Abonneer Log in

Asielarchitectuur als politiek instrument

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 2 (februari), pagina 69 tot 75

In België beheert Fedasil een indrukkend patrimonium van een 60-tal collectieve asielcentra. Deze centra kenmerken zich vooral door hun gebrek aan architecturale visie. Niet alleen voor de asielzoekers is dit een gemiste kans, ook voor de hen ontvangende samenleving_. Daarom moet dringend werk worden gemaakt van een humaner opvangbeleid, ook in architecturale zin. _Waarom organiseren we geen architectuurwedstrijd voor asielcentra?

ASIEL EN MIGRATIE

2019: een beslissend jaar voor humanitaire visa?
Ellen Desmet
Asielarchitectuur als politiek instrument
Luce Beeckmans en Ella Vanden Houte

In feite is de huidige architectuur van het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers, Fedasil, niet meer dan de materialisatie van bouwnormen. Aan de hand van droge parameters uit 2015, die bijvoorbeeld bepalen hoeveel vierkante meter er vereist is per persoon, worden bestaande gebouwen, zoals militaire kazernes en scholen geconverteerd tot asielcentra. Op momenten van piek wordt dit patrimonium aangevuld met noodoplossingen zoals tenten en containers. Hoewel minimumnormen onontbeerlijk zijn, resulteren deze niet automatisch in kwalitatieve architectuur. Daarvoor is een ontwerpfase nodig die de gebouwen injecteert met de nodige architecturale verbeelding.

Tot op heden blijft de aanpak van Fedasil hiervan compleet verstoken. Nu is het de norm die ontwerpt. Het gevolg is een context-loze in plaats van context-specifieke architectuur: het lijkt wel alsof de gebouwen van Fedasil zich niet op een specifieke plaats bevinden, noch een specifieke geschiedenis met zich meedragen. Daarmee tonen ze grote gelijkenissen met de 'non-plaatsen' van Marc Augé of de 'heterotopieën' van Michel Foucault. Of de gebouwen nu midden in de stad zijn gesitueerd of in landelijk gebied, Fedasil behandelt ze als afgesneden enclaves.1 En hoewel de centra erop gericht zijn mensen van vlees en bloed te ontvangen, zorgt de norm-architectuur ervoor dat de bewoners zich nauwelijks met de gebouwen kunnen identificeren. Meer nog dan accommoderen, zijn de gebouwen gericht op controleren. Het zijn 'totale instituties', aldus Erving Goffman, die het subject disciplineren en van zijn autonomie ontnemen.2 De bewoners hebben dan wel een dak boven hun hoofd, maar het ontbreekt hen aan een thuis. Letterlijk en figuurlijk worden ze voor jaren in een wachtkamer geplaatst.

HET PONTON IN GENT

Om de aanpak van Fedasil te illustreren, gaan we dieper in op het Ponton in Gent dat in 2017 werd gesloten. Om de opvangcapaciteit tijdens de asielcrisis van 2015-2016 te verhogen, meerde in 2016 de beruchte 'bajesboot' (of gevangenisboot) Reno uit Rotterdam aan in de haven van Gent. Hoewel afgevoerd wegens te omstreden in Nederland, besloot Fedasil één van de boten, waarvan het de uitbating uitbesteedde aan het consortium G4S-Corsendonck Hotels, van de Nederlandse overheid te huren. Om de gevangenisboot te transformeren in een open asielcentrum werden de nodige verbouwingswerken verricht: naast de inrichting van de kamers, omvatten die ook bijvoorbeeld het verwijderen van de tralies. Toenmalig Staatssecretaris van Asiel, Theo Francken, verzekerde ons dat deze verbouwingswerken geheel conform de normen van Fedasil gebeurde.3 En dat was er aan te zien: een in soberheid en zielloosheid gedrenkte inrichting kenmerkte vanaf dan de leefruimtes en slaapkamers van de toekomstige 250 bewoners en 20 personeelsleden.

