Abonneer Log in

Populisme: xenofobie of machteloosheid?

Een waarschuwing in populistische tijden: wie blind is voor de kloof, kan diep vallen. Reactie op Anton Jäger en Annelien De Dijn.

De liefhebber die zich de afgelopen maand van Samenleving & Politiek bediend heeft, zal bijzonder veel over het populisme geleerd hebben. Twee gerenommeerde historici analyseerden de aard van het populistisch fenomeen en plaatsten deze in het huidige tijdsgewricht. In het interview met politiek historicus Anton Jäger werd de populistische opmars verbonden aan het verval van de partijdemocratie, het ontstaan van een bemiddelingsleegte tussen samenleving en staat, de technocratisering van politiek, en de ontkoppeling van politiek en beleid. Zo begrepen is het populisme een reactie op het ontstaan van een democratische kloof, een invulling van de leegte die ontstaat door de afbrokkelende representatie door maatschappelijk middenveld en politieke partijen.

Al snel volgde een kritiek van historica Annelien de Dijn die de kern van Jägers betoog, de zogenoemde 'kloof'-thesis, betwistte. Volgens haar is er geen sprake van een kloof tussen burgers en politiek, en als daar al sprake van zou zijn, dan is de afstand de afgelopen decennia niet toe- maar juist afgenomen. De democratie is namelijk steeds inclusiever geworden; democratische emancipatie van gemarginaliseerd groepen zoals bijvoorbeeld vrouwen en mensen van kleur zijn daar volgens haar het bewijs van. Bovendien is de kloof als mythe schadelijk, stelt De Dijn, omdat ze blind maakt voor het werkelijke wezenselement van het populisme: een gevaarlijk etnisch nationalisme.

Populisten worden volgens De Dijn dus niet gekenmerkt door hun verzet tegen de technocratisering van de politiek of de invulling van een bemiddelingsleegte, maar door een extreem nationalistisch wereldbeeld dat wordt vertaald naar een steeds exclusievere en hardere (en daardoor dodelijke) migratiepolitiek. Populistische kiezers, in het verlengde, 'zijn niet anti-elitair, maar wel xenofoob.' De blindheid voor het nationalistisch gevaar wordt bovendien versterkt, zo stelt De Dijn, door het vervagen van ons collectief geheugen over de catastrofale gevolgen van het nationalisme voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze spreekt daarom de hoop uit dat de nationalistische wanvertoning van de Russen in Oekraïne kan bijdragen aan het herstel van dat geheugen en het verminderen van de populistisch-nationalistische aantrekkingskracht elders.

Beide analyses zijn gebouwd op een brede kennis van de politieke geschiedenis. Toch valt er op deze duidingen een drieledig commentaar te formuleren.

Allereerst is het door Jäger gekozen partijgerichte begrip van de democratische kloof onvolledig. Hij gaat voorbij aan bepalende culturele en institutionele factoren die vormgevend zijn geweest voor het ontstaan en vergroten van die kloof. Dit heeft ook gevolgen voor zijn invulling van het populisme. Door de politieke partij en haar vertegenwoordigende functie centraal te stellen, biedt Jäger bovendien ruimte aan De Dijn om te weerleggen dat de kloof niet bestaat of kleiner is geworden omdat er de afgelopen decennia politiek emancipatoire bewegingen zijn geweest die de vertegenwoordigende democratie inclusiever en representatiever hebben gemaakt. Wordt echter het machtselement centraal gesteld in de analyse van de democratische kloof, dan verliest de representatieve kwaliteit aan betekenis, want zonder macht is representatie slechts symbolisch.

Ten tweede is de binaire uitleg van het populisme die De Dijn hanteert ('niet anti-elitair, wel xenofoob') contraproductief omdat het eventuele verbanden tussen de democratische kloof en het nationalisme onzichtbaar maakt.

Ten slotte leidt de wensdroom van De Dijn dat de Europese aversie tegen de Russische inval in Oekraïne bijdraagt aan het herstel van het collectief geheugen over de gevaren van het nationalisme tot de vraag hoe we het nationalistisch pathos van de dappere Oekraïners dan zouden moeten beoordelen. Wat zijn daar de mogelijke gevolgen van?

DE DEMOCRATISCHE KLOOF: FEIT OF FABEL?

Om de zogenoemde democratische kloof te duiden, kiest Anton Jäger ervoor het zwaartepunt bij de ontzuiling, het vervallen van een sterk geformeerd maatschappelijk middenveld en de ontmanteling van traditionele politieke partijen te leggen. Hoewel dit belangrijke ontwikkelingen zijn in een uitgerekt sociologisch proces van modernisering en secularisering, dat zonder meer vormgevend is voor het hedendaags populisme, gaat het voorbij aan een aantal fundamentele factoren. Eén daarvan omvat een culturele factor die bepalend is geweest voor democratische ontwikkelingen: de naoorlogse politieke cultuur van wantrouwen.

De democratische herstructurering die volgde op het 'trauma van Weimar' – het zogenaamde democratisch falen dat leidde tot de machtsovername van Hitler, de ineenstorting van de Weimarrepubliek en het begin van de Tweede Wereldoorlog ­– was geworteld in een fundamenteel wantrouwen tegenover volkssoevereiniteit, de democratie en vooral de demos. De naoorlogse liberaal democratische orde werd dan ook geboren met een bipolaire stoornis: enerzijds werd de democratie geïdealiseerd, anderzijds werd de democratische 'massa' gewantrouwd en instituties zo vormgegeven dat besluitvorming aan publieke invloed onttrokken werd. Oftewel: het democratisch idee werd geprezen, de democratische realiteit gevreesd. Ook De Dijn wijst op die wantrouwenscultuur in relatie tot democratische vormgeving: 'De naoorlogse democratie was erop gericht om burgers een zo klein mogelijke rol te geven in het politieke proces, en versterkte vooral de macht van elites.'

