Abonneer Log in

België en Nederland kunnen van elkaar leren

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 9 (november), pagina 50 tot 55

Is Nederland het gidsland inzake democratisch functioneren en België het kneusje? Dat is te gemakkelijk. We moeten het beste van de twee landen optellen.

Nederland kent een veel meer bescheiden partijfinanciering dan wij.

Het Nederlands polderen heeft iets verstikkend: reële maatschappelijke conflicten doodknuffelen.

Ook voor nationale politieke mandaten is in Nederland de band tussen de kiezer en het resultaat eerder mager.

Het Nederlands systeem maakt het parlement relevanter én biedt kansen op beter geleide politieke partijen.

Vlamingen hebben wel eens de neiging om Nederland als gidsland te beschouwen. Nu ook onze Noorderburen steeds meer met aanslepende regeringsformaties kampen, wordt dat spontane beeld enigszins bijgesteld. Het zijn 'Belgische toestanden', aldus NRC net voor de zomer toen er nog geen sprake was van een nieuwe volwaardige regering, terwijl de Tweede Kamerverkiezingen op 17 maart werden georganiseerd.

Sinds dit voorjaar heb ik de kans om de Nederlandse politiek beter te leren kennen in de schoot van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks, mijn Nederlandse collega's. Bij de aankondiging van die beslissing schreef ik: 'Ik ben al langer geboeid door de Nederlandse politiek. Het politiek systeem van onze Noorderburen kan ons inspireren: een sterker parlement, minder particratie en slagkrachtige lokale besturen.'

Een goed half jaar later tracht ik in deze bijdrage een eerste voorlopig en eerder beknopt antwoord te formuleren op de vraag: kunnen we Nederland eigenlijk wel beschouwen als een gidsland inzake democratisch functioneren? Omwille van veel meer redenen dan enkel de aanslepende regeringsvorming, zal het antwoord genuanceerd zijn. Een eenduidige 'ja' zou een aantal problemen van de Nederlandse politiek immers miskennen.

DE SPELREGELS DEUGEN NIET

De pijnpunten zijn soms gelijkaardig aan die van ons land. Soms zijn ze net verschillend. Inzake democratische structuren zouden we eerder moeten proberen het beste van de twee landen op te tellen. Het uitgangspunt van die analyse is eigenlijk gelijkaardig voor België en Nederland. Het is een focus op structuren, eerder dan op cultuur, mentaliteit of talent. Het probleem is niet wie onze politici zijn, maar hoe wel hoe ze moeten werken en in welke context.

De meeste politici deugen maar de spelregels niet, dat is al langer mijn overtuiging. Je mag de hele Wetstraat op vervroegd pensioen sturen, en er zal maar weinig veranderen, als je niet eerst aan de structuren en de gewoontes sleutelt. Dat geldt ook voor het Binnenhof, het hart van de Nederlandse politiek. Al is de Tweede Kamer even elders gehuisvest wegens een grondige renovatie van het historische parlementsgebouw. Willen we de politiek vernieuwen, zijn niet alleen de gebouwen maar ook de spelregels aan renovatie toe, zowel bij ons als in Nederland.

Het is ook de overtuiging van de Nederlandse hoogleraar staats- en bestuursrecht, Wim Voermans, in zijn boek Het land moet bestuurd worden over de Nederlandse politieke cultuur. 'De prestaties van bestuurders zijn maar zo goed als de context, het regelraamwerk en de beperkingen waarbinnen ze opereren. Met andere bestuurders verandert er niet veel, met nieuwe regels en een andere cultuur wel.'

Nederland kent een veel meer bescheiden partijfinanciering dan wij.

Een concreet voorbeeld zijn de spelregels inzake partijfinanciering, campagnes en donaties. Nederland kent een veel meer bescheiden partijfinanciering dan wij, maar ze kennen wel een aparte, gegarandeerde financiering voor een buitenlandstichting en een wetenschappelijk bureau. Dat zijn inhoudelijke doeleinden, middelen die niet gebruikt kunnen worden voor Facebook of andere reclame-uitgaven. De keerzijde van de bescheiden financiering is dat donaties praktisch niet gereguleerd zijn in Nederland. Tijdens de laatste verkiezingen was er bijvoorbeeld een gift van 1 miljoen euro aan D66 van een jonge softwaremiljardair. Het ging om een bijzonder gulle gever want daarnaast maakte hij ook 350.000 euro over aan de Partij voor de Dieren.

DE SAAIHEID VAN DE REGENTEN

De Nederlandse politiek kent dus een woelige periode, geïnitieerd door de val van de regering Rutte III begin 2021 naar aanleiding van de toeslagenaffaire. En dat alles blijft niet zonder gevolgen. Het vertrouwen van de Nederlanders in de politiek is de afgelopen tijd flink gedaald. Een meerderheid van zes op de tien heeft weinig of heel weinig vertrouwen in de landelijke politiek. Dat blijkt uit een enquête van IPSOS dit najaar. Het gaat om een veel grotere groep misnoegden dan vorig jaar, toen het ging om vier op de tien. Weinig verrassend zit de ontevredenheid vooral bij kiezers van partijen zoals PVV, Forum voor Democratie, JA21 en SP.