Ook in Gent lokte de komst van de Reno vele reacties uit, zowel van voor- als tegenstanders. Bevoegd schepen en OCMW-voorzitter, Rudy Coddens, benadrukte van meet af aan te willen inzetten op 'integratie', wat niet bepaald gemakkelijk zou worden gezien de geïsoleerde ligging. Maar om de gemoederen te bedaren, stelde hij tevens: 'Het is geen luxehotel'.4

THE GOOD HOTEL IN LONDEN

Deze uitspraak brengt ons bij The Good Hotel, een luxehotel in Londen. Gelijktijdig aan het tweede leven als asielcentrum in Gent, kregen andere bajesboten een nieuwe invulling als exclusieve hotels in Londen en Amsterdam. Een snelle blik op de website van de hotelketen volstaat om te begrijpen dat de verbouwing daar verliep volgens compleet andere criteria. In plaats van een geïsoleerde ligging, werd bijvoorbeeld in The Good Hotel in Londen de flexibiliteit die de boottypologie te bieden heeft, gemaximaliseerd: de boot ligt aangemeerd op een mooie site in Londen langs de historische Royal Victoria Docks, vanop het terras hebben toeristen een prachtig zicht op de stad. Ook de inrichting en de architectuur van de twee boten liggen mijlenver uit elkaar. Men moet niet per se een liefhebber zijn van het hippe, maar nogal generieke 'industrial hotel design' om te zien dat alles in het werk is gesteld om de tijdelijke bewoners een aangename verblijf op de boot te bezorgen.

Hoewel de meeste bewoners op het Ponton in Gent veel langer verblijven dan de weekendtoeristen in The Good Hotel in Londen en er vaak al een minder plezierige trip aan voorafgaan hebben, kan de architectuur van het asielcentrum bezwarend verwelkomend, laat staan comfortabel worden genoemd.

NAAR EEN HUMANE ARCHITECTUUR VAN AANKOMST

Deze soberheid is een bewuste strategie van Fedasil. Al toen Fedasil in 2000 werd opgericht en voor het eerst normen werden uitgeschreven, werd deze schraalheid van de opvanginfrastructuur al beschreven als politiek instrument: 'Het is evident dat mensen die het statuut van vluchteling aanvragen op een degelijke en menswaardige manier moeten worden opgevangen voor de duur van de procedure. Men moet echter ook vermijden dat het onthaal- en opvangbeleid op zich een voorname aantrekkingspool wordt om in België asiel aan te vragen'.5 Nochtans heeft geen enkele studie tot op heden aangetoond dat het comfort van asielcentra een drijfveer zou zijn om te vluchten. Vele studies wijzen integendeel op het van belang om het integratieproces al tijdens de procedure te beginnen, onder meer omdat erkende asielzoekers slechts twee maanden krijgen om op eigen houtje een woonst te vinden op de reguliere woningmarkt na hun erkenning.6

In plaats van bij elke asielcrisis in ­tijdelijke verblijven of halfslachtige verbouwingen te investeren, is het dringend tijd om de huidige non-architectuur van asiel radicaal te herdenken. Daarbij is het absoluut noodzakelijk om vanuit architecturaal perspectief anders te gaan nadenken over 'tijdelijkheid'. We hebben immers nood aan een permanente infrastructuur voor het tijdelijke verblijf van asielzoekers, waarbij echter de 'tijdelijkheid van de opvang' niet langer gelijkgesteld wordt aan de 'tijdelijkheid van de architectuur', in de zin van provisoire architectuur en gebricoleerde (nood)oplossingen. De huidige crisisaanpak zorgt er immers voor dat de gebouwen waar we asielzoekers nu in opvangen niet alleen onaantrekkelijk zijn om in te wonen, het zijn ook telkens weer verloren investeringen. Terwijl we zouden kunnen investeren in een kwaliteitsvolle en duurzame wooninfrastructuur die bij vluchtelingenpieken kan dienen voor asielzoekers en op andere momenten voor andere doelgroepen. Tal van andere mensen leven immers in transit: studenten, toeristen en expats, maar ook kwetsbare groepen zoals daklozen of gezinnen tijdens een scheiding.7 Momenteel wordt de huisvesting van asielzoekers, ook door architecten, bijna automatisch geassocieerd met containers, tenten, oude vakantieparken en verbouwde militaire kazernes. Met andere woorden, gebouwtypologieën waar weinigen onder ons graag voor jaren in zouden gaan wonen. Eens de illusie van kostenefficiëntie van dergelijke oplossingen wordt doorprikt, kan men zich afvragen waar de idee eigenlijk vandaan komt dat dit voor asielzoekers wel goede woonplaatsen zouden zijn. Per slot van rekening gaat het hier over mensen die hun land van herkomst ontvlucht zijn voor oorlog en vervolging, en misschien dus meer dan wie dan ook nood hebben aan een kwaliteitsvolle en stabiele thuis. Een humanisering van de architectuur van aankomst is dus aan de orde.

