Abonneer Log in

Mag er nog sociaal overleg en syndicale actie zijn?

  • Rik Vancoillie - Ex-coördinator vorming BBTK Federaal en medeorganisator Gentse Feesten Debatten

Samenleving & Politiek, Jaargang 30, 2023, nr. 8 (oktober), pagina 33 tot 41

Het is zorgwekkend hoe vandaag het sociale onderhandelingskader wordt afgebouwd en het gebruik van syndicale macht wordt beperkt. Als de rechtsgrond op sociale actie wordt afgebouwd, dan wordt ook de democratie uitgehold.

We zijn er in geslaagd om, binnen het kapitalistisch bestel, tegen de wetten van dat bestel in enkele bevrijdende systemen te installeren: de sociale zekerheid en het sociaal overleg. Twee systemen die boven de individuele afhankelijkheid uitstijgen. Ze komen voort uit de bevrijdende sociale praktijk. Het belang van sociaal overleg en syndicale actie heeft alles te maken met verdeling van de welvaart. Democratie zonder economische democratie is half werk, zo niet onmogelijk. De vakbonden vormen een belangrijke en noodzakelijke tegenmacht. Sociaal overleg wordt echter moeilijk als het onderhandelingskader bruusk of sluipenderwijs de werkgeversbank 'voorsprong' en 'speelruimte' geeft. Hoog tijd om de verschuivingen in kaart te brengen.

TWEE 'SYSTEMEN' BINNEN HET KAPITALISME

Via jarenlange strijd van de arbeidersbeweging zijn twee collectieve 'systemen' tot stand gekomen om de verdeling en de herverdeling van de geproduceerde rijkdom te regelen. Het zijn veroveringen en reguleringen binnen de kapitalistische markteconomie. Het eerste is het overlegsysteem, waarbij een deel van de groei van de toegevoegde waarde kan worden toebedeeld (onderhandeld, afgedwongen) aan de werknemers in de vorm van loonopslag. Het tweede systeem is de sociale zekerheid, waarbij iemand om redenen van ouderdom, ziekte, werkloosheid, niet (meer) werkt en daarom recht heeft op een vervangingsinkomen; en waarbij er aanvullende uitkeringen zijn bij extra kosten voor kinderen en gezondheidzorg. De 'overeenkomst tot sociale solidariteit' die op 24 april 1944 tot stand kwam (meestal afgekort tot Sociaal Pact), gaf deze systemen een welbepaalde plaats in de maatschappij, als instrumenten van regulatie en pacificatie.

Het systeem van overleg impliceert dat de vakbonden kunnen onderhandelen over een deel van de toename van de 'koek', maar (helaas) niets te zeggen hebben over de 'bakkerij' zelf. In 1954/1959 werd hierover zelfs een regeling afgesloten: de 'Gemeenschappelijke verklaring over de produktiviteit'. Vakbonden en werkgeversorganisaties sloten een akkoord over de koppeling van de loonsverhogingen aan de productiviteitsstijgingen. De loonopslag werd echter ook in de jaren 1960 niet automatisch toegekend. Er was sociale actie voor nodig, telkens weer. Dat er met de bakkerij zelf iets aan de hand was, blijkt uit het interessante congresboek van het ABVV, Holdings en Economische Democratie, uit 1956. Toen de economie begon te sputteren omdat in de traditionele sectoren te weinig werd geïnvesteerd, schoof de regering-Eyskens III de factuur door naar de werknemers. De zogenaamde Eenheidswet, die het signaal zou geven tot de staking van 1960-1961, leest als een kookboek waaruit rechts-liberalen nog steeds recepten putten: meer indirecte belastingen (voorloper BTW), invoeren van een staat van behoefte vóór men uitkeringen krijgt, controle op werklozen, besparing op de ziekenzorg en hervorming van het statuut (lokaal) overheidspersoneel.

De verzekering voor de oude dag, de kinderbijslagkassen, de uitkeringen van ziektekosten door de mutualiteiten en de werkloosheidskassen van de vakbonden waren al gefinancierd door bijdragen van werknemers en werkgevers, en ook nog gebufferd met toelagen van de overheid. De 'Besluitwet over de sociale zekerheid' van 28 december 1944 integreerde de verschillende takken tot één systeem. De kenmerken van het systeem waren, en zijn, collectief en solidair. De bijdragen van werknemers en werkgevers zijn 'verankerd' in percentages van het brutoloon die in de pot worden gestort. In de beheersorganen van de verschillende takken van het systeem zetelen vertegenwoordigers van de patronale organisaties en van de arbeidersbeweging. De bijdragen van de werkgevers behoren tot het loonaandeel in de toegevoegde waarde. De werkgevers benoemen dit als de totale loonkost, het geheel dat ze aan een werknemer moeten 'afstaan' om die te laten werken. Door de socialistische vakbond wordt overigens de term 'uitgesteld loon' voor de Sociale Zekerheid gebruikt, waarmee het eigenaarschap over het totale loonaandeel wordt aangeduid. Toch kregen de werknemers nooit het volledige beheer. Een machtsdeling is ingebouwd in het systeem.

Over de twee systemen, dat van overleg en van sociale zekerheid, is er tot op heden voortdurend strijd geweest.

Over de twee systemen, dat van overleg en van sociale zekerheid, is er tot op heden voortdurend strijd geweest. Zowel de werkgevers als de werknemers willen er hun belangen mee realiseren. Wie als politicus het overleg en de sociale zekerheid niet binnen deze klassenstrijd situeert, maakt rare sprongen in zijn/haar analyse en standpunten.

SOCIALE GESCHIEDENIS VAN BELGIË

Een (her)lezing van de arbeidersgeschiedenis, met aandacht voor de momenten van strijd, geeft aanknopingspunten voor de bespreking van de verschuivende krachtsverhoudingen. Ik grijp terug naar een aantal sleutelmomenten.

Jaren 1970

In het jaar 1976 lanceerde de regering-Tindemans II (CVP/PSC-PVV/PLP) een herstelwet om een 'soberheidsbeleid' te voeren, met een aanval op de loonindexering en sociale zekerheid. De vakbonden organiseerden vrijdagstakingen in 1977 en de regering kwam ten val. De jaren voordien werd de bevolking een framing voorgehouden over de 'oliecrisis' en over de 'inflatie'. De algemene economische stilstand werd eenzijdig gelinkt aan de petroleumschaarste (1973), georganiseerd door 'de Arabieren' (in beschaafde termen, de OPEC-landen). Dat er een prijzenslag (verhoging) bezig was, georganiseerd door de 'zeven zusters' (de grote petroleummaatschappijen) kwam weinig aan bod; enig 'ingebouwd racisme' werkt wel… De opkomende crisis had trouwens hoofdzakelijk te maken met de winstvoet die daalde, waardoor de economische activiteit stilviel. Een tweede framing betrof de inflatie (prijsstijging) die steevast werd gelinkt aan de te hoge lonen (1975). De ontmaskering kwam er toen bleek dat de prijsvorming te maken had met de monopoliepositie van de grote ondernemingen, die er op die manier in slaagden om hun cash-flow te vergroten en een 'oorlogskas' aan te leggen. Ondanks deze ontmaskering werden toch de loonstijgingen verder bestreden. Inderdaad, er valt enige parallel op met vandaag.

Jaren 1980

Eén van de vele regeringen van premier Martens, namelijk de regering-Martens V met christendemocraten en liberalen, kreeg volmachten en lanceerde in 1983 en 1984 een 'loonmarge'. Het gaat de geschiedenis in als de 'Poupehan-consensus'. Alfons Verplaetse (NBB), Jef Houthuys (ACV), Hubert Detremmerie (BAC, de spaarkas van de christelijke arbeidersbeweging) en Wilfried Martens (CVP) smeedden een plan om de economie te redden. Ondanks het uitblijven van bijkomende arbeidsplaatsen volhardde Martens met een 'spaarplan'. In 1984 volgde een algemene staking tegen dit deflatoire beleid. In 1982 en 1984 werden trouwens jongerenmarsen voor zinvol werk georganiseerd. De regering-Martens V liet drie keer de indexering niet doorgaan: in 1984, 1985 en 1986. Een loonverlies van 6 à 7%, dat nooit meer is goedgemaakt. Een volgende regering, de regering-Martens VIII (CVP/PSC-SP/PS), lanceerde op 6 januari 1989 de 'wet tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen'. Met deze wet werd de loonontwikkeling losgekoppeld van de stijging van de productiviteit en brak men met de 'Gemeenschappelijke verklaring over de produktiviteit' van 1954/1959.

Jaren 1990

In 1993 wilde de regering-Dehaene I (CVP/PSC-SP/PS) eens 'klappen' met de vakbonden over een sociaal pact met loonblokkering. De term sociaal pact gebruikte Dehaene als lokmiddel, verwijzend naar het verdelings- en herverdelingscompromis van 1944. De Maastrichtnormen moesten immers worden gehaald voor Europese economische eenmaking. De vakbonden pikten de loonblokkering niet, waarna Dehaene dan maar het 'Globaal Plan' lanceerde. In dat plan werd een loonstop ingevoerd (in 1994, 1995 en 1996), net als de invoering van de gezondheidsindex, 'loonlasten'verlagingen en besparingen in de sociale zekerheid. De vakbonden organiseerden een grote staking op 26 november 1993, waarna het plan 'licht aangepast' werd goedgekeurd in het parlement op 15 december 1993. Een paar jaar later, in 1996, wilde de regering-Dehaene II (CVP/PSC–SP/PS) een 'toekomstcontract' sluiten. De regering gaf echter geen garanties voor de werkgelegenheid en de vakbond wees dit dan ook af. De regering kreeg volmachten, en de wet van 26 juli 1996 over de loonmarge werd een feit. Het woord 'loonhandicap' is alomtegenwoordig. Vanaf dan wordt 'alternatieve verloning' (maaltijdcheques, delen in de winst, groepsverzekering, enzovoort) door de werkgevers gretig gebruikt om individuele en flexibele 'incentives' te geven bij het halen van 'targets'.

HET BELANG VAN BEELDENSTRIJD EN MATERIËLE STRIJD

Waarom bovenstaand historisch overzicht? Omdat bewustzijn over de sociale situatie en overtuigd zijn dat er een alternatief bestaat, nodig zijn om syndicale strijd te kunnen voeren. Er zijn verschillende mechanismen waardoor 'vals' bewustzijn tot stand komt en in stand gehouden wordt. Daardoor neemt de hoop af. Dit bewustzijn heeft zowel ideologische als structurele determinanten. Vandaar het belang van de combinatie van beeldenstrijd en materiële strijd.

Beeldenstrijd speelt een grote rol doorheen de drie bovenstaande historische schetsen. De gebruikte woorden doen er dus toe. Jan Blommaert heeft er steeds op gehamerd. Daarom moet er een voortdurende bewustzijnsoorlog gevoerd worden, om met de term van Jaap Kruithof te spreken. Ideologisch verwarring zaaien, beïnvloedt het bewustzijn. De legitimering van een rechts-liberaal maatschappijbeeld wordt aangeleerd: Spaarplan, Soberheid, Sociaal pact (versie Dehaene), Toekomstcontract, Loonhandicap, ga zo maar door. Er is weerwerk nodig. Waarom niet met goed onderbouwde oneliners: 'Onze arbeid maakt de welvaart', 'We want our money back', 'Lage lonen creëren geen jobs'. Uiteraard speelt syndicale vorming in de praktijk en daarnaast, 'los van de werkdruk', een belangrijke rol. Weerwerk vereist eigen syndicale analyse en doelstellingen. Dit geeft houvast in gesprekken en discussies.

Materiële strijd is evenzeer van belang. Uit de recente geschiedenis blijkt dat collectieve systemen worden afgebouwd – met verarming tot gevolg – en dat het individu aan zijn lot wordt overgelaten. De concrete leefomstandigheden doen er dus toe. Daarom is er permanente sociale strijd nodig. Door de afbouw van collectieve systemen (sociale zekerheid, sociaal overleg, controle op werktijden, barema's, indexering), wordt de situatie van de mensen globaal slechter. Het leidt tot zelfbehoud en individuele strategieën, en zorgt ervoor dat het vertrouwen in collectieve en solidaire oplossingen daalt. De 'starve the beast'-strategie van rechts (zorg ervoor dat het niet meer werkt) heeft effect. Met het ABVV realiseren we naast het behoud ook verbeteringen die een concreet tegengewicht bieden: betere werkomstandigheden, behoud van indexering, verbetering van sociale uitkeringen en pensioenen. Stuk voor stuk zaken waar we fier over moeten zijn. Het is belangrijk om deze realisaties en strijdpunten in de verf te zetten. Het is evenzeer belangrijk dat er strijd geleverd wordt voor behoud en verbetering van goede arbeidsvoorwaarden en degelijk inkomen.

KRACHTSVERHOUDINGEN ZIJN DE ESSENTIE

Het woord 'krachtsverhoudingen' is in onbruik geraakt. Gekoppeld aan klassenstrijd werd het nogal uitgerangeerd, samen met het streefdoel socialisme. Verdeling en herverdeling gaan over macht. De mechanismen van het kapitalisme leiden er niet automatisch toe dat de werknemers een groter deel van de meerwaarde krijgen. Goed dat de geschiedenis leert dat krachtsverhoudingen dynamisch zijn. Geen plaats dus voor defaitisme. Aan de arbeidersbeweging om de voorwaarden om te kunnen overleggen en actievoeren op te eisen, te verankeren, te organiseren. Zowel de politiek-sociale context als de werking van vakbonden zijn belangrijke determinanten.

De macht van de werkgevers en de ondernemingen is structureel. Er wordt invloed uitgeoefend zonder 'actie'.

Het beeld dat enkel de vakbond macht gebruikt, is dus vals. De macht van de werkgevers en de ondernemingen is structureel. Dat wil zeggen dat er invloed wordt uitgeoefend zonder 'actie'. Vanuit de macht van het bezitten van de productiemiddelen beslissen de grote ondernemingen over de 'bakkerij', over de manier van produceren. Denk maar aan chanteren met de delokalisatie van productie-eenheden of het speculeren met kapitaal 'tegen' de nationale banken. De georganiseerde verwevenheid met de tentakels van bepaalde politieke partijen is zeer groot. Steeds weer moet men uitleggen dat ook de werkgevers 'gesyndiceerd' zijn in hun federaties en belangengroepen. Met andere woorden, werkgevers vinden ook hun macht in voortdurend lobbywerk. Dat doen ze evengoed door hun netwerken met de gevestigde media aan te spreken, om op die manier de beeldenstrijd naar hun hand te zetten. Gezien deze enorme macht van het patronaat, is de vakbond 'verplicht' om naast overleg en onderhandelingen ook tegenmacht op te bouwen en te gebruiken. De basis hiervan is de georganiseerde werknemersklasse. Onze wapens: ontmaskeren en demonstreren, confrontatie met artikels uit het arbeidsrecht, gebruik maken van sociale inspectiediensten, uitoefenen van economische druk via staking, enzovoort.

ZORGWEKKENDE POLITIEK-SOCIALE CONTEXT

Over de politiek-sociale context waarin de syndicale aanpak zich situeert, kunnen we twee vaststellingen maken. Een. Het onderhandelingskader, dat werkte, wordt vandaag subtiel afgebouwd of aangetast. Twee. Het gebruik van syndicale macht wordt verhinderd en beperkt.

Het onderhandelingskader wordt afgebouwd

Er wordt te weinig aandacht besteed aan het onderhandelingskader wanneer we de sociale actie van de vakbond beter willen begrijpen. De mogelijkheden die men heeft bij onderhandelen, vloeien niet zomaar voort uit menselijke competenties. Het speelveld en de regels kunnen één van de sociale 'gesprekspartners' benadelen.

Sinds de wet van 1996 beperkt de juridische bovenbouw de marge voor loononderhandelingen. De regering-Michel heeft deze wet, ten nadele van de vakbonden, nog verstrengd. De marge voor opslag is zeer strikt vastgelegd en er kunnen bovendien correcties worden opgelegd. De onderhandelingen die sectoraal en per bedrijf gebeuren, zijn dus niet vrij van institutionele en juridische dwangmiddelen. Het onderhandelingskader dat door deze wet is opgelegd, verwijst niet meer naar de verdeling van de productiviteitswinst. De meter is veranderd. Er wordt niet getoetst aan de toegevoegde waarde, die toeneemt, in de economie. Men vergelijkt de lonen op zich, als enige variabele, met die van andere landen. De juridische bovenbouw heeft ook 'gebrekkige' wettelijke regelingen rond contracten en ontslag. De uitholling van het vaste contract van onbepaalde duur via systemen als flexi-jobs, interim, schijnzelfstandigheid, steeds meer uren studentenarbeid, geeft de werkgevers een financieel voordeel en manoeuvreerruimte die met onderhandelingen moeilijk kan worden gecounterd. Het (collectief) ontslag door werkgevers of onderhandeling over herstructurering wordt omzeild door allerlei vormen van franchising. Het Delhaize-debacle is daar een voorbeeld van. Maar het fenomeen is in andere sectoren al gretig toegepast. De financiële sector is er één van. Een liberaal kopstuk kwam op de nationale zender doodleuk verklaren dat er in deze geen extra sociale wetgeving nodig is. De werknemers zijn al voldoende beschermd.

Een ander – minder bekende – institutionele verandering is de uitholling van collectieve, solidaire regelingen, sociale wetgeving en collectieve arbeidsovereenkomsten. We vernoemen enkele mechanismen: de promotie van variabele verloningsvormen, het mogelijk maken van individuele beslissingen over arbeidsduur & overwerk, en voor bepaalde voordelen het afsluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten niet meer in de wetgeving voorziet. Bij elk syndicaal dossier botsen we op deze institutionele uithollingen. We weten dat bepaalde denktanks klaarstaan met plannen om met een aantal 'ingrepen' de onderhandelingsmacht verder te breken. Hier gaat ook ideologische massage aan vooraf. Daarbij wordt de leugen niet geschuwd, namelijk dat onderhandelen op bedrijfsniveau, of zelfs individueel niveau, een goede zaak is. Tweehonderd jaar sociale geschiedenis aan de kant zetten… het kan. Het Belgische systeem van CAO's voorziet dat werknemers in alle sectoren, uit grote en kleine ondernemingen, beschermd zijn via federale en sectorale regelingen. De dekkingsgraad is in ons land ruim 90%. Om maar iets te zeggen: hierdoor hebben zowat alle werknemers recht op indexering van het loon. Collectieve regelingen terugschroeven leidt tot individuele afhankelijkheid.

Zinnen zoals 'het sociaal overleg is dood' versluieren de vraagstelling over de krachtsverhoudingen.

Zinnen zoals 'het sociaal overleg is dood' versluieren de vraagstelling over de krachtsverhoudingen. Het 'sociaal overleg' is immers geen ding op zich. Er is nooit sprake geweest van een harmonische relatie. Het gaat over een verhouding tussen de eigenaars van de productiemiddelen en deze die hun arbeidskracht moeten verkopen. Als de mogelijkheden van het overleg worden geregisseerd in functie van het kapitaal, dan valt er de vakbonden geen onwil tot onderhandelen te verwijten. Volgens een handboek Onderhandelen kan je twee zaken doen bij een ongelijke machtsbalans: eraan sleutelen of veranderen van strategie.

Het gebruik van syndicale macht wordt beperkt

Het gebruik van syndicale macht gaat over een viertal zaken: organisatierecht, stakingsrecht, piketrecht en demonstratierecht.

Een. Het organisatierecht heeft te maken met de mogelijkheden om aanwezig te zijn in de onderneming en het kunnen contacteren, raadplegen en mobiliseren van het personeel. De wettelijke teller om sociale verkiezingen te houden staat nog steeds op 50 werknemers, hoewel oorspronkelijk 20 voorzien was. Dat betekent nog steeds dat in de helft van de ondernemingen geen wettelijke vertegenwoordiging van de vakbond aanwezig kan zijn. Er kunnen in bepaalde sectoren wel syndicale afgevaardigden worden aangesteld. We merken dat de werkgevers maar al te graag de werknemers afschermen van de vakbond. Hoog tijd dus dat de vakbonden de werknemers nog beter kunnen vertegenwoordigen. Dat is een onderdeel van de deal in het oorspronkelijke sociaal pact. De mogelijkheid tot contact via elektronische weg mag daarom geen alleenrecht van de werkgever zijn. Dit recht op vertegenwoordiging is zeker geen aanslag op de bescherming van het privéleven van de werknemer. De werknemer afschermen van de vakbond door werkgevers is bescherming van de patronale macht. Sterke syndicalisatiegraad leidt immers tot minder sociale ongelijkheid, betere verloning, enzovoort.

Twee. Het stakingsrecht is voorzien in internationale wetgeving. De werknemer moet het reële recht hebben om de uitoefening van zijn arbeid stop te zetten. Dit is een erkende actie om druk uit te oefenen op de werkgever. Steeds weer gaan stemmen op om de redenen en de omvang aan externe regels te onderwerpen. Het kan niet dat er een toets is door overheid of rechtbank om na te gaan of staken gerechtvaardigd is in verband met de inhoud van de kwestie of het aantal betrokkenen. Met doelgerichte regels heeft de wetgever recentelijk het begrip 'minimale dienstverlening' uitgebreid tot de economische activiteit zelf. Voorheen ging het om het beschermen van installaties en zorg voor mensen. Dat de werkgever de economische activiteit mag verderzetten, is een inbreuk op het stakingsrecht. De meeste ondernemingen werken reeds met 'optimale' bezetting. Het toch laten functioneren van de onderneming holt het beoogde effect van staken uit. De regel dat personeelsleden vooraf moeten melden aan hun chef/werkgever dat ze van plan zijn om te staken, is in strijd met de regel dat bij staken of niet staken, respectievelijk geen benadeling of bevoordeling mag volgen door de werkgever. Steeds weer probeert men met voorstellen uit rechtse hoek verdeeldheid te zaaien door niet de stakers rechten te geven, maar wel dezen die niet solidair zijn. Het is trouwens niet eens zo dat 'staken schaadt'. Uit onderzoek blijkt dat het overgrote deel van de syndicale acties eindigen met toegevingen van de werkgever of een compromis over de kwestie.

Drie. Het piketrecht is ook voorzien in de internationale regelgeving. Het is onlosmakelijk verbonden met het stakingsrecht. In 1921 werd artikel 310 uit het strafwetboek geschrapt dat staken en piket staan aan banden legde. Dat de vakbond zou kunnen worden beschouwd als een 'criminele' organisatie is nu even van de baan. Wel bestaat er nog steeds het misbruik van de werkgever om via een eenzijdig verzoekschrift een uitspraak in kortgeding te verkrijgen om het piket te laten verwijderen onder druk van dwangsommen. Het inzetten van deurwaarders om deze vonnissen uit te voeren, is dan ook een rechtstreekse vorm van intimidatie. Het herