Log in

De diefstal van de eeuw

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 10 (december), pagina 71 tot 73

De diefstal van de eeuw

Jan Walraven
Van Halewyck, Antwerpen, 2018

Over privacy wordt alleen gesproken als het echt niet anders kan. Privacy werkt door in alles wat we doen, maar is gedoemd onzichtbaar te blijven tot een incident – groter dan het vorige, want alles went – voldoende rendabel is om er media-aandacht aan te schenken. Die aandacht is uiterst selectief en ondertussen aardig voorspelbaar, en vooral heel veilig geframed. Dan wordt privacy het onderwerp van een simpel verhaal, waarin een 'stouterik' wordt opgevoerd. Die heeft iets 'stouts' gedaan en dient bekijfd te worden. Geïsoleerde feiten worden min of meer correct weergegeven en geduid door experten en andere opiniemakers in een stroom van niet noodzakelijk op expertise gebaseerde opinies en analyses. Die vormen vervolgens de aanleiding voor druk virtueel gesticuleren, bij voorkeur met behulp van hashtags. En dan dooft het weer uit. Dan hebben we het weer gehad en kijken we halsreikend uit naar de nieuwste emanatie van gebruiksvriendelijke technologische overbodigheid, met verve aangeprezen door de technologie-utopist van dienst.

Een en ander heeft uiteraard ook te maken met de logica die de markt van meningen dirigeert – slaat u er gerust Flat Earth News van onderzoeksjournalist Nick Davies nog een keer op na – maar toch vooral met het feit dat een veelheid aan belangen die gediend is met de verdere verhulling van de gelaagde betekenissen die het fenomeen privacy in zich draagt. Die verhulling heeft alles te maken met het feit dat privacy een sociale constructie is. Privacy 'kan daarom pas worden begrepen nadat duidelijk is welke actoren over voldoende sociale middelen beschikken om de maatschappelijke fenomenen die onder de noemer begrepen kunnen worden, te selecteren en die selectie te legitimeren en dwingend op te leggen aan andere actoren. Uitspraken over privacy moeten dus niet alleen de praktijken definiëren die onder de noemer begrepen worden, maar ook de betrokken actoren identificeren en hun belangen aanduiden. Dit is geen eenvoudige opdracht, wat meteen ook verklaart waarom de debatten over privacy zo moeizaam verlopen' (citaat uit mijn stuk over privacy in de digitale economie, verschenen in de bundel Vorm geven aan digitale tijden van Denktank Minerva).

Om die broodnodige debatten over privacy op een maatschappelijk zinvolle wijze te kunnen voeren, hebben we niet alleen dringend nood aan nog meer inzichten van theoretici, maar zijn we evenzeer gebaat bij het speurwerk van mensen die feiten opsporen en ze op een toegankelijke manier rangschikken. Dit is precies waarin Jan Walraven met verve is geslaagd. Met De diefstal van de eeuw schreef Walraven een intelligent boek, een gedreven verslag van een journalistieke zoektocht naar de aard van de kaalslag van privacy en de motieven van de betrokken economische actoren. Die motieven vindt Walraven in wat de data-economie wordt genoemd. Die economie ontwikkelde zich als antwoord op de vraag hoe het internet rendabel kon worden gemaakt en kreeg definitief vorm toen een handvol Amerikaanse bedrijven erin slaagden digitale omgevingen te bouwen waarin mensen graag vertoeven, aangezet door vernuftige technieken die appelleren aan primaire menselijke driften en ervoor zorgen dat mensen onbekommerd inzage geven in zowat elk aspect van hun zijn.

De geschiedenis van technologische ontwikkeling is een geschiedenis van achterophinkende maatschappelijke regulering. Die regulering mag worden verwacht van de overheid. 'In een spel waarin macht ongelijk verdeeld is, dient deze categorie (de overheid) te waken over de belangen van alle actoren en mag worden verwacht dat het machtsoverwicht van de ene speler niet leidt tot kansloosheid van de andere. Deze taak veronderstelt echter dat de politieke actoren onafhankelijke posities innemen en niet gestuurd worden door particuliere belangen. Het bewijs dat deze onafhankelijkheid nauwelijks bestaat, is overweldigend' (mijn quote, uit diezelfde bundel van Denktank Minerva).

