Abonneer Log in

Ongelijkheden kunnen zes eeuwen lang nazinderen

Het historisch onderzoek dat vertrekt in Renaissance Firenze en vandaag eindigt, suggereert dat sociale mobiliteit moeilijker te verwezenlijken valt dan we vaak denken.

Wie vandaag in Firenze een naam draagt die in de Renaissance tot de 10% rijksten behoorden, heeft een bezit dat 12% groter is dan het gemiddelde.

De volksgemeenschap van Elchardus draait op gelijke kansen, verdienste en inspanning.

Alle grote revoluties en democratiseringen ten spijt, leeft de echo van middeleeuwse standsverschillen nog steeds met ons mee.

HET FLORENTIJNSE CATASTO VAN 1427

Het jaar 1427 was in veel opzichten geen bijzonder jaar in Firenze. We bevinden ons nog in de culturele bloeitijd van de Italiaanse Renaissance. Florentijnse handelaars en bankiers maken grote sier en bestellen opzienbarende kunstwerken bij schilders, beeldhouwers en architecten. Veel eenvoudige arbeiders en ambachtslieden hebben het minder breed, en velen trekken in armoede door de straten op zoek naar werk en voedsel. De Florentijnse Republiek was verwikkeld in een oorlog met het Hertogdom Milaan, maar ook dat was niet bepaald een uitzondering.

En toch is Toscane in 1427 een ankerpunt in de ogen van historici. Net omdat er niets bijzonders gebeurde. Of toch bijna niets. Want in de zomer van 1427 gingen tien ambtenaren en hun gevolg op pad doorheen de stad met de opdracht om het bezit van alle huishoudens in kaart te brengen. De oorlog tegen Milaan bleek immers kostelijker dan voorzien, en een nieuwe belasting op vermogen drong zich op. Ze klopten op alle deuren, en vroegen naar ieders rijkdom: naar hun beroep en inkomen, naar hun huizen, dieren en schulden. Alles werd genoteerd in wat uiteindelijk een enorm kadastraal register werd – het zogenaamde catasto, waarin voor bijna 10.000 huishoudens een volledig overzicht van hun welstand te vinden was.

ONGELIJKHEDEN ZINDEREN ZES EEUWEN LANG NA

Het Florentijnse catasto van 1427 is de meest omvangrijke en gedetailleerde verzameling van sociale en economische informatie opgesteld voor het ontstaan van moderne staten in de 19e eeuw. Voor historici die meer willen weten over welvaart, ongelijkheid en economische structuren is het een goudmijn. Hoewel de bron al bijna twee eeuwen lang bestudeerd wordt, duiken nog regelmatig nieuwe analyses op. En sommige daarvan kunnen nog behoorlijk verrassen. Dit jaar verscheen zo'n nieuwe studie, waarin de economen Guglielmo Barone en Sauro Mocetti, iets heel eenvoudig doen: ze vergelijken de relatieve rijkdom van Florentijnse families in 1427 met de rijkdom van families met dezelfde familienaam in het Firenze van 2011. Zo'n 800 namen die in het catasto van 1427 voorkwamen, komen ook voor onder de belastingbetalers in 2011.

Wie vandaag in Firenze een naam draagt die in de Renaissance tot de 10% rijksten behoorden, heeft een bezit dat 12% groter is dan het gemiddelde.

En wat blijkt? Er bestaat wel degelijk een verband tussen de gemiddelde rijkdom van mensen met een bepaalde familienaam in de 15e eeuw en de rijkdom van mensen met diezelfde naam bijna zes eeuwen later. Wie vandaag een naam draagt die in de Renaissance tot de 10% rijksten behoorden, heeft een bezit dat 12% groter is dan het gemiddelde. Dat lijkt geen bijzonder groot effect, maar het effect is er wel degelijk. Bovendien werkt het natuurlijk ook omgekeerd: wie afstamt van een armere middeleeuwse familie, heeft vandaag gemiddeld genomen nog steeds minder inkomen en bezit. De studie bevestigt eerder onderzoek dat wijst op de manier waarop ongelijke sociale posities over meerdere generaties worden doorgegeven. Wie in het relatief egalitaire Zweden een oude aristocratische naam draagt, in plaats van gewoon Svensson of Patricksson te heten, heeft bijvoorbeeld een veel grotere kans om dokter, advocaat of parlementslid te zijn.

