Log in

Waarom ongelijkheid voor élke partij een strijdpunt moet zijn

Veel mensen beschouwen de strijd tegen ongelijkheid als een 'links' thema, maar dat is het niet. In dit stuk geef ik zes redenen waarom de bestrijding van sociaaleconomische ongelijkheid voor alle politieke partijen een programmapunt en electoraal thema zou moeten zijn.

Sinds de financieel-economische crisis tien jaar geleden uitbrak, is het thema sociaaleconomische ongelijkheid weer prominenter aanwezig in het maatschappelijk debat. Ook individuen die eerder het probleem niet zagen, zijn nu tot inkeer gekomen.

Zo schrijft de liberale econoom en ex-senator Paul De Grauwe verderop in dit nummer van Samenleving & Politiek over zijn positie in de jaren 1980: 'Ik moet toegeven dat ook ik tot de economen behoorde die de studie van ongelijkheid niet echt belangrijk vonden.' In zijn opinie slaat hij mea culpa, en komt hij uiteindelijk tot zijn visie vandaag: 'Aangezien de ongelijkheid zo sterk is toegenomen en de trickle down-theorie vals blijkt te zijn, ben ook ik er vandaag van overtuigd dat de belastingen op inkomens en vermogens weer progressiever moeten worden gemaakt. Hoelang zal de politieke elite die vraag blijven ontwijken?' In een column in De Morgen in het begin van dit jaar was De Grauwe nog explicieter: 'Velen dromen van een meer egalitaire samenleving, en dat doe ik ook.'

Een andere spijtoptant vinden we in de persoon van Peter Mandelson, adept van de Derde Weg, en voormalig Europees Commissaris en Brits minister onder Tony Blair. Die verklaarde in 1998 nog dat grote ongelijkheid niet zo erg is met de volgende zin: 'We are intensely relaxed about people getting filthy rich as long as they pay their taxes.' Veertien jaar later, in 2012, verklaarde Mandelson dat hij 'veel bezorgder' was, en dat hij niet dacht dat hij nu nog hetzelfde zou zeggen.

Toch blijven er nog enkele apologeten van de ongelijkheid over. Zo zei Gwendolyn Rutten in een interview met Humo in 2016 dat er op zich niks mis is met ongelijkheid. (Ook al zei ze een jaar eerder in een interview voor het boek Een jaar in de wereld van de ongelijkheid van Geert Schuermans nog: 'Ik erken wel degelijk dat een te hoge mate van ongelijkheid onwenselijk kan zijn, zeker als je het mondiaal bekijkt.')

En dan is er nog de onafhankelijke denktanker en professor arbeidsrecht Marc De Vos (UGent), die naar aanleiding van zijn boek Ongelijk maar fair in een interview met De Standaard in 2015 stelde dat 'onze ongelijkheidsobsessie' uit de hand loopt. En verder: 'We mogen toenemende ongelijkheid niet meteen wegzetten als een gevaar.'

Ondanks dat er dus nog enkelen vol goesting volharden, lijkt het aantal expliciete voorstanders van grote sociaaleconomische ongelijkheden te slinken. Zelfs minister van Financiën Johan Van Overtveldt, die zijn doctoraat schreef over de neoliberale Chicago School en in zijn boek Red de vrije markt (2012) de terugkeer van de neoliberale econoom Milton Friedman bepleitte, stelt in het eerder genoemde boek van Geert Schuermans: 'Het is duidelijk dat een te hoge ongelijkheid een samenleving op losse schroeven zet.'

WAAROM ALLE PARTIJEN TEGEN ONGELIJKHEID MOETEN STRIJDEN

Toch lijken veel mensen de bestrijding van ongelijkheid nog als een 'links' thema te beschouwen. Bovendien, zoals Maarten Hermans eerder in dit blad (april 2017) beschreef, lijkt ongelijkheid in België niet echt een electoraal thema te zijn. Zo blijft sociaaleconomische ongelijkheid dus een item waar bijna iedereen in theorie wel tegen is, maar dat in de praktijk onvoldoende op de politieke agenda geraakt.

Nochtans zijn er naast morele redenen – het motief van sociale rechtvaardigheid – nog vele andere redenen om voor een meer egalitaire samenleving te ijveren. Elke politieke familie – van socialisten over groenen en christendemocraten tot liberalen en nationalisten – zou dan ook van de strijd tegen de ongelijkheid een programmapunt moeten maken.