Uiteraard speelt de aanslepende formatie een rol, maar er is ook meer aan de hand. Hoe er geregeerd werd, is ook een bron van frustratie en colère: het beleid inzake gezondheid en wonen worden evenzeer als belangrijke redenen genoemd. Al moet die forse daling ook wat genuanceerd worden. Het valt niet los te zien van de tijdelijke enorme stijging in 2020 door de coronacrisis. Een deel van de daling is dus een terugkeer naar het gebruikelijke patroon, maar het vertrouwen ligt nu wel lager dan de IPSOS-cijfers van 2018 en 2019.

De installatie van een nieuwe regering zal in elk geval niet voldoende zijn. De focus op het land besturen, waar wij Nederland vaak eerder om benijden, is trouwens net Voermans voornaamste punt van kritiek. Hij hekelt de verbestuurlijking of gouvernementalisering, een technocratische benadering van politieke vraagstukken, waarbij de uitvoerende macht de volksvertegenwoordiging herleidt tot een goedkeuringsmachine en waarbij het parlement steeds minder het volk weet te vertegenwoordigen. 'Natuurlijk moet het land bestuurd worden, maar dat is natuurlijk niet het echte vraagstuk. Het gaat er altijd om hoe dat gebeurt, wie dat doen en tot welke prijs.'

Het saaie en het degelijke van de Nederlandse politiek is dus meteen ook een gevaar. Bestuur is een doel op zich geworden in plaats van een middel of een uitkomst. In de politiek is er immers nooit één oplossing of route, en dat lijkt de typische poldercultuur en de heersende regentenmentaliteit wel te suggereren. Je kan het beschouwen als een te doorgedreven zoektocht naar consensus die leidt tot kleurloosheid en kilheid. 'Principiële principeloosheid met weinig enthousiasme voor ideologische vergezichten,' volgens Voermans.

Het Nederlands polderen heeft iets verstikkend: reële maatschappelijke conflicten doodknuffelen.

Het Nederlands polderen heeft iets verstikkend: reële maatschappelijke conflicten doodknuffelen. Met iedereen rond de tafel, met zijn allen verantwoordelijk en dus verplicht tot een snelle en geruisloze uitvoering. In België beklagen we ons over het onvermogen van sociale partners om samen grote hervormingen uit te onderhandelen. In Nederland zien we eerder het omgekeerde gebeuren.

De poldercultuur is een manier om te dealen met de politieke fragmentatie – mogelijk door het bijzonder open kiessysteem. Maar tegelijk werkt het polderen ook meer versnippering in de hand. Wanneer er niets meer is om tussen te kiezen, ontstaat er ruimte voor nieuwe keuzes, nog meer om uit te kiezen. Als het inhoudelijk aanbod lijkt te verschralen, komt er ruimte voor een nieuw aanbod op de flanken: links van centrum(links) en rechts van (centrum)rechts. De saaiheid van de regenten effent zo het pad voor het spektakel van populisten.

PROGRESSIEVE SAMENWERKING

Net daarom ben ik bijzonder nieuwsgierig naar de toekomstige progressieve samenwerking. Een progressief stembusakkoord voor de verkiezingen naar het voorbeeld van Keerpunt 72, de basis voor de vorming van het kabinet-Den Uyl, is helaas niet gelukt. Maar tijdens de formatie hebben sociaaldemocraten en groenen elkaar wel gevonden. Ze waren bereid om als één geheel te onderhandelen, een belangrijk signaal na decennia van vooral mislukte progressieve frontvorming.

Nu zich een nieuw centrumrechts kabinet met Mark Rutte als premier aankondigt, is het aan GroenLinks en PVDA om samen het voortouw te nemen in het formuleren van een progressief alternatief, waar politieke idealen en bestuurlijke pragmatiek hand in hand gaan. Historisch was vooral D66 de partij met bijzondere aandacht voor politieke vernieuwing, maar dat is steeds minder het geval. Zeker nu de Nederlandse politiek in de ban is van 'een nieuwe bestuurscultuur' ligt er een opdracht voor groenen, sociaaldemocraten en progressieve liberalen om dat buzzwoord te concretiseren in maatregelen en hervormingen.

ONGEKOZEN OPPASSERS

De regentencultuur zie je ook terugkomen in de spelregels. Nederland is volgens Voermans een democratie met ongezien veel 'ongekozen oppassers': niet-verkozen burgemeester, commissarissen van de Koning, de monarch zelf, een door de regering benoemde Raad van State en een leger aan polderinstituten en zelfstandige uitvoeringsorganisaties. De magere democratische legitimiteit van belangrijke politieke functies is inderdaad een pijnpunt van het Nederlandse politieke systeem.

