Log in

Vijf principes voor een progressief veiligheidsbeleid

Rond de eeuwwisseling groeide bij justitie en politie het besef dat zij de veiligheidsklus niet alleen konden klaren. Ze gingen als gelijkwaardige partners het gesprek aan met lokale besturen, hulpverleners, jeugdwerkers of schoolbesturen om te bekijken hoe bepaalde misdrijven of vormen van wangedrag doeltreffender konden worden teruggedrongen. Rechts komt daar nu op terug en richt daarmee een ware ravage aan in het veiligheidsbeleid. De verenging van politiewerk tot misdaadbestrijding en ordehandhaving is een funeste ontwikkeling. Als de politie het integraal veiligheidsbeleid op haar eentje vormgeeft, dan leidt dat tot de ver-sheriff-ing van ons veiligheidsbeleid. Hoog tijd dus voor het herformuleren van de principes van een progressief veiligheidsbeleid. Een beleid dat steunt op een minimum aantal wetten die maximaal handhaafbaar zijn en ook daadwerkelijk gehandhaafd worden. Een beleid dat er onder meer ook op gericht is de aangiftebereidheid bij de maatschappelijk kwetsbare groepen te verhogen.

De criminaliteitscijfers dalen, de veiligheidsdiensten zijn alomtegenwoordig in het straatbeeld, de beleidsmakers stralen daadkracht uit en de bevolking lijkt het uitgestippelde veiligheidsbeleid te smaken. Lijkt, want bij gebrek aan veiligheidsmonitor kennen we de ware veiligheidsgevoelens van de bevolking niet. We vertrouwen daarvoor doorgaans op de taxatie van het buikgevoel waarop rechtse politici het patent menen te hebben. En we knijpen een oogje dicht voor de ravage die rechts intussen in het veiligheidsbeleid aanricht.

Het huidige discours rond veiligheid is illustratief voor het heersende politieke klimaat. Haast onzichtbaar worden grenzen verlegd. Zonder publiek debat wordt de consensus doorbroken over wat tot voor kort als doeltreffend beleid werd beschouwd. Tegenpruttelende experts en ervaren overheidsdienaars worden het zwijgen opgelegd. En zo haalt ideologie het op bewezen goede praktijk én wetenschappelijk inzicht.

‘Het roer moet om.’ Waarom? ‘Omdat het roer om moet.’ Ook al is de koers onzeker. Dat is het veiligheidsbeleid van de jongste jaren. Het is een gevaarlijke ontwikkeling, want ook op het vlak van veiligheid en misdaadbestrijding leiden op niets steunende ideologische drijfveren tot ongewenste resultaten. Hoog tijd dus om het veiligheidsbeleid opnieuw te ijken volgens de klassieke politieke breuklijnen.

LINKS VEILIGHEIDSBELEID

De kritiek van de rechterzijde is bekend: links heeft geen visie op veiligheid. Links is volgens die kritiek tegen ‘law and order’ en pacifist tot in de kist. Links haat gezag. Links omarmt een minimale overheid, tenminste als het over politie en justitie gaat. Links huivert voor repressie en overschat de kracht van preventie. Kortom, volgens de rechterzijde bezigt links een zwak taaltje als het over veiligheid gaat. En dat maakt, zo blijkt uit de opiniepeilingen, links bij het grote publiek ongeloofwaardig inzake veiligheid. Dat laatste is helaas waar, al is dat ten dele ook omdat de mantra van rechts tot in den treure in de media wordt herhaald. Maar toegegeven: links heeft het veiligheidsthema wat al te gemakkelijk uit handen gegeven.

En dat is spijtig, want linkse politici hebben echt wel recht van spreken. Niemand kan ontkennen dat de Vlaamse socialisten in het verleden de betere ministers van Binnenlandse Zaken hebben geleverd. Links speelde ook een belangrijke rol bij de politiehervorming. En we hadden en hebben burgemeesters in grootsteden die taboeloos en slim schipperen tussen ordehandhaving en samenlevingsopbouw. Burgemeesters die in wijken de triade van veiligheid, criminaliteit en leefbaarheid met veel inzet hebben aangepakt door hun bevoegdheden maximaal uit te putten en gemeentelijke administratieve sancties toe te passen.1

Dat progressieve veiligheidsbeleid heeft gewerkt. En het moet dringend van onder het stof worden gehaald. De ruggengraat van zo’n ander veiligheidsbeleid steunt op vijf grote uitvoeringsprincipes (die we verderop in deze tekst uitwerken). Die principes sporen met de preambules2 in menige beleidstekst, ook van huidige beleidsmakers. Want ook die hebben het graag over integraal en geïntegreerd beleid, en over de veiligheidsketen van preventie en pro-actie over handhaving tot repressie en nazorg.

