de Vlaamse en federale regering voorstelt, maar dit is onverstandig vanuit twee oogpunten: zuiver inhoudelijk en ook strategisch.

Strategisch

Eerst over dat laatste. We spraken reeds over de maatschappelijke polarisering waardoor veel bestaande uitgaven aan brede groepen nauwelijks draagvlak heeft. Nu de vele protesten (van de politie tegen de pensioenregeling, het studentenprotest, etcetera) versnipperd plaatsvinden, wordt het voor de Vlaamse en federale regering eenvoudig om een klassieke verdeel-en-heersstrategie door te voeren. Het is daarom noodzakelijk dat linkse partijen zich focussen op een aantal belangrijke doelstellingen en al haar energie daarrond verenigt. Het moet, met andere woorden, alle oppositionele krachten in het middenveld proberen te groeperen rond een gezamenlijke punt. Daarbij moet een afweging worden gemaakt tussen twee elementen. Een: is de maatregel voldoende herverdelend/ passend binnen een links ideologisch kader? Twee: slaagt het organiseren rond deze maatregel erin om voldoende bestaande maatschappelijke lagen en krachten te mobiliseren?

Inhoudelijk

Een voorbeeld om het wat concreter te maken: de woonbonus. Het was ontstellend om te zien dat zowel sp.a, Groen als PVDA+ kritiek uitten op het verminderen van die maatregel. Een échte linkse kritiek op de Vlaamse regering had erin moeten bestaan om te wijzen op het omgekeerd herverdelende effect van zo’n woonbonus. Want die drijft prijzen op en maakt het daardoor juist moeilijker voor lagere inkomensgroepen om toegang te vinden tot de woonmarkt. Feitelijk impliceert dit een subsidie vanwege de overheid aan eigenaars van woningen die veelal te situeren zijn in de hogere inkomensdecielen. Het verdedigen van zo’n maatregel kan onmogelijk deel uitmaken van een links programma voor de toekomst, hoewel het potentieel verenigend kon werken. De woonbonus toont dus aan hoe moeilijk de afweging tussen ideologie en strategie is.

Ander voorbeeld: de inschrijvingsgelden voor het hoger onderwijs. Hier slaagt rechts er goed in om de polarisering uit te buiten: ze hanteert een scherp Rawlsiaans discours waarbij gewezen wordt op het feit dat lage inschrijvingsgelden deels regressief van karakter zijn. Lagere inkomensgroepen moeten wel mee bijdragen, maar genieten minder van de voordelen gezien hun kinderen nauwelijks participeren in het hoger onderwijs. Zo’n discours is dus aantrekkelijk voor zowel hogere inkomensgroepen (die geen last ondervinden van hogere inschrijvingsgelden) als voor lage inkomensgroepen (die aangesproken worden op het feit dat ze niet deelnemen aan de voordelen van dit systeem).

Bijgevolg moet links zich niet tevreden stellen met het louter verdedigen van het bestaande systeem van inschrijvingsgelden. Het moet een antwoord vinden op deze (deels terechte) verwijzing naar het Mattëuseffect in de financiering van hoger onderwijs. We lazen daaromtrent een interessant voorstel door Koen Smets (Apache.be). Hij pleitte voor een systeem waarbij initieel niemand inschrijvingsgeld betaalt, maar waarbij het inschrijvingsgeld op een soort individuele rekening komt te staan. Na een bepaalde tijd doet men een inkomenstest: heeft de afgestudeerde student in de tussentijd een vast inkomen boven een bepaalde drempel, dan betaalt hij/zij de inschrijvingsgelden met interest terug. Indien hij/zij minder verdient hoeft men de inschrijvingsgelden niet terug te betalen. Op die manier kom je enerzijds tegemoet aan de kritiek van Mattëuseffecten (gevoelig bij de lagere inkomensgroepen) en slaag je er anderzijds in om tegenstanders van lineaire verhoging van het inschrijvingsgeld tevreden te stellen (vermits je een lage financiële drempel voorstelt).

VRIJDENKEN

Dit soort vrijdenken en oefeningen dienen linkse politici en denkers in de komende vijf jaar te doen en te verdedigen. Objectief gesproken zit de wind voor een meer linkse economische koers mee. Getuige de discussies over ongelijkheid en vermogens(winst)belastingen, de discussies over publieke investeringen op Europees niveau, het wereldwijd opheffen van bankgeheim, enzovoort. Nu is het de taak van linkse politici om dit te exploiteren en de dominante rechtse hegemonie te doorbreken.

Vernieuwende voorstellen moeten niet geschuwd worden. Waarom niet vrijdenken over voorstellen tot basisinkomen (recent gestimuleerd door Rutger Bregman in zijn boek Gratis geld voor iedereen)? Ook deze maatregel lijkt aan beide voorwaarden te voldoen: het past binnen een politiek van herverdeling, betekent een versterking van de allerlaagste inkomens, biedt een antwoord op de verscherpte polarisatie op de arbeidsmarkt (het versnellende proces van automatisering en overschot aan arbeidsaanbod) en kan bredere inkomensgroepen binnen de samenleving aanspreken, precies omdat het niet selectief (maar wel universeel) is.

BESLUIT

De volgende vijf jaar zijn ongetwijfeld een uitdaging voor mensen met het hart aan de linkerzijde. Links staat voor het eerst verenigd aan de zijlijn in het spel tussen meerderheid en oppositie. Het biedt kansen voor heropstanding en herbronning. In dit stuk heb ik getracht grof de uitdagingen, problemen en opportuniteiten te schetsen voor een slagkrachtige linkse oppositie. De enige kans zal erin bestaan om een combinatie te vinden tussen de sociaaleconomische (en sociologische) realiteit van de samenleving, met het scheppen van politieke mogelijkheden.

Aan Vlaamse zijde is het verleidelijk om de strijd om de ‘eerste’ linkse partij te zijn verder te zetten. Aan Franstalige zijde om een communautaire strijd tegen Michel I te voeren. Beiden moeten absoluut vermeden worden. Niets is linkser dan verscheidenheid en veelzijdigheid ondersteunen. Maak gebruik van die diversiteit op links - verscherp ze desnoods nog wat meer - om de sociologische heterogeniteit te overkomen en mensen te verenigen achter een breed links front.

Tom Potoms
Doctoreert economie aan ECARES, onderzoeksdepartement van ULB

Referenties
- Bregman, R., (2014) Gratis geld voor iedereen, De Correspondent.
- De Wever, B. (2011) Werkbare waarden. Uitgeverij Pelckmans.
- Elchardus, M. (2009), De Vlaamse sociaaldemocratie en de vreemden: 1987-2009. In: Samenleving en politiek, 2009/9, pp. 49-60.
- Maly, I. (2013), Scientific’ Nationalism: N-VA, banal nationalism and the battle for the Flemish nation. Tilburg Papers in Culture Studies, paper 63.
- Smets, K., (2014), 10.000 maal neen!, Apache.be, 04/08/2014.

sp.a - PVDA+ - Groen - oppositie - links

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 4 tot 11