Log in

Geen vat op het kibbelkabinet

2 JAAR LINKSE OPPOSITIE

De regering-Michel werd op 11 oktober 2014 beëdigd. We zijn ondertussen bijna twee jaar verder. Ondanks een stormachtig begin zit de federale regering vandaag relatief comfortabel in de zetel. Deze vaststelling doet de vraag rijzen hoe goed de Linkse oppositiepartijen het de afgelopen tijd hebben gedaan. Eerst verloren ze veel tijd met het proberen intern orde op zaken te zetten. Vandaag lijken ze nog steeds te zoeken naar een goede strategie tegen het fameuze ‘kibbelkabinet’, dat veeleer zijn eigen oppositie creëert en zo die van de ‘echte’ oppositie de wind uit de zeilen neemt. Een balans van twee jaar Linkse oppositie.

2 JAAR LINKSE OPPOSITIE

Geen vat op het kibbelkabinet
Marc Hooghe
Machteloos tegen de kamikazeregering
Pierre Verjans

De coalitievorming in 2014 kwam niet als een complete verrassing. Al een jaar of twee eerder was het duidelijk dat de coalitiepartners sp.a (en vooral ook PS) liever kwijt dan rijk waren. Na meer dan twee decennia socialistische regeringsdeelname, vonden de andere partijen dat het terug tijd werd voor een flinke stap naar rechts. Vooral voor sp.a kwam dat relatief hard aan. De partij is de afgelopen decennia systematisch afgekalfd, en ze behaalde in 2014 niet meer dan 14% van de stemmen. Maar de partij heeft decennialang boven haar gewicht kunnen boksen: de voorkeur voor symmetrische coalities en de sterke positie van PS in Franstalig België zorgen ervoor dat ook sp.a altijd een plaatsje aan de regeringstafel kreeg. De vorming van een rechtse coalitie in 2014 zorgde ervoor dat de Vlaamse socialisten met de neus op de werkelijkheid gedrukt werden: ze zijn een relatief kleine partij geworden, die het ook in de toekomst moeilijk zal hebben nog echt ernstig op het beleid te wegen. Het is een probleem dat ze bij Groen al langer kennen, maar beide partijen lijken niet echt te leren van elkaars ervaringen.

HET SOCIAAL PROTEST

Toen de regering-Michel in 2014 aantrad, was dat met een behoorlijk rechts en ambitieus programma. Verhogen van de pensioenleeftijd, wegwerken van het overheidstekort en versterken van de competitiviteit van de ondernemingen - stap voor stap waren dat maatregelen die onvermijdelijk moeten leiden tot een vermindering van de inkomsten van de gezinnen. Bij de voorspelbare protestgolf tegen dit beleid bleven de oppositiepartijen echter opvallend afwezig. Sp.a was immers nog volop bezig met haar eigen voorzittersverkiezingen, een proces dat veel te lang werd uitgesmeerd, waardoor veel kostbare tijd werd verloren. Terwijl de socialisten bezig waren met intern orde op zaken stellen, waren het de vakbonden en de andere sociale bewegingen die de stakingen organiseerden. Het zijn de vakbonden die telkens opnieuw hebben opgeroepen tot acties, en die het meest actief weerwerk hebben geboden aan de regeringsplannen. De oppositiepartijen waren wel aanwezig op die acties, maar je kreeg niet de indruk dat ze, zeker aan Vlaamse kant, mee aan het stuur zaten. De belangrijkste dynamiek was er uiteindelijk vooral tussen de twee grote vakbonden: zeker in het begin had de vakbondsleiding heel goed door dat de stakingsacties slechts succes konden hebben als ze in gemeenschappelijk vakbondsfront werden gevoerd. Later werd de afstand dan weer groter, naarmate ACV en ABVV gingen uitkijken naar de sociale verkiezingen van 2016 en er dus alle belang bij hadden zichzelf sterker te profileren. Gelet op die delicate evenwichtsoefening hadden de vakbonden dus niet veel zin ook nog eens voortdurend rekening te moeten houden met de oppositiepartijen.

