Log in

Meer voorschoolse voorzieningen, minder ongelijkheid?

TOO SMALL TO FAIL

Er schijnt een groeiende consensus over te bestaan dat armoedebestrijding in de eerste plaats een verhaal van gelijke kansen is en dat door het bestrijden van de kinderarmoede we de generatiearmoede kunnen indijken.

De redenering is eenvoudig. Kinderen die opgroeien in een kansarm gezin, leven in een minder stimulerende omgeving. Een sprekend voorbeeld is de overvloedig geciteerde studie dat driejarige kinderen uit een arm gezin 30 miljoen woorden minder gehoord zouden hebben dan hun leeftijdsgenootjes uit een welstellend gezin en dus al een achterstand hebben voor ze naar school gaan. En die achterstand neemt vervolgens toe, ook al omdat ze vaker afwezig zijn in de kleuterklas. Maar ook omdat ze minder voorgelezen worden, het huiswerk minder opgevolgd wordt en dergelijke. In de Engelstalige literatuur hierover is het concept 'Home Learning Environment' prominent aanwezig. Uiteindelijk zullen de kinderen uit deze kansengroepen vaker ongekwalificeerd de school verlaten, waardoor ze amper een plek vinden op de arbeidsmarkt en op hun beurt kansarme ouders worden die hun kinderen niet alle kansen zullen kunnen bieden. En zo gaat armoede van de ene generatie op de andere over. Inzetten op die jonge kinderen en hen met gelijke kansen aan de start laten komen, is daarom een efficiënte vorm van armoedebestrijding. De Universiteit van Chicago heeft al een 'Thirty Million Words Centre for Early Learning' opgericht. Helaas, zoals zo vaak, is de werkelijkheid een stuk weerbarstiger dan dergelijke eenvoudige redeneringen.

Laten we beginnen bij het begin: het steeds weer geciteerde onderzoek uit 1995 over de gebrekkige taalstimulering in arme gezinnen en het dertig-miljoen-woorden-verschil (Hart and Risley 1995). Hoewel deze studie (en anderen) sindsdien meermaals neergesabeld is vanwege de methodologische fouten en de vooroordelen die er in opgestapeld zijn (bijvoorbeeld de gecontesteerde magische vermenigvuldiging op basis van een zeer beperkt aantal observaties), blijven dergelijke gesimplificeerde rapporten gretig geciteerd. En dan gaat het vaak om rapporten die ofwel geschreven zijn door denktanken die bewust een selectie maken uit wetenschappelijk onderzoek om hun zaak te dienen, zo blijkt uit een analyse van Yettinck (2009). Soms zijn het ook wetenschappers zelf die bewust alle nuances (inclusief studies die de hunne tegenspreken) wegknippen uit de boodschap waarmee ze beleidsmakers willen beïnvloeden. In een artikel in het invloedrijke wetenschappelijke tijdschrift Science pleit Gormley (2011) er zelfs voor om dat bewust te doen als het gaat om het creëren van gelijke kansen voor kinderen.

De werkelijkheid is natuurlijk oneindig veel complexer dan dergelijke eenvoudige lineaire verbanden. Nemen we bijvoorbeeld het verband tussen aanwezigheid in de kleuterklas in Vlaanderen en later schoolsucces. Uit de omvangrijke studie van het Departement Onderwijs en Vorming (2016) blijkt dat – bij gelijke gezinskenmerken – de aanwezigheid in de kleuterschool 8,6% van de variatie in schoolsucces in de lagere school verklaart (en dus ligt 91,4% ervan aan andere factoren). Omgekeerd: bij gelijke kleuterparticipatie verklaren de sociale kenmerken van het gezin 12,9% van de variatie in schoolsucces. 8,6% is natuurlijk niet niets, maar om nu te denken dat de kleuterschool een panacee is om elk kind gelijke kansen te geven, is natuurlijk meer dan één brug te ver. En als we even uitzoomen, wordt het nog vreemder. Dan moeten we immers vaststellen dat er geen land in Europa is waar meer kleuters vaker naar school gaan dan België, terwijl de ongelijkheid in schoolresultaten in het secundair onderwijs er zowat het grootste is van heel Europa. Omgekeerd is die ongelijkheid in Finland zowat het kleinst, terwijl daar beduidend minder kinderen in de kleuterklas zitten (OESO, 2016).

