Abonneer Log in

Weg met antipolitiek en anti-journalistiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 1 (januari), pagina 63 tot 69

De verhouding tussen politiek en pers lijkt vandaag scherper op de snee dan voorheen. Politici communiceren via sociale media almaar directer met het publiek, en ontzien daarbij de klassieke media niet. Redacties van hun kant zetten meer in op kritische berichtgeving en opiniëring. Voor de democratie is dat allemaal best, zolang beide actoren zich maar bewust blijven van elkaars eigenheid en finaliteit. Botsen en zelfs boksen mag, maar zonder de andere te willen vernietigen.

Toch maar nog eens beginnen met deze geruststellende zekerheid: spanningen tussen politiek en nieuwsmedia zijn niet erg, ze zijn voor een democratie zelfs heel gezond. Politiek en pers hebben heel eigen finaliteiten. De eerste moet de samenleving beheren en sturen. De tweede moet (onder meer) daarover onafhankelijk informeren, wat ook duiding en opiniëring inhoudt.

Dat beiden dus regelmatig botsen met elkaar, is niet meer dan normaal. Pers en politiek zijn gedoemd tot een eeuwige haat-liefdeverhouding. Zo is het door de founding fathers van onze westerse democratische rechtsstaten ook helemaal bedoeld. Als 'vierde macht' leveren nieuwsmedia het publiek de informatie die dit nodig heeft om het politieke beleid te kunnen beoordelen. Vervolgens kan dat publiek het politieke beleid via verkiezingen en andere participatievormen al dan niet in een nieuwe richting sturen.

OPLOPENDE SPANNING

De verhoudingen tussen pers en politiek zijn in pakweg vijf decennia wel serieus veranderd. Ruw geschetst gebeurde dat in drie stappen.

Vijftigplussers ondervonden nog aan den lijve hoe sterk politiek verzuild onze samenleving ooit was. Dat gold ook voor de pers. De Standaard was een rechts-Vlaams-nationalistische krant, De Morgen een links-socialistische, Het Laatste Nieuws kleurde diepblauw. De kritische opstelling was dan ook in hoofdzaak tegen partijen en politici uit de belendende zuilen gericht.

Toen partijen en vakbonden niet langer bij machte waren om dure kranten uit te geven, namen commerciële uitgevers het roer over. Die ontzuiling zorgde ervoor dat redacties zich onafhankelijker en kritischer gingen opstellen tegenover het gehele politieke gebeuren. En zo kon het al eens gebeuren dat Het Laatste Nieuws tekeer ging tegen een door VLD-premier Guy Verhofstadt geleide regering. Toen Verhofstadt vervolgens bij de krant ging lobbyen voor het ontslag van opinieschrijver Luc Van der Kelen, kreeg hij nul op het rekest.

Omgekeerd werd ook de politiek onafhankelijker van de pers. De tijd dat premier Wilfried Martens naar De Standaard-opiniemaker Manu Ruys belde om te weten hoe hij een politiek akkoord zou onthalen, ligt even goed achter ons.

Het uiteindelijke gevolg is dat de burger meer macht heeft verworven - macht om zowel de politiek als de pers meer aan zijn verlangens te laten voldoen. 'In realiteit is niet zozeer de macht van de media toegenomen', aldus de politicologen Stefaan Walgrave en Peter Van Aelst. 'Wel is die van de politiek gedaald. De politieke instituties hebben hun primaat aan de burger verloren, en komen daarbij de media tegen.'

Mettertijd zijn zowel politici als redacties hun functioneren ook gaan professionaliseren. Media investeerden in zowel redactionele als technische vernieuwing. Kranten, magazines en audiovisueel nieuws werden daardoor beter, mooier, vollediger, betrouwbaarder.

Maar ook politici schakelden voor hun communicatie een versnelling hoger. Professionele woordvoerders, communicatiemanagers en spindoctors deden hun intrede. In het spoor van een Tony Blair in het Verenigd Koninkrijk en een Bill Clinton in de Verenigde Staten, zette bij ons premier Guy Verhofstadt vanaf omzeggens het jaar 2000 maximaal in op beheersing van de media. Zeker na de regeerperiode-Dehaene - spreken is zilver, zwijgen is goud - ging het om een trendbreuk.