Wie de ontwikkeling van de naoorlogse liberale democratie en het hedendaagse populisme analyseert, kan deze cultuur van wantrouwen niet veronachtzamen. Het is namelijk de bron van de democratische kloof: in het liberaal democratische model, dat via naoorlogs Europa dominant is geworden, heeft het wantrouwen tegenover volkssoevereiniteit, de democratie en de demos een alsmaar groeiende wig gedreven, niet zozeer tussen 'politiek en beleid', zoals Jäger stelt, maar, fundamenteler, tussen de essentiële componenten van de democratie zelf, tussen demos (volk) en kratos (macht).

Deze democratische kloof is tijdens de naoorlogse democratische wederopbouw moedwillig op drie manieren vergroot:

1/ De invoering van gespecialiseerde constitutionele hoven die als beschermers van de grondwet gezegend werden met finale beslissingsmacht over fundamentele politieke vragen

Een eerste naoorlogse innovatie was de invoering van gespecialiseerde constitutionele hoven die als beschermers van de grondwet gezegend werden met finale beslissingsmacht over fundamentele politieke vragen. Dit betekent dat ongekozen rechters politieke besluiten van democratische vertegenwoordigers mogen wegen, interpreteren en, waar nodig, ongeldig verklaren. Door de vergaande inter-institutionele machtsverplaatsing van parlementen naar gerechtshoven – tijdens de naoorlogse democratische ontwikkelingen is dit vrijwel overal stilzwijgend geaccepteerd – krijgt én neemt de rechterlijke macht een steeds prominentere politieke rol. Er vindt, in de woorden van politicoloog Ran Hirschl, een verschuiving plaats van democratie naar 'juristocratie'. Bij de eerste staat de verbinding tussen burger en politieke besluitvorming centraal, bij de tweede de rechterlijke controle daarop. Anders gezegd: het eerste veronderstelt vertrouwen in burger en politiek, het tweede is gestoeld op wantrouwen.

Met deze innovatie vond er tevens een paradigmaverschuiving plaats waarin de verhouding tussen recht en politiek radicaal werd herzien. Volgens de filosofe Judith Shklar wordt 'politiek niet alleen gezien als iets dat los staat van het recht, maar ook als inferieur aan het recht'. Deze paradigmaverschuiving kreeg gestalte door de groeiende rechterlijke controle op politieke besluiten, door de voortgaande maar gedepolitiseerde Europese integratie (integration through law), en – vooral na de Koude Oorlog – door de verspreiding van het liberaal-democratisch mensenrechten-model naar gebieden met een lage 'democratische geletterdheid' ­– fragiele democratieën, zoals rechtsgeleerde Samuel Issacharoff ze noemt, die in de Europese context gemodelleerd zijn naar de richtlijnen van de Venetië Commissie (ook wel: the European Commission forDemocracy through Law). De dominantie van de 'through law'-terminologie is een expliciete weergave van de paradigmaverschuiving en een indicatie dat het recht in de liberaal democratische orde steeds minder een middel en meer een doel op zich is geworden. De superioriteit van het recht en de toenemende juridificering van politieke vraagstukken heeft tot gevolg dat fundamentele politieke beslissingsmacht bij ongekozen rechters komt te liggen, verder van de burger komt af te staan en de afstand tussen demos en kratos toeneemt.

De toenemende juridificering van politieke vraagstukken heeft tot gevolg dat fundamentele politieke beslissingsmacht bij ongekozen rechters komt te liggen.

2/ De machtsverplaatsing van nationale politieke arena's naar supranationale instanties

Een tweede ontwikkeling die gelijktijdig plaatsvond met en katalyserend werkte voor de juridificering van de politiek, is de machtsverplaatsing van nationale politieke arena's naar supranationale instanties. Ook hier speelt de cultuur van wantrouwen een prominente rol: het Europese project werd enerzijds gevormd door het wantrouwen in de natiestaat en nationale mythes – een gevaar waar De Dijn nu ook voor waarschuwt –, anderzijds, en belangrijker, door wantrouwen in de democratie en democratische besluitvorming. De verwevenheid tussen Europeanisering, constitutionalisering en democratisch wantrouwen wordt ook benadrukt door de politicoloog Jan-Werner Müller, die stelt dat 'West Europese politieke elites een nieuwe en zeer beperkte vorm van democratie verkozen die is ingeprent met een diep wantrouwen' en dat 'Europese integratie een essentieel onderdeel is van het nieuwe 'constitutionele ethos' met zijn ingebouwde wantrouwen tegenover volkssoevereiniteit ­– in feite, mistrouwen zelfs tegenover parlementaire soevereiniteit.'

Dat diepgewortelde wantrouwen vertaalt zich naar een machtsinperking van nationale politieke instituties die onderhevig zijn aan publieke druk en de versterking van supranationale politieke maar vooral juridische en technocratische instanties, die slechts beperkt of helemaal niet open staan voor politieke invloed van burgers. Hoe vergevorderd en geaccepteerd deze machtsverplaatsing inmiddels is, valt bijvoorbeeld af te leiden van de website van de Nederlandse Tweede Kamer waarop staat vermeld dat 'inmiddels meer dan de helft van onze nieuwe wetten het gevolg zijn van Europees beleid.' Let wel: dat is beleid waarop burgers van lidstaten weinig tot geen invloed kunnen uitoefenen. Jean-Claude Juncker, voormalig president van de Europese Commissie, vertaalde die democratische machteloosheid zelfs naar een normatief Europees standpunt: "er kan geen democratische keuze zijn tegen Europese verdragen." Daarnaast gaf diezelfde Juncker nog een procedurele reden waarom democratische verzet tegen Europees beleid moeilijk te realiseren is: "We besluiten iets, laten het dan drijven en wachten enige tijd om te zien wat er gebeurt. Als er geen rumoer is. . . omdat de meeste mensen niet begrijpen wat er is besloten, gaan we door – stap voor stap, totdat het punt is bereikt dat er geen weg terug meer is." Oftewel: met het Europees project is de inperking van de democratische beslissingsmacht van burgers een centrale pijler geworden van Europese democratische ontwikkeling; een pijler waarop nog steeds wordt voortgebouwd.