Het geloof in voorschoolse voorzieningen die de kloof tussen rijk en arm kunnen dempen, komt in grote mate van drie longitudinale studies uit de Verenigde Staten: het High Scope Perry Preschool project (Ypsilanti, 1962), het Abecedarian project (North Carolina, 1972) en het Chicago Preschool Project (Chicago, 1985). In elk van die projecten worden arme kinderen die naar een goede kleuterschool gingen, vergeleken met even arme kinderen die dat niet deden. De cijfers tonen keer op keer dat wie naar die goede voorzieningen ging, het later beter doet dan wie dat niet deed en dat er dus een goede return on investment gerealiseerd wordt (Barnett and Masse 2007, Barnett 2011). Maar deze studies vergelijken arme kinderen met arme kinderen. Ze kunnen dan wel vaststellen dat die arme kinderen daar beter van worden, maar niet dat de kloof verkleint met rijkere kinderen (Morabito, Vandenbroeck et al. 2013). En toch zeggen ook gereputeerde internationale organisaties dat voorschoolse voorzieningen de oplossing voor de ongelijkheid in zich dragen. Op het eerste wereldcongres over voorschoolse voorzieningen van de UNESCO in 2010, zei de voorzitter: [Early childhood programmes] increase education attainment and productivity, resulting in higher earnings and social mobility. No matter what internationally agreed goal you take, it is the poorest and marginalized groups that are deprived of education, health care and other basic human entitlements required to live in dignity. Early childhood care and education is a starting point for levelling the playing field. It is the greatest of equalizers . (Bokova 2010, vet toegevoegd).

Generatiearmoede is een hardnekkig, meervoudige, multidimensionaal en bijzonder ingewikkeld probleem. Maar tegelijk moeten we beseffen dat driekwart van de armoede bestaat uit mensen die in en uit de armoede stromen (Coene, Dierckx et al. 2015). Generatiearmoede verhinderen, zou dus nog maar een kwart van het probleem oplossen (als ons dat al zou lukken). En toch wordt het bestrijden van kinderarmoede, eerder dan van armoede of ongelijkheid de prioriteit voor het beleid. Kortom: de empirische bewijzen over opvoeding als bron van armoede zijn hoogst dubieus, wankel en vaak vooringenomen. Waarom zijn ze dan zo succesvol? Waarom zijn we met z'n allen gaan geloven dat gelijke kansen zo veel belangrijker zijn dan de klassieke herverdeling en bescherming?

WAT IS FAIR?

De populariteit van het concept 'gelijke kansen' heeft veel te danken aan het werk van hedendaagse egalitaire filosofen zoals Rawls (2001), Sen (2009), Dworkin (1981) of Roemer (1998). Hoewel ze onderling van mening verschillen over wat rechtvaardig of fair is, zijn ze het allen explicieter (Dworkin en Roemer) of implicieter (Rawls en Sen) eens dat er een individuele verantwoordelijkheid bestaat over hoe goed je het hebt in het leven, naast factoren die buiten de eigen verantwoordelijkheid liggen. Ze maken met andere woorden een duidelijk onderscheid tussen wat unfaire ongelijke uitkomsten zijn (die te wijten zijn aan factoren buiten onze wil) en faire ongelijke uitkomsten (die het gevolg zijn van ongelijke inspanningen en dus van de eigen vrije keuze).

