Abonneer Log in

R.I.P. OCMW

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 3 (maart), pagina 71 tot 75

Het OCMW is vandaag trekker en aanjager van het sociale beleid in de steden en gemeenten. Dat is zo door de wet van 1976, die tot doel heeft minderbedeelden het recht te geven op een menswaardig bestaan. De overheid oordeelde dat de zorg voor dat menswaardige bestaan bij voorkeur wordt opgenomen door een entiteit, die net dankzij haar zelfstandige statuut een sterke intra-gemeentelijke lobby voor lokaal sociaal beleid kan vormen. Maar door de Vlaamse verplichting om de OCMW’s tegen 2019 op te doeken en te integreren in de gemeentelijke administratie dreigt hieraan een einde te komen. Het lokaal sociaal beleid dreigt hierdoor op termijn aan slagkracht in te boeten.

Niet dat integratie per definitie een slecht idee is, wel integendeel. Alleen mag ze niet betekenen dat de huidige garanties, inherent aan het bestaande systeem, teloorgaan. En dat de ‘efficiëntie-oefening’ waarvan sprake vooral leidt tot de afbouw van lokale voorzieningen, die het grondrecht op een menswaardig bestaan helpen realiseren. Die garanties zie ik momenteel te weinig in de principiële beslissing die de Vlaamse Regering neemt.

Bovendien kwam die beslissing al te sterk als een dictaat. De Vlaamse regering vond het niet nodig om de huidige aanpak samen met de lokale besturen te evalueren, voor tot dergelijke ingrepen over te gaan. Bovendien verwees ze de belofte in het Vlaamse Regeerakkoord, om in de dertien centrumsteden de keuzemogelijkheid open te laten, zonder pardon naar de prullenmand en laat ze weinig opties voor het ‘hoe’ van de integratie: de OCMW’s moeten en zullen een onderdeel worden van de gemeentelijke administratie. Of dit nu voor een sterker lokaal sociaal beleid gaat zorgen, of niet. Want dat laatste is eigenlijk nog niet grondig onderzocht. Het politieke dogma staat voorop. Maar laat alvast deze ‘kracht van verandering’ indruisen tegen de intentie om net méér keuzevrijheid te geven aan de lokale besturen. Méér organisatorische keuzevrijheid, die de lokale overheid moet toelaten performant te blijven inspelen op de veranderende lokale noden, zonder zich echter af te wenden van de basisbehoeften van de meest kwetsbaren in de samenleving.

EEN KWESTIE VAN STRUCTUREN?

Laat dat laatste overigens de reden zijn waarom ik zeker niet tégen een zo verregaand mogelijke integratie van OCMW’s en gemeenten ben. Ook ik ben voorstander van een zo efficiënt mogelijk bestuur. Alleen mag die integratie er niet op gericht zijn om het sociaal beleid in de gemeenten te verzwakken. Wat de structuur ook is, de hoofduitdaging moet blijven hoe we de inspanningen voor de meest kwetsbaren blijven garanderen en versterken, in alle Vlaamse steden en gemeenten. Daartoe dient de ‘inkanteling’ niet alleen vanuit een loutere efficiëntielogica te worden vormgegeven, maar ook vanuit een inhoudelijk perspectief. Zo zijn er zeker opportuniteiten om de afstemming en synergie tussen het armoedebeleid, vandaag vooral een zaak van de OCMW’s, en andere vormen van sociaal beleid, vormgegeven door de gemeenten, te gaan versterken. Denken we aan de afstemmingsmogelijkheden met het lokale kinderopvangbeleid, het jeugdbeleid, het onderwijsbeleid, het sportbeleid, het economische beleid, het werkbeleid. Alle zijn dat domeinen, die momenteel in niet geringe mate - zij het niet uitsluitend en zeker niet overal - door de gemeenten worden opgenomen. Alle zijn het domeinen die efficiënt op elkaar dienen in te grijpen, om ook de kwetsbaren in onze samenleving wezenlijk vooruit te helpen. Door de OCMW’s en de gemeenten te integreren, kan je zeker vlotter werken aan synergie tussen al deze domeinen. En kan je de schaarse middelen strategisch dus nog beter bundelen. Alleen realiseer je dit niet per dictaat. En kan dit ook binnen het bestaande model, dat wél garanties biedt voor een sterk sociaal beleid.

Want het zijn net de sterktes van het huidige bipolaire model, die men door de ‘inkanteling’ met het badwater dreigt weg te gooien. Men creëert vooral een sterk sociaal beleid op papier. In de praktijk is de integratie van twee structuren, elk met hun doelstellingen, hun eigenheden en culturen immers niet evident. En ook als je uiteindelijk een geïntegreerde structuur weet te realiseren, moet je er nog over waken dat ze niet leidt tot een uitholling van het sociale beleid in de gemeente. Want het recht op een menswaardig bestaan is een grondrecht dat aan iedereen gegarandeerd moet blijven, en dat boven allerlei politieke afwegingen moet blijven staan. Het kan niet dat het lokaal sociaal beleid de speelbal wordt van wisselende beleidsprioriteiten, die met wisselende intensiteit inzetten op de realisatie van dat grondrecht. Dat geldt overigens zowel in de tijd, over bestuursperiodes heen. Maar ook in de ruimte, tussen gemeenten onderling.

