Abonneer Log in

Johan Van Overtveldt, minister van Opiniemaken

RECHTVAARDIGE FISCALITEIT

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 4 (april), pagina 59 tot 63

Eind vorig jaar hing volgens Wetstraatjournalist Walter Pauli de politieke toekomst van minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) aan een zijden draadje. Uiteindelijk koos N-VA ervoor om met Elke Sleurs een vrouw te slachtofferen, maar de mislukte hervorming van de vennootschapsbelasting had wel tot gevolg dat een belangrijk deel van zijn bevoegdheden hem de facto ontnomen werd door premier Charles Michel (MR). In deze bijdrage wordt het parcours van deze mislukte hervorming geschetst en de vraag gesteld of deze regering op vlak van fiscaliteit nu reeds in lopende zaken is beland.

RECHTVAARDIGE FISCALITEIT

Wie spekt de kas van de sociale zekerheid?
Bart Bozek en Wim Van Lancker
Johan Van Overtveldt, minister van Opiniemaken
Mehdi Koocheki
Waarom inkomensongelijkheid geen electoraal thema is
Maarten Hermans
Kleur bekennen over de Tobintaks
Bogdan Vanden Berghe en Sarah Vandenbroucke

Dat de verwachtingen van onze rechtse landgenoten hooggespannen waren bij het aantreden van econoom en journalist Johan Van Overtveldt (N-VA) als minister van Financiën is een understatement. Jarenlang trok hij als adept van de liberale Amerikaanse econoom Milton Friedman ten strijde tegen alles wat rook naar overheidsinterventie of syndicale activiteit in dit land. Dat hij zich daarmee ver buiten de sociaaleconomische consensus die aan de basis ligt van de Europese sociale welvaartstaten plaatste, belette hem niet om een stevige reputatie uit te bouwen als vooraanstaand mediaeconoom.

Halverwege de legislatuur blijken deze verwachtingen op zijn zachtst gezegd niet ingelost. Het weerkerende patroon van begrotingsrondes waar plots blijkt dat de ontvangsten honderden miljoenen of zelfs enkele miljarden euro te laag werden ingeschat, de vaudeville rond de speculatietaks die plots geld bleek te kosten in plaats van op te brengen en de ondergefinancierde taxshift die voornamelijk werd uitgewerkt op de CD&V-kabinetten degradeerden Johan Van Overtveldt tot het kneusje van de federale regering.

Dit lijkt zowel te wijten aan de minister zelf die als macro-econoom alle hoeken van de kamer te zien heeft gekregen van echte fiscale toppers zoals Kris Peeters (met een verleden als docent Vennootschapsbelasting), Koen Geens (als professor Vennootschapsrecht één van de absolute autoriteiten in zijn vakgebied) en niet te vergeten Didier Reynders (MR) die zelf twaalf jaar lang het departement beheerde en er daarbij wel in slaagde een ingrijpende hervorming van de vennootschapsbelasting door te voeren (nota bene in een regering met PS); als aan de kwaliteit van zijn kabinet waarover zijn voormalige partijgenote Veerle Wouters het volgende wist mee te delen: ‘Inhoudelijk is de N-VA een reus op lemen voeten. De studiedienst belde meer naar ons met vragen dan omgekeerd. Hetzelfde voor de kabinetten. De eerste maanden van Objectief-V heb ik niets anders gedaan dan het kabinet-Van Overtveldt depanneren’.1

VAN GRENSVERLEGGEND GEBREK AAN POLITIEK FATSOEN...

Enkel op deontologisch vlak is de minister tot nu toe grensverleggend gebleken. Het kabinet-Van Overtveldt lijkt lak te hebben aan elke vorm van elementair politiek fatsoen, wat zich vertaald heeft in een ellenlange lijst aan schandaaltjes en belangenconflicten.

Zo was er de opmerkelijke carrièreswitch van kabinetschef Mathieu Isenbaert en adjunct-kabinetschef Philippe Bielen die samen het nieuwe advocatenkantoor Sintax startten dat zich zal toeleggen op processen tegen de Belgische Staat in het dossier van de excess profitrulings. Nog bonter is het voorbeeld van Practicali, een bedrijfje dat fiscale opleidingen organiseert door ambtenaren van de FOD Financiën en kabinetsmedewerkers van Van Overtveldt. In een kritisch artikel over de innige banden tussen Practicali en het kabinet reageerde zijn woordvoerder Ferry Comhair (die zelf al de verplichte vermogensaangifte voor mandatarissen bij het Rekenhof ‘vergat’ in te vullen): ‘Niemand van dit kabinet zal over de vennootschapsbelasting spreken zolang er geen definitief plan is. Iets anders is onzin’.2 Dat ondertussen in regeringskringen fijntjes wordt opgemerkt dat in de documentgegevens van de voorstellen van Johan Van Overtveldt met betrekking tot de hervorming van de vennootschapsbelasting Practicali als auteur vermeld staat, liet hij daarbij wijselijk onvermeld.