Ook hier is echter weer sprake van gemiste kansen. De vakbonden hebben uiteraard geen partijen nodig om te mobiliseren: daar zijn ze zelf veel beter in. Maar idealiter kunnen de stakingen wel ondersteund worden door het parlementair werk, als daar dezelfde argumenten worden gebruikt en de regeringspartijen wel een antwoord moeten formuleren. Maar als je kijkt naar de voorbije begrotingsdebatten, dan zie je dat de oppositiepartijen daarin uiteraard wel hun rol hebben gespeeld, maar dat er daarbij ook niet al te veel zware inhoudelijke argumenten werden gebruikt. Er waren uiteraard wel een aantal gemakkelijke oneliners die ook de krant haalden, maar op geen enkel ogenblik kwam de regering in de problemen door de kritische vragen van de oppositie. Sp.a en Groen hekelden dan wel de verdeeldheid binnen de coalitie, maar in feite is dat vooral een politiek spelletje. De meer fundamentele economische analyse over de gevolgen van het regeringsbeleid hebben we in het parlement niet of nauwelijks gehoord.

Het is een oud zeer, dat eerder al werd aangeklaagd. Politieke partijen krijgen steeds meer geld van de overheid, om op die manier hun parlementair werk te ondersteunen. Tegelijk stellen we vast dat ze steeds minder investeren in hun studiediensten, of in hun eigen expertise. Het resultaat is echter onvermijdelijk dat het werk van veel parlementsleden blijft steken op het niveau van wat ze lezen in de kranten, en dat het echte inhoudelijke werk naar de achtergrond verdwijnt. Als je een gedegen standpunt wilt innemen over pensioenen, vennootschapsbelasting of het klimaatbeleid, dat moet je in elk geval voldoende expertise hebben en je krijgt de indruk dat dit niet altijd het geval is. Inzake justitie (een sector waar toch gigantisch veel fout gaat, en waar toch een sterk oppositiegeluid welkom zou zijn) hebben noch sp.a, noch Groen, een echt geloofwaardige woordvoerder die zich fulltime kan inzetten voor het parlementaire werk en die met kennis van zaken kan spreken. Is het dan te veel gevraagd dat met name de oppositiepartijen hun ruime overheidsdotatie zouden gebruiken om voldoende expertise in huis te halen?

Maar zelfs wanneer we ons beperken tot de meer strategische spelletjes, dan nog zien we dat de oppositiepartijen er niet in geslaagd zijn een sterke indruk te maken. De meerderheidspartijen beheersen de politieke agenda. Er zijn nauwelijks voorbeelden te bedenken van thema’s die door de oppositiepartijen werden aangedragen. Zelfs de ideeën rond de sociale correcties op het besparingsbeleid komen vooral van CD&V, en niet van de oppositie. De regering-Michel heeft van de media de bijnaam ‘kibbelkabinet’ gekregen, en we zien dat de oppositiepartijen het bijzonder moeilijk hebben om een eigen plaats op te eisen binnen dit spektakel. Het scenario is vaak hetzelfde: binnen de regering is er het plan voor een bepaalde maatregel, en dan vertolkt CD&V openlijk een meer centrum-beleid, terwijl N-VA een rechtsere maatregel verdedigt.