Dit verantwoordt dat men inzet op gelijke kansen. Want als iedereen gelijk aan de start komt, dan hangt het resultaat van de race (en de eventuele ongelijkheid aan de aankomst) uitsluitend af van de inspanningen die men levert. En dus is die ongelijkheid fair. De genoemde filosofen hebben daarom verder gewerkt op de vraag van het equalisandum: wat is het dat gelijk moet worden gemaakt om fair te zijn? Hoewel ze ook daarover onderling van mening verschillen, is er wel een consensus dat toegang tot onderwijs daar zeker bij hoort (naast andere zaken zoals medische zorg). Die redenering is opgepikt (in een vereenvoudigde vorm) door de Wereldbank: We do not dwell on the fine distinctions between Sen's capabilities and Roemer's opportunities. As in both frameworks, we acknowledge the central role of individual responsibility and effort in determining outcomes. We focus on eliminating disadvantage from circumstances that lie largely beyond the control of the individual but that powerfully shape both the outcomes and the actions in pursuit of those outcomes. (World Bank, 2006: 78)

Cruciaal is dan de herformulering in politieke termen, door gezaghebbende instanties als de Wereldbank: The inequality caused by unequal opportunities is viewed by most people as fundamentally unfair. Thus, shifting the debate from inequality of income or earnings to inequality of opportunity, and to the policies needed to tackle that inequality, might facilitate a political and policy consensus. When the focus of the debate is on inequality of income or any other outcome, the views about how much to redistribute – if any at all – and through which mechanisms would vary from left to right across the political spectrum. However, when the focus shifts to the equalization of opportunity, political consensus about the need to reduce inequity is easier to achieve, and the direction this principle gives to policy is clearer. (Paes de Barros, Ferreira et al. 2009).

Cynisch genoeg heeft de Wereldbank uiteraard gelijk. Inzetten op herverdeling zal steeds tot een dispuut leiden tussen de verschillende politieke strekkingen. Voor de ene zal het te weinig zijn (met het argument dat grote ongelijkheid onaanvaardbaar is) en voor de andere zal het altijd te veel zijn (met het argument dat het onvoldoende waarderen van persoonlijke inspanningen nefast is voor de economie). Het gaat dan om een dispuut over wat wel en niet 'deserving poor' zijn. Welke armen verdienen het om geholpen te worden en welke zijn zelf verantwoordelijk voor hun conditie. En dat dispuut is zo oud als de armoedebestrijding zelf. Reeds in 1826 schreef Joseph-Marie De Gérando een boek vol tips over hoe je als burgervrouw kon uitmaken wanneer je aalmoes goed besteed was en aan wie je best niet zou geven (De Gérando 1826-1989). En in de inleiding van dat boek schreef hij: De toutes les causes de l'indigence, c'est l'éducation la plus importante.

De gelijkenis is opvallend met het rapport over armoedebestrijding dat Frank Field (2010) schreef voor de Britse overheid: It is family background, parental education, good parenting and the opportunities for learning and development in those crucial years that together matter more to children than money, in determining whether their potential is realised in adult life.

Kortom, het is politiek interessanter geworden om in te zetten op kinderen. Zij zullen immers steeds als 'deserving poor' worden gezien, want niemand zal hen verwijten in een arm gezin geboren te zijn. Die beleidskeuze wordt ondersteund door het gebruik van argumenten uit de neurowetenschappen, die zouden aantonen dat armoede een nefaste impact heeft op de hersenen van jonge kinderen, onder meer via de metafoor van 'toxic stress'. Hoewel het onderzoek naar de relatie tussen armoede en hersenontwikkeling vordert (Neville, Stevens et al. 2013), kan de manier waarop dit onderzoek gebruikt wordt in beleidsdiscussies zelden of nooit de wetenschappelijke toets doorstaan (Vandenbroeck and Olsson 2017). En toch verschijnen voorschoolse voorzieningen en opvoedingsondersteuning als hefbomen in de armoedebestrijding (en verdwijnt meteen het politieke debat over die armoedebestrijding). Dat is niet zonder problemen. Om te beginnen is het onderscheid tussen gelijke uitkomsten en gelijke kansen voor een groot deel arbitrair. De uitkomsten van de ene generatie (de ouders) zijn immers de kansen van de volgende. Bovendien gaat de beeldvorming van het onschuldige kind als slachtoffer van de armoede al te vaak gepaard met een beeld van de ouder als schuldige (Vanobbergen 2017), waarbij men er wat te makkelijk vanuit gaat dat 'poor parents = poor parenting'(Georges 2010). In werkelijkheid zijn de noden van kinderen in armoede niet te onderscheiden van die van hun ouders. Er zijn immers geen arme kinderen, maar kinderen die in arme gezinnen opgroeien (Lister 2004).