Het leidde wel tot een tegenbeweging bij de nieuwsmedia. Die werden argwanender, kritischer, nog afstandelijker ten aanzien van politici. Verhofstadts communicatiegoeroe Noël Slangen verpersoonlijkte lange tijd de journalistieke aversie tegenover de nieuwe politieke pr-cultuur.

Intussen zijn we een nieuwe, derde fase van oplopende spanning ingetreden. Die heeft te maken met de digitale revolutie die nu al tien, vijftien jaar lang voor disrupties in de hele samenleving zorgt. In de communicatiesfeer zorgt de digitalisering voor meer en snellere informatie, meer interactiviteit en debat, maar ook meer polarisering, coconvorming en ruwere omgangsvormen. Digitale technologie heeft een enorme turbo op zowel de politieke communicatie als de media-activiteit gezet.

POLITICI EN (VALS) NIEUWS

Politici communiceren vandaag rechtstreeks met hun volgers. Sociale media nemen almaar meer de plaats in van persagentschappen, persconferenties en persberichten. Politieke partijen beschikken meer en meer over uitgebreide communicatieploegen, met in het verlengde daarvan soms heuse clickfarms en trolfabrieken.

Onlangs nog deelde premier Charles Michel (MR) zijn standpunt over de Soedanese asielcrisis mee op Facebook. Dat een regeringsleider bij ons zo communiceerde, hadden we tot dan nog niet gezien. Maar waarom ook niet? Ergens gaat het om een nieuwe - en krachtige - manier om de kloof tussen politiek en burger te dichten. Welke oprechte democraat kan daar nu tegen zijn?

Ook nieuwsmedia - die door de nieuwe communicatiecultuur worden gebypasst - kunnen die evolutie moeilijk afkeuren. Het verwijt van journalisten dat het om fake news gaat, gaat te ver. Wat politici op Twitter en Facebook doen is in principe geen frauduleus vals nieuws. Een politieke boodschap, ook al wordt die niet gedeeld, is nog geen leugen. Beter is het om in dit geval van 'oneigenlijk' of 'onecht' nieuws te spreken.

En toch. Internet, zo blijkt meer en meer, haalt zowel het beste als het slechtste uit de mens. En dus woekeren in de digisfeer ook massa's nepinformatie en fake news - meer dan we voor redelijk en mogelijk achtten. Ook politici staan aan die verleiding bloot. Voor een Trump is dit intussen common practice geworden. Hij orakelt zelfs tegen onomstotelijke televisiebeelden (zoals die van de opkomst voor zijn presidentiële inauguratie) of vaststaande wetenschap (zoals de klimaatverandering) in. Over de Brexit en de Amerikaanse presidentskandidaten werden in 2016 massa's valse, politiek geïnspireerde berichten verspreid, en minstens tot op zekere hoogte heeft dat de stemresultaten beïnvloed. Ook in Frankrijk, Spanje en Nederland maken velen zich grote zorgen over de politieke manipulatie van online informatie, met name vanuit Rusland.

Maar ook bij ons kruipen politici soms op of over de rand - zij het vaak door toedoen van sympathisanten. Recentelijk postte iemand op Facebook een video over een agressieve vluchteling die een zorgverlener molesteert in het UZ van Leuven. Fake, zo bleek. De beelden kwamen uit Rusland. Maar in een oogwenk gingen ze viraal en lokten ze een tsunami van racistische reacties uit.

En dan is er nog een probleem. Informatie op zich kan vals zijn, maar dat kan ook de vermeende verspreiding en legitimiteit. Iemand geeft dan de indruk dat zijn berichten veel meer worden gedeeld en geliked dan in werkelijkheid het geval is. In Vlaanderen pionierde N-VA hiermee.

Politici moeten van hun nieuwe communicatiemogelijkheden dan ook gebruik maken op een eerlijke manier. Transparantie en waarheidsgetrouwheid zijn daarbij de codewoorden. En dan mag uit recent wetenschappelijk onderzoek wel blijken dat het met de impact van oneigenlijk en vals nieuws wel meevalt - mensen die dergelijk nieuws tot zich nemen halen daarnaast het gros van hun informatie uit traditionele media - toch is het opletten geblazen. Van Hitlers discours, dat via een naar die tijden gigantische propagandamachine werd verspreid, werd ook gedacht dat het publiek dat wel correct zou inschatten.