RECHTS VEILIGHEIDSBELEID

Probleem is dat de rechterzijde alleen maar lippendienst aan die principes bewijst. Intussen vergruizelen rechtse politici de bouwstenen van een zorgvuldig en evenwichtig opgebouwd integraal veiligheidsbeleid door hun autoritaire drang naar snel succes, hun preoccupatie met daadkracht en hun gebrek aan (historisch) besef dat een doeltreffend veiligheidsbeleid gemaakt wordt door verschillende partners met elk een eigen rol en verantwoordelijkheid. Respectvolle samenwerking tussen die professionele veiligheidspartners en hulpverleningsdiensten is cruciaal.

De bevolking wordt intussen een rad voor de ogen gedraaid met aankondigingen over extra investeringen in de zogeheten gezagsdepartementen. Dat perspectief op extra centen verblindt in plaats van verbindt. Het doet de spanning en het wantrouwen tussen de verschillende diensten nog oplopen. De vraag is dan ook of integraal veiligheidsbeleid vandaag nog bestaat? De gemeenschapsgerichte politiezorg bestaat nog nauwelijks - het is al ‘crime fighting’ wat de klok slaat. De informatiegerichte politiezorg is ingeruild voor demonstraties van daadkracht en de aankondiging van snelle resultaten. Rechts versterkt de arm van de orde, maar verslapt die van de handhaver. Justitie blijft verweesd achter. In de strijd tegen het terrorisme groeit bij de lokale politiediensten de wrevel over de almacht van de federale politie. Justitieel welzijnswerk voelde zich nooit zo mis begrepen als nu. Aan hulpverleners in preventie of nazorg wordt gevraagd om zonder morren beroepsinfo met politie of politici te delen. Zonder enig deontologisch kader en met uitschakeling van de procureur, die daarvoor nochtans in vele gevallen de aangewezen instantie is.3 Op die manier wordt de ploeg van professionele partners steeds meer uit verband gespeeld.

In het uitvoeren van haar veiligheidsbeleid maakt de rechterzijde dus cruciale fouten. En het valt te vrezen dat de samenleving de impact van dat foute beleid lang zal blijven voelen. Rechts ontkent immers de behoefte aan evenwichten en respectvolle samenwerking tussen de verschillende institutionele partners (lokaal bestuur, politie, justitie, hulpverlening). En daardoor zullen de recepten voor een rechts veiligheidsbeleid dan ook nooit werken. Er zal altijd te veel zand in de motor belanden. Bovendien verpakt rechts zijn drang naar een autoritaire politiestaat in pleidooien voor meer veiligheidscultuur, die alleen tot nog meer veiligheidstheater leiden. Rechts ondermijnt daarmee een zorgvuldig opgebouwd institutioneel kader dat burgerrechten dient te beschermen. Veel ‘order’, weinig ‘law’.

Intussen bengelt België inzake vertrouwen in politie en justitie helemaal achteraan in het peloton. In de jongste ‘European Social Survey’ - een breed vergelijkend onderzoek naar vertrouwen, levenstevredenheid en opvattingen inzake migratie bij inwoners uit vijftien Europese landen - werd aan de respondenten gevraagd om hun vertrouwen in justitie en politie in een cijfer uit te drukken. De Belgische deelnemers gaven politie en justitie een zuinige 5,5 op 10. Alle West-Europese landen doen het beter.

Het is het moment om opnieuw een progressief veiligheidsbeleid uit te stippelen. Een beleid dat vertrouwen wekt bij de bevolking en tot de best mogelijke rechtsbedeling leidt. We onderscheiden daartoe 5 principes.