In tegenstelling tot De Dijn stelt Müller dan ook dat het op wantrouwen gebaseerde democratisch model in recente decennia 'grotendeels intact is gebleven en zich verder heeft uitgebreid.' Op basis van het Europees project en door middel van gedepolitiseerde Europese integratie is de afstand tussen burgers en politieke besluitvorming, tussen demos en kratos, verder toegenomen – van verbinding is soms amper nog sprake. Om die reden pleit nu zelfs de Europarlementariër Sophie in 't Veld – delegatieleider voor de Nederlandse pro-Europese regeringspartij D66 – in de Guardian voor een 'totale herstart' van het 'dysfunctionele' Europese project waarin EU leiders 'te machtig en onverantwoordelijk' zijn en waarin de 'de noodzaak van meer democratie toeneemt.'

3/ De toegenomen afstand tussen burgers en politieke vertegenwoordigers op nationaal niveau

Ten slotte is er ook nog de toegenomen afstand tussen burgers en politieke vertegenwoordigers op nationaal niveau. De oorzaak hiervan kan gevonden worden in de recente ontwikkeling van zogeheten 'diplomademocratieën' en de dominantie van epistemocratische autoriteit. In het boek Diplomademocratie: over de spanning tussen meritocratie en democratie van Mark Bovens en Anchrit Wille wordt een tendens geschetst die kenmerkend is voor de recente ontwikkeling van de liberale democratie: de vrijwel exclusieve toegang tot vertegenwoordigende organen en politieke bestuursfuncties voor hoogopgeleiden. De auteurs beargumenteren dat er de afgelopen decennia een transitie heeft plaatsgevonden van representatieve democratie naar diplomademocratie of meritocratie, een politiek systeem waarin de mate van politieke invloed afhankelijk is van het opleidingsniveau: hoe hoger de opleiding, des te groter de politieke invloed. Dit heeft tot gevolg dat 'laagopgeleiden vrijwel volledig van het politieke toneel zijn verdwenen.'

Laagopgeleiden zijn vrijwel volledig van het politieke toneel verdwenen.

Om de lijn van Anton Jäger te volgen kan dit deels worden toegeschreven aan de ontzuiling en het wegvallen van de massapartij, welke gold als 'een participatiekanaal voor laaggeschoolden.' Het bagatelliseren van de gevolgen van het wegvallen van de massapartij door te verwijzen naar het emancipatoire succes van bepaalde (belangen)groepen en bewegingen, zoals De Dijn doet, maakt blind voor het feit dat die groepen juist vooral bestaan uit hoogopgeleide professionals en dat hun succes de meritocratisering van politieke macht en de positie van hoogopgeleiden verder versterkt. 'Deze nieuwe belangengroepen', stellen de auteurs van Diplomademocratie, 'zijn vrijwel uitsluitend gericht op hoogopgeleide burgers en worden geleid door hoogopgeleide professionals.' Zodoende zien we dat 'meer dan ooit tevoren, sinds de invoering van het algemeen kiesrecht, de democratie gedomineerd wordt door de hoogst opgeleiden.' Een diepe politieke en maatschappelijke breuklijn is het gevolg; niet langs religieuze of ideologische lijnen, maar langs opleidingslijnen. Voor het gros van de bevolking, dat nog steeds laagopgeleid is, is de toegang tot politieke macht op nationaal niveau de afgelopen decennia dus afgenomen, is de representatieve kwaliteit van de democratie verminderd, en is de democratische kloof vergroot.

Een onvermijdelijk gevolg van de dominantie van hoogopgeleiden en de meritocratisering van de democratie – buiten het genoemde representativiteitsprobleem –, is de parallelle opkomst van een nieuwe vorm van autoriteit: epistemocratische autoriteit. Dit houdt in dat politieke autoriteit wordt verbonden aan kennis en expertise, en politieke macht komt te liggen bij de sociale klasse en groep in het bezit van die kennis. Door de overrepresentatie in politieke- en bestuursfuncties van hoogopgeleiden met een 'aangeleerde natuur' om expertise te hoogachten, worden politieke vraagstukken gedepolitiseerd en naar experts doorgeschoven, waarbij de autoriteit van experts doorslaggevend is in de beantwoording van die kwesties. De socioloog Jürgen Habermas spreekt over de 'verwetenschappelijking van de politiek' en de filosoof Giorgio Agamben benadrukt de hegemonie van wetenschappelijke autoriteit in de publieke ruimte. Ook Anton Jäger onderschrijft dat technocratisering een voorname oorzaak is van de kloof tussen 'politiek en beleid'.