De rol van journalisten in het digitale informatietijdperk neemt hoe dan ook enkel maar toe. Hoe meer politici rechtstreeks communiceren met hun publiek, hoe meer journalisten de verantwoordelijkheid hebben om dat discours te volgen, te duiden en desnoods te bekritiseren.

KILL THE MESSENGER

Sociale media maken het voor iedereen mogelijk om te keer te gaan tegen elkeen met een andere mening of waarheid. De mogelijkheid van anonimiteit of pseudonimiteit verhoogt nog de agressiviteit van het debat. Het ongemeen harde, vaak vulgaire getwist op Twitter is niet iets waarmee de homo sapiens zijn naam eer aandoet.

Ook politici delen in de brokken, net zoals rechters en in het algemeen iedereen met een gezagsfunctie. Niemand is immuun voor laster en gescheld. Ook experten niet, zelfs al hebben ze mooi ronkende academische titels. Journalisten evenmin.

De bagger die de klassieke media vandaag over zich heen krijgen, is ongezien. Nogal wat journalisten zijn op sociale media vanuit welbepaalde hoeken zwaar aangeschoten wild. Vaak komt de modder uit politieke hoek.

Veel politici - maar ook magistraten, andere gezagsdragers en vele burgers - zien de pers ronduit als 'vijand'. Wie niet met ons is, is tegen ons. Zoals Trump in een historische tweet: the FAKE NEWS media is the enemy of the people. Klassieke nieuwsmedia en journalisten worden zowaar uitgeroepen tot volksvijand. Op die manier trachten de nieuwe waarheidsprofeten de eigen informatiecocon te versterken. Polarisering en mediabashing liggen in elkaars verlengde.

Bij ons maakt N-VA - of althans een representatieve groep daar - er nauwelijks een geheim van dat ze de huidige (Vlaamse) pers maar niks vindt. Lees: voor haar te kritisch vindt, niet meegaand genoeg. Maar feitelijk vallen zo'n verzuchtingen te horen in alle hoeken van het politieke spectrum. Zowat tien jaar geleden ging VLD-coryfee Karel De Gucht zich in een boek over populisme te buiten aan weinig intelligente veralgemeningen over de pers.

In hetzelfde bedje ziek zijn trouwens veelal persoonlijke aanvallen op een journalist, die ook lijken toe te nemen. Uitgaande van een politicus, kan zo'n persoonlijke kritiek snel uitdraaien op intimidatie.

JOURNALISTEN EN (VERDOKEN) POLITIEK

Maar misschien roepen de nieuwsmedia en hun journalisten die kritiek wel zelf over zich af? Want laat het duidelijk zijn: parallel met de politiek, schakelde ook de journalistiek een serieuze versnelling hoger. Nieuwe technologie maakt het mogelijk om meer informatie te garen dan voorheen. Datajournalistiek en andere vormen van onderzoeksjournalistiek leiden tot belangrijke onthullingen. Dankzij steeds vlottere internationale samenwerking zijn vandaag journalistieke dossiers als de Paradise of Panama Papers mogelijk.

De evolutie van kranten, magazines en omroepen tot multimediabedrijven zorgt ervoor dat al die informatie ook meer beschikbaar wordt voor het brede publiek. Daar komen dan nog nieuwe, autonome nieuwswebsites bij, die vanuit eigen invalshoeken relevante informatie toevoegen aan het mainstreamnieuws. Dat alles gebeurt met een nooit geziene snelheid. Meer en meer wordt nieuws gebracht in real time, op het moment dat het zich voordoet.

Tegelijk is de concurrentie tussen nieuwsmedia toegenomen, met name op het vlak van feitelijke verslaggeving. 'De strijd om snel nieuws te brengen is in tijden van sociale media gestreden', aldus hoofdredacteur Hans Vandendriessche van het persagentschap Belga in het vakblad De Journalist. 'Zelfs een scoop houdt maar dertig seconden meer stand.' Het gevolg is dat de professionele nieuwsmedia ook meer zijn gaan inzetten op duiding, opiniëring en debat.

Politici verwijten dit de klassieke nieuwsmedia vaak. Ze zeggen dan dat journalistiek vandaag te veel is doorgeschoten van feitelijke berichtgeving naar opiniejournalistiek. Als zodanig - is het politieke verwijt - zijn ze allesbehalve onafhankelijk en brengen ze vaak fake news - daarbij inbreuk plegend op de basisprincipes van goede journalistiek.