PRINCIPE 1: DE BURGER HEEFT RECHT OP EERLIJKE WETSHANDHAVING

Het veiligheidsbeleid staat of valt met correcte handhaving van de wet. Om vele redenen hebben we die garantie in ons land niet. En dat ondanks de dagelijkse inzet en de goede wil van veel en vaak ook bekwame magistraten. Justitie is moe omdat er nog steeds op verouderde wijze moet worden gewerkt (middelendebat). Justitie is zoekende naar het juiste organisatiemodel en goede aansturingsvormen (managementdebat). En justitie is (net als onderwijs) bang om niet langer aan de hoge verwachtingen van de samenleving en de politiek te kunnen voldoen (maatschappelijk debat). Dat laatste debat wordt te weinig gevoerd. En er wordt ook niet naar justitie zelf geluisterd. Ik ken geen magistraten die niet streven naar hoge ‘gevolgverleningscijfers’: het aantal zaken waaraan passend gevolg wordt gegeven. Maar op gevolgverlening staat een limiet, zeker als de boot almaar voller wordt geladen met regels en zaken die niet in het klassieke strafrecht thuishoren.

Een progressief veiligheidsbeleid steunt op een minimum aantal wetten die maximaal handhaafbaar zijn en ook daadwerkelijk gehandhaafd worden. Daarover mag links geen twijfel laten bestaan. Daarbij moet veel explicieter duidelijk worden gemaakt welke soorten en aantallen misdrijven worden aangepakt. Het is de plicht van magistraten om zich als expert klaar uit te spreken als er weer eens krakkemikkig wetgevend werk in de maak is. Het is de plicht van magistraten om stelling te nemen over de organisatieplannen van justitie - ze moeten daarmee niet wachten tot ze met pensioen zijn.

De gerechtelijke overbelasting kan deels worden weggewerkt door een verschuiving van de taaklast van het strafrecht naar de administratieve rechtshandhaving, waarbij de lokale besturen hun rol kunnen spelen. Daar moet links niet tegen zijn. Veel belangrijker is dat justitie de samenleving duidelijk maakt welke dossiers prioriteit krijgen. Handhaving in een jungle van regels is inderdaad een kwestie van keuzes maken, en dat is bij uitstek een publieke zaak.

In tijden van afnemende geweldscriminaliteit in de publieke ruimte moet er bijvoorbeeld veel meer aandacht gaan naar ‘onzichtbare’ misdrijven die de fysieke integriteit van mensen aantasten.4 Achter de voordeur, in het geval van huiselijk geweld. Achter de bedrijfspoort, in het geval van milieudelicten. Achter de kantoordeur, in het geval van fiscale fraude of van huisjesmelkerij. Op bouwwerven en op de bedrijfsvloer, in geval van sociale fraude. In de cocon van de auto, in het geval van niet-verzekerden of van dronken chauffeurs. Wetshandhavers moeten blijven zeggen waaraan ze aandacht besteden.

In veel van die gevallen is het zaak om de oude term van ‘nabijheidsjustitie’ nieuw leven in te blazen. Geen instelling kan beter het kwakkelende vertrouwen van de burger in de rechtsstaat opkrikken dan een goed georganiseerd vredegerecht. Bij elke hervorming moet de uitbouw van zo’n nieuwe vorm van buurtjustitie of wijkrechtspraak een grote rol spelen. Deze regering komt helaas niet verder dan het reduceren van het aantal vredegerechten.

PRINCIPE 2: DE BURGER HEEFT RECHT OP GELIJKE TOEGANG TOT DE POLITIE

De politie heeft zeven opdrachten: interventie, wijkwerking, onthaal, recherche, slachtofferbejegening, handhaving openbare orde en verkeer. Een politiekorps dat te veel focust op misdaadbestrijding, verwaarloost systematisch andere basisfuncties zoals wijkwerking (dicht bij de bevolking staan en kennis hebben van de wijken), onthaal (om aangifte doen gemakkelijk te maken), recherche (zoals informatiegericht politiewerk op basis van dataverwerking) of slachtofferbejegening (slachtoffers kunnen bij politie niet langer terecht zonder afspraak).