Kort gesteld: is de democratische kloof feit of fabel? In tegenstelling tot Annelien De Dijn die claimt dat er van de kloof-thesis 'maar weinig heel blijft,' suggereert bovenstaande dat de democratische kloof niet alleen bestaat, maar dat deze de afgelopen decennia door meerdere ontwikkelingen vergroot is. Hoewel er nu inderdaad 'meer vrouwen en mensen van kleur' in politieke arena's vertegenwoordigd zijn – zonder meer een positieve tendens –, is ze blind voor het feit dat deze 'mobilisatie van gemarginaliseerde groepen' en 'bewegingen rond nieuwe waarden en normen zoals een gezond leefklimaat' hoofdzakelijk uit hoogopgeleiden bestaat – opleidingsniveau meer dan andere factoren is tegenwoordig bepalend voor politieke keuzes en kansen. De stelling van De Dijn dat 'politici juist veel dichter komen te staan bij iedereen die geen witte burgervader is – het grootste deel van de bevolking' is een empirische misvatting omdat het grootste deel van de bevolking – de laagopgeleiden – stelselmatig van politieke macht wordt buitengesloten. Een fundamenteler gemis in haar analyse is echter dat ze zich geen rekenschap geeft van de machtscomponent en dus niet herkent dat de politieke macht van (de volgens haar representatievere) vertegenwoordigende lichamen afgelopen decennia enorm is afgenomen. Door zich alleen op representatie zonder machtsanalyse te richten, gaat ze voorbij aan het feit dat in een parallelle verschuiving de politieke beslissingsmacht juist steeds verder van burgers is komen af te staan. Zonder die politieke macht is zelfs de meest inclusieve vertegenwoordiging niet meer dan symbolisch.

Anton Jäger spreekt daarentegen wel van een 'kloof tussen politiek en beleid' en verwijst naar de ontzuiling en de uitholling van de partijdemocratie als één van de belangrijkste oorzaken. In zijn analyse van de democratische kloof blijft echter een fundamentele culturele component onvermeld: de naoorlogse politieke cultuur van wantrouwen. Deze wantrouwenscultuur is belangrijk omdat het de basis is waarop institutionele innovaties die kenmerkend zijn voor het nu dominante liberaal democratische model zijn gebouwd. Het centraliseren van wantrouwen leidt dan ook tot een andere invulling van de democratische kloof: het gaat om de afstand, niet 'tussen politiek en beleid,' maar, fundamenteler, tussen burgers (demos) en politieke beslissingsmacht (kratos). Vanuit dit wantrouwensperspectief is de democratische kloof niet zozeer de uitkomst van abstracte sociologische processen maar van bewuste vormgevingskeuzes die tot doel hebben gehad politieke beslissingsmacht van burgers te beperken. Dit perspectief kan ons helpen de democratische kloof en de populistische reactie daarop te begrijpen.

POPULISME: XENOFOBIE OF MACHTELOOSHEID?

Politieke impotentie

Belangrijk om te benoemen is dat met de groeiende machtsverarming van nationale politieke instituties en actoren het kernelement van de vertegenwoordigende democratie wordt ontmanteld: politieke verantwoordelijkheid. De primaire vorm van publieke invloed op politieke besluitvorming in representatieve democratieën bestaat uit het controleren en beoordelen van politieke besluiten van vertegenwoordigers, en, waar nodig, het verantwoordelijk houden van vertegenwoordigers voor hun keuzes. Nu de politieke macht toenemend uit vertegenwoordigende lichamen verplaatst wordt (naar rechters, Europa, experts), valt juist dat centrale democratisch mechanisme weg. De existentiële consequentie van het moedwillig verzwakken van dit publieke machtsinstrument is dat de levensader van de vertegenwoordigende democratie wordt doorgesneden. Zonder politieke verantwoordelijkheid wordt de verbinding tussen burgers en politieke beslissingsmacht, tussen demos en kratos, volledig doorbroken.

Zonder politieke verantwoordelijkheid wordt de verbinding tussen burgers en politieke beslissingsmacht volledig doorbroken.

Die ontmanteling ligt ook ten grondslag aan de populistische opmars. Margaret Canovan verwijst in haar bekende paper over het populisme en 'de twee gezichten van de democratie' naar de door de filosoof Michael Oakshott beschreven samenhang van twee politieke stijlen: de politiek van vertrouwen en de politiek van scepticisme. Deze twee tegenstrijdige stijlen zijn volgens hem onafscheidelijk in moderne politiek omdat ze van elkaar afhankelijk zijn: ze houden elkaar in balans. Canovan past deze tweedeling toe op de moderne democratie en herformuleert het als 'de twee gezichten van de democratie:' enerzijds verlossend, anderzijds pragmatisch. De twee gezichten zijn als 'een paar ruziënde Siamese tweelingen, onlosmakelijk verbonden, zodat het een illusie is om te veronderstellen dat je de een zonder de ander kunt hebben.' Het is de spanning tussenbeide die het populisme voedt, welke 'de democratie volgt als een schaduw.'

De balans tussen de politiek van vertrouwen en de politiek van scepticisme is bepalend voor de legitimiteit van het democratisch systeem. De cultuur van wantrouwen, die vormgevend is geweest voor de naoorlogse liberale democratie, heeft geleid tot de eenzijdige institutionalisering van scepticisme en pragmatisme. Zonder de noodzakelijke politiek van verlossing is de democratie 'ontzield', ontkoppeld van haar eigen idealen en beloftes, en verworden tot een machtsmechanisme zonder betekenis. Volgens Canovan werkt die eenzijdige institutionalisering van het sceptisch-pragmatisme ondermijnend voor de democratie zelf. Het creëert fundamentele legitimiteitsproblemen en nodigt uit tot een radicale variant van verlossingspolitiek: populisme.

De democratische kloof is een construct van het scepticisme. Door te kiezen voor een democratie die, aldus Müller, is 'ingeprent met een diep wantrouwen', zijn burgers en politieke beslissingsmacht op steeds grotere afstand van elkaar verwijderd en is de burger komen te lijden aan een specifieke aandoening: politieke impotentie. Politieke impotentie in een democratische samenleving staat voor het onvermogen om effectief invloed uit te oefenen op en deel te nemen aan het formuleren van de normen en structuren waaronder men leeft. Net als fysiologische impotentie kent de politieke variant doorgaans twee uitingsvormen: apathie enerzijds en frustratie anderzijds.