Ook in een geïntegreerde structuur blijft er nood aan een sterke intra-gemeentelijke lobby, die dat grondrecht garandeert. ‘Garandeert’ is hier overigens niet lukraak gekozen, want in de huidige structuur hebben de OCMW’s een wettelijke stok achter de deur om die garanties ook écht af te dwingen. Immers, indien de OCMW’s door groeiende noden meer middelen nodig hebben voor armoedebestrijding, zijn de gemeenten vandaag wettelijk verplicht om dit verschil bij te passen. Hierdoor bestaat er dus een garantie dat er op lokaal vlak altijd voldoende middelen besteed worden aan sociaal beleid. Deze garantie dreigt door de verplichte integratie te verdwijnen. Zullen alle lokale besturen de ‘juiste’ keuze blijven maken als dit gebeurt? Wordt het voor sommige besturen dan toch niet verleidelijk om veeleer te kiezen voor de realisatie van een ‘prestigeproject’, dan voor een intensere inzet op armoedebestrijding? ‘Integratie’ betekent minimaal dat de gemeenten verplicht worden een bepaalde mate aan sociaal beleid te garanderen, in functie van de reële noden in de samenleving. Ik vind hierover in de Vlaamse plannen weinig terug. Die focussen louter op structuren. Op efficiëntiewinsten. Efficiëntie in functie waarvan?

HOE WE HET IN GENT AANPAKKEN

In Gent wordt sinds enkele jaren ingezet op een meer optimale samenwerking en synergie tussen Stad en OCMW. Ondersteunende diensten zoals financiën, personeel en facility management werken nauw samen, en werden recent ook ‘organisch’ samengevoegd. Deze professionalisering zorgt voor duidelijke schaalvoordelen en een verbetering van de kwaliteit. Bovendien levert ze efficiëntiewinsten op. Middelen die we inzetten in bijkomend sociaal beleid. Want besparen op sociaal beleid is een keuze die we in Gent alvast niet maken, ondanks de moeilijke budgettaire context. Ook op andere, meer inhoudelijke beleidsdomeinen als werk en activering streven we naar meer synergie. Zo werken Stad en OCMW Gent aan een gemeenschappelijk Dienstenbedrijf, dat al hun interne sociale werkvloeren samenvoegt in functie van meer en betere dienstverlening naar werk. Dat Dienstenbedrijf zal met inzet van sociale tewerkstelling interne diensten leveren aan andere entiteiten binnen de Stad. En op een efficiënte manier kansen bieden aan zoveel mogelijk werkzoekenden, die niet meteen op de gewone arbeidsmarkt terecht kunnen. Maar ook op andere domeinen dan ‘werk en activering’ streven we naar synergie tussen Stad en OCMW. Ik denk aan de sociale infopunten, waar Stad en OCMW samen info verschaffen aan mensen, die op zoek zijn naar informatie over sociale dienstverlening. Samen. Want we willen hen niet van de kast naar de muur sturen. Die samenwerkingen berusten allerminst op ‘dictaten’. Veeleer zijn ze het resultaat van een samenwerkende traditie, die we geleidelijk opbouwen. Want in Gent leren we eerst samenwerken, eer we structuren samenvoegen. In tegenstelling blijkbaar tot Vlaanderen.

MEER EFFICIËNTIE OF MEER PRIVATISERING?

De vraag rijst overigens of het Vlaamse ‘dictaat’’ veeleer strekt tot meer efficiëntie, dan wel tot meer sanering en privatisering. Wat immers met het sociale patrimonium dat door de OCMW’s is opgebouwd? Denken we aan de woonzorgcentra, faciliteiten voor groepswonen of assistentiewoningen. Deze investeringen zorgen niet alleen voor betaalbare opties voor alle inwoners, ook de meest kwetsbaren, maar hebben daarnaast een ruimer effect omdat ze invloed hebben op de prijszetting van de private partners, en de kwaliteit van de dienstverlening die door die private partners worden verleend. Zo volstaat het niet dat een gemeente het sociaal beleid alleen maar ‘regisseert’, en dus bepaalde afspraken maakt met partnerorganisaties die op hun beurt uitvoering geven aan het operationele beleid. Om haar sociale doelstellingen te realiseren, moet de lokale overheid ook ‘acteur’ zijn. En dus ook diensten in eigen beheer blijven ontwikkelen. Want alleen als ‘acteur’ kan je ook een goede ‘regisseur’ zijn.