ARCHITECTURALE INTEGRATIE

Asielcentra zouden veel meer kunnen bieden dan een simpel onderdak. Het zouden plaatsen kunnen zijn waar mensen zich thuis kunnen voelen, zich ontplooien en zich zelfs kunnen integreren doordat ze het contact met andere bevolkingsgroepen mogelijk maken. Onderzoek wees immers uit dat asielzoekers die in collectieve opvangcentra terechtkomen, vaak een gevoel van homelessness ervaren.8 Dit gevoel wordt mee veroorzaakt door de koele en afstandelijke architectuur van de centra, maar ook doordat de centra worden geconcipieerd als enclaves die slechts sporadisch de deuren openstellen voor het publiek, bijvoorbeeld bij de 'educatieve groepsrondleidingen'. Niet alleen door doelgroepen te combineren in dezelfde gebouwen, nieuwbouw én reconversie, maar door meer dan alleen residentiële ruimtes te voorzien, zou een betere interactie met de samenleving kunnen worden nagestreefd. Een dergelijke functievermenging breekt dus volledig met het huidige bed-bad-broodbeleid, waarbij door de collectieve centra dan wel in de basisbehoeften van asielzoekers wordt voorzien, maar waar zelforganisatie, autonomie en ondernemerschap wordt ontmoedigd.

Voor asielzoekers kan de inclusie van secundaire voorzieningen in de centra, zoals mogelijkheden tot klein ondernemerschap, sociale restaurants, collectieve werkateliers, openbare badhuizen, marktplaatsen, sportterreinen, enzovoort een belangrijke hefboom voor integratie zijn. De ontwikkeling van dergelijke voorzieningen is echter ook een troef voor de stad. Op die manier gaat het sociaal kapitaal van asielzoekers, en meer algemeen van nieuwkomers, niet verloren en kan er gedacht worden aan een meer inclusieve manier van stadsontwikkeling. Deze voorzieningen hebben bovendien ook het potentieel om uit te groeien tot ruimtes voor een nieuwe collectiviteit: plekken waar mensen met een verschillende achtergrond elkaar kunnen ontmoeten. Een interessant voorbeeld is het Refugio Sharehouse in Berlijn. Daar wonen asielzoekers, vluchtelingen en Berlijners samen in een voormalig rusthuis waar ook verschillende ontmoetingsplekken zijn ingericht, zoals een sociaal restaurant, een koffiebar en een ruimte voor optredens en vergaderingen (Figuur 5 en 6). Daar heeft de buurt iets aan, maar ook de asielzoekers: ze kunnen er de handen uit de mouwen steken en deelnemen aan de samenleving.