Met de kippendrift om ‘meer blauw op straat’ te realiseren, is het evenwicht tussen de politieopdrachten helemaal zoek geraakt. In het beste geval leidt dat tot veel zichtbaar blauw op straat - al staat dat blauw daar in de eerste plaats te staan en zijn de agenten even aanspreekbaar als de berenmutsen aan Buckingham Palace. Niet dus. ‘Statische’ bewaking, beter kan het niet worden uitgedrukt. Dienstvoertuigen staan fout geparkeerd, plompverloren achtergelaten op het openbaar domein. Maar de politiemensen zelf zijn nog zelden benaderbaar. Van een politiedienst die in het hart van een wijkgemeenschap warme contacten met de bewoners onderhoudt, is er geen sprake meer. Het jaarverslag 2014 van Comité P waarschuwt bijvoorbeeld voor een groeiende kloof tussen politie en bevolking in een aantal politiezones in Brussel. Precies door het verloren evenwicht tussen die verschillende basisfuncties. Dat leidt tot weinig doeltreffend politiebeleid en verhoogde maatschappelijke onrust met verstrekkende gevolgen.

Een politieoptreden dat te veel focust op misdaadbestrijding heeft de natuurlijke neiging niet alleen de misdaad maar ook de mensen die het profiel van een misdadiger hebben te bestrijden. Zo groeit er in de stad een conflict tussen de autoriteit en een groot deel van de ‘geprofileerde’ bevolking. Misdaadbestrijding verbindt niet. Kijk naar de Verenigde Staten, het mekka van de ‘crime fight’, waar er een onoverbrugbaar conflict heerst tussen blanke politiemensen en de (jonge) zwarte bevolking. Wie té verdacht is, wordt gewoon neergeschoten. Gelukkig kennen wij in Europa de cultuur van ‘shoot-before-you-ask’ niet. Maar de militarisering van de politie dreigt die richting wel uit te gaan. België heeft een Europese politiewerking nodig, geen Amerikaanse.

Naast meer aanspreekbaar blauw op straat dienen er daarom minstens zoveel bekwame politiemensen op kantoor aanspreekbaar te zijn. Er is behoefte aan een actief politie-onthaal voor mensen die zogeheten kleine misdrijven willen aangeven: misdrijven met veel minder nieuwswaarde dan moord en doodslag, maar met een op lange termijn erg ontwrichtende impact op buurt en stad. Nogmaals, het gaat daarbij om alle vormen van geweld achter de voordeur, fraudepraktijken in alle vormen, racisme en discriminatie op de arbeids- en woonmarkt, of wangedrag op het openbaar domein.

De aangiftebereidheid in dit soort zaken is veel te laag. En dergelijke aangiftes kunnen niet gebeuren op straat of in een als rijdend kantoor dienstdoende combi. Ik ken meer dan genoeg verhalen van mensen in mijn eigen stad Antwerpen, die niet langer aangifte kunnen doen bij politie. Omdat ze afgescheept worden. Omdat ‘ze’ moeten terugkomen met een tolk. Omdat ze maar een afspraak moeten maken. Omdat ze doorverwezen worden naar het enige politiekantoor dat nog wel open is, ver buiten hun eigen wijk.

Om al die redenen is de aangiftebereidheid dan ook het laagste bij de maatschappelijk kwetsbare groepen. Dat is een pure schending van de rechten van mensen en dus ontoelaatbaar. Een progressief veiligheidsbeleid kan niet zonder een politiekorps dat zich open, empathisch en dienstverlenend ten aanzien van alle burgers gedraagt. Met politiediensten die zich organiseren om de kloof met de straat te vergroten, zal dat niet lukken.

PRINCIPE 3: VEILIGHEIDSBELEID IS RESPECTVOL KETENBELEID

Rond de eeuwwisseling groeide bij justitie en politie het besef dat zij de veiligheidsklus niet alleen konden klaren. Ik heb in die periode tal van professionals ontmoet - parketmagistraten en politiemensen - die geen enkele behoefte voelden om fors en stoer uit de hoek te komen. Integendeel. Ootmoedig en bescheiden gaven zij toe dat ze in hun werk slechts een beperkte invloed hebben op de evolutie van de criminaliteit en nog minder op het veiligheidsgevoelen van burgers. Zij overwonnen de ingeslepen machtstrekjes van de professie en gingen als gelijkwaardige partners het gesprek aan met lokale besturen, hulpverleners, jeugdwerkers of schoolbesturen om te bekijken hoe bepaalde misdrijven of vormen van wangedrag doeltreffender konden worden teruggedrongen.