Binnen een dergelijke constellatie is het voor een oppositiepartij bijzonder moeilijk zelf nog media-aandacht te krijgen. In principe zouden sp.a en Groen dan moeten pleiten voor een linkser beleid, maar dan zitten ze meestal gewoon op de lijn van CD&V. Bovendien is de harde wet van de media: een oppositiepartij die kritiek levert, dat is niets nieuws, het is immers wat je verwacht. Een regeringspartij die het openlijk oneens is met het gevoerde beleid, daarentegen, is wel nieuwswaardig. Een typisch voorbeeld hiervan is de manier waarop de regering het eerder aangekondigde doel van een begrotingsevenwicht in 2018 heeft laten varen. Dat is een cruciaal debat, maar de oppositiepartijen hebben we daarin nauwelijks gehoord. Er is voor hen ook geen ‘winnend’ standpunt. Ze kunnen de regering moeilijk verwijten dat ze de budgettaire discipline versoepelen, aangezien ze het juist eens zijn met die optie. Dat betekent dat ze de regering hoogstens een gebrek aan rechtlijnigheid kunnen verwijten, maar ook dat komt enigszins vreemd over. Kortom: we stellen telkens opnieuw vast dat het de regeringspartijen zijn die het politieke debat beheersen, en de oppositiepartijen blijven grotendeels aan de kant staan.

DE THEMA’S

Dat blijkt ook uit de thema’s die het politieke debat beheersen. Het beheersen van de politieke agenda is belangrijk, omdat we er kunnen van uitgaan dat de publieke opinie bepaalde thema’s automatisch verbindt met bepaalde politieke partijen. Wie zijn onderwerpen kan opdringen aan de overige politieke partijen, heeft dus al meteen een slag thuisgehaald. We hebben hierin terug weinig succesverhalen gezien van de oppositiepartijen.

Er zijn niet zo veel voorbeelden van milieuthema’s die door Groen op de agenda zijn geplaatst. Er is uiteraard bijzonder veel kritiek op het milieubeleid van minister Schauvliege, maar het zijn niet de politici van Groen die daarbij het voortouw hebben genomen. De acties van Wouter Deprez, die geen beroepspoliticus is, hebben wat dat betreft veel meer losgeweekt dan alle parlementaire vragen van Groen bij elkaar.

Voor de socialisten zijn de natuurlijke thema’s sociale rechtvaardigheid, fiscaliteit en sociale zekerheid. Maar ook daar zijn er niet zo veel voorbeelden van thema’s die door sp.a naar voor zijn geschoven. Meestal zijn het de vakbonden, en de CD&V die nieuwe thema’s lanceren en zo het debat beheersen. Zelfs PVDA is met haar verzet tegen de hoge energiefacturen succesvoller geweest dan sp.a. Voor zowel Groen als sp.a zien we dus onvoldoende succesvolle voorbeelden van een manier om echt op te politieke agenda te gaan wegen.

Wat er wel gebeurt is het omgekeerde fenomeen, waarbij een regeringspartij een bepaald thema lanceert, en de oppositie vervolgens in de achtervolging gaat. Het voorbeeld bij uitstek is hier uiteraard migratie en diversiteit. Ook de nieuwe sp.a-voorzitter John Crombez heeft zich hierover een paar keer uitgesproken, en telkens heeft dat tot lange discussies geleid zowel binnen als buiten de partijen. Wat hier opvalt, is opnieuw het tekort aan degelijk studiewerk en een onderbouwd standpunt. Het scenario is telkens hetzelfde: de voorzitter neemt een bepaald standpunt in, maar dat wordt dan nooit opgevolgd door onderbouwde stellingnamen of concrete parlementaire initiatieven. De standpunten blijken dus vooral bedoeld voor de galerij.

