Abonneer Log in

De aanval op onze aandacht: internetrust als nieuw basisrecht

Emile Zola Prijs 2020 - Eervol vermeld door de jury

Laten we het oude ideaal van 'ontslaving' vanonder het stof halen. Dat woord doet vandaag misschien wat oubollig aan, maar aan het eind van de 19e eeuw was het een belangrijk emancipatorisch ideaal.

Als alle internetoptimisten twintig jaar geleden geld op hun eigen voorspellingen hadden ingezet, dan waren ze nu een stuk armer. Nooit eerder zijn over een technologie zoveel positieve voorspellingen gedaan waarvan er zo weinig zijn uitgekomen. De wereld is geen gezellige 'global village' geworden. Het internet blijkt juist afzonderlijke informatieluchtbellen te creëren waarin gelijkgezinden zich verongelijkt terugtrekken.1 De verbindende sociale media versterken in de eerste plaats boze, racistische en jaloerse gevoelens.2 Op wereldniveau heeft digitale democratisering niet tot politieke democratisering geleid. Autoritaire politiestaten hebben het internet integendeel omarmd als een instrument om het gedrag van hun bevolking te controleren en die van andere landen te desinformeren.3 Op economisch gebied valt geen noemenswaardige productiviteitsstijging aan te wijzen sinds we online leven.4 Het omgekeerde lijkt eerder waar. Veldonderzoek toont dat werknemers gemiddeld nog maar de helft van hun dag aan hun werk besteden.5 Voeten slepen is natuurlijk van alle tijden, maar buiten de werkplaats is de toestand evenmin erg verheffend. Hoewel de mogelijkheden van het internet schier eindeloos zijn, is het in de eerste plaats een plek voor extreem vluchtige en oppervluchtige activiteiten.6 Laatste jaren worden ook de kwalijke gevolgen op onze levenskwaliteit steeds duidelijker. Onderzoeken wijzen op een duidelijk negatief verband tussen overmatig internetgebruik en onze mentale gezondheid.7 We slapen slechter en we lezen minder. Psychologen waarschuwen ons steeds luider voor de vernietigende impact van het internet op ons concentratievermogen.8 De menselijke aandachtsspanne was sowieso al niet feilloos, maar vandaag ligt ze heel de dag onder vuur.