Uit die gesprekken ontstond wederzijds begrip voor elkaars professionele logica en vooral het besef dat alleen een gezamenlijke aanpak van dossiers de zaken vooruit zou helpen. Menig gemeentelijk vergunningenstelsel voor telefoonwinkels of nachtwinkels is in die periode bedacht als alternatief handhavingsinstrument voor langlopende strafrechtsprocedures. Op aangeven van en met instemming van het gerecht. Op vraag van magistraten van de strafuitvoeringsrechtbank en van naar passende re-integratiemogelijkheden zoekende gevangenisdirecteurs werd er met justitiële welzijnsprojecten geëxperimenteerd. De politie - die onder geen beding welzijnswerker mag spelen - was vragende partij voor extra buurtvaderprojecten waarbij vaders van geviseerde jongeren op pleinen sociaal-culturele activiteiten organiseerden en zo de buurt voor overlast en nachtlawaai behoedden.

Niets is linkser dan het besef dat samenwerken en samen beslissen, loont. Intussen zitten, mede door de opeenvolgende besparingsrondes, heel wat ‘sociale’ veiligheidspartners op droog zaad en is er van samenwerking in vertrouwen geen sprake meer. De almacht van een soloslim spelende politieorganisatie is in deze vernietigend. Met zijn natuurlijke hang naar autoriteit, belichaamt rechts het beeld van de onbetrouwbare overheid die op pedante wijze voormalige partners schoffeert en het broodnodige middenveld alleen nog als waterdrager van politionele interventies aanspreekt. Het is terug elk voor zich in de veiligheidsketen. En dat komt de resultaten niet ten goede.

Het is een raadsel op welke gronden of op basis van welke ervaring het beleid denkt dat elk van de veiligheidspartners de klus wel op zijn eentje zal klaren. Of straffer nog, dat ambtenaren op hun eentje succes kunnen boeken, getuige de aanstelling van radicaliseringsambtenaren bij steden en gemeenten. Intussen blijven leerkrachten met de handen in het haar zitten en weten jeugdwerkers niet tot welk meldpunt zich eerst te richten.

In een progressief veiligheidsbeleid wordt elkeen terug op zijn merites gewaardeerd en ingeschakeld in een keten waarin niemand op grond van gezag de plak zwaait. Het vergt meer moed om onbevooroordeeld aan een respectvol overleg deel te nemen dan stoer te toeteren dat ieder zich, op straffe van ontzegging van subsidies, moet inschakelen in de nazorg van een zoveelste ‘war on huppeldepup’. Een stevig partnerschap zou overigens de overdreven verwachtingen ten aanzien van politie en justitie kunnen temperen. Dan krijgt elke organisatie immers terug de rol die ze echt beheerst.

PRINCIPE 4: STRAFUITVOERING EN NAZORG VERDIENEN EEN MOEDIGE AANPAK

Het is genoegzaam bekend: de strafuitvoering in ons land rammelt langs alle kanten. In vergelijking met tien jaar geleden zitten er meer gedetineerden vast, onder wie helaas nog veel te veel geïnterneerden. Voor het elektronisch toezicht zijn er wachtlijsten - en meer dan wat administratieve controle houdt dat systeem niet in. Slechts de helft van de opgelegde geldboetes wordt daadwerkelijk geïnd. Kortom, de straffeloosheid is op alle terreinen wraakroepend. Dat verklaart ook waarom strafuitvoering het gedroomde terrein is voor stoere beleidsmakers. Langere straffen, méér straffen, alle straffen uitvoeren en dus meer gevangenissen.