Gedreven door een mijn inziens eerder theoretisch dualisme hoeven bijvoorbeeld wethouders, de schepenen in Nederland, niet voort te komen uit de gemeenteraad. Net als de niet-verkozen burgemeesters hoeven ze dus ook niet deel te nemen aan gemeenteraadsverkiezingen. Na zo'n verkiezing, die zal plaatsvinden in maart 2022, krijg je daardoor zelfs verhuisbewegingen van politici die wethouder worden in een andere stad dan waar ze tot dan gewoond hebben. Net omdat ik erg geloof in de kracht en de waarde van de lokale democratie vind ik gekozen burgemeesters en lokaal ingebedde schepenen een must. In Nederland ligt de opkomst bij lokale verkiezingen trouwens eerder laag (55% in 2018), veel lager dan bij de nationale verkiezingen (81,5% in 2021).

Ook voor nationale politieke mandaten is in Nederland de band tussen de kiezer en het resultaat eerder mager.

Maar ook voor nationale politieke mandaten is in Nederland de band tussen de kiezer en het resultaat eerder mager. Er is in Nederland dus geen opkomstplicht. De Eerste Kamer, de Senaat die bij onze Noorderburen nog wel altijd een belangrijke wetgevende opdracht heeft, komt indirect tot stand via de uitslagen van de Provinciale Statenverkiezingen. Voor de Tweede Kamer heeft de Nederlandse kiezer slechts één voorkeurstem, en dat resulteert in zeer lage persoonlijke scores voor het gros van de Kamerleden, ondanks dat ze zich presenteren in één kieskring voor alle Nederlanders. Door een voorkeursdrempel is het lastig om op eigen kracht verkozen te raken. Maar liefst 147 van de 150 Kamerleden zijn in 2021 gekozen op basis van hun lijstpositie.

Opgeteld met de feitelijke decumul tussen lokale en nationale politiek zorgt dit voor een volksvertegenwoordiging met slechts een beperkte inbedding, die je de facto kan beschouwen als een 'partijvertegenwoordiging'. Het is uiteraard geen pleidooi voor het eindeloos combineren van mandaten, maar meer uitwisseling en een bepaalde betrokkenheid van nationale politici op de lokale democratie, bijvoorbeeld als gemeenteraadslid, draagt wel bij tot de herkenbaarheid en de terreinkennis van de volksvertegenwoordiging.

DE 'PARTIJVOORZITTER'

De Nederlandse politieke leiders maken gelukkig wel deel uit van de Tweede Kamer, waar ze met elkaar in debat treden en ook verantwoording dienen af te leggen. Dat is anders en beter dan ons model van partijvoorzitters die vooral in televisiestudio's en op sociale media opereren, terwijl ze ondertussen ook de hele tijd het doen en laten (trachten) beïnvloeden van regeringsleden en fracties. Je hebt in Nederland ook dominante partijleiders en een concentratie van macht bij een select groepje politici, maar die valt wel meer samen met de parlementaire democratie.

De Nederlandse 'partijvoorzitter' heeft een duidelijke organisatorische, interne rol, wat kan bijdragen tot meer aandacht voor partijwerking, ideeënontwikkeling op lange termijn en de rekrutering van politiek personeel. Het zijn cruciale opdrachten binnen een partij en voor het democratisch weefsel als geheel. Maar ze worden vaak verwaarloosd omdat ze moeilijk te verzoenen zijn met persoonlijke profilering en een focus op korte termijn politiek, waar toppolitici min of meer toe veroordeeld zijn, zeker in deze tijd van versnippering en non-stop communicatie.

Het Nederlands systeem maakt het parlement relevanter én biedt kansen op beter geleide politieke partijen.

Het Nederlands systeem heeft dus een dubbel voordeel vergeleken met België: het maakt het parlement relevanter én het biedt kansen op beter geleide politieke partijen. Wij hebben in België minder 'ongekozen oppassers' dan in Nederland, maar alle verkozenen worden bij ons wel gesuperviseerd door de particratie. In deze geldt dus dat de combinatie van beide landen de meeste democratische winst zou kunnen opleveren. Macht dien je te verwerven via verkiezingen en verantwoordelijkheden moeten zo helder mogelijk gesitueerd kunnen worden bij parlement en regering.

BENE IS BETER

In het voetbal ben ik erg gekant tegen de oprichting van een BENE-liga, een competitie van de topclubs van België en Nederland, waar al lang over wordt gespeculeerd. Een affiche als Anderlecht-Ajax spreekt uiteraard tot de verbeelding. Maar als ik moet kiezen tussen Anderlecht versus AZ dan wel tegen Sint-Truiden of Zulte-Waregem: dan klopt mijn hart toch sneller voor een 'gewone' Belgische pot voetbal. Qua politieke structuren en spelregels denk ik dus wel dat een optelsom van het beste van beide landen veel perspectief biedt. België kan zeker iets leren van Nederland, maar dat geldt ook omgekeerd.

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 9 (november), pagina 50 tot 55

EEN BETERE POLITIEK

Hoe halen we partijen van het infuus van partijfinanciering?
Gunther Vanden Eynde, Bart Maddens en Wouter Wolfs
België en Nederland kunnen van elkaar leren
Kristof Calvo
Geef burgers permanent een stem
Cato Léonard