Apathie enerzijds en frustratie anderzijds

Apathie doet zich voor in tijden van relatieve kalmte, wanneer de politieke omgeving vrij is van externe prikkels die opwinding veroorzaken en de wil tot politiek stimuleren. In een politiek systeem waarin politieke beslissingsmacht ontoegankelijk is voor burgers en hun vertegenwoordigers, en democratische activiteit institutioneel wordt ontmoedigt, ontstaat er in tijden van kalmte een algehele terugtrekking van burgers uit het politieke domein. Dat zien we vooral gebeuren vanaf de jaren 1970, waarin de institutionele tendensen worden versterkt door het depolitiserende effect van het neoliberalisme. Anton Jäger wijst hier ook op als hij het sterk afgenomen aantal deelnemers aan verkiezingen of de ledenaantallen van politieke partijen beschrijft. De breedte waarin deze ontwikkeling zich voordoet – in liberale democratieën aan beide kanten van de Atlantische oceaan – is een goede indicator van de vergaande depolitisering die het liberaal democratische model teweeg brengt. Door politieke beslissingsmacht op afstand van de burger te plaatsen, zijn burgers verschoont van de noodzaak tot politieke activiteit en is de politieke taal uit het publieke leven verdwenen. Het is zoals de Poolse schrijver Adam Michnik in de jaren 1980 vanuit een communistische gevangenis schreef: 'Geloof in het vermogen om invloed uit te oefenen op het lot van de samenleving is een absolute voorwaarde voor politieke activiteit.'

Apathie kan echter omslaan in frustratie wanneer externe prikkels toenemen, de wil tot politieke actie wordt versterkt, maar de onmogelijkheid daartoe wordt blootgelegd. Om Canovans tweedeling te herformuleren: in een sceptisch-pragmatische democratie waarin de burger van politieke beslissingsmacht wordt uitgesloten, zijn apathie en frustratie de twee gezichten van de democratie. Met de intreding van de 21e eeuw is het gezicht van de democratie radicaal veranderd. Opeenvolgende crises (banken, vluchtelingen, Euro, klimaat, Covid, Oekraïne) hebben de transitie van apathie naar frustratie aangedreven. Crises zijn namelijk bij uitstek momenten waarop fundamentele politieke vraagstukken het publieke domein binnendringen. Dat zijn vraagstukken die leiden tot beslissingen die het leven van huidige en toekomstige generaties diepgaand beïnvloeden. Wanneer politiek existentieel wordt, neemt ook de wil tot politieke actie toe. Frustratie, zoals gedefinieerd door Oxford Languages, is 'het gevoel van streek of geïrriteerd te zijn als gevolg van het niet kunnen veranderen of bereiken van iets.' Wanneer in liberale democratieën de wil om politiek te presteren toeneemt maar het institutionele vermogen daartoe beperkt blijkt, worden burgers geconfronteerd met hun onmacht en veranderd de primaire politieke impuls van apathie naar frustratie. Of om de terminologie van Friedrich Nietzsche te gebruiken: de directe confrontatie met machteloosheid leidt tot frustratie en ressentiment jegens de instituties en actoren die dit produceren.

Het ware Volk

Politieke impotentie is het substraat voor frustratie en ressentiment, en populisten zijn de politieke belichaming van die sentimenten. Populisten positioneren zichzelf als politieke buitenstaanders die het establishment bestrijden in naam van het volk, en hun belofte is even simpel als populistisch: de macht teruggeven aan het volk. In de nu dominante versie van het populisme krijgt democratische politiek een autoritair karakter. Het mythische Volk wordt gematerialiseerd en wordt begrepen als eenheid, het Volk-als-één, een homogene en moreel gedefinieerde groep met een binnenkant van behoren en een buitenkant van niet-behoren. Deze binnenkant van 'juiste' of 'ware' mensen, zoals politiek theoreticus Nadia Urbinati beweert, wordt niet gezien het geheel te vertegenwoordigen, pars pro toto, maar alleen het authentieke deel, pars pro parte, dat in conflict is met de buitenstaanders. De vriend-vijand-logica die aan deze politieke dynamiek ten grondslag ligt, is vooral gericht op gevestigde politieke machten. In zijn boek De tirannie van verdienste claimt filosoof Michael Sandel dat deze dynamiek in onze tijd vooral gezien moet worden als een klassenstrijd langs opleidingslijnen, een strijd tegen de hegemonie van de meritocratische elite. Het ware Volk handelt bovendien niet rechtstreeks; de volkswil wordt bemiddeld door het medium van de leider die beweert het ware Volk te belichamen en voor ze te spreken. Met andere woorden, de leider vecht tegen het establishment om het te vervangen door zichzelf: de ware stem van het ware Volk. Door dit te doen ondermijnt het Volk-door-Leider, als zelfverklaard moreel rechthebbende op de macht, machtsbeperkende instellingen en wil het, aldus de Franse politiek filosoof Claude Lefort, de 'lege plaats van de macht' in het hart van de democratie innemen.

In het populisme absorbeert de leider de politieke energie van politiek gefrustreerde delen van de samenleving door een wortel van machtsversterking voor te houden aan politiek machteloze burgers. Deze 'democratische' belofte berust veelal op een antipluralistisch, sterk uitsluitingsgezind, op de vijand gericht en leider-gebaseerd meerderheidsbegrip van de representatieve democratie. De vriend-vijand-logica die het aandrijft, dat wil zeggen, de voortdurende behoefte van het volk aan een vijand om zichzelf te identificeren, gecombineerd met een moreel gedreven wil tot macht, creëert een vruchtbare voedingsbodem voor radicale sociale en politieke conflicten. Politieke impotentie, met andere woorden, is het substraat voor frustratie en ressentiment en de reden waarom ogenschijnlijk democratische leuzen als take back control zo'n potent wapen zijn in de handen van populistische – veelal antidemocratische – partijen. Het populistisch wezen is een machteloosheidswezen.