Geen domein is politieker dan de strafuitvoering. Er is helaas ook geen onderwerp dat meer stekeblind maakt. We weten dat bescheidenheid gepast is als het gaat over de maakbaarheid van de gestrafte medemens. Een vrijgelaten gevangene heeft maar weinig garantie op succesvolle re-integratie, laat staan op stijging op de sociale ladder. De wenselijke gedragswijziging komt er ook niet zomaar door het omdoen van een enkelband of de overschrijving van geld op de rekening van de dienst Penale Boetes. We weten dat allemaal, maar we negeren het gemakshalve. Zoals we intussen weten dat veel jongeren net binnen de gevangenismuren radicaliseerden. En toch blijft het beleid hen opsluiten in aparte vleugels in de dwaze hoop dat hen dat tot inkeer zal brengen. En dan hebben we het niet eens over het concept van de nieuwe gevangenissen, dat nog steunt op een inmiddels twee eeuwen oude visie op detentie.

In een progressief veiligheidsbeleid dient strafuitvoering moedig en creatief vorm te krijgen. Moedig in de zin dat we voor maatregelen kiezen die hun deugdelijkheid hebben bewezen. Dat betekent zonder schroom durven investeren in begeleiding van gestraften, en in omkadering en opleiding van wie van zijn vrijheid is beroofd. Maar evenzeer moeten we durven investeren in kleinschalige detentie-infrastructuur. Ook hier vergroten nabijheid en kleinschaligheid de kans op succes. We moeten ook het arsenaal aan alternatieve straffen creatiever gebruiken. De kracht van herstelbemiddeling of gemeenschapsdiensten is bewezen. Waarom daar niet meer ruchtbaarheid aan geven? Waarom die niet meer zichtbaar maken?

Een links veiligheidsbeleid gaat per definitie uit van een strafuitvoering die breder kijkt dan de individuele dader, maar ook naar de gevolgen van zijn gedrag op zijn omgeving. En daarom heeft het slachtoffer een even centrale rol.

Het is links om de strafuitvoering niet te beperken tot het buikgevoel van de enge vergelding en de eenzame opsluiting, maar te kijken naar de impact van het misdrijf. Door de dader weg te steken, is rechts blind voor de mogelijke gevolgen als hij terug vrijkomt. Het is net uit bescherming van het slachtoffer dat strafuitvoering zich niet mag beperken tot een gevangenis of een enkelband. Daarom zijn begeleiding na detentie nog belangrijker dan de straf zelf. Het is links om te voorkomen dat als een straf uitgevoerd is, de dader geen nieuwe slachtoffers maakt.

PRINCIPE 5: VEILIGHEIDSBELEID VERDIENT FATSOENLIJKE COMMUNICATIE

Over het veiligheidsbeleid wordt weinig verantwoording afgelegd. Daarmee wordt het al snel aan elk tegensprekelijk debat onttrokken. Bij de bepaling van het veiligheidsniveau, bijvoorbeeld, wordt doorgaans verwezen naar rapporten en adviezen van de bevoegde diensten. Ook als wat later blijkt dat het sluiten van scholen in de hoofdstad in tijden van terreurdreiging het gevolg is van politieke hysterie. Rond de daling van de criminaliteitscijfers wordt dan weer graag een vreugdedansje opgevoerd. ‘Zie eens hoe onze aanpak werkt, bekijk die cijfers toch!’ Al is het klip en klaar dat criminaliteitscijfers allerminst een objectieve weergave van de werkelijkheid zijn. Sterker nog. Criminaliteitscijfers zijn een weergave van de activiteit van de politiediensten in een welbepaalde periode met een welbepaalde inzet en focus. Het is dan ook ronduit beschamend dat door het zwaaien met deze onvolledige en vaak nietszeggende cijfers elk debat onmogelijk wordt gemaakt, waardoor er dus ook geen passende lessen kunnen worden getrokken.

Een progressief veiligheidsbeleid maakt werk van geïntegreerde rapportering over de resultaten van het veiligheidsbeleid, en dat over het hele proces van de strafrechtsketen. Van vaststelling (en onder-rapportering) over vervolging (en gevolgverlening) tot strafuitvoering. Dat is een kwestie van goed fatsoen. Wat baat het om uit te pakken met statistieken over het aantal processen-verbaal van druggerelateerde feiten als je vervolgens niet kan of wil communiceren over het justitieel gevolg dat aan die vaststellingen al dan niet werd gegeven? Wat baat het jongeren te straffen als we ons nadien geen moer aantrekken van recidivecijfers? Het is dat soort verkokerd denken dat zeker bij justitie tot moedeloosheid heeft geleid. Bij politie leidt die focus op activiteitcijfertjes dan weer tot gevaarlijke onnadenkendheid.