LEVEN WE VANDAAG DAN NIET IN EEN MERITOCRATIE?

Dat ongelijkheden zes eeuwen lang kunnen nazinderen, van generatie op generatie, druist in tegen sommige van de verhalen die we graag over onze moderne wereld vertellen. De Franse Revolutie, de Industriële Revolutie, de 20e eeuwse welvaartsstaat, de naoorlogse democratisering van het hoger onderwijs: hebben deze omwentelingen ons dan niet bevrijd van het 'Oud Regime' waarin iemands sociale positie bepaald werd door waar zijn of haar wieg stond? Leven we vandaag dan niet in een meritocratie, waarin ongelijkheid slechts het gevolg is van talent en van de inspanningen die iemand levert om gelijke kansen te grijpen?

Gary Becker, Nobelprijswinnaar economie en auteur van de belangrijkste 20e eeuwse theorie over sociale mobiliteit, meende alvast van wel. Hij oordeelde stellig dat 'zo goed als alle voor- en nadelen in het inkomen van voorouders binnen drie generaties weggevaagd zijn.' Lange tijd was die opvatting gemeengoed. Sinds de jaren 1990 was het ook voor sociaaldemocraten een mantra: we moet niet streven naar meer gelijkheid, maar naar meer gelijke kansen, zodat goed onderwijs en een inclusieve arbeidsmarkt alle bestaande ongelijkheid binnen de 2 à 3 generaties volledig herschudt.

ELCHARDUS' VOLKSGEMEENSCHAP HEEFT NOG HEEL WAT WERK VOOR DE BOEG

Vorige maand ontketende Gert Verhulst in Vlaanderen – of althans het twitterend deel ervan – een kleine rel nadat hij zich in een interview kritisch getoond had voor de rol van geluk in het bepalen van succes. Wie heel zijn leven hard gewerkt heeft en toch arm blijft, heeft onvermijdelijk iets fout gedaan, aldus Verhulst. Progressieve critici veroordeelden de hardvochtigheid van dat mensbeeld.

De volksgemeenschap van Elchardus draait op gelijke kansen, verdienste en inspanning.

Maar Mark Elchardus snelde de meritocratie ter hulp: links zou er op moeten gericht zijn om voor iedereen kansen te scheppen en mensen aan te zetten kansen te grijpen. De volksgemeenschap, die centraal staat in zijn nieuwste boek Reset, is voor Elchardus een gemeenschap die draait op gelijke kansen, verdienste en inspanning. Zijn geduld voor 'het kleine identiteitsstreven' van de woke-beweging is beperkt: het zijn bewegingen die zich kanten tegen de blijvende achterstelling van sommige minderheidsgroepen, maar daardoor volgens Elchardus te ver doorslaan in hun gelijkheidsstreven en een contra-productief resultaat opleveren. Quota voor vrouwen vindt Elchardus bijvoorbeeld onnodig, want uiteindelijk zal – wanneer de wil van het volk dat wenst – ook die blijvende ongelijkheid na enkele generaties wegvagen.

Het schetst één van de belangrijkste dilemma's waar linkse partijen vandaag voor staan. Hoe groot is het vertrouwen nog dat de traditionele sociaaldemocratie uiteindelijk alle onrecht zal wegvagen? Bij traditionele sociaaldemocraten, zoals Elchardus, is dat vertrouwen groot: met geduld en geloof in de de goede intenties van de democratische volkswil komt alles goed. Bij nieuwe linkse bewegingen is dat vertrouwen er veel minder.

Alle grote revoluties en democratiseringen ten spijt, leeft de echo van middeleeuwse standsverschillen nog steeds met ons mee.

Het historisch onderzoek dat vertrekt in Renaissance Firenze en vandaag eindigt, suggereert dat sociale mobiliteit moeilijker te verwezenlijken valt dan we vaak denken. Ongelijkheid wordt niet elke generatie herschud, maar wordt gereproduceerd over de generaties heen, doorgegeven van ouder op kind, grootouder op kleinkind, van de 15e tot de 21e eeuw. Alle grote revoluties en democratiseringen ten spijt, leeft de echo van middeleeuwse standsverschillen nog steeds met ons mee. Privileges kleven dus zelf in onze moderne samenleving aan ons, niet enkel aan ons geslacht of onze huidskleur, maar ook aan onze naam. Elchardus' volksgemeenschap heeft nog heel wat werk voor de boeg.