Natuurlijk is het niet allemaal kommer en kwel. Tijdens de coronacrisis blijkt een draadloze verbinding voor veel mensen een onmisbare levenslijn. Ook in quarantaine echter is de impact van het internet niet eenduidig positief. We zijn voortdurend bereikbaar, maar bevinden ons ook heel de dag in gevecht met de constante sirenezang van het web. De verleidingen blijken grenzeloos: films, sexy foto's, berichtjes van vrienden, nieuwsupdates, weerberichten, grappen, vakantiehuisjes, eindeloze winkelramen, … Nu is er niets mis met wat ontspanning bij tijd en wijle, maar soms lijken we heel de dag als konijnen in een lichtbak te staren. Overal waar we gaan, nemen we een persoonlijke hypergesofisticeerde flipperkast mee. Volgens de laatste onderzoeken nemen we onze smartphone gemiddeld 80 keer per dag uit onze zak.9 Dat valt bezwaarlijk normaal gedrag te noemen. Computers hebben dezelfde uitwerking. Onderzoeken wijzen uit dat werknemers gemiddeld om de vijf minuten hun mailbox openen, zonder dat ze zelf een melding krijgen.10 Dat is deels een bewuste strategie. Tech-ondernemers passen massaal inzichten toe uit de sociale psychologie om zogenaamde 'gewoontestructuren' te creëren en mensen aan hun product te 'verslaven'.11 Door middel van allerlei onzichtbare technieken worden we geconditioneerd om zoveel mogelijk tijd op het internet door te brengen. Als de Russische psycholoog Ivan Pavlov vandaag nog zou leven, dan was hij waarschijnlijk verbaasd dat zijn experimenten op honden vandaag massaal worden uitgevoerd op mensen. Deze bedrijven beseffen al langer wat de meeste mensen maar niet willen inzien: dat hun tijd geld waard is. Volgens de CEO van Netflix is niet Youtube maar de slaap van zijn gebruikers de grootste vijand van het bedrijf. Een heleboel klokkenluiders uit deze bedrijven maakte hun ongerustheid over deze nieuwe verslavingsindustrie reeds publiek.12 Ze waarschuwen dat 'onze geesten gekaapt worden'. Oud-werknemers van Facebook vergeleken de praktijken van het platform met die van drugsdealers.13 Net als de Antwerpse cocaïnedealers weten ze hun verslaafden op slinkse wijze steeds weer terug te lokken. Tegelijkertijd lijken zelfs die ondernemers verbaasd over de menselijke creativiteit wanneer het op tijdsverspilling aankomt. De uitvinder van de swipe-functie (waarbij je met een veegbeweging nieuwe berichten te zien krijgt) staat versteld over het succes van zijn eigen uitvinding. Hij vergelijkt het met de deurknoppen in liften waar mensen maar op blijven duwen terwijl ze weten dat de deuren automatisch sluiten. Het is een goede metafoor voor veel van ons gedrag online: we weten dat het niets oplevert, maar doen het toch. Dat komt omdat deze bedrijven het pleziercentrum in onze hersenen trachten hacken. Door ons voortdurend kleine emotionele beloningen voor te houden – een persoonlijke bevestiging, een nieuwtje, een geile impuls – komen dezelfde blije stofjes vrij als bij gokmachines en hard drugs. De prikkel voelt goed, ze is kort en krachtig … en makkelijk te verkrijgen. Hierdoor komen andere 'moeilijkere' activiteiten in het gedrang die niet diezelfde onmiddellijke beloning geven.

Desondanks is het leidend paradigma bij onze bestuurders nog steeds dat het huidig internetaanbod zoveel als mogelijk uitgebreid en versneld moet worden. In zeker opzicht is dat een terechte bekommernis. Het is inderdaad stuitend dat de snelheid van een internetverbinding vaak sociaaleconomisch bepaald is. De huidige coronacrisis heeft pijnlijk duidelijk gemaakt dat er nog altijd een digitale kloof bestaat tussen arme en rijke gezinnen, waardoor duizenden kinderen thuis niet van afstandsonderwijs kunnen genieten. Aan de andere kant lijkt er op sommige plekken en momenten ook een teveel aan internet te bestaan. Dat geldt in de eerste plaats voor onderwijsomgevingen. Onderzoeken hebben de verstorende impact van het internet op leerprocessen omstandig aangetoond.14 Juist minderjarigen zouden daarom extra bescherming moeten genieten tegen de nefaste invloed van deze toestellen op hun ontwikkeling. Een smartphoneverbod op scholen zoals Franse president Emmanuel Macron voorstelt, is dus helemaal geen gek idee. In feite zouden scholen voor minderjarigen best helemaal internetvrij gemaakt worden. Maar ook in het hoger onderwijs is uitgebreid aangetoond dat 'nearly every type of in-class technology use is linked to decreased classroom performance, regardless how that performance is measured'.15 Dit schaadt niet alleen gebruikers zelf. Er is ook een negatief 'meeleeseffect' voor de omgeving. De lesomgevingen van universiteiten en hogescholen zouden dus eveneens gebaat zijn bij internetloosheid. Natuurlijk blijft het internet aan de universiteit en hogescholen een onmisbaar instrument voor onderwijs en onderzoek. Een totaalverbod heeft dan ook geen enkele zin. We kunnen wel gericht werken door vrijzones en rustpunten te creëren. Er zijn immers wel degelijk nog altijd activiteiten waarbij we het internet best kunnen missen. Juist op die plekken waar cognitieve ontwikkeling centraal staat, moeten we evolueren naar een model van gecontroleerd en partieel internet gebruik.