De vraag is echter of het voor een progressieve oppositiepartij wel zo verstandig is om het thema immigratie achterna te lopen. Immigratie is een bijzonder lastig thema voor linkse partijen, omdat het geen symmetrisch politiek thema vormt. Met een symmetrisch thema bedoelen we dat er evenzeer goede argumenten zijn aan de linkerzijde als aan de rechterzijde, en dat beide partijen even goed in staat zijn te mobiliseren. Belastingen vormen typisch zo’n thema, en dat wordt perfect samengevat in de slogan ‘Doe de rijken de crisis betalen’. De rijkste helft van de bevolking vindt dat natuurlijk een vreselijke oproep, maar de armste helft is daar zeker voor gewonnen. Je kunt met andere woorden zowel links als rechts mobiliseren op een dergelijk thema. Het probleem met migratie, daarentegen, is dat de uitdagingen voor links en rechts helemaal anders zijn. Er is niemand echt ‘voorstander’ van immigratie: de ideale situatie zou zijn dat de mensen in Syrië rustig hun eigen leven konden leiden, en dat er voor hen helemaal geen noodzaak was om naar Europa te vluchten. Het progressieve standpunt komt er dus op neer dat er nu eenmaal vluchtelingen zijn, en dat het dan onze menselijke plicht is die personen op een goede manier op te vangen. Voor de rechterzijde, daarentegen, is het thema veel gemakkelijker om te mobiliseren, omdat het inspeelt op de meest primaire gevoelens van bedreiging. Als je het als politicus niet zo nauw neemt met de waarheid is het bijzonder gemakkelijk om op die negatieve gevoelens in te spelen.

Er zijn eigenlijk niet zo veel uitzonderingen op de regel dat het bijzonder moeilijk is om rond immigratie op een positieve wijze te mobiliseren. Enkel in Canada slaagt de progressieve premier Justin Trudeau er in om een handelsmerk te maken van zijn open, en zelfs heel enthousiaste onthaalbeleid voor Syrische vluchtelingen die af en toe zelfs kunnen rekenen op een hoogstpersoonlijk onthaal door de premier. Dat heeft echter ook alles te maken met de unieke Canadese traditie, als een land dat is opgebouwd door het harde werk van immigranten. Door het feit dat Canada ook maar één buurland heeft, hoeven ze zich ook geen zorgen te maken over een ongecontroleerde instroom van vluchtelingen - iets wat veel mensen blijkbaar angst inboezemt. Gelet op het feit dat al die factoren ontbreken in de Belgische context, is het bijzonder twijfelachtig of je in België ooit zo’n positief verhaal over immigratie zou kunnen neerzetten. Tot nader order zullen het dus vooral de rechtse politieke partijen zijn die hun voordeel doen met een toegenomen bezorgdheid over immigratie en diversiteit, en we zien weinig voorbeelden van een doordacht en constructief progressief alternatief. Juist daarom is het zo vreemd dat voorzitter Crombez zich af en toe geroepen voelt een ‘flinke’ uitspraak te doen over immigratie, zonder dat duidelijk is op welke manier zijn politieke partij zou kunnen profiteren van een dergelijk standpunt.

DE TOEKOMST

Als we de balans opmaken, dan kan men niet zeggen dat de oppositiepartijen veel verkeerd doen, maar ze laten ook geen onoverkomelijke indruk na, en het zijn duidelijk de regeringspartijen die de regels van het politieke en maatschappelijke debat bepalen. Het excuus was uiteraard dat de oppositiepartijen eerst moesten wennen aan hun nieuwe rol, en ook een personeelswissel moesten doorvoeren. Maar zo langzamerhand wordt het nu wel tijd om die fase achter zich te laten. Vooral bij sp.a is er nog altijd dringend nood aan een nieuwe start. Als je als politieke partij een oppositiekuur ingaat, dan is het normaal dat je eerst begint met zelf orde op zaken te stellen, en dat je pas daarna in de jaren voor de volgende verkiezingen de publieke opinie terug voor je probeert te winnen. Voorlopig zien we echter nog niet zo veel geslaagde voorbeelden hiervan.

Psychologisch is er nog een extra probleem. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2012 kon sp.a zich nog optrekken aan het feit dat ze in de grote steden relatief goed standhield. De twee grote universiteitssteden Gent en Leuven worden nog altijd bestuurd door populaire socialistische boegbeelden, die nu allebei op pensioen gaan (hoewel Termont vijftien jaar jonger is dan Tobback). Hun opvolgers hebben allebei al wel hun strepen verdiend als schepen, maar ze zullen toch een aartsmoeilijke opdracht hebben om de score van hun illustere voorgangers te evenaren. Ook voor de burgemeesters van Brugge en Hasselt is een herverkiezing allerminst zeker. Na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2018 zal de perceptie dus nog eens versterkt worden dat de partij aan de verliezende hand is, en het zal een bijzonder moeilijke opdracht worden om die perceptie om te keren op goed een half jaar tijd. Eenmaal iedereen ervan uit gaat dat je toch keer op keer zult verliezen, is het helemaal niet gemakkelijk terug aan te knopen bij een winnende traditie.