Politieke impotentie is de reden waarom ogenschijnlijk democratische leuzen als take back control zo'n potent wapen zijn in de handen van populistische – veelal antidemocratische – partijen.

De frustratiegedreven queeste naar het Volk en volkssoevereiniteit kan dus ook snel ontaarden in het etnisch nationalisme waar De Dijn op doelt. Haar op de oppervlakte aanvaardbare hypothese dat het wezenselement van het populisme een radicaal nationalisme is, gaat echter voorbij aan diepere verbanden tussen nationalisme en politieke impotentie. Door haar stellingname tegen de democratische kloof mist ze de fundamenten waarop het populistisch succes gebouwd is en ziet ze alleen een bepaalde uitingsvorm daarvan. Elk verlangen naar politieke zeggenschap van burgers – volkssoevereiniteit – leunt op een zekere invulling van het volk (demos) en is noodzakelijkerwijs vastgeklonken aan de natiestaat, waar de politieke macht (kratos) van burgers, de soevereiniteit, traditioneel geïnstitutionaliseerd is. Zo neigt het populisme dus vanzelf naar een zekere vorm van nationalisme, zonder dat dit de wezenskern is. Machteloosheid, niet xenofobie, is de voedingsbodem voor het succes van populistisch-nationalistische partijen. Met haar binaire, elkaar uitsluitende propositie ('niet anti-elitair, wel xenofoob') sluit De Dijn zich jammerlijk af voor de verbanden tussen de democratische kloof en het nationalisme. Behalve dat het incorrect is (feitelijk en moreel) om populistische kiezers in toto als xenofoob te bestempelen, is het vooral contraproductief; door machteloze en gefrustreerde burgers op denigrerende wijze verder buiten spel te zetten (zoals Hillary Clinton met haar uitspraak over deplorables), worden ze in de ontvankelijke armen van populisten gedreven. Sterker nog, zo'n benadering echoot antidemocratische klanken: 'wie het volk als onveranderlijk xenofoob en irrationeel beschouwt', stelt de socioloog Frank Furedi, 'trekt het hele idee van volkssoevereiniteit en publieke instemming als de grondslag van bestuur in twijfel.' Een waarschuwing is hier dus op zijn plaats: wie blind is voor de kloof, kan diep vallen.

Maar in het formuleren van contraproductieve stellingen staat De Dijn zeker niet alleen. In deze periode van toenemende sociaal-politieke frustratie lijkt de democratie te zijn gevangen door een valse tegenstelling tussen twee democratie-verstikkende maar elkaar versterkende alternatieven: anti-pluralistisch of illiberaal populisme en paternalistisch of autoritair liberalisme. Wat we zien is dat het liberalisme zich in de strijd tegen het populisme al snel van zijn minst democratische kant toont. Sinds politiek filosoof Karl Löwenstein tijdens het Interbellum zijn invloedrijke tweeluik over 'democratische weerbaarheid' schreef, is de geïnstitutionaliseerde reflex van de macht in de liberale orde om op momenten van populistische gevaar uit een diepgewortelde angst voor het 'emotionalisme' van de burger het laatste beetje vertrouwen in de democratie op te zeggen. De geschiedenis laat dan ook zien dat populistische neigingen overwegend beantwoord worden met ondemocratische tegenbewegingen. Zo wordt de politieke macht van burgers onder de rechtvaardigende deken van democratische zelfbescherming verder geneutraliseerd, verplaatst naar democratisch ontoegankelijke instituties met vergaande bevoegdheden om op bepaalde punten 'de democratie onder curatele te stellen.'

Maar wie zo'n 'oplossing' nu aandraagt, heeft het probleem niet goed begrepen. Deze paternalistische en top-downbenadering, die volgens staatsrechtkundige Michael Wilkinson binnen het 'autoritair liberalisme' past, zal de populistische sentimenten alleen maar versterken. Het gevolg is een vicieuze cirkel tussen ondemocratische liberale en illiberale populistische neigingen, waarin beide kanten beweren de democratie ter harte te nemen maar uiteindelijk vooral pogen de 'lege plek van de macht' te bezetten. Het leidt tot een politieke loopgravenoorlog waarin de democratie al haar betekenis verliest.

De duurzame oplossing, hoewel contra-intuïtief in een context van politieke frustratie, zou niet minder maar juist méér democratie behelzen. Om tot die conclusie te komen zal wel eerst het verband tussen het naoorlogse wantrouwen en Oakshotts politiek van scepticisme, de groeiende democratische kloof en het populisme erkent dienen te worden. Dat wil zeggen, erkennen dat populisme in de kern een politiek van machteloosheid is – een machteloosheid die niet uit zichzelf is ontstaan maar het gevolg is van bewuste vormgevingskeuzes die kunnen worden veranderd. Op die basis kan dan ook worden nagedacht over een positief politiek alternatief – het populisme maakt een einde aan de mythe van alternatiefloosheid – voor de nu zo vruchteloze polarisatie tussen liberaal paternalisme en populistisch antipluralisme – beide uitingen van wantrouwen. Om de woorden van Sophie in 't Veld nog maar eens te gebruiken, dit zou betekenen een 'totale herstart'.

Hoe we de democratie beschouwen is een weergave van hoe we over de mens denken. Tijd, dus, voor een democratie van vertrouwen. Vertrouwen in politiek, conflict en onenigheid, in de machtsversterking van instituties die politiek conflict faciliteren en mediëren, in interactie en medezeggenschap, in een dynamische politieke constellatie waarin ruimte is voor experimenten en fouten, en waarin vooral het vertrouwen in burgers als politieke subjecten centraal staat, die ongeacht sociale positie – of beter: sociale klasse – serieus nemen en genomen worden, en via democratische kanalen en bemiddelingsinstituties effectief invloed kunnen uitoefenen op het formuleren van de normen en structuren waaronder men leeft.