Nemen we ouderenzorg. Door zelf woonzorgcentra in te richten, hebben we als lokale overheid invloed op de prijszetting en kwaliteit, die door private of semipublieke actoren worden gehanteerd. Zo merken we dat de dagprijzen in private voorzieningen minder dan 10% hoger liggen dan in de woonzorgcentra van het OCMW. Om die beperkte afwijking te blijven garanderen, moet het marktaandeel van het lokale bestuur voldoende groot blijven. Want door voldoende sociaal aanbod via de publieke overheid in te richten, verplicht je de private sector om zich hierop af te stemmen. Alleen vrees ik dat die impact net kleiner gaat worden door de ‘inkanteling’ van de OCMW’s. Want vermoedelijk zal er na de ‘inkanteling’ in het organogram van veel gemeenten geen plaats meer zijn voor woonzorgcentra. En zal er een tendens naar privatisering ontstaan. Door die verschuiving van maatschappelijk zorg naar commerciële winst, is het gevaar reëel dat de dagprijzen gevoelig zullen stijgen. En dan zwijg ik nog over het pluralistische karakter van de zorg, dat door de gewijzigde prioriteiten verder onder druk zal komen te staan.

Vergeten we ook niet dat door een al te overhaaste ‘inkanteling’ van OCMW-diensten in de gemeentestructuren de discussie kan ontstaan om in het kader van het kerntakendebat nog meer gemeentelijke diensten ‘af te stoten’. Met dezelfde effecten in termen van betaalbaarheid en pluralistisch karakter. Denken we aan de kinderopvang, waar sociaal tarief wordt gehanteerd. In Gent is de druk op de private kinderopvangsector groot om ook een inkomensgerelateerd tarief in te voeren. Want de Stad doet dit in de 1.173 plaatsen, die ze zelf in beheer heeft: ruim een vierde van het totale aanbod in Gent! En kinderopvang is maar één van de mogelijke beleidsdomeinen waar het door de ‘inkanteling’ aangescherpte kerntakendebat nefaste gevolgen kan hebben. Vergeten we ook niet dat al die prijsverhogingen finaal zullen leiden tot meer vragen naar maatschappelijke ondersteuning. En dus meer vragen aan de lokale overheid voor leefloon. Efficiëntie?

OPPORTUNITEITEN BENUTTEN, MAAR GARANTIES INBOUWEN

Men had minstens de nodige voorzichtigheid aan de dag kunnen leggen, vooraleer zonder een ernstig debat de integratie tussen gemeenten en OCMW’s op te leggen. Minimaal had men de effecten kunnen inschatten op de mogelijke nefaste gevolgen voor de publieke dienstverlening. Men had de opportuniteiten, die meer synergie tussen OCMW’s en gemeenten onmiskenbaar met zich meebrengen, kunnen koppelen aan spijkerharde garanties voor een slagkrachtig lokaal sociaal beleid. En vooral had men via overleg de onzekerheid kunnen voorkomen, die de OCMW’s momenteel treft. Want is dit allemaal wel haalbaar binnen het wetgevende kader? Doet Vlaanderen niet al te veel voorafnames op afspraken die nog met de federale overheid moeten worden gemaakt? Is de timing realistisch om beide structuren niet alleen op papier, maar ook op het terrein te fusioneren? En gaat deze beslissing er niet voor zorgen dat de lokale besturen de komende jaren vooral met structuren gaan bezig zijn, en minder met zorg voor hun burgers?

Misschien had Vlaanderen kunnen kiezen voor meer efficiëntie op het vlak van lokaal sociaal beleid, door slimme fusies tussen gemeenten te stimuleren. Die hadden er alvast voor kunnen zorgen dat ook in de kleinere gemeenten de bestuurskracht wordt vergroot. Bovendien had men in dat geval het huidige bipolaire model kunnen handhaven, met meer bestuurskracht. Want de efficiëntiewinsten die men beoogt had men dan door een fusie van bestaande OCMW’s gerealiseerd, parallel met de fusie tussen de overeenkomstige gemeenten. Een ‘inkanteling’ van de OCMW’s in de gemeentestructuren had zich dan niet opgedrongen. Is het Vlaamse ‘dictaat’ waarvan sprake dus niet vooral een blijk van het Vlaamse onvermogen om gemeentelijke fusies te realiseren? Was meer intergemeentelijke integratie een brug te ver voor deze Vlaamse regering?

Maar indien dit een brug te ver was, waarom was de eenzijdige verplichting tot opheffing en ‘inkanteling’ van de OCMW’s dat dan niet?

Rudy Coddens
Gents OCMW-voorzitter en schepen van Seniorenbeleid, Werk en Armoedebestrijding

OCMW - lokaal beleid - sociaal beleid

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 3 (maart), pagina 71 tot 75