Abonneer Log in

Mensen in armoede geven wél om het milieu

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 4 (april), pagina 44 tot 48

Het dominante discours over de aanpak van de klimaatcrisis staat vol met woorden als 400 ppm, anderhalve graad, energietransitie, Green Deal en verwante. Het conservatieve verhaal zet daar 'haalbaar en betaalbaar' tegenover. Geen van beide slaagt erin een kernprobleem aan te snijden: dat ongelijkheid een hypotheek legt op het succes van het klimaatbeleid.

Mensen in armoede zijn voor hun levensonderhoud afhankelijk van het land, van het bos, het water, de natuur.

Chronische huidaandoeningen, onvruchtbaarheid, Parkinson: ze zijn net zo ongelijk verdeeld als de blootstelling.

Het verwetenschappelijkte milieubesef is wat eenzijdig en intellectualistisch geworden.

HET MILIEUBESEF VAN DE RIJKEN

Milieubesef, zo heb ik studenten – en mezelf! – jarenlang voorgehouden, komt vooral voor bij hoogopgeleide, goed verdienende burgers uit de midden- en hogere sociaaleconomische categorieën. Er is niets mis met die stelling: al sinds de opkomst van het verschijnsel 'milieubesef' in de jaren 1960 bevestigen opiniepeilingen in westerse landen dat telkens opnieuw. Empirisch bewijs te over. De politiek-socioloog Ronald Inglehart had er ook een theorie bij. Milieubesef was een typische uiting van postmaterialisme: de betrokkenheid bij en het engagement voor maatschappelijke wensen die voorbij het materiële liggen. Mensenrechten, vredesactivisme en andere waarden en idealen behoorden daar ook toe. Als de materiële noden van mensen afdoende gelenigd zijn, gaan ze zich met post-materiële waarden bemoeien. Daarmee kon je ook de talloze personele unies en de strategische dwarsverbanden tussen de nieuwe sociale bewegingen van de jaren 1960 tot 1980 duiden.

Misschien zal men denken: het is wat makkelijk om nu, terugkijkend, kritisch te zijn over die onweerlegbare empirie en die theorie alsnog controversieel te noemen. Maar ik was ook toen al kritisch en ik heb ook mijn twijfels met studenten gedeeld. Twee ándere empirische vaststellingen hielden daarbij me bezig: in de eerste plaats zagen we ook verzet tegen milieu-ingrepen opduiken in wijken en regio's met een laag milieubesef. Opinies verzameld 'in vredestijd' bleken dus slechte indicatoren voor de bereidheid om milieuactie te voeren 'als het erop aan kwam'. En ten tweede, behalve de bekende ethische en politieke bewogenheid, het post-materiële, zat er in milieuverzet ook veel materieels: de vrees voor een onbetaalbare woning na de opknapbeurt voor de wijk, de vrees voor slechtere lucht en meer geluidhinder na de aanleg van een weg, de vrees voor de gezondheid bij de aanleg van een afvalinstallatie. Er is milieubesef in verschillende soorten.

HET MILIEUBESEF VAN ARMEN

Het heeft even geduurd voor ik het begreep. Dé eyeopener was bij mij, zoals bij veel anderen, een heel andere benadering van milieubesef: 'The environmentalism of the poor'. Joan Martinez-Alier wees er eind jaren 1980 op dat in het Westen één variant van milieubesef dominant is. Die variant is inderdaad sterk post-materieel, heeft zijn wortels in een premodern, soms romantisch natuurideaal, en is ethisch en vaak kosmopolitisch geïnspireerd. Dát is, aldus Martinez-Alier, wat westerse opiniepeilers meten, dat is wat Inglehart postmaterialisme heeft gedoopt. Hun meetinstrument meet waar het voor bedoeld is, maar ziet de andere variant van milieubesef niet. Het milieubesef van 'de armen' ontspruit immers aan de eenvoudige vaststelling dat zij voor hun levensonderhoud en hun overleven afhankelijk zijn van het land, van het bos, het water, de natuur, kortom: van wat intellectuele westerlingen later 'ecosysteemdiensten' hebben genoemd. Het is die onvermijdelijke materiële afhankelijkheid die 'armen' veel vanzelfsprekender tot de hoeders van hun natuurlijke omgeving maakt.

Mensen in armoede zijn voor hun levensonderhoud afhankelijk van het land, van het bos, het water, de natuur.

De benadering van Martinez-Alier moet niet worden geromantiseerd. Dat doet hij zelf ook allerminst. Het gaat niet om een soort diepe, quasi-mystieke verbondenheid met de natuur, zoals sommige auteurs suggereren. Het gaat om materiële afhankelijkheid. En het gaat er ook niet om dat alle 'armen' dat vanzelfsprekende milieubesef zouden delen. Martinez-Alier verwijst bijna uitsluitend naar ontwikkelingslanden en hij is allerminst blind voor een plaatselijke elite die de ecosysteemdiensten verkoopt aan goed betalende buitenlanders. De milieuconflicten die hij noemt, gaan juist daarover: de strijd van Chico Mendes in Brazilië, van Ken Saro-Wiwa in Nigeria, van Wangari Maathai in Kenia, van Maria Aguinda in Ecuador. Het is een strijd over ecosysteemdiensten, over zeggenschap, autonomie en afhankelijkheid, over lusten en lasten, over natuur, milieu en rechtvaardigheid.

