Abonneer Log in

Productiviteit opvoeren én beter verdelen

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 8 (oktober), pagina 32 tot 33

Maak van productiviteit een sleutelelement in het sociaal overleg.

Onlangs leverde de OESO een rapport op over de Belgische productiviteit. Ze kwam met goed nieuws en slecht nieuws. Eerst het goede nieuws, dat minder aandacht kreeg in de media: we staan nog altijd aan de top en zijn productiever dan onze belangrijkste economische concurrenten. Het minder goede nieuws, uitvoerig gecoverd: onze productiviteitsgroei is de afgelopen decennia sterk afgenomen. Het is een fenomeen dat zich in alle OESO-landen voordeed, maar bij ons is de afname groter.

Productiviteit, of de output aan producten en diensten in verhouding tot de input aan arbeid en kapitaal, is belangrijk. Samen met de globale input ligt ze aan de basis van de economische groei. Anders voorgesteld: de globale welvaart in een land is afhankelijk van de totale werkgelegenheid én van de toegevoegde waarde die elk arbeidsuur oplevert. De groei van de productiviteit is van groot belang voor werknemers omdat ze aan de basis ligt van de toegevoegde waarde die kan worden verdeeld tussen arbeid en kapitaal. Ze is, in theorie althans, het vertrekpunt voor het loonoverleg: hogere productiviteit laat niet alleen hogere winsten, maar ook hogere lonen toe. Dit is de reden waarom onze loonkost hoger mocht zijn dan bij onze referentielanden: als je de productiviteit in rekening brengt dan zijn we helemaal niet duurder. Dat dit vandaag nog altijd het geval is blijkt uit het recentste CRB-rapport over onze concurrentiepositie. De productiviteitsgroei is trouwens niet alleen een referentie voor de loongroei, maar ook voor de evolutie van de sociale zekerheidsuitkeringen, zoals pensioenen. Hogere lonen betekent, in theorie althans, hogere sociale zekerheidsbijdragen en hogere sociale zekerheidsuitkeringen (want deze laatste zijn gekoppeld aan het verdiende loon). Uit de rapporten van de Vergrijzingscommissie van het Planbureau, die geregeld een inschatting maakt van de te verwachten vergrijzingskosten zoals pensioenen, blijkt steevast hoe doorslaggevend een hoog niveau van productiviteit is voor de financiële houdbaarheid van (goede) pensioenen.

Redenen genoeg dus om van productiviteit een sleutelelement in het sociaal overleg te maken. Daarover straks meer, maar laat ons eerst even stilstaan bij de geciteerde vaststelling van de OESO dat de klad er wat in zit. Zoals gezegd is dit een internationaal fenomeen van de laatste decennia. Eén van de redenen is ongetwijfeld de transformatie van ons economisch weefsel dat geëvolueerd is van een industrieel productiemodel naar een diensteneconomie. Diensten kunnen tot op zekere hoogte productiever georganiseerd worden en deels geautomatiseerd, wat overigens steeds meer het geval is ingevolge de digitalisering van de diensteneconomie, zoals de banken en handel. Maar dat blijft toch minder het geval dan in de industrie, ook al omdat automatisering de kwaliteit van de dienstverlening dreigt uit te hollen: minder persoonlijk contact, minder contactpunten, enzovoort. Hierover zal iedereen het wel eens zijn, maar over de andere oorzaken van de slabakkende productiviteitsgroei zal wel minder consensus zijn.

Al zal niemand er omheen kunnen dat het in de eerste plaats een zaak is van investeringen, en dan vooral in onderzoek en ontwikkeling. Onze overheden, maar vooral onze ondernemingen, zijn op dat vlak geen hoogvliegers. In Finland besteden ze een veelvoud aan investeringen in R&D. De inspanningen zitten bij ons te veel geconcentreerd bij enkele sectoren en bedrijven. Het zou goed zijn om de remmingen zoals langdurige patenten op vindingen – denk aan de farmaceutische sector – onder de loep te nemen. En vooral om, in lijn met de OESO-aanbevelingen, de effectiviteit van de (hoge) staatssteun voor R&D op te krikken. Investeren ook in opleiding, want ook hier bengelen we achteraan het peloton. De OESO stelt vast dat slechts één op de vijf kortgeschoolden in ons land de laatste 12 maanden een opleiding volgde. Dat is hetzelfde niveau als Turkije of Polen. In een land als Zweden is dit bijna 1 op 2. De OESO roept bedrijven daarom expliciet op om meer te investeren in de opleiding van jongeren en in levenslang leren. De OESO stelt ook dat publieke investeringen, waaronder vervoer en digitale infrastructuur, een prioriteit moeten zijn in toekomstige begrotingen. Ook hier zitten we immers bij de achterblijvers en op een historisch laag niveau. Het vormt een uitgelezen kans om investeringen in duurzame groei (publiek transport, isolatieprogramma's, hernieuwbare energie) aan te zwengelen. Wat de OESO niet vermeldt, is de nood aan een doorlichting van het investeringsbeleid van bedrijven. Al te veel gaat toegevoegde waarde verloren door de winsten niet om te zetten in productieve investeringen, maar door ze uit te keren aan de aandeelhouders (hoge dividenden, maar ook steeds meer via terugkoop van aandelen) en dus te onttrekken aan waardecreatie.

Zoals reeds aangestipt, is hier ook een belangrijke rol weggelegd voor het sociaal overleg. De sociale gesprekspartners zijn aan zet als het op lonen en sociale uitkeringen aankomt. Of zouden het toch moeten zijn. In de praktijk probeert de rechterzijde, zoals onder de regering-Michel, het laken naar zich toe te trekken. Nochtans maakte dit deel uit van het naoorlogse basiscompromis zoals vastgelegd in het Sociaal Pact van 1944 en de Gemeenschappelijke Verklaringen over de productiviteit van 1954 en 1959. Daarin kwam men overeen zich gezamenlijk in te zetten voor een betere productiviteit, meer groei en welvaart, maar evenzeer voor een rechtvaardige verdeling van de toegevoegde waarde. Het zou een goede zaak zijn mocht de komende federale regering die autonomie beter respecteren en mochten de sociale gesprekspartners erin slagen om die basisafspraken te herbevestigen en te actualiseren, nu het Sociaal Pact haar 75e verjaardag mag vieren.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 8 (oktober), pagina 32 tot 33