ARCHITECTURALE TOE-EIGENING

Als we bedenken dat asielzoekers (waaronder kinderen) met zeer verschillende achtergronden tot 3 jaar en langer in een asielcentrum verblijven in afwachting van hun erkenning of deportatie, zouden we daarnaast ook moeten streven naar een architectuur die enige vorm van identificatie en culturele toe-eigening toelaat en die tevens een bemiddelende rol weet op nemen tussen al die verschillen, bijvoorbeeld door middel van drempels en tussenruimtes. Nu komen er gemakkelijk 5 tot 10 mensen, vaak getraumatiseerd, met verschillende culturen, gewoonten, religies en talen terecht in dezelfde kamer. Zelden is er rust, want levensritmes verschillen grondig. Veel bewoners ervaren een groot gebrek aan privacy omdat ze zich nooit volledig visueel of akoestisch kunnen afsluiten. Ook de bezetting van de kamers is veranderlijk door uitspraken in de asielprocedures. Hoewel door Fedasil regelmatig wordt gehamerd op kwesties van veiligheid, betreft het vooral de veiligheid van (of het ingebeelde gevaar voor) de buurtbewoners. Ironisch genoeg voelen de bewoners zich vaak zelf niet veilig. In het Klein Kasteeltje bijvoorbeeld, kunnen chambrettes op de slaapzalen enkel met een gordijn worden afgesloten. In grootschalige centra durven vrouwen enkel in groep het gemeenschappelijk sanitair in de gang te gebruiken. In de normen worden wel exacte aantallen wasbakken en douches voorgeschreven, maar over cultuur- of gendergerelateerde thema's wordt in alle talen gezwegen.

We zouden de bewoners veel meer autonomie kunnen geven om hun tijdelijke verblijfplaatsen te bewonen op een manier waarbij ze zich goed voelen. In veel centra wordt het de bewoners bijvoorbeeld niet toegestaan de kamers aan te kleden, bijvoorbeeld met posters, tapijten of eigen meubilair. De enige poster die ter aller tijde mag blijven hangen is die met het opschrift 'Wil u terugkeren naar uw land? Vrijwillige terugkeer kan u daarbij helpen!'Het toont aan met welke halfslachtigheid Fedasil asielzoekers opvangt en dat heeft ook zijn vertaling in de schrale architectuur. Die is daarnaast ook erg normatief. Ze veronderstelt dat onze westerse levensstijl universeel is. Zo worden de eetruimtes altijd ingericht met tafels, terwijl men in veel culturen voor de maaltijd op een tapijt zit. De nood aan toe-eigening bij de bewoners is nochtans zo hoog dat ze de kamers toch beginnen decoreren met allerhanden objecten, die ze bij kamercontroles tijdelijk opbergen. Een humane architectuur van asiel zou processen van toe-eigening en identificatie net moeten faciliteren, in plaats van verhinderen. Nu is het zo dat dergelijke processen te veel afhankelijk zijn van de goodwill van het personeel dat in vele gevallen erg goede intenties heeft. Zo kleedt het personeel de leefruimtes soms zelf aan in een poging om de architectuur (en het leven in de centra) menselijker te maken.9 Daarbij biedt de architectuur echter veel weerstand, ze is eerder een obstakel dan een facilitator. Betere architectuur van asiel betekent hier dus niet: mooiere architectuur, met meer luxe. Het zou een humanere architectuur moeten zijn, die toelaat dat mensen zelfstandig oplossingen op maat kunnen creëren. Daar hebben we als samenleving of politiek niets te verliezen, ook niet financieel. Integendeel, dit soort van architectuur zou er voor kunnen zorgen dat asielzoekers beter voorbereid in onze samenleving terecht komen met minder polarisering tot gevolg.

EEN ARCHITECTUURWEDSTRIJD VOOR ASIELCENTRA?

Er schuilt dus een groot potentieel in het herdenken van de architectuur van asiel. Veel architecten staan er echter niet om te springen om zich toe te leggen op de huisvesting van vluchtelingen, want die ligt politiek gevoelig.10 Sommigen zullen vinden dat je een gevangenis ontwerpt, anderen dat je vluchtelingen te veel in de watten legt. Misschien is het een idee om een architectuurwedstrijd te organiseren? Zo'n wedstrijd zou architecten kunnen uitdagen om met meer ambitie en verbeelding na te denken over oplossingen. Het is mogelijk dat daar zelfs bij Fedasil enige openheid voor bestaat, maar vandaag ontbreekt het hen aan verbeelding, en wellicht politieke goodwill, om buiten de lijnen te kleuren. Hoewel er architecten aan de slag zijn, wordt hun tijd volledig opgeslorpt met het beheersen van crisissituaties. Een frisse kijk door middel van een architectuurwedstrijd zou de huidige impasse kunnen doorbreken.