Het gevolg is het bestaan van een economie die zich vrij systematisch onttrekt aan het oog van de modale Facebookgebruiker. In die economie wordt data ontgonnen, opgepoetst, gemodelleerd en gedeeld met al wie wil betalen voor een beter inzicht in het gedrag en de onderliggende psychische drijfveren van de argeloze consument. Dat inzicht wordt niet langer alleen gebruikt om er gepersonaliseerde commerciële en politieke boodschappen mee af te leveren, maar ook om er de handelingsruimten van mensen mee in te perken. Data driven social engineering wacht een mooie toekomst. Tenzij we gehoor geven aan de oproep van Walraven en 'radicaal de kaart trekken van echt persoonlijke gegevens, waar enkel wij de controle over hebben'. (p. 218)

Walraven vertelt het verhaal van de diefstal van de eeuw op een zeer toegankelijke wijze. Aan de hand van evidente vragen brengt hij de omvang van het probleem in kaart, toont hij wie gebaat is bij de diefstal van privacy en beschrijft hij de verschillende manieren waarop die diefstal ons treft. Die vragen beantwoordt hij niet alleen door de rijkdom aan buitenlandse voorbeelden te bundelen. Zoals we van een Apache-journalist mogen verwachten, presenteert Walraven ook voorbeelden van Belgische bedrijven en brengt hij verslag van de gesprekken die hij met lokale betrokkenen voerde. Dit maakt het boek ook voor wie vertrouwd is met de buitenlandse bronnen meer dan moeite waard. Bovendien compenseert hij hiermee ruimschoots de schijnbare afwezigheid van grootse filosofische beschouwingen en wetenschappelijke analyses. Die afwezigheid is een verhaaltechnische keuze, want Walraven is wel degelijk vertrouwd met het werk van anderen. Dat blijkt uit de korte verwijzingen naar de belangrijkste stemmen uit het academisch debat, waarmee hij zijn uiteenzetting lardeert. Dat de lezer de boeken waaruit Walraven putte niet uit een overzichtelijke bibliografie kan opsporen, is niets meer dan een schoonheidsfoutje.

Wekt de titel een activistische indruk, in De diefstal van de eeuw is toch vooral een zeer goed geïnformeerde onderzoeksjournalist aan het woord. Walraven hoedt zich voor al te boude uitspraken en toont zijn engagement op een eerder modeste toon, in de voorzichtige vragen waarmee hij hoofdstukken inleidt. Als hij verontwaardigd is, laat hij dat alleen merken aan de subtiele ondertoon die hij door de zeer gematigd klinkende conclusies weet te weven. Alleen in de conclusie laat hij zichzelf toe de eerder afstandelijke toon te laten varen en gaat hij in tegen het determinisme dat zo kenmerkend is voor het dominante technologiediscours. Walraven merkt terecht op dat de diefstal niet onafwendbaar of onomkeerbaar hoeft te zijn. Hij roept op tot maatregelen waarmee een eind kan worden gemaakt aan het machtsonevenwicht.

Deze oproep beperkt zich vooral tot acties van private actoren in het economisch veld van het surveillancekapitalisme. Walraven laat daardoor de rol die de overheid kan vervullen grotendeels onbesproken. Dat is een beetje jammer. Niet alleen wordt het daardoor moeilijker om ons voor te stellen op welke manieren dan wel een einde kan worden gemaakt aan de diefstal van de eeuw, de keuze houdt ook het risico in dat de privacy-aanslagen die door deze overheden worden gepleegd onopgemerkt voorbijgaan.

Om een einde te maken aan het surveillance-kapitalisme, volstaat het immers niet dat gebruikers geïnformeerd worden over de manieren waarop ze zichzelf blootstellen. Om gevolg te geven aan de oproep publieke data terug te geven aan de rechtmatige eigenaar is politieke interventie noodzakelijk. Walraven bespreekt dan wel de initiatieven die vandaag vooral op Europees niveau worden genomen, maar schijnt het spagaat dat zich hier manifesteert onvoldoende op te merken. Als een overheid zelf schaamteloos datahongerig blijkt te zijn, als een overheid geen graten ziet in disproportionele en niet-effectieve maatregelen zoals identiteitskaarten met digitale vingerafdrukken of de slimme camera-wildgroei, is het maar zeer de vraag of we van deze overheid wel de noodzakelijke hulp mogen verwachten.

De diefstal van de eeuw verdient een ruim lezerspubliek. Een plekje op de literatuurlijst van eerstejaarsstudenten uit het hoger onderwijs evenzeer.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 10 (december), pagina 71 tot 73