Hieronder geef ik zes redenen waarom de bestrijding van sociaaleconomische ongelijkheid voor alle politieke partijen een programmapunt en electoraal thema zou moeten zijn.

Reden 1. Economische dynamiek

In de eerder genoemde opinie geeft Paul De Grauwe toe dat hij zich ook vergist had over de economische effecten van ongelijkheid: 'De spectaculaire toename van het inkomen van de top 1 procent van de bevolking heeft geen waarneembaar positieve invloed uitgeoefend op de economische groei.'

Daarmee sluit hij zich aan bij de onderzoekers bij verschillende (internationale) organisaties – van het IMF1 tot de OESO2 – die besluiten dat meer gelijkheid de economische dynamiek versterkt in plaats van verzwakt.

Er is de laatste jaren dan ook heel wat onderzoek gepubliceerd dat de link tussen grotere ongelijkheid en slechtere economische resultaten aantoont. Die link wordt veroorzaakt door diverse kanalen. Door grotere ongelijkheid is er minder consumptie (en/of hogere schulden) bij de lagere inkomens en dus minder vraag naar producten. Grotere ongelijkheid leidt tot grotere ongelijkheid in onderwijskansen en dus onbenutte talenten, en daardoor ook tot minder innovatie. Loonongelijkheid zorgt ervoor dat werknemers minder gemotiveerd en daardoor minder productief zijn. Vermogensongelijkheid kan financiële instabiliteit veroorzaken doordat te veel kapitaal op zoek is naar hoge rendementen op de financiële markten.

Samengevat, zoals econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz stelt: 'Gelijkheid en economische prestaties zijn complementair, geen tegengestelden'.3

Reden 2. Maatschappelijke cohesie

Grotere ongelijkheid vermindert de maatschappelijke samenhang, en leidt ertoe dat de rijken zich steeds meer gaan afzonderen en steeds minder om de rest van de samenleving geven.

Zo beschrijft Richard Reeves in zijn boek Dream Hoarders (2017) hoe groeiende ongelijkheid de fysieke en geografische segregatie vergroot, zo het contact tussen klassen doet verdwijnen en daarmee ook de interactie en empathie vermindert. Die verminderde empathie leidt dan weer tot een grotere rechtvaardiging van ongelijkheid in de ogen van de meest vermogenden, waardoor ze een beleid dat de ongelijkheid vergroot steunen en er een vicieuze cirkel ontstaat.

Journalist en presentator Jacques Peretti, die voor een BBC-reeks zes maanden met de rijken der aarde rondtoerde, beweert dat hun rijkdom hen 'ontmenselijkt', en dat de segregatie het voor hen gemakkelijker maakt om de ongelijkheid te aanvaarden waarvan ze deel uitmaken en mee verantwoordelijk voor zijn. Wetenschappelijk onderzoek zou in elk geval bevestigen dat grote rijkdom leidt tot minder empathie.4 Een IMF-studie vond ook dat grotere ongelijkheid leidt tot minder vertrouwen in anderen en dus de sociale kloof vergroot.5

Iedereen die geeft om het gemeenschapsgevoel en de samenhang in de maatschappij – het is aannemelijk daartoe ook christendemocraten en nationalisten te rekenen – zou dus moeten strijden voor het beperken van ongelijkheden.

Reden 3. Sociale mobiliteit

Wanneer het over ongelijkheid gaat, stellen liberalen vaak dat sociale mobiliteit belangrijker is. Ongelijkheid is niet slecht, zolang het mogelijk is de ladder op te klimmen en sociale positie niet erfelijk is.

Op zich kan je zeer sterke kanttekeningen plaatsen bij de redenering. Zo lijkt het niet erg te zijn als er een 'onderklasse' bestaat, zolang de onderklasse uit deze generatie maar niet de kinderen zijn van de onderklasse uit de vorige generatie. Om de analogie van de ladder die iedereen moet opklimmen te gebruiken: telkens als er tien man de bovenste trede bereiken, vallen er tien van de ladder waarbij ze zich zeer pijnlijk bezeren.

