Abonneer Log in

Nooit meer Bilzen

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 10 (december), pagina 73 tot 77

Hoe bestrijden we het gif in de samenleving? Hoe deproblematiseren we het anders zijn van anderen? Hierin ligt een grote uitdaging voor progressieven. Links moet durven gaan voor een grote investeringsagenda voor de samenleving. Een Oosterweel, maar voor mensen.

'Dit leert de geschiedenis ons: maak van de andere de schuldige van alles wat misloopt, doe dit dag in, dag uit, doe dit bij elk probleem en zo ontstaat de haat. En dan is het gewoon wachten op een vonk.' Dit schreef ik op 2 november in een opiniestuk voor De Morgen. Hoe reëel de kans op een vonk was, bleek enkele dagen later in Bilzen waar een toekomstig asielcentrum opzettelijk in brand werd gestoken. De op of over het randje-uitspraken van politici, de racistische bagger op sociale media, de brand in Bilzen… Dit alles dwingt ons tot een grondige reflectie over hoe haat ontstaat en vooral hoe wij de samenleving opnieuw kunnen ontgiften.

Historische analogieën zijn gedoemd tot falen maar wie z'n geschiedenis niet kent, is gedoemd ze te herhalen. Dus moeten we durven naar het verleden kijken en er lessen uit trekken zonder ons erop blind te staren of te vervallen in determinisme. Onze ambitie, zeker als progressieven, moet steeds zijn om met de kennis van het verleden een betere toekomst te verzekeren. Het is vanuit deze visie dat ik enerzijds kort wil terugblikken en analyseren om vervolgens vooral antwoorden te zoeken. Antwoorden waarmee we als progressieven aan de slag kunnen.

Ik ben van opleiding een slavist, met een focus op de Balkan. Als puber namen mijn ouders mij mee naar Kroatië, slechts enkele jaren na de oorlog. Ik verloor er mijn hart aan een prachtig land met bijzonder warme mensen. Een gevoel dat haaks stond op de beeld van de Joegoslavische oorlogen: Srebrenica, Slavonië, Mostar… De dissonantie tussen mijn historische kennis en mijn gevoel dreef mij in mijn studiekeuze. Tijdens mijn studie groeide het besef hoe dergelijke wreedheden mogelijk waren geworden maar vooral hoe je succesvol een strategie van ontmenselijking en van haat ten aanzien van de andere kan ontwikkelen. Een strategie die niet alleen in Joegoslavië maar ook in Rwanda en Burundi, in het vooroorlogse Europa,… de voedingsbodem vormde voor terreur ten aanzien van voormalige buren.

HOE VERGIFTIG JE EEN MAATSCHAPPIJ?

Wat is er nodig om een maatschappij succesvol te vergiftigen?

1. Een 'andere'

De angst voor een 'andere'. Daar begint alles mee. Om die angst te voeden, moet men constant het andere in de andere benadrukken. In Joegoslavië benadrukten nationalisten het verschil in religie of de verschillen doorheen de geschiedenis. De verschillen werden actief opgezocht, steeds herhaald en uitvergroot. Een tweede stap is de verschillen problematiseren, het feit dat men verschilt als oorzaak aanduiden van de eigen problemen: 'Dat onze regio een minder sterke economische groei kent, ligt aan die andere, die lui zijn.'

Vandaag kent onze samenleving een steeds grotere diversiteit. Niet alleen inzake migratieachtergrond, maar ook inzake gezinssamenstelling, arbeidsvorm, genderidentiteit, geaardheid en afkomst. Nooit was de individualisering en dus ook diversiteit groter in onze samenleving, en dus is het zeer gemakkelijk om het 'andere' in de andere te benadrukken en vervolgens te problematiseren.

Dit gebeurt trouwens ook vaak. Denk maar aan de uitspraken omtrent homoseksualiteit of het homohuwelijk vanuit extreemrechtse hoek. Het gebeurt de laatste decennia echter met geen enkel aspect van de diversiteit zo doorgedreven en bewust – en zo geproblematiseerd – als met diversiteit op basis van afkomst.

2. Een bereidwillige elite

Op zich zijn gevoelens van haat en afgunst zeer menselijk. Geen mooie gevoelens maar hoogstens op persoonlijk vlak bedreigend. Wanneer deze gevoelens echter geïnstitutionaliseerd en gecollectiviseerd worden, bedreigen ze het samenleven en kunnen ze leiden tot massapsychose. Het collectiviseren gebeurt niet spontaan. Er zijn steeds drijvende krachten achter deze dynamiek. Krachten die niet altijd een explosie van geweld tot doel hebben maar die wel bereid zijn om gevoelens van haat aan te wakkeren voor het eigen gewin.