WAT NA 2019?

Het is natuurlijk altijd gemakkelijk kritiek te leveren op een oppositiepartij: per definitie kunnen ze niet zoveel realiseren. Ook in ons land is het nog niet gebeurd dat een oppositiepartij erin zou slagen een regering ten val te brengen. Als regeringen vallen, dan komt dat meestal omdat de partners elkaar niet langer vinden. Ook voor de huidige regering is de grote uitdaging de partijen bij elkaar te houden, en in vergelijking daarmee vormen de activiteiten van de oppositie niet veel meer dan een speldenprik. Vorig jaar schreef ik nog dat het best normaal is dat sp.a en Groen niet onmiddellijk hun draai vinden in de oppositie. Zeker voor een partij die lang in allerlei regeringen heeft gezeten, vergt het een hele mentale ommekeer opeens een min of meer radicaal oppositiepetje op te zetten. We zijn nu echter weer een jaar verder, en je krijgt niet de indruk dat er zoveel vooruitgang wordt geboekt bij deze metamorfose. Als de huidige trends zich verderzetten, dan is het meest waarschijnlijke scenario dat ook na 2019 sp.a en Groen op de oppositiebanken zullen blijven.

De fundamentele vraag is waarom CD&V of Open Vld opnieuw de voorkeur zouden geven aan een linksere coalitiepartij? Alleen als de N-VA zich echt onmogelijk opstelt, door bijvoorbeeld een onhaalbare staatshervorming te eisen, komen de huidige oppositiepartijen opnieuw in beeld. De afgelopen maanden is al heel veel geschreven over de bittere rivaliteit tussen N-VA en CD&V, en het is geweten dat de christendemocraten zich vaak in het nauw gedrongen voelen in deze coalitie. Nochtans hadden ze dat perfect kunnen weten. Reeds in het najaar van 2014 wezen diverse politicologen erop dat het logisch zou zijn dat de grote winnaar van de verkiezingen regeringsverantwoordelijkheid opneemt. CD&V heeft er mee ingestemd dat niet te doen, waardoor de voorzitter van de N-VA inderdaad vrij spel krijgt. Als vrijschutter kan hij schieten op alles wat beweegt. Dat scenario is nu werkelijkheid geworden, en het leidt tot een bijzonder vervelend strategisch probleem. Als je kijkt naar het regeringsbeleid zoals dat daadwerkelijk gevoerd wordt, dan zien we een relatief rechts, maar al bij al gematigd beleid. De grote sociale afbraak, waarvoor in 2014 werd gevreesd, blijkt nog relatief mee te vallen, ook al omdat de economie geleidelijk herneemt. Tegelijk blijft De Wever echter de meest radicale uitspraken doen, zodat er een diepe kloof gaapt tussen het daadwerkelijk beleid en de retoriek van de grootste regeringspartij. De coalitiepartners organiseren op die manier dus hun eigen oppositie. Het valt bovendien op dat de oppositiepartijen regelmatig in die val trappen: ze reageren dan op de provocaties van De Wever of Francken, en pleiten voor een zekere gematigdheid, waardoor ze uiteindelijk terechtkomen op het beleid zoals dat door deze regering wordt gevoerd. De oppositiepartijen hebben tot nu toe nog altijd geen goede strategie gevonden om dat spelletje van de meerderheid te doorbreken.

Marc Hooghe
Centrum voor Politicologie, KU Leuven

oppositie - Michel I - sp.a - Groen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 7 (september), pagina 84 tot 89