Ook Johan Van Overtveldt zelf ging reeds herhaaldelijk over de deontologische schreef. Het feit dat hij de herhaaldelijke verkeerde inschattingen inzake de begrotingsinkomsten volledig op conto van zijn administratie (volgens Ernst & Young nochtans de overheidsorganisatie van het jaar 2017) en topambtenaar Hans D’Hondt schreef, wees al op een gebrek aan bereidheid tot het nemen van politieke verantwoordelijkheid. In juni vorig jaar kreeg de minister ook nog een officiële sanctie van het parlement aan zijn broek, omdat hij de wet op de verkiezingsuitgaven had overtreden door het bijvoegen van een persoonlijke propagandabrief bij de belastingaangifte. Eerder haalde de minister ook al de media met het feit dat hij zichzelf als enig lid van de regering een loonsverhoging van 3.000 euro toekende op het moment dat de regering aan de werkende bevolking een indexsprong oplegde. Nadat dit bericht de voorpagina van Het Laatste Nieuws haalde, werd snel gereageerd dat het (opnieuw) om een administratieve fout ging die snel zou worden rechtgezet. Eerder werden er hierover reeds vier maal parlementaire vragen aan de minister gesteld door Peter Vanvelthoven (sp.a) en Marco Van Hees (ptb). Deze werden evenwel nooit beantwoord. Het mag dan ook niet verwonderen dat enkel Geert Noels - de jarenlange boezemvriend en fietspartner van Van Overtveldt, die ondertussen ook zelf voor 150.000 euro langs de kassa van de FOD Financiën mocht passeren - nog vindt dat de minister het ‘te goed’ doet.

... NAAR MINISTER ZONDER PORTEFEUILLE

Het onvermogen van de huidige minister van Financiën om complexe dossiers door de regering te krijgen, wordt nog het best geïllustreerd door het debacle rond de hervorming van de vennootschapsbelasting. De minister begon nochtans combattief. Eind januari 2016 verklaarde hij in een interview met De Tijd dat hij een verlaging van het tarief in de vennootschapsbelasting op de regeringstafel zou leggen, ondanks het feit dat hieromtrent niets voorzien was in het regeerakkoord. ‘We zijn voorstellen aan het uitwerken die we in de regering op tafel leggen. En we gaan daar geen zes maanden mee wachten. Bij de begrotingscontrole in maart doen we een voorstel’.3 Over de budgettaire gevolgen van een dergelijke hervorming maakte de minister zich toen nog niet te veel zorgen omwille van de ‘terugverdieneffecten’.

Maart 2016 werd uiteindelijk eind augustus 2016, maar aan voorstellen bleek er toen plots geen gebrek. In een eerste voorstel dat op basis van een gelekte onderhandelingsnota op 25 augustus 2016 in De Tijd verscheen, stelde de minister een verlaging van het tarief naar 20% voor; daarmee zou België meteen één van de laagste tarieven van West-Europa hanteren. Daarnaast wilde Johan Van Overtveldt ook de fairnesstaks afschaffen, de DBI-aftrek (Definitief Belaste Inkomsten) voor 100% toekennen in plaats van 95%, een vrijstelling van vennootschapsbelasting toekennen voor starters en de meerwaardebelasting op aandelen voor bedrijven verlagen.

De minister wilde dit financieren door de afschaffing van de notionele interestaftrek en de investeringsaftrek. Hij stelde ook voor degressieve afschrijvingen te verbieden (hetgeen slechts een tijdelijke meeropbrengst oplevert) en een hogere sanctie op te leggen aan bedrijven die geen aangifte indienen. Ten slotte wou de minister de roerende voorheffing verhogen van 27% naar 30% (uiteindelijk het enige element dat Johan Van Overtveldt wist te realiseren), de aftrekbaarheid van restaurant- en representatiekosten beperken en stelde hij zelf voor de meerwaarde bij verkoop van een bedrijf te belasten.

Dat de minister zijn voorstel niet eerst met de vakbonden had afgetoetst, zal niemand verwonderen. Maar ook de coalitiepartners en de werkgeversorganisaties kwamen uit de lucht vallen. Hetgeen enigszins verwonderlijk is, gezien er ondertussen zeven maanden voorbij waren sinds Johan Van Overtveldt zijn pleidooi voor een lagere vennootschapsbelasting lanceerde. Open Vld liet weten dat een hogere roerende voorheffing en een meerwaardebelasting voor hen niet bespreekbaar was, terwijl het VBO in zeven haasten een alternatief voorstel trachtte te formuleren waarbij het tarief ‘slechts’ zou dalen naar 24% mits behoud van een afgeslankte notionele interestaftrek en zonder verhoging van de roerende voorheffing of invoering van een meerwaardebelasting bij bedrijfsoverdracht.

Een week later legde de minister een tekst voor aan de regering waarin er plots geen sprake meer was van een meerwaardebelasting of verhoging van de roerende voorheffing. Een maand later, in oktober 2016, toverde de minister nog een nieuw voorstel uit zijn hoed waarbij het normaal tarief nog steeds 20% zou bedragen, maar er voor kmo’s een nog lager tarief van 18% zou worden ingevoerd.