GEMISTE KANSEN

Al die aandacht voor kinderarmoede heeft er evenwel helemaal niet voor gezorgd dat die gedaald is. Integendeel. De aandeel kinderen dat in kansarmoede geboren wordt, neemt volgens de cijfers van Kind en Gezin elk jaar toe. In 2016 werden zo'n 13% van de kinderen geboren in een kansarm gezin, een verdubbeling tegenover 2001. In die context, en gezien de verschuiving van armoedebeleid naar kinderarmoedebeleid, vallen een aantal evoluties in Vlaanderen moeilijk te begrijpen.

De kritieken die we hierboven formuleerden op de verschuiving van gelijke uitkomsten naar gelijke kansen nemen immers niet weg dat kinderopvang en kleuterschool daadwerkelijk een verschil kunnen maken en dat dit zeker ook het geval is voor kinderen uit kansarme gezinnen. Kinderopvang en kleuterschool zijn immers beide voorzieningen die zowel direct op de ontwikkelingskansen van kinderen als op de tewerkstellingskansen van ouders inwerken. Een overzicht van Europese studies, in opdracht van de Europese Commissie, toonde dat duidelijk aan (Vandenbroeck, Lenaerts et al. 2017). Daarom valt het moeilijk te begrijpen dat recente maatregelen in de kinderopvang, zoals de verhoging van de laagste ouderbijdragen en 'bestellen is betalen', aantoonbaar als effect hebben dat de meest precaire gezinnen minder gebruik van kinderopvang maken (Huylebroek and Vastmans 2016). Onderzoek toont dat ongelijk gebruik van kinderopvang niet zozeer het gevolg is van ouderlijke keuzen of 'cultuur', maar wel van structurele condities van die kinderopvang (Pavolini and Van Lancker 2018). Het aantal ouders dat gebruik maakt van het verlaagde tarief via het OCMW is schandelijk laag, wat toont dat de maatregel niet werkt.

We weten ook dat de positieve effecten van kinderopvang en kleuterschool enkel verwacht mogen worden als die voorzieningen van goede kwaliteit zijn. En dat is eerst en vooral een zaak van de kwaliteit van de interacties tussen de volwassene en het kind, en met name van de mate waarin die volwassene er in slaagt een emotioneel veilig klimaat te waarborgen en de kinderen uit te dagen in hun ontwikkeling (Leseman and Slot 2014, Slot, Lerkkanen et al. 2016). Die kwaliteit is dan weer verbonden met het aantal kinderen per volwassene en de kwalificaties van die volwassene. De norm die we in de Vlaamse kinderopvang hanteren (acht kinderen per volwassene) ligt een heel eind boven wat internationaal aanvaardbaar geacht wordt (één op vier à één op zes) en ook op het vlak van de kwalificaties van het personeel hangt Vlaanderen helemaal aan het staartje van het Europese peloton (voor een zeer goed overzicht, zie www.seepro.eu)).

Kortom: de verschuiving van gelijke uitkomsten naar gelijke kansen (en dus van armoedebeleid naar kinderarmoedebeleid) is problematisch. Maar àls men dan toch die keuze maakt, valt het moeilijk te begrijpen dat de opvang en opvoeding van de jongste kinderen zo stiefmoederlijk behandeld wordt.

Bronnen

Akgunduz, Y. E., et al. (2013). 'Cutting from the future? Impact of a subsidy reduction on child care quality in the Netherlands'. Utrecht, Tjaling C. Koopmans Research Institute.