BORDEAUX, DE WIJNBOUW EN DE GELE HESJES

Ik heb zelf geen milieuonderzoek in ontwikkelingslanden gedaan. En milieu en rechtvaardigheid is één van die thema's waar ik nog wat mee wilde, maar niet aan toekwam. Tot ik er, anderhalf jaar geleden, op verzoek van de universiteit van Bordeaux, mee aan de slag mocht. En meteen op twee casus stuitte waar het milieubesef van de armen voluit aan de orde is.

Eerste voorbeeld: in de wijnbouw, in Bordeaux en elders, worden schrikbarend veel pesticiden gebruikt, nog steeds. Het gebruik ervan in Frankrijk neemt nog toe, ondanks allerlei beleid. Epidemiologen en toxicologen brengen ziektebeelden in kaart en stellen vast welke mensen meer en minder lijden aan de ziekmakende effecten van langdurige blootstelling; ergonomen en sociologen analyseren de feitelijke werkprocessen. Enkele conclusies in staccato: in veel gevallen wordt de beschermende kledij, nochtans verplichtende voorwaarde bij de toelating van bestrijdingsmiddelen, niet gedragen; veel van die kledij blijkt trouwens onvoldoende beschermend; vooral laag opgeleide, buitenlandse werk(st)ers in de wijnbouw zijn daar het slachtoffer van. Een verklaring in enkele concentrische cirkels: veel van die mensen begrijpen de gebruiksvoorschriften niet; hun bazen geven geen informatie, soms niet eens beschermende kledij; kleine wijnbouwers hebben niet de marktpositie om in arbeidsveiligheid te investeren; de wijnbouw is in handen van wat je met een lelijk maar adequaat woord wereldwijd kapitalisme moet noemen. Chronische huidaandoeningen, onvruchtbaarheid, Parkinson: ze zijn net zo ongelijk verdeeld als de blootstelling. De werk(st)ers zijn zich, zo blijkt, terdege bewust van de risico's, ze hebben het er met elkaar over, ze zien de verbanden tussen arbeid, pesticiden en gezondheid, ze hebben dus 'milieubesef'. Maar met de baas praat je er niet over: hun onmachtspositie maakt dat vrijwel onmogelijk. En die ongelijkheid tref je overal, in Bordeaux en wereldwijd. Je vindt ze, uitvergroot op de scheepsafbraakwerven van Chittagong en de e-waste-bergen van Agbobloshie. Ook daar kent men de risico's maar al te goed. En dat geldt, minder spectaculair, ook voor de aspergeteelt in de Lage Landen en de aardbeienteelt in Zuid-Spanje.

Chronische huidaandoeningen, onvruchtbaarheid, Parkinson: ze zijn net zo ongelijk verdeeld als de blootstelling.

Tweede voorbeeld: de gele hesjes. Ze bestonden al voor ik in Bordeaux aankwam. Hun demonstraties hielden me staande, hun acties mijn aandacht gaande. Ontstaan in reactie op een verhoging van de belasting op diesel, die ook nog als klimaatregel was aangekondigd: le taxe carbone. Hun verzet leek daarom verzet tegen klimaatbeleid. Maar hun slogan, 'fin du mois, fin du monde, même combat', liet iets anders vermoeden. Onderzoek bevestigde: dit is een eigentijdse variant van 'l'écologisme des pauvres'. Ook zij zijn zich welbewust van milieu- en klimaatproblemen. Maar hun definitie van milieu gaat niet over CO2 en de noodzaak die terug te dringen, maar over een imploderend Frans platteland. Dunbevolkt als altijd al, maar nu door schaalvergroting aan zijn lot overgelaten: school weg, huisarts weg, bakker weg, alle dienstverlening weg. En nu zijn ook nog de wijkverpleegkundige en de kinesist kleine zelfstandigen geworden. Honderden kilometer per week met de auto, duizend en meer per maand. Het kan niet anders, het is ons werk, het is ons bestaan. En dan die taxe carbone? Die duwt mensen op de rand van het minimuminkomen nu de armoede in. Die ondergraaft het levensonderhoud en het overleven van veel plattelanders. Dus: verzet, reactie, gele hesjes.