Zo was er in Joegoslavië een politieke en intellectuele elite die decennia lang bereid was de afkeer ten aanzien van andere nationaliteiten binnen het Joegoslavische verbond te voeden om hun positie binnen de eigen deelstaat en het streven naar autonomie of gebiedsuitbreiding te realiseren. Deze dynamiek werd onder Tito met slaan en zalven kunstmatig onder bedwang gehouden – maar soms ook gevoed – om de moeilijke politieke evenwichten te behouden. Maar na zijn dood, bleek het hek van de dam.

Slechts een kleine minderheid binnen dergelijke elites streven bewust naar een gewelddadig conflict. De meerderheid erbinnen is vooral bereid de woordenschat en de strategieën over te nemen omdat het hun eigen agenda dient. Samen vormen zij de bereidwillige elite.

Tomas Roggeman, N-VA parlementslid op wiens tweet mijn opinie een reactie was, verweet mij nadien dat ik zijn tweet linkte aan genocide. Dat klopt. Tomas Roggeman, net als Theo Francken trouwens, hebben mijns inziens allerminst de ambitie om een gewelddadig conflict te voeden. Ze behoren wel door hun uitspraken tot de bereidwillige elite en voeden zo mee de haat. Daar moeten ze zich van bewust zijn.

3. Een platform voor hate speech

Het problematiseren van het anders zijn, leeft altijd en overal in bepaalde kringen. Daar moeten we vooral niet naïef in zijn. Er zullen altijd extreemrechtse en diep racistische groepen in onze samenleving bestaan en deze moeten we bestrijden. Dergelijke nichegroepen bedreigen de fysieke integriteit van individuen maar hebben gelukkig onvoldoende slagkracht om een maatschappij te ontwrichten.

Problematisch wordt het echter wanneer dergelijke ideeën mainstream worden. Wanneer het niet langer de zatte klant aan de hoek van de toog is maar het gehele café dat de 'andere' als een probleem ziet. Om dergelijke ideeën te verspreiden heeft de bereidwillige elite nood aan een platform. Om te kunnen zeggen 'wat niet gezegd mag worden'. Zo maakte men in de jaren 1930 actief nieuwe media zoals de radio en film. In Joegoslavië maakten nationalistische leiders zeer actief gebruik van de tv om hun boodschap te verspreiden.

Vandaag zien we dat die rol in overgenomen door sociale media. Facebook en Twitter zijn vrijplaatsen geworden waar de goorste bagger kan worden gepost zonder enige tegenspraak. Posts en commentaren voeden actief het angstbeeld. Halve waarheden of hele leugens circuleren dagen, maanden of zelfs jaren. Ze dragen bij tot het angstbeeld. En via sociale media belanden ze zelfs in het mainstreamdiscours via opiniemakers als Mia Doornaert met haar vaste column in De Standaard.

4. Een sociaaleconomische voedingsbodem

Het finale ingrediënt, de echte voedingsbodem om van angst haat te maken, is sociaaleconomisch. Wanneer mensen voelen dat ze er zelf niet op vooruitgaan en je kan hen vervolgens het idee geven dat de schuld daarvoor bij die 'andere' ligt, maak je een zeer krachtig gevoel los bij veel mensen. In Joegoslavië was de dalende welvaart naar jaren van economische vooruitgang één van de grote triggers voor de onvrede. De meer welvarende regio's, die hun welvaart grotendeels te danken hadden aan historische omstandigheden, profileerden zichzelf als ijverig, spaarzame noorderlingen versus de luie en verspillende zuiderling.

Vandaag voelen velen dat de welvaart voor hen niet aantrekt. In de nasleep van de financieel en economische crisis werd zwaar bespaard en zag men de facturen stijgen. Mensen die fulltime werken, merken dat er op het einde van de maand weinig overblijft. En dat frustreert. Op die frustratie teert de bereidwillige elite om de haat te zaaien.

En dan is het gewoon wachten op een vonk. Zoals in Bilzen.

HOE BESTRIJDEN WE HET GIF?

Dit leidt ons natuurlijk tot de cruciale vraag: hoe bestrijden we het gif in de samenleving? Hoe herstellen we het samenleven? Hoe deproblematiseren we het anders zijn van anderen?
Hier biedt de geschiedenis helaas weinig tot geen troost. Al te vaak leidde het bewust voeden van haat uiteindelijk toch tot conflict en pas na het conflict, was er kans op herstel en verzoening. Hierin ligt dan ook de grote uitdaging voor progressieven. Een moderne en interne invulling van ons credo 'nooit meer oorlog', door in onze samenleving aan conflictvermijding te doen. Zekere antwoorden zijn er niet, hoogstens enkele aanzetten tot oplossing.

1. Een tegendiscours

Tegenover het discours van vervreemding en ontmenselijking moeten progressieven een helder tegendiscours plaatsen. De rechterzijde is er zeer goed in geslaagd om de vervreemding diep ingang te vinden in het taalgebruik en de beeldvorming.