Indien een extern architectenbureau zich bijvoorbeeld via een open oproep van de Vlaams Bouwmeester – al is asiel federale materie – in alle (politieke) vrijheid over de kwestie zou buigen, dan zouden we misschien kunnen komen tot een architectuur die breekt met de huidige aanpak van standaardisatie die asielzoekers een kille, institutionele thuis bezorgt. De belangrijkste opgave zou er dan in bestaan om een gebouwtypologie te ontwikkelen die de bewoners binnen de muren een gevoel van stabiliteit kan bieden, maar die in zich ook de sleutel draagt tot integratie in de samenleving buiten de muren. Dit kan als het gebouw veel meer te bieden heeft dan alleen een bed om in te slapen en de behoefte aan interne intimiteit en identiteit van de bewoners ruimtelijk in evenwicht weet te brengen met de nood aan externe interactie. In plaats van neutrale gebouwen in te richten, zouden we tot gebouwen moeten komen die de fysieke obstakels tot waardig leven en integratie zoveel mogelijk neutraliseren. Het zouden gebouwen moeten zijn die niet langer het etiket van asielzoeker plakken op de bewoners, maar hen daar net van bevrijden. Uiteindelijk kan pas tot een goede huisvesting van asielzoekers gekomen worden als we dit vraagstuk in het bredere woningvraagstuk van de stad integreren. Misschien moet de architectuurwedstijd er uiteindelijk op gericht zijn de typologie van het asielcentrum voorgoed af te schaffen.

(Een langere versie van dit stuk zal in mei 2019 verschijnen in Agora Magazine onder de titel:'Asielcentra herdacht. Naar een humane architectuur van aankomst&#39)

Voetnoten

  1. Hauge, A. L. 2016. 'Housing qualities and effect on identity and well-being'. Report 169, Sintef.; Kreichauf, R. 2015. 'From Fortress Europe to the European Fortress City', in: R. Seyfarth & F. Eckardt (Eds.): Urban Minorities, Verlag Königshausen & Neumann: Würzburg.
  2. Anchor Books; Szczepanikova, A. 'Between Control and Assistance: The Problem of European Accommodation Centres for Asylum Seekers'. International Migration 51, no. 4 (2012): pp. 130-43.
  3. Artikel in De Morgen van 16 januari 2016. https://www.demorgen.be/buitenland/gents-ponton-voor-opvang-vluchtelingen-is-beruchte-bajesboot-b8cd288c/.
  4. Artikel van 26 februari 2016 in Schamper. http://steentijd.schamper.be/2016-online/het-is-geen-luxehotel.
  5. Fragment uit de basisfilosofie van de vroegst uitgeschreven normen voor de opvang van asielzoekers (voor LOI), door de Cel Tweedelijnsopvang (Ministerie van SocialeZaken) in 2000.
  6. Beeckmans, L.; De Maeyer, J.; De Bruyne, P.; Vandycke, Ch. 2018. 'Wonen in diversiteit: de asielcrisis als kans om het stedelijke woonbeleid te herdenken', Agora, 34: 2, pp. 38-42.
  7. Beeckmans, L. 2017/2018. 'Wonen in Diversiteit. Inclusieve Woonvormen voor Nieuwkomers'. Krant bij de tentoonstelling in de Singel en De Krook uitgegeven door HEIM.
  8. O'Mahony, L. F.enSweeney, J. A. 2010. 'Theexclusionof (failed) asylumseekersfromhousingandhome: towardsanoppositionaldiscourse,' Journaloflawandsociety 37: 2, pp. 285-314.
  9. Bovenstaande observaties zijn gebaseerd op intensief veldwerk in het Ponton, Gent door Ella Vanden Houte en interviews met personeel en bewoners van het Klein Kasteeltje.
  10. Er bestaan weinig werken over architectuur en migratie. Uitzonderingen: Cairns, S. 2004. 'Drifting: architecture and migrancy'. Londen: Routledge. Lozanovska, M. 2015. 'Ethno-architecture and the politics of migration'.London: Routledge.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 2 (februari), pagina 69 tot 75