KLIMAATCRISIS EN KLIMAATBELEID: EEN EENZIJDIG DISCOURS

Het milieubesef van de rijken is, sinds zijn ontstaan in de jaren 1960, op allerlei manieren uitgewerkt en gedifferentieerd. Eén uiting daarvan is de ontwikkeling van de milieuwetenschappen. Vanuit dat brede kennisgebied is het milieubesef geleidelijk verzakelijkt, van concepten, indicatoren en modellen voorzien, en die hebben op hun beurt onderzoek geïnspireerd en min of meer robuuste kennis opgeleverd. Die wetenschappelijke kennis en professionele expertise zijn intussen min of meer aanvaard als beleidsonderbouwing. De milieu- en natuurrapportage (MIRA en NARA) in Vlaanderen, de opeenvolgende publicaties van het Europese Milieuagentschap, concepten als de 'planetary boundaries' en andere, het zijn allemaal voorbeelden van geleidelijk steeds meer kennis en begrip van wat milieukwaliteit is, en hoe zij bedreigd wordt door verbroken kringlopen, risico's en tipping points. Al die concepten en modellen dragen bovendien beleidsrelevante kennis aan: van milieuplannen tot klimaatscenario's, van energie-, voedsel- en nog zo wat transities tot Green Deals.

Het verwetenschappelijkte milieubesef is wat eenzijdig en intellectualistisch geworden.

Die intellectuele, wetenschappelijke variant van het milieubesef heeft ons erg veel opgeleverd, laat daar geen misverstand over bestaan. En je zou willen dat de politieke impact van al die kennis veel groter is dan nu het geval is. Tegelijkertijd, vrees ik, is dat verwetenschappelijkte milieubesef ook wat eenzijdig en intellectualistisch geworden. Andere benaderingen van milieubesef, bijvoorbeeld the environmentalism of the poor, hebben we verwaarloosd. Kate Raworth heeft die dimensie weer onder de aandacht gebracht. Behalve met fysieke bovengrenzen moet elke aanpak van milieu- en klimaatvraagstukken rekening houden met sociale ondergrenzen: een inkomen dat toegang geeft tot voedsel, huisvesting, energie, water, gezondheidszorg en andere; een samenleving die rechtvaardigheid en gelijkheid bevordert, een politiek systeem dat democratisch is, enzovoort. Materiële en zogenaamd post-materiële waarden vormen dus één geheel: milieukwaliteit + sociale kwaliteit = levenskwaliteit.

EINDE VAN DE MAAND ÉN EINDE VAN DE WERELD

Er zijn verschillende manieren om met dit vraagstuk om te gaan. Rechts-conservatieve partijen, ook in Vlaanderen, counteren de pleidooien voor energie- en klimaattransities simpel met 'niet haalbaar en betaalbaar'. Bovendien hebben de gele hesjes hen schrik aangejaagd: doortastend klimaatbeleid is niet goed als je het volk tevreden wil houden. Aan de andere kant staan allerlei transitie-optimisten die klimaatbeleid vaak verengen tot technologie-substitutie-beleid. Die jagen mij dan weer schrik aan, bijvoorbeeld met de oneliner 'van het gas af' in Nederland. Ik heb van meet af gewaarschuwd dat die als een boemerang zou terugkomen. Intussen staat vast dat het omzetten van woningen van aardgas op andere energiedragers inderdaad zoveel geld kost dat dat voor velen onbetaalbaar is en bovendien – bij de huidige marktomstandigheden – onrendabel. Het eerste kun je, aldus ongelijkheidseconomen, sociaal corrigeren via de fiscaliteit of een CO2-dividend. Het tweede betekent dat de aanpak van de klimaatcrisis een (gigantische) publieke investering vergt, zoals men met de Green Deal in Europa heeft begrepen.

Mijns inziens is er ook behoefte aan een ander discours. De parallel met corona ligt voor de hand: het medisch-epidemiologische discours is geschikt voor het berekenen van en adviseren over allerlei maatregelen tegen de verspreiding van het virus. Maar het is te beperkt voor het begrijpen en aanpakken van de economische, sociologische en psychologische effecten en bezwaren. Op vergelijkbare wijze is het dominante discours over klimaatverandering prima voor de energetisch-technische aanpak daarvan, maar ongeschikt, zelfs contraproductief voor het mobiliseren van brede consensus. Na de gele hesjes heeft Macron een 'convention citoyenne' bijeengeroepen: 150 bij toeval gekozen burgers hebben daar de klimaatcrisis bestudeerd, hebben 'hun' probleemdefinitie en een hele serie adviezen geformuleerd. Zeker, een deel daarvan komt geheel overeen met wat de experts voorstellen; zeker, een deel daarvan gaat over sociale correcties voor een onvermijdelijk hogere koolstofprijs. Maar het derde deel gaat over klimaatbeleid mét sociale investeringen: investeringen in publieke diensten, van onderwijs tot openbaar vervoer, van vernieuwde wijk- en buurtzorg tot democratische digitalisering. Dat zijn allemaal diensten die niet winstgevend, maar wel noodzakelijk zijn voor sociale kwaliteit en levenskwaliteit. Alleen als we iets doen aan de sociale ongelijkheid, past klimaatbeleid ook in het milieubesef van de armen. Fin du mois én fin du monde, dus.

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 4 (april), pagina 44 tot 48