Log in

Het sluipend gif van tijdelijk werk

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 12 tot 13

De opmars van tijdelijk werk vergroot de ongelijkheid en creëert een loondruk op de middeninkomens.

De Europese economie lijkt zich stilaan te herstellen en ook de werkloosheidscijfers dalen al een tijdje. Ondanks deze positieve signalen is voorzichtigheid geboden. In Zuid-Europa blijft de sociaaleconomische situatie fragiel, met nog steeds hoge werkloosheidscijfers in Spanje (16,2%), Griekenland (20,5%) en Italië (11%). In die landen zijn gemiddeld 18,7% van de jongeren werkloos; dat is bijna 1 op 5. Bovendien zijn de gecreëerde jobs er voornamelijk slecht betaald, onzeker en precair. Maar het aandeel tijdelijk en halftijds werk stijgt in heel Europa, vooral bij jongeren. Overal zien we een explosie van atypische vormen van werk, met als gemeenschappelijke noemer: weinig voorspelbare uren, lage lonen en beperkte sociale bescherming. Tijdelijk werk heeft, net zoals alle vormen van niet-gestandaardiseerd werk, echter grote negatieve sociaaleconomische gevolgen. Het is een sluipend gif.

De stijging van tijdelijk werk heeft, allereerst, een impact op de groep werkende armen in Europa. Die groep neemt zienderogen toe. Onderzoek toont aan dat tijdelijke werknemers een veel groter risico lopen om aan het werk en toch arm te zijn, dan werknemers met een vast contract: 16% in vergelijking met 6% (EU28, cijfers in 2014). Er zijn grote verschillen tussen landen. In Malta bedraagt dat verschil in risico tussen tijdelijke en vaste werknemers minder dan 1%, maar in Hongarije, Bulgarije en Estland loopt het op tot bijna 25%. In België is het aandeel tijdelijke werknemers vooralsnog minder groot en ligt hun armoederisico rond 15%. Cijfers van de Labour Force Survey tonen evenwel aan dat ook in ons land de aard van de werkgelegenheid verandert, met ook hier een steeds groter aandeel tijdelijk werk.

Tijdelijke arbeidscontracten brengen nog een probleem met zich mee. Onderzoek in Duitsland toont aan dat een contract van bepaalde duur de kans verhoogt dat de volgende job ook tijdelijk is of dat men na het beëindigen van dat tijdelijk contract werkloos blijft. Tijdelijk werk houdt dus een substantieel sociaaleconomisch risico in voor werknemers. Het heeft een negatief effect op de hoogte van het volgende loon en op de carrièremobiliteit in het algemeen, twee sleutelindicatoren voor sociale ongelijkheid. Deze gevolgen zijn al duidelijk zichtbaar in Duitsland en Groot-Brittannië. Ook in de Verenigde Staten, zo leert onderzoek ons, verhoogt niet-gestandaardiseerde werkgelegenheid de kans op een latere job met een laag loon, zonder toegang tot gezondheidszorg of pensioenopbouw.

Arbeidsmarktflexibiliteit en tijdelijke arbeid leiden dus tot de versterking van bestaande ongelijkheden. Ze nemen de obstakels op de arbeidsmarkt niet weg, zoals beleidsmakers aanvankelijk beweerden. Het argument dat de deregulering van de werknemersbescherming een middel zou zijn om de moeilijker te werk te stellen groepen aan de rand van de arbeidsmarkt aan het werk te krijgen, blijkt niet te kloppen. Vandaag zien we een groeiende groep precaire 'outsiders' op de arbeidsmarkt. Deze trend is rechtstreeks te linken aan de opmars van niet-gestandaardiseerde vormen van arbeid.

De opmars van tijdelijk werk heeft nog een bijkomend negatief effect: het legt een loondruk op de werknemers met een vast contract. Uit recente OESO-data blijkt dat die loondruk er voornamelijk is voor werknemers met middeninkomens. In tegenstelling tot de werknemers met hogere inkomens, lopen zij immers de kans om vervangen te worden door mensen met een tijdelijk contract. Het argument van tijdelijke arbeid als opstap naar een beter werk geldt niet voor die groep vaste werknemers. Integendeel. Eens afgegleden naar tijdelijke arbeid, kent ze een aanzienlijk loonverlies.

Het flexibele werkgelegenheidsbeleid heeft op die manier bijgedragen tot een groeiende inkomensongelijkheid in Europa. De loondruk op de middeninkomens heeft een toxische impact op de Europese economieën. Ze verhindert een reële economische verbetering, gestut op kwaliteitsvolle jobs. Dit is wel degelijk reden tot bezorgdheid, aangezien de reële lonen in veel EU-landen al een tijdje achterblijven op de productiviteit. De loongroei blijft te laag en te langzaam; ze ontwikkelt zich niet op het tempo van de economische groei en de gestegen werkgelegenheid. In negen EU-landen verdienden werkmensen in 2017 nog steeds minder dan in 2010 (ETUI, Benchmarking Working Europe 2018). De voortdurende daling van het loonaandeel van het bbp zorgt ook voor een steeds grotere vermogensongelijkheid. Een groot deel van de economische groei vloeit naar kapitaal, niet naar arbeid. Dat is voor zowel de werknemers in het bijzonder als de economie in het algemeen slecht nieuws. Want zoals John Maynard Keynes in de naoorlogse periode en meer recent Hyman Minsky terecht benadrukten, is de koopkracht een belangrijke motor voor economische groei.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 12 tot 13