Het is natuurlijk ietwat ironisch dat net in Silicon Valley die omslag naar 'schermarme scholen' volop bezig is.16 In het technologisch hoogland lijken de koks hun eigen potje niet meer te lusten. Een ware schermangst heeft zich van ouders in California meester gemaakt. Steeds meer kinderen krijgen een volledig schermverbod en kinderoppassers moeten 'no phone-contracts' ondertekenen.17 Niet alleen de digitale whizkids timmeren hun ramen dicht. In dure restaurants en hippe nachtclubs worden smartphones verboden. Steeds meer topuniversiteiten weren laptops uit hun aula's. Onder hoogopgeleide yuppies circuleren diepzinnige longreads over de voordelen van 'monotasken', 'deep work', 'dopaminevasten', 'digitaal detoxen' en 'indistractibility'. Academici delen programma's onder elkaar waarmee ze hun eigen schermtijd limiteren. Dat is natuurlijk allemaal erg creatief, maar vanuit democratisch oogpunt zijn hierbij toch belangrijke bezwaren te maken. Allereerst getuigt het van een erg neoliberale logica om collectieve problemen te individualiseren in de vorm van self-helpboeken en smartphone-applicaties. Oplossingen worden geprivatiseerd en herleid tot een kwestie van wilskracht en zelfdiscipline. Dat is niet helemaal eerlijk. Er bestaat wel degelijk technologie om meer controle over ons internetgebruik te verkrijgen. Sinds vorig jaar geeft Apple ouders bijvoorbeeld meer instrumenten om de schermtijd van hun kinderen te reguleren (dat gebeurde pas na veel externe druk). Het lijkt echter hier niet opportuun om preventie over te laten aan bedrijven die zelf veel baat hebben bij het voortbestaan van het probleem. Internetverslaving is immers wel degelijk een politiek probleem. Er groeit vandaag een tweede digitale kloof tussen arm en rijk. Vanaf een bepaalde inkomensgrens lijkt internet niet langer een luxeproduct te zijn, maar internetrust wel. Net zoals de zondagsrust vroeger dreigt dit opnieuw een voorrecht van hooggeschoolden te worden. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat tieners uit minder gegoede gezinnen aanzienlijk meer tijd achter hun schermen doorbrengen dan leeftijdsgenoten in welgestelde families.18 Onderzoek van de UGent wijst aan dat 'studenten met een migratieachtergrond' bovengemiddeld meer tijd op hun smartphone spenderen.19 Dit correleert één op één met slechtere examenresultaten. We kunnen dit niet met lede ogen blijven aanzien, zeker niet omdat moderne democratieën een goede reputatie hebben in het terugdringen van zulke problemen. We hebben een lange traditie in het reguleren van verslavende producten. Zo zijn de verkoop en het verbruik van tabak, alcohol en weddenschappen aan bepaalde voorwaarden onderworpen. Op die manier worden we niet voortdurend met hun verleidingen geconfronteerd. De producten worden zoveel mogelijk afgeschermd voor bepaalde leeftijdsgroepen en geconcentreerd op specifieke plekken. Die maatregelen zijn betrekkelijk simpel en behoorlijk efficiënt. Het is natuurlijk een illusie te denken dat we verslaving volledig kunnen oplossen, maar we kunnen de negatieve effecten wel indijken tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau. Vanzelfsprekend heeft het internetprobleem niet dezelfde dodelijke proportie als alcohol of tabak, maar de maatregelen kunnen ons wel inspireren.