Barnett, W. S. (2011). 'Effectiveness of Early Educational Intervention.' Science 333(975-978): pp. 975-978.

Barnett, W. S. and L. N. Masse (2007). 'Comparative benefit-cost analysis of the Abecedarian program and its policy implications.' Economics of Education Review 26: pp. 113-125.

Bokova, I. (2010). 'Opening session of the UNESCO World Conference on ECCE. The ECCE Global Challenge: Setting the Stage'. UNESCO. Moscow.

Coene, J., et al. (2015). 'Inleiding. De welvaartsstaat op kindermaat'. Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2015. D. Dierckx, J. Coene, P. Raeymaekers and M. Vanderburg. Leuven, Acco : pp. 19-28.

De Gérando, J. M. (1826-1989). 'Le visiteur du pauvre'. Paris, Editions Jean-Michel Place.

Departement Onderwijs en Vorming (2016). 'Kleuterparticipatie: inschrijvingen & aanwezigheden. Kwantitatief'. Brussel, Vlaamse Overheid.

Dworkin, R. (1981). 'What is equality? Part 1: Equality of welfare.' Philosophy and Public Affairs 10(3): pp. 185-246.

Georges, S. (2010). 'Wasted childhoods? Beyond the pathologization of poor children and their families'. The doors of perception: viewing anthropology through the eyes of children, Amsterdam.

Gormley, W. T. (2011). 'From science to policy in early childhood education.' Science 333: pp. 978-981.

Hart, B. and T. Risley (1995). 'Meaningful Differences in the Everyday Experience of Young American Children', Baltimore: Brookes Publishing.

Huylebroek, K. and S. Vastmans (2016). 'Onderzoek Opvang bestellen = opvang betalen'. Gent, Arteveldehogeschool Gent.

Leseman, P. and P. Slot (2014). 'Breaking the cycle of poverty: challenges for European early childhood education and care.' European Early Childhood Education Research Journal 22(3).

Lister, R. (2004). 'Poverty'. Cambridge, Polity Press.

Morabito, C., et al. (2013). 'The greatest of equalisers: A critical review of international organisations' views on early childhood care and education.' Journal of Social Policy. 42(3): pp. 451-467.

Neville, H., et al. (2013). 'Commentary: Neurocognitive consequences of socioeconomic disparities.' Developmental Science 16(5): pp. 708-712.

Organisation for Economic Co-operation and Development (2016). 'Pisa Results 2015. Volume 1'. Paris, OECD.

Paes de Barros, R., et al. (2009). 'Measuring Inequality of Opportunities in Latin America and the Caribbean'. Washington DC, World Bank.

Pavolini, E. and W. Van Lancker (2018). 'The Matthew effect in childcare use: a matter of policies or preferences?' Journal of European Public Policy 25(6): pp. 878-893.

Rawls, J. (2001). 'Justice as fairness: A restatement'. Cambridge, Belknap Press.

Roemer, J. (1998). 'Equality of Opportunity'. Cambridge, Harvard University Press.

Sen, A. (2009). 'The idea of justice'. New York, Allan Lane.

Slot, P., et al. (2016). 'The relations between structural quality and process quality in European early childhood education and care provisions: Secondary analyses of large scale studies in five countries'. Utrecht, Utrecht University - CARE project.

Vandenbroeck, M., et al. (2017). 'Benefits of early childhood education and care and the conditions under which they can be obtained'. Brussels, European Commission.

Vandenbroeck, M. and L. M. Olsson (2017). Discussion. 'Constructions of neuroscience in early childhood education'. M. Vandenbroeck. London, Routledge : pp. 82-93.

Vanobbergen, B. (2017). 'Spelen in zwarte sneeuw'. Tielt, Lannoo.

Yettick, H. (2009). 'The research that reaches the public: Who produces the educational research mentioned in the News Media? and Tempe'. Boulder, Education and the Public Interest Center & Education Policy Research Unit. University of Colorado.

World Bank (2006). 'World Development Report: Equity and Development'. Washington DC: The World Bank.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 4 (april), pagina 80 tot 86