TUSSEN GOED EN KWAAD: NATIONALISME IN RUSLAND EN OEKRAÏNE

Met die kritiek op de stelling dat het populisme te reduceren valt tot een radicaal nationalisme, komen we bij het laatste deel van de beschouwing. Hierin waarschuwt Annelien de Dijn voor een tanend collectief bewustzijn over het nationalistisch gevaar en hoopt ze dat de Russische inval in Oekraïne dit bewustzijn kan versterken: 'De Tweede Wereldoorlog – die het gevaar van extreem nationalisme op dramatische wijze illustreerde – ligt ondertussen 77 jaar achter ons. Er zijn steeds minder mensen die nog een actieve herinnering hebben aan deze periode, en de lessen die Europa toen leerde, verdwijnen steeds verder uit ons collectieve geheugen. Misschien zal de Russische inval in Oekraïne – die eveneens op conto van extreem nationalisme geschreven kan worden – het morele failliet van deze ideologie weer in herinnering brengen, en dus de voedingsbodem voor de nationalistische heropleving verminderen.'

Plaats die hoop – dat het extreem nationalisme van de Russen 'het morele failliet van deze ideologie' weer in herinnering brengt – eens in het licht van de dappere strijd die de Oekraïners leveren, en vraag je af wat aan hun verzetshouding en succes ten grondslag ligt. Inderdaad: Oekraïners vechten voor hun bestaansrecht als natie, voor hun soevereiniteit als staat, voor hun voortbestaan als natiestaat. Het is voor de kosmopoliet misschien moeilijk voor te stellen, maar elke dag opnieuw vechten en sterven Oekraïners voor volk en vaderland. Wat deze oorlog dagelijks toont, is dat nationalisme en patriotisme absolute voorwaarden zijn voor het succes van de Oekraïense strijd. En wat de Oekraïners in herinnering brengen, is dat de nationale ideologie verre van failliet is. Ook de liberale denker Yasha Mounk verwijst naar de strijd van de Oekraïners en onderstreept het belang, de noodzaak zelfs, van een mate van nationalisme en patriotisme voor een samenleving. Wie de realiteit van deze oorlog slechts eenzijdig belicht – het kwade Russisch nationalisme – zou inderdaad kunnen hopen dat de westerse afkeer daarvan helpt 'de nationalistische heropleving te verminderen.' Wie echter ook de andere kant van de medaille bekijkt – het goede Oekraïense nationalisme – zou een dubbelzinnige en tegenstrijdige ontwikkeling zien waarin het 'slechte' nationalisme de 'nationalistische opleving vermindert', maar het 'goede' nationalisme die heropleving juist versterkt.

Wat er vanaf het eerste begin van de oorlog in Oekraïne door het Westen, en dan vooral Europa, gepoogd is, is om de Oekraïense strijd te 'vereuropeaniseren'. De Britse historicus Timothy Garton Ash schreef in de Guardian bijvoorbeeld over een heroïsche strijd voor "de fundamentele waarden van menselijke waardigheid, vrijheid, democratie en mensenrechten, zoals vastgelegd in artikel 2 van het Europese Verdrag." In Foreign Policy riep de invloedrijke geschiedkundige Timothy Snyder de EU op om Oekraïne_ _direct lidmaatschap aan te bieden aangezien de Oekraïners hun levens in de waagschaal leggen om Europese waarden te verdedigen. Westerse politici liepen over van steunbetuigingen voor de Oekraïense strijdlustigheid, omdat ze zich hard maakten voor 'onze' verlichtingswaarden, en in Brussel benadrukte de President van de Europese Commissie keer op keer dat 'Oekraïne onze waarden deelt.' Maar wie die uitspraken naast de verslagen van het front, de interviews met achtergebleven burgers, of de verhalen van terugkerende soldaten plaatst, die beseft dat er tussen het abstracte Europese narratief en de nationalistische drijfveren van Oekraïners op de grond een fundamentele waardenbotsing plaatsvindt. Met de steun aan de Oekraïense soevereiniteitsstrijd draait de EU zich – onbedoeld – in een ongemakkelijke ideologische knoop.

Vanaf haar genesis heeft de Europese gemeenschap als existentiële doelstelling om nationale sentimenten te temperen.

Vanaf haar genesis heeft de Europese gemeenschap als existentiële doelstelling om nationale sentimenten te temperen. Na twee wereldoorlogen werd er voor het groeiende wantrouwen tegenover de natiestaat en het nationalisme in Europa een oplossing gevonden: door staten economisch, juridisch en politiek met elkaar te verweven en van elkaar afhankelijk te maken, en ze in een overkoepelend geheel te integreren als ondergeschikt aan een hogere Europese autoriteit, zouden landsgrenzen vervagen, nationale soevereiniteit verzwakken, nationale identiteiten vertroebelen, en zouden ook de nationale sentimenten worden getemperd. Na het Europese 'zie je wel'-moment van de Balkan oorlog kwam die fundamentele transitie in een stroomversnelling. Zo transformeerde binnen enkele decennia een gemeenschap van nationale (lid)staten in een post-nationale waardengemeenschap. Het Europese project hoopte de natiestaat met haar nationalistische sentimenten uit het collectieve geheugen te wissen.