DE WETTEN VAN DE JOURNALISTIEK

Nu is mediakritiek ten eerste van alle tijden, en ten tweede in regel een goede zaak. Als nieuwsmedia zich opstellen als 'waakhond van de democratie', dan is het van het grootste belang dat ook zij af en toe worden bijgetrokken. En dus krijgen ook journalisten af en toe wel eens een tik op de vingers van een rechtbank of de eigen Raad voor de Journalistiek.

Maar mediakritiek moet redelijk zijn, moet begrip hebben voor de eigen finaliteit en werkwijze van journalistiek, zoals vastgelegd in deontologische codes, waarvan de Code van de Raad voor de Journalistiek de meest centrale is. Die code huldigt in uitgewerkte hoofdstukken en aangehechte richtlijnen vier grote principes: onafhankelijkheid, waarheidsgetrouwheid, respect voor privacy en eerlijke werkmethodes. De kennis van en het begrip voor deze journalistieke essentialia ontbreekt in het huidige mediadebat fundamenteel. Het is ronduit driest hoe sommige politici - maar ook magistraten, advocaten, wetenschappers en nog velen meer - zich vandaag te buiten gaan aan populistische aanvallen op de professionele pers. Voor de democratie en het daarvoor broodnodige evenwicht van machten en tegenmachten, is dergelijk anti-journalistiek poujadisme nefast.

Klassiek nieuws, zoals dat door professionele mediahuizen wordt geleverd, wordt verondersteld aan standaarden te voldoen. Het gaat om zowel wettelijke als beroepsethische normen.

Een daarvan is de plicht van onafhankelijkheid. Die kunnen de moderne media dankzij het professionalisme van uitgevers en journalisten ook waarmaken. Ziedaar een fundamenteel onderscheid met wat we hoger 'onechte' media noemden, de loutere spreekbuizen van politieke partijen, bedrijven of belangengroepen. En natuurlijk maken ook professionele redacties en journalisten keuzes bij hun benadering van het nieuws, doen ze aan framing, zoals het in de communicatiewetenschap heet. Maar essentiëler dan dat blijft hun zin voor relevant nieuws. Voor klassieke nieuwsmedia was en is het eerste adagium te publiceren what's fit to print, ook al sluit dat niet noodzakelijk aan bij heersende opvattingen of politieke voorkeuren.

Voor zover subjectiviteit toch wordt toegelaten, wordt dat in overeenstemming met de deontologische codes ook duidelijk gemeld. Die transparantie vind je nergens elders in de informatiesector. In het traditionele medialandschap liggen de kaarten duidelijk op tafel: van klassieke nieuwsmedia is doorgaans goed geweten waar ze voor staan. Dat is in de nieuwsomgeving van Facebook en Google veel minder het geval.

Een ander punt van discussie betreft de correctheid van het nieuws, zo fundamenteel voor journalistiek en media, maar waarop we in dit tijdperk voortdurend worden aangesproken en gepakt. De fake news media van Trump.

Dat niet alle nieuws perfect hieraan voldoet, is een open deur intrappen. Journalisten maken al eens een fout, eindredacties overdrijven al eens met een te forse titel. Maar zoiets wegzetten als 'vals nieuws' is een brug te ver. Wel gaat het om spijtige uitglijders, die bovendien gewoonlijk ook worden rechtgezet. Ook dat laatste maakt nu eenmaal deel uit van de wettelijke en deontologische maatstaven die gelden voor journalistiek.

De kern is: de waarheid waar wij voor staan, is niet een of andere absolute waarheid, wel een zo waarheidsgetrouw mogelijke weergave van de werkelijkheid. Zeker wanneer vagere termen worden gebruikt - 'aanslag', 'democratie', 'rechtvaardig' - is eenduidigheid niet evident. Dat is evenmin het geval wanneer journalisten en commentatoren zich aan de waarom-vraag wagen, en op zoek gaan naar de oorzaak of finaliteit van de feiten die ze beschrijven. Daarom vullen journalistengemeenschappen wereldwijd het waarheidsbegrip niet objectivistisch in, maar methodologisch. Hoe we dat doen, is een kwestie van techniek en wordt vastgelegd in beroepscodes en redactiestatuten. In de Code van de Vlaamse Raad voor de Journalistiek gaat hoofdstuk 1 al meteen over 'waarheidsgetrouw berichten'. De journalist checkt de waarachtigheid van zijn informatie, staat daar bijvoorbeeld in. In de mate van het mogelijke maakt hij de bron van zijn informatie ook bekend. En wordt een fout gemaakt, dan wordt die 'loyaal' rechtgezet. Tot slot: feiten moeten goed worden onderscheiden van veronderstellingen, beweringen en opinies.