Maar zelfs wie sociale mobiliteit belangrijk vindt, zou toch moeten ijveren voor meer gelijkheid. Uit veel recent onderzoek blijkt immers dat een grotere ongelijkheid zorgt voor minder sociale mobiliteit.6 Ongelijkheid is dan ook erfelijk. In verschillende landen behoren dezelfde families al eeuwen tot de hogere klassen.7

Dat uit zich bovendien in ongelijke onderwijskansen. Uit één onderzoek blijkt dat het vermogen van grootouders (in het relatief egalitaire Zweden) een belangrijke voorspeller is van de onderwijsprestaties van de kleinkinderen.8 In de Verenigde Staten is de kans van kinderen van wie de ouders tot de rijkste 1% behoren 77 keer zo groot om aan één van de beste universiteiten te studeren als de kans van een kind van wie de ouders tot de armste 20% behoren.9 En nog een studie vond dat kinderen uit een arme familie die bij het beste kwart scoorden op wiskundetests in het tweede middelbaar minder vaak afstudeerden in het middelbaar onderwijs dan kinderen die bij het slechtste kwart scoorden maar van wie de ouders tot de hoogste 33% inkomens behoorden.10

Grotere ongelijkheid leidt dus tot lagere sociale mobiliteit, en minder kansen voor de lagere klassen. Of zoals professoren Kate Pickett en Richard Wilkinson, auteurs van The Spirit Level (2009), schrijven: je bereikt de American Dream een stuk gemakkelijker als je in het veel meer egalitaire Denemarken leeft dan in de ongelijke Verenigde Staten.

Reden 4. Politieke democratie

Alle politieke families zijn in principe voorstander van een sterke democratie en van het principe 'één persoon, één stem'. Helaas blijkt economische ongelijkheid meer te leiden tot het principe 'één euro, één stem'. Onderzoek toont aan dat de mening van de vermogenden in de politieke besluitvorming veel sterker doorweegt dan de mening van de hele bevolking.11 Daardoor versterkt ongelijkheid zichzelf en ontstaat er een vicieuze cirkel van meer rijkdom en meer macht voor de 1%. De voormalige rechter in het Amerikaanse Hooggerechtshof Louis Brandeis drukte het zo uit: 'We can either have democracy in this country or we can have great wealth concentrated in the hands of a few, but we can't have both.'

Ook in België lijkt dat een probleem te zijn. Zoals Maarten Hermans in Samenleving & Politiek (april 2017) aantoonde, bestaat er een groot draagvlak bij de publieke opinie voor het bestrijden van ongelijkheid12, terwijl het thema toch relatief weinig op de politieke en electorale agenda belandt. Paul De Grauwe schrijft daarom verderop in dit nummer over het uitblijven van een vermogensbelasting, waarvoor een grote meerderheid van de Belgen en Vlamingen gewonnen is: 'Ik kan alleen maar besluiten dat de politieke invloed van de grote vermogens in België groot is.'

Reden 5. De klimaatopwarming

Ongelijkheid en klimaatopwarming zijn nauw met elkaar verbonden. Het is bijvoorbeeld duidelijk dat de zwakkeren – in het Westen, maar vooral ook in de ontwikkelingslanden – veel harder getroffen zullen worden door de gevolgen van de klimaatverstoring.

Maar de rijken zijn ook disproportioneel verantwoordelijk voor de CO₂-uitstoot en dus voor de opwarming van de aarde, zo blijkt uit onderzoek.13 Landen of regio's met grotere ongelijkheid veroorzaken bovendien een grotere CO₂-uitstoot, wat erop duidt dat ongelijkheid slecht is voor de strijd tegen de klimaatopwarming.14

Historisch onderzoek toont bovendien aan dat meer egalitaire samenlevingen beter ecologische uitdagingen kunnen aangaan. Als we de klimaatproblematiek willen aanpakken, zoals alle politieke families beweren te willen doen, lijkt een bestrijding van de ongelijkheid dus één van de noodzakelijke voorwaarden.

Reden 6. Meer gelijkheid is populair

Als al de voorgaande redenen niet overtuigen, is er voor politici nog één argument dat hen misschien wel kan overhalen: meer gelijkheid is populair bij de publieke opinie. Zoals Maarten Hermans eerder schreef in Samenleving & Politiek, is een uitgesproken meerderheid van 75% van de Belgen het er (sterk) mee eens dat de inkomensverschillen in België te groot zijn. Ongeveer 71% van de Belgen – en een meerderheid bij de kiezersgroep van élke politieke partij, inclusief Open VLD en N-VA – is dan ook (sterk) akkoord dat de overheid de inkomensongelijkheid moet verminderen.