Laten we daarom het oude ideaal van 'ontslaving' vanonder het stof halen. Dat woord doet vandaag misschien wat oubollig aan, maar aan het eind van de 19e eeuw was het een belangrijk emancipatorisch ideaal. Sociale vooruitgang werd toen immers niet alleen beschouwd als een kwestie van democratisering en sociale rechten, maar ook van zelfontwikkeling. Die term heeft vandaag een haast exclusieve individualistische invulling gekregen, maar dat was ooit anders. Niet voor niets was één van de belangrijkste programmapunten van de jonge arbeidersbeweging daarom de strijd tegen jenever. Naarmate de politieke macht van de arbeidersbeweging groeide, wist ze door wetten en besluiten het jeneververbruik in België spectaculair terug te dringen. Deze historische les moet ons hoopvol stemmen. Verslavingen zijn niet louter een individueel probleem en er bestaan wel degelijk politieke oplossingen voor. Laten we daarom het Amerikaanse cowboymodel achter ons en streven naar een politiek model van internetrust. Dit is geen pleidooi voor een Chinees politiemodel, maar voor een beleid van vluchtheuvels en rustpunten te midden van een digitale zondvloed. Het programma is simpel. Weg van individuele hulpmiddelen naar collectieve oplossingen. Dat zijn internetvrije leeromgevingen, productvoorschriften met instrumenten voor partieel en gecontroleerd internetgebruik en meer externe controle op fabrikanten. Op die manier kan de overheid haar burgers in de beste sociaaldemocratische traditie de controle over hun tijd laten heroveren op de winzucht van kapitalistische mastodonten.

VOETNOTEN

  1. Eli Pariser, The filter bubble, Penguin, 2011.
  2. Tobia Rose-Stockwell, 'How your fear and outrage are being sold for profit', Quartz, 29.7.2017; Robert Elliot Smith, Rage inside the machine. The prejudice of algorithms and how to stop the internet making bigots of us all, Bloomsbury, 2019.
  3. Rogier Creemers, 'The pivot in Chinese cybergovernance', China perspectives, 2015:4, 5-13.
  4. John Cassidy, 'What happened to the internet productivity miracle?', The New Yorker, 1.4.2013.
  5. Adam Gazzaley en Larry D. Rosen, The distracted mind. Ancient brains in a high-tech world, MIT, 2019, 114.
  6. Payal Arora,The next billion users, Harvard University Press, 2019.
  7. 'How heavy use of social media is linked to mental illness', Economist, 18.5.2018; Gazzaley en Rosen, Distracted mind, 137; 146-147.
  8. Nicholas Carr, The shallows: what the internet is doing to our brains, Norton, 2010.
  9. 'Apple says the average iPhone is unlocked 80 times a day', The Verge, 10.4.2016; 'We use our smartphone 88 times a day', persberichten UGent, 10.5.2019.
  10. Gazzaley en Rosen, Distracted mind, 115.
  11. Ian Leslie, 'The scientists who make apps addictive', Economist. 1834, 1.10.2016; Nitasha Taku, 'The Wired guide to internet addiction', Wired, 18.4.2018.
  12. Paul Lewis, 'Our minds can be hijacked: the tech insiders who fear a smartphone dystopia', The Guardian, 6.10.2017.
  13. Hannah Kuchler, 'How Facebook grew too big to handle', FT, 13.3.2019, 16-17.
  14. Gazzaley en Rosen, Distracted mind, 115-116, 122-127; Simon Amez en Stijn Baert, 'Smartphone use and academic performance: a literature review', GLO papers, 2019.
  15. Gazzaley en Rosen, Distracted mind, 126.
  16. 'Why the Silicon Valley titans who go tour kids addicted to screens are sending their own children to tech-free Waldorf schools', The Sunday Times, 18.11.2018.
  17. Nellie Bowles, 'Silicon valley nannies are phone police for kids', NYTimes, 5.11.2018
  18. Bowles, 'Digital gap between rich and poor kids is not what we expected', NYTimes, 26.10.2018.
  19. 'Studenten met hevig smartphonegebruik scoren slechter bij examens' persberichten UGent, 6.1.2020.

(Lees alle winnende essays van de Emile Zola Prijs 2020)