Het succes van dat project is echter niet zozeer afhankelijk van institutionele verandering maar van de kracht van de Europese mythe. De antropoloog Benedict Anderson stelde in zijn klassieker Imagined Community dat elke gemeenschap, waarin het direct contact tussen haar leden overstegen wordt, ontstaat en wordt samengehouden door selectieve verhalen, mythes en tradities die de leden in staat stellen onderlinge verbanden in te beelden. Anderson refereerde destijds voornamelijk aan de natiestaat en het nationalisme, maar een halve eeuw later is de Europese mythe het dominante narratief geworden. Gaandeweg werd het romantisch nationalisme ingeruild voor het Euromanticisme: de mythe van een grootse, gedeelde Europese geschiedenis, het verhaal van Europa als bakermat van de westerse beschaving, een gemeenschap, niet van bloed en bodem, maar van gedeelde abstracte waarden en verlichtingsidealen. De natiestaat werd afgedaan als fictie; Europa is de realiteit.

De oorlog in Oekraïne zet de verhouding tussen de twee mythestructuren, het Euromanticisme en het nationalisme, op scherp. Want ondanks verwoede pogingen de Oekraïense strijdvaardigheid in het grotere Europese verhaal te integreren, wordt de EU door de Russische invasie gedwongen om zelf het narratief (en belang) van de nationale soevereiniteit te onderstrepen. Het ongemakkelijke gevolg van de Europese bewondering voor en steun aan de Oekraïense dadendrang is dat daarmee tevens de existentiële, nationalistische tegenpool wordt bekrachtigd. En deze mythevermenging heeft een weerslag op de reeds hooggespannen interne verhoudingen in de EU.

In Polen, Hongarije en Tsjechië, bijvoorbeeld, luistert men aandachtig naar de Europese 'doublespeak'. Dit zijn landen die – net als Oekraïne nu – kort voor hun Europese toetreding in een nationale onafhankelijkheidsstrijd verwikkeld waren. Vrijwel meteen nadat hun onafhankelijkheidsrevoluties de Sovjetoverheersing beëindigden, werd de zo verlangde nationale soevereiniteit weer opgegeven voor een 'terugkeer naar Europa' – het welbekende adagium waarmee het Euromanticisme door intellectuele verzetsleiders uitgedragen werd. De combinatie van krachtige nationale mythes die nodig waren voor een succesvolle onafhankelijkheidsstrijd met de korte periode van daadwerkelijke nationale soevereiniteit, maakt begrijpelijk waarom het nationalisme vooral in deze landen zo is blijven na-echoën. Het verklaart ook waarom juist zij met de EU in een existentiële clinch liggen over de kwaliteit van de rechtsstaat en de suprematie van Europees recht, met het soevereiniteitsvraagstuk als dieperliggend thema.

De Oekraïense strijd heeft binnen Europa tot een abrupte narratieve kentering geleid die vooral de nationalisten onvoorziene mogelijkheden biedt. Tot hun tevredenheid staan termen als nationale soevereiniteit en trots ook weer in het Europese dictionaire. Door materiële en morele steun aan de soevereiniteitsstrijd in Oekraïne wordt de nationale mythe paradoxaal genoeg door haar existentiële rivaal bekrachtigd. Die bekrachtiging zal door sommigen in Europa worden opgevat als legitimatie van het eigen nationale narratief.

De eenzijdige benadering van het Russisch nationalisme door Annelien de Dijn is een weergave van het ongemak waarmee Europeanen met het Oekraïens nationalisme omgaan. Het belang van nationale mythes in het succesvolle Oekraïense verzet – in het Westen toch ook met bewondering gadegeslagen – ondergraaft het door De Dijn verklaarde 'morele failliet' van deze ideologie. De wensdroom van De Dijn dat de Russische invasie 'de voedingsbodem voor de nationalistische heropleving kan verminderen' is dan ook vooral een product van haar eenzijdige benadering en geen weergave van de dubbelzinnige realiteit. Het gaat voorbij aan zowel het existentieel belang van het nationalisme voor succesvol Oekraïens verzet alsook de ongemakkelijke ideologische knoop die de steun aan de nationale soevereiniteitsstrijd voor Europa veroorzaakt en de tegenkrachten die dit mogelijk onbedoeld aanwakkert.

Tussen goed en kwaad staat het nationalisme. Wat de oorlog in Oekraïne ons kan leren, zoals ook de liberale politicoloog Yasha Mounk betoogt, is dat het misschien tijd wordt om de emotionele aantrekkingskracht van het nationalisme niet door de antidemocraten uit te laten buiten'.

Het derde deel, 'Tussen goed en kwaad: Nationalisme in Oekraïne en Rusland', is gebaseerd op een ongepubliceerde tekst geschreven in samenwerking met Matija Luji.*

BIBLIOGRAFIE

Anton Jäger, 'We leven in een tijdperk van hyperpolitiek', SamPol Magazine, april 2022, https://www.sampol.be/2022/04/we-leven-in-een-tijdperk-van-hyperpolitiek.

Annelien De Dijn, Radicaal-rechts: niet anti-elitair, wel xenofoob, sampol.be, 22/4/2022, https://www.sampol.be/2022/04/radicaal-rechts-niet-anti-elitair-wel-xenofoob.

Abonneer je op Samenleving & Politiek

abo
 

SAMPOL STEUN

50€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
  • Je krijgt een SamPol draagtas*
MEEST GEKOZEN

SAMPOL COMPLEET

40€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
 

SAMPOL KORTING

30€/jaar (-25j en +65j)

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
 

SAMPOL ONLINE

30€/jaar

  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief

Het magazine verschijnt 10 keer per jaar; niet in juli en augustus.
Proefnummer? Factuur? Contacteer ons via info@sampol.be of op 09 267 35 31.
Het abonnementsgeld gaat jaarlijks automatisch van je rekening. Het abonnement kan je op elk moment opzeggen. Lees de Algemene voorwaarden.

Je betaalt liever via overschrijving?

*Ontdek onze SamPol draagtas.