Degelijke monitoring, zakelijke beleidsevaluatie, gekruiste gegevensanalyse op dossierniveau, tijdreeksanalyses van criminaliteitsfenomenen: het zou allemaal kunnen helpen om de prestaties van justitie, politie en hulpverlening correcter in te schatten. Het zou bovenal tot minder steekvlampolitiek kunnen leiden. Niet om de politiek uit te schakelen, maar om beleidsmakers toe te staan om meer ‘evidence based’ beslissingen te nemen en zich minder door hun ideologische voorkeur te laten leiden.

DAAR KOMT DE SHERIFF

Tot slot. Een performant veiligheidsbeleid is een belangrijke politieke prioriteit. Links verschilt niet van rechts in de aandacht die dat beleid verdient in termen van financiering en rekrutering. We moeten de inzet van de vele professionals waarderen. De doelstelling van een veiligheidsbeleid is evenwel het creëren van maatschappelijke stabiliteit, zekerheid en rechtvaardigheid. Dat begint met een begrijpelijke en correcte wetshandhaving. Zo’n veiligheidsbeleid steunt op een performant georganiseerd politie- en justitieapparaat en op medewerkers die tot in het diepst van hun vezels doordrongen zijn van twee basiswaarden: het plichtsbesef dat zij het volk op correcte wijze een dienst moeten verlenen ook al zijn zij met machtsmiddelen bekleed die een ander ontbeert, én het professioneel inzicht dat zij zonder de hulp van de lokale besturen en de hulpverlening (met inbegrip van mantelzorg en het netwerk rond daders en slachtoffers) geen doeltreffend werk kunnen leveren, niet in het voorkomen van misdrijven en evenmin in de nazorg.

In dat licht is de verenging van politiewerk tot misdaadbestrijding en ordehandhaving een funeste ontwikkeling. Als de politie het integraal veiligheidsbeleid op haar eentje vorm geeft, dan leidt dat tot de ver-sheriff-ing van ons veiligheidsbeleid. Dat uit zich nu al bij de politie in een cocktail van verwaandheid, domme taakreductie en potentiële machtsoverschrijding die op geen enkele manier strookt met de principes van een rechtsstaat. En het zijn net die principes van een rechtsstaat die voor links aan de basis van een performant veiligheidsbeleid liggen. De bevolking heeft recht op beleidsmakers die hun borst nat maken om op basis van de vijf aangehaalde principes de veiligheid van iedereen te garanderen. Dat kan het beste zonder stoer met de vuisten op de borst te kloppen als een kloon van sheriff Chris Mannix uit de nieuwste Tarantino-prent.

Tom Meeuws
Zelfstandig consulent, oud-directeur Integrale Veiligheid stad Antwerpen

Noten
1/ Het systeem van gemeentelijke administratieve sancties heeft geleid tot de inzet van een bestuursrechtelijk apparaat op lokaal niveau dat haar deugdelijkheid heeft bewezen, ondanks de excessen en de anekdotiek die het maatschappelijk debat hebben vertroebeld. Op een spijtige manier hebben linkse politici die (terechte) kritiek mee gevoed. De uitputting van de bevoegdheid van de burgemeester in het kader van de Nieuwe Gemeentewet heeft het vormen van gewapend bestuur mogelijk gemaakt, met sluiting van overlast gevende panden bijvoorbeeld als goede praktijk.
2/ Zie Kadernota Integrale Veiligheid, Nationale Veiligheidsplan en daarvan afgeleid alle arrondissementele en zonale veiligheidsplannen.
3/ Het geneuzel rond dit soort misdrijven, illustreert goed de incoherentie van de huidige beleidsvoerders. In het voorjaar 2015 drong de federale politie erop aan om huiselijk geweld niet langer als een prioriteit op te nemen in de veiligheidsplannen. Zonder politieke tegenspraak. Na de aanvallen op nieuwjaarsnacht in Keulen en de publieke verontwaardiging daarover, belanden dit soort misdrijven toch weer als prioriteit in de kadernota Integrale Veiligheid.

politie - veiligheid - justitie

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 2 (februari), pagina 55 tot 63