Dat mensen wiens familie al langer dan mezelf in mijn stad wonen nog steeds als 'vreemdeling' of allochtoon worden omschreven, is hier een goed voorbeeld van. Dat 'mensen zonder papieren' vandaag transmigranten geworden zijn en het woord 'mens' is verdwenen, is er nog zo één. Deze voorbeelden tonen de efficiëntie van rechts en extreemrechts.

We moeten ter linkerzijde slimmer worden in onze communicatie, een duidelijk discours ontwikkelen en dat ook aanhouden. Ons niet laten meeslepen in het frame en het taalgebruik van rechts maar vanuit onze eigen waarden naar de samenleving kijken en er over communiceren. Daar waar anderen meertaligheid problematiseren en een monocultuur nastreven, moeten wij een gedeelde taal in een veeltalige samenleving promoten. Vanuit een geloof in de maakbaarheid van de samenleving moeten we met de diversiteit aan de slag en de meerwaarde ervan in ieders leven heel concreet maken.

Een fundamenteel onderdeel van dat discours is dan ook het vermenselijken van de andere. Wij zijn allen mensen met dromen, ambities en wensen, die niet zo heel ver uit elkaar liggen. Die gedeelde ambitie maakt dat wij als samenleving willen vooruitgaan. Die gedeelde ambitie moeten wij als progressieven uitstralen.

2. Een tegenbeweging

De politiek, en links in het bijzonder, moet in deze ook haar eigen beperkingen onder ogen zien. Enerzijds is links op z'n eentje vandaag politiek in Vlaanderen niet aan zet om beleid te voeren dat radicaal ingaat tegen het voeden van de haat, anderzijds is een politiek antwoord alleen onvoldoende.

Een links-progressieve partij, zoals de mijne, moet actief meebouwen aan een brede tegenbeweging tegen de haat. Met het middenveld, met verenigingen, het onderwijs, enzovoort. Maar ook met zij binnen centrum- en zelfs rechtse partijen die willen meewerken aan het keren van het discours.

3. Een blokkade tegen hate speech

Het aanzetten tot haat en geweld is in België bij wet verboden. Een goede zaak. Want wie bewust een ander schade wil berokkenen, begaat een misdrijf. Zo simpel is het. Toch gaat dit niet ver genoeg. Enkel het juridisch bestrijden van haat is onvoldoende. Er is nood aan maatschappelijke actie.

In dat opzicht was de oproep van Conner Rousseau in het Vlaams parlement een goede aanzet. Na de brand in Bilzen riep hij de politieke partijen in het Vlaams parlement op om alle vormen van hate speech van hun sociale media te bannen. Politieke partijen maar ook de media, organisaties en bedrijven moeten coalitie vormen tegen racistische, haatdragende, xenofobe, homo- en transfobe reacties op hun sociale media.

En nee, dit bedreigt de vrijheid van meningsuiting niet. Dit is niet meer dan het stellen van grenzen om samenleven opnieuw mogelijk te maken. Iedereen heeft het recht te zeggen wat men wil, maar niemand kan worden verplicht om een platform te bieden aan die meningen. Er wordt vaak gezegd: sociale media zijn de cafés van vroeger. Wel, vroeger wezen cafébazen ook tooghangers die te gore praat uitsloegen de deur.

We moeten als maatschappij echt dringend front vormen en duidelijk maken dat er grenzen zijn aan wat kan. En wie niet bereid is zich aan die grenzen te houden, heeft geen plaats in ons café.

4. Een beleid dat de voedingsbodem drooglegt

Progressieven moeten bij elke kans die ze krijgen er alles aan doen om de sociaaleconomische en maatschappelijke voedingsbodem voor haat weg te werken. En laat sociaal en progressief beleid nu net het antwoord zijn op de sociaaleconomische frustraties: betaalbaar wonen, hogere lonen, lagere facturen, onderwijs dat sociale promotie bevordert, enzovoort. Mensen opnieuw laten voelen dat hun inspanningen renderen, dat wie elke dag z'n best doet er ook op vooruit gaat, dat is de essentiële taak van links. Dit moet de drijfveer zijn in elk gesprek, op elk niveau, ook omtrent coalitievorming. We moeten als progressieven het economisch concurrentiemodel tussen mensen uit onze samenleving halen door gelijke rechten, gelijke plichten en collectieve vooruitgang.

Daarnaast moeten progressieven er alles aan doen om het samenleven in straten, buurten, steden en gemeenten te herstellen. Ons lokaal beleid moet doordrongen zijn van het kruispuntdenken. Het actief creëren van ontmoetingsplaatsen in de samenleving. Kruispunten waar mensen in gesprek kunnen gaan en zo ontdekken dat de verschillen een stuk kleiner zijn en minder problematisch dan rechts wil doen geloven: scholen, sportclubs, jeugdverenigingen, enzovoort. Links moet durven gaan voor een grote investeringsagenda voor de samenleving. Een Oosterweel, maar voor mensen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 10 (december), pagina 73 tot 77