Ondertussen had de Hoge Raad voor Financiën (HRF) tijdens de zomer 2016 een rapport gepubliceerd waarin ze concludeerde dat in een budgetneutraal kader de financiering van een daling naar 25% het afschaffen van de notionele intrestaftrek, het raken aan de aftrekbaarheid van kosten (aanpassen afschrijvingsregels + beperken aftrekmogelijkheden) en het verhogen van het tarief van de roerende voorheffing vereist. Een verlaging naar 20% zou volgens de HRF zelfs onder de meest optimistische hypothesen over de opbrengsten van alle bovenvermelde ingrepen niet mogelijk zijn binnen een budgetneutraal kader en zou voor maar liefst 30% van de inspanning moeten worden gefinancierd door ‘terugverdieneffecten’. Ten slotte vreesde de HRF voor een fiscale race-to-the-bottom op internationaal niveau en pleitte ze daarom voor een harmonisatie en invoering van een minimumtarief op Europees niveau.

Na de clash met Kris Peeters tijdens de begrotingsopmaak over de koppeling met een meerwaardebelasting werd afgesproken dat een hervorming kon op voorwaarde dat ze budgettair neutraal zou zijn en doorgerekend zou worden door een neutrale instantie. In november 2016 formuleerde Johan Van Overtveldt daarom opnieuw een ander voorstel (met een tarief tussen 20 en 25%) dat hij liet narekenen door de HRF zonder het eerst met zijn coalitiepartners te bespreken.

Dit bleek uiteindelijk de druppel te zijn voor premier Charles Michel die besliste om de dossiers vennootschapsbelasting, meerwaardebelasting en activering van het spaargeld (een eis van Open Vld voor een nieuwe soort Wet Cooreman-Declercq) naar zich toe te trekken. Ook het ARCO-dossier werd aan Johan Van Overtveldt onttrokken, waardoor we nu reeds enkele maanden met een minister van Financiën zitten die over zijn belangrijkste dossiers niet langer mag meepraten. Zelf ziet de minister daar alvast geen graten in. In een interview met De Tijd op 13 maart 2017 stelt hij dat hij zijn werk gedaan heeft door ‘als eerste aan de bel te trekken’ en dat hij voor de puinhoop die daarop volgde ‘niet verantwoordelijk is’. Een mens kan zich de vraag stellen waarvoor deze minister eigenlijk nog wel verantwoordelijk is? Als kers op de taart wist Johan Van Overtveldt - die een hele herfst lang bij hoog en bij laag bleef beweren dat al zijn voorstellen budgettair neutraal waren en tot in de puntjes berekend - in datzelfde interview nog laconiek te melden dat budgetneutrale hervorming voor hem niet echt hoeft.

MEERWAARDEBELASTING BEGRAVEN?

Nu de minister van Financiën heeft laten weten dat hij nergens meer verantwoordelijk voor is, komt het aan premier Charles Michel toe om deze dossiers tot een goed einde te proberen brengen. Het lijkt erop dat als er nog een hervorming van de vennootschapsbelasting komt, deze gepaard zal gaan met een veel beperktere daling van het tarief dan oorspronkelijk vooropgesteld en het behoud van een (afgeslankte) notionele interestaftrek.

Nog veel onzekerder is het lot dat de aangekondigde meerwaardebelasting te wachten staat. Ondanks het feit dat België nog één van de weinige Europese landen is dat deze belasting niet kent en onze buurlanden tarieven op meerwaarden bij verkoop van meerderheidsbelangen in ondernemingen hanteren van 25 tot meer dan 50%, hebben Open Vld en N-VA reeds herhaaldelijk te kennen gegeven dat dit voor hen onbespreekbaar is. Ook CD&V hult zich de laatste tijd in een veelzeggend stilzwijgen hieromtrent.

Als het progressieve middenveld nog een doorbraak wil realiseren op het vlak van meerwaardebelasting zal de druk hiervoor dus moeten worden opgevoerd. Het beste pleidooi een dergelijke belasting dat deze auteur ooit gelezen heeft, komt alvast van wijlen Chris Depreeuw, voormalig CEO van Oleon en bestuurder bij Voka: ‘Een meerwaardebelasting op controlebelangen zal veel meer hoofdkwartieren en beslissingscentra in Vlaanderen en België houden dan de notionele intrestaftrek ooit heeft gedaan. Het zal Vlaanderen verlossen van die toch zo aantrekkelijke verleiding voor belastingvrije kapitalen die toch niet gelukkig maken, en het hoofdkwartier van andere parels als Katoennatie, Sea-Invest, Reynaers, Soudal, Sibelco, Lhoist, Carmeuse, Sioen en Renson hier houden’.4

Mehdi Koocheki
Adviseur Studiedienst ABVV

Noot
1/ Knack, 1 maart 2017.
2/ Knack, 22 februari 2017.
3/ De Tijd, 30 januari 2016.
4/ De Tijd, 13 november 2012.

rechtvaardige fiscaliteit - Van Overtveldt Johan - meerwaardebelasting - vennootschapsbelasting

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 4 (april), pagina 59 tot 63