Met dat concept van methodologische objectiviteit zijn journalisten trouwens in goed gezelschap. Ook wetenschappers en magistraten werken op die manier. En nog dit: in de praktijk valt het met het correctheidsgehalte van de journalistiek in onze contreien echt wel mee - alle kritiek ten spijt. Het Vlaamse medialandschap blijft door de band genomen iets om trots op te zijn.

RESPECT VOOR ELKAARS FINALITEIT

Alles bijeen genomen is er geen reden tot wanhoop of paniek. Integendeel, de razendsnelle ontwikkelingen van de voorbije decennia zijn zowel politiek als media ten goede gekomen, en langs die weg hebben ze ook de democratie versterkt. Ondanks de incidenten en risico's is het nettoresultaat voor de samenleving positief.

Toch is het opletten geblazen. Respect voor elkaars finaliteit en werkmethodes blijft nodig. Zowel politici als journalisten moeten zich hoeden voor wederzijdse antistemmingen. Nee aan de antipolitiek, maar ook nee aan de anti-journalistiek.

Mogelijk is er vandaag een groter gevaar van anti-journalistiek dan van antipolitiek. Flauw is als een partijvoorzitter een krant gaat boycotten door geen interviews meer te geven. Of een journalist wordt persoonlijk aangepakt - wat al snel op intimidatie uitloopt. Politici onthouden zich ook best van de gerechtelijke dagvaarding van een journalist, daar waar er zoveel andere mogelijkheden zijn om zich te weren: met een goed gesprek, via een klacht bij de Raad voor de Journalistiek, enzovoort.

Echt not done is het met platte veralgemeningen creëren van een anti-journalistiek klimaat. Sommige politici zouden weer wat meer 'staatsman' moeten worden. Fundamenteel daarbij is de vraag of ze kunnen afzien van het ruwe machtsstreven en daarmee gepaard gaande kortetermijndenken dat hen vandaag zo sterk typeert. Akkoord, politieke polarisering is van alle tijden, en kan ook louterend en productief zijn. Maar politiek moet ook redelijk zijn, streven naar common ground, een samenleving verzoenen. De nood daaraan is extra groot met gigantische maatschappelijke uitdagingen als armoede, de toenemende ongelijkheid, de klimaatverandering, de veroudering van de bevolking, migratie en een homo sapiens die in de wijze woorden van historicus Yuval Noah Harari almaar meer een Homo Deus wordt.

Die te verwachten nieuwe politieke redelijkheid houdt ook een terugkeer naar gezonde omgangsvormen met de media in. Politici moeten terughoudender zijn met uitvallen naar media en journalisten. Hoe strategisch verleidelijk ook, gratuite aanvallen op 'de pers' getuigen niet van politieke klasse en niveau. Het klinkt misschien nostalgisch, maar de oervaders van de democratie in de 18de en 19 de eeuw geloofden nog oprecht in een onafhankelijke en kritische pers als fundamentele bouwsteen voor de samenleving. Onafhankelijke en professionele media zouden de publieke opinie op een betrouwbare en evenwichtige wijze informeren over het beleid van de staatsmachten. Dat laat de bevolking toe om zich onder meer bij verkiezingen op een geïnformeerde en verantwoorde manier uit te spreken daarover. Er is geen enkele reden om deze visie op staat en samenleving vandaag te verlaten. En toch valt ze bij maar weinig moderne politici nog te bespeuren.

Goedmenende politici zouden daarnaast ook positief kunnen wijzen op het grote belang van professioneel gemaakt nieuws. De steun van de Vlaamse overheid aan campagnes voor mediawijsheid of 'nieuws in de klas' gaat in die richting. En ook andere overheidssteun moet (blijven) kunnen. Onafhankelijke nieuwsmedia en professionele journalisten blijven nu eenmaal onmisbaar cement voor elke samenleving die zichzelf democratie wil noemen. En om het nog maar eens met Voltaire te doen: men hoeft het niet eens te zijn met wàt iemand zegt, om ten volle diens recht te verdedigen om het te zeggen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 1 (januari), pagina 63 tot 69