Bovendien zijn de kiezers van alle politieke partijen voorstander van een progressiever belastingstelsel.15 Uit verschillende peilingen blijkt dat 70% à 85% van de Belgen vinden dat er een vermogensbelasting moet komen in België.16 De Belgen vinden ook dat hogere inkomens en bedrijven meer belastingen moeten betalen, dat er een financiële transactietaks moet komen, en dat er strengere regels en straffen moeten worden ingevoerd rond fiscale fraude en belastingparadijzen.

Kortom, 'voer de strijd tegen de ongelijkheid, word een stemmenkanon': welke politicus kan daaraan weerstaan?

WAAROM DAN TOCH GEEN STRIJDPUNT?

Als er zo veel goede redenen zijn voor álle politieke partijen om tegen ongelijkheid te strijden, hoe komt het dan dat dat onvoldoende gebeurt? Zoals hierboven gesteld zijn we deels waarschijnlijk al op het punt gekomen dat de macht van de vermogenden zo groot is dat ze zo'n grote politieke invloed vergaard hebben om hun belangen veilig te stellen.

Deels zal het ook zijn omdat het geloof sterk aanwezig is in onze samenleving dat rijke individuen schitterende talenten hebben of vaak uitzonderlijke prestaties hebben geleverd, ondanks dat onderzoek wijst op de belangrijke rol van erfenissen, geluk17 en inkomens uit onproductieve activiteiten ('rents' in het Engels)18, en bijvoorbeeld ook aantoont dat 'topmanagers' vaak helemaal niet zo uitzonderlijk goed presteren.19

En deels zal het natuurlijk zijn omdat beleidskeuzes om ongelijkheid te bestrijden ingaan tegen andere ideologische voorkeuren van de verschillende politieke partijen. Zo blijkt uit veel onderzoek dat machtige vakbonden en algemeen bindende cao's een sterke rol spelen in het tegengaan van ongelijkheid. Ook sterke openbare diensten, een uitgebreide sociale zekerheid, progressieve belastingen, een uitgebreide publieke sector, de index en degelijke minimumlonen zijn fundamenteel om ongelijkheid tegen te gaan.20

Laat dat nu net allemaal factoren zijn die de huidige regering op de een of andere manier afbouwt, en die volledig ingaan tegen het discours en de politieke agenda van de rechtse politieke partijen…

Voetnoten

  1. Ostry, J.D., Berg, A. & Tsangarides, C.G. (2014). 'Redistribution, Inequality, and Growth'. IMF Staff Discussion Note, SDN/14/02. Washington D.C.: IMF.
  2. OECD (2015). 'In It Together: Why Less Inequality Benefits All'. Paris: OECD Publishing.
  3. Stiglitz, J. (2015). 'Rewriting the Rules of the American Economy: An Agenda for Growth and Shared Prosperity'. New York: W. W. Norton & Company.
  4. Zie Grewal, D. (2012). 'How Wealth Reduces Compassion'. https://www.scientificamerican.com/article/how-wealth-reduces-compassion/.
  5. Gould, E.D. & Hijzen, A. (2016). 'Growing Apart, Losing Trust? The Impact of Inequality on Social Capital'. IMF Working Paper, WP/16/176. Washington D.C.: IMF.
  6. Corak, M. (2013). 'Income Inequality, Equality of Opportunity, and Intergenerational Mobility'. Journal of Economic Perspectives, 27 (3), pp. 79-102.; Carr, M.D. & Wiemer, E.E. (2016). 'The Decline in Lifetime Earnings Mobility in the U.S.: Evidence from Survey-Linked Administrative Data'. Working Paper Series, May 2016. Washington D.C.: Washington Center for Equitable Growth; Fisher, J., et al. (2016). 'Inequality and Mobility Using Income, Consumption, and Wealth for the Same Individuals'. Working Paper Series, September 2016. Washington D.C.: Washington Center for Equitable Growth; Marrero, G.A., Rodríguez, J.G. & Van der Weide, R. (2017). 'Unequal Opportunities, Unequal Growth'. https://voxeu.org/article/unequal-opportunities-unequal-growth.
  7. Levine, P. (2017). 'When Social Advantage Persists for Millennia'. http://peterlevine.ws/?p=18493.
  8. Hällsten, M. & Pfeffer, F. T. (2017). 'Grand advantage: family wealth and grandchildren's educational achievement in Sweden'. American Sociological Review, 82 (2), pp. 328-360.
  9. Chetty, R. et al. (2017). 'Mobility Report Cards: The Role of Colleges in Intergenerational Mobility'. NBER Working Paper, No. 23618. Cambridge: NBER.
  10. Illing, S. (2017). 'Why the Myth of a Perfect Meritocracy is so Pernicious'. https://www.vox.com/conversations/2016/11/22/13652860/income-inequality-meritocracy-robert-frank-success-luck-ethics.
  11. Aachen, C. H. & Bartels, L. M. (2016). 'Democracy for realists: why elections do not produce responsive government'. Princeton: Princeton University Press; Flavin, P. & Franko, W.W. (2017). 'Government's unequal attentiveness to citizens' political priorities'. Policy Studies Journal, 45 (4), pp. 659-687; Scruggs, L. & Hayes, T.J. (2017). 'The Influence of Inequality on Welfare Generosity'. Politics & Society, 45 (1), pp. 35-66.
  12. Dierckx, S. (2016). Vijf Principes voor een Rechtvaardige Fiscaliteit. https://www.denktankminerva.be/studies/2016/12/8/vijf-principes-voor-een-rechtvaardige-fiscaliteit-1.
  13. Chancel, L. & Piketty, T. (2015). 'Carbon and Inequality: From Kyoto to Paris'. http://piketty.pse.ens.fr/files/ChancelPiketty2015.pdf; Di Muzio, T. (2015). 'The Plutonomy of the 1%: Dominant Ownership and Conspicuous Consumption in the New Gilded Age.' Millennium: Journal of International Studies, 43 (2), pp. 492-510; Ummel, K. (2014). 'Who Pollutes? A Household-level Database of America's Greenhouse Gas Footprint'. Working Paper 381. Washington D.C.: Center for Global Development.
  14. Jorgensen, A., Schor, J. & Huang, X. (2017). 'Income Inequality and Carbon Emissions in the United States: A State-Level Analysis, 1997-2012'. Ecological Economics, vol. 134, pp. 40-48; Knight, J., Schor, J. & Jorgensen, A. (2017). 'Wealth Inequality and Carbon Emissions in High-income Countries'. Social Currents, 4 (5), pp. 403-412.
  15. Meuleman, B., Abts, K. & Swyngedouw, M. (2015). 'Belastingen uit Balans? Opinies over Belastingen, Progressiviteit en Herverdeling'. https://soc.kuleuven.be/ceso/ispo/downloads/2015-3-belastingen-uit-balans.
  16. Dierckx, S. (2016). 'Vijf Principes voor een Rechtvaardige Fiscaliteit'. https://www.denktankminerva.be/studies/2016/12/8/vijf-principes-voor-een-rechtvaardige-fiscaliteit-1.
  17. Frank, R. (2016). 'Success and Luck: Good Fortune and the Myth of Meritocracy'. Princeton: Princeton University Press; Pluchino, A., Biondo, A.E. & Rapisarda, A. (2018). 'Talent vs Luck: The Role of Randomness in Success and Failure'. https://arxiv.org/pdf/1802.07068.pdf.
  18. Freund, C. & Oliver, S. (2016). 'The Origins of the Superrich: The Billionaire Characteristics Database. WP 16-1. Washington D.C.: Peterson Institute for International Economics; Sawyer, A. (2015). 'We Need to Challenge the Myth that the Rich Are Specially-talented Wealth Creators'. http://blogs.lse.ac.uk/politicsandpolicy/we-need-to-challenge-the-myth-that-the-rich-are-specially-talented-wealth-creators/.
  19. Cooper, M.J., Gulen, H. & Rau, P.R. (2016). 'Performance for pay? The relation between CEO incentive compensation and future stock price performance'. https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=1572085; Bruce, A. & Skovoroda, R. (2015). 'The Empirical Literature on Executive Pay: Context, the Pay-Performance Issue and Future Directions'. http://highpaycentre.org/files/academic_literature_review_FINAL.pdf.
  20. ILO (2016). 'Executive Summary – Trends in the World of Work: What Effects on Inequalities and Middle-Income Groups'. http://ilo.org/brussels/press/press-releases/WCMS_455739/lang--en/index.htm.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 4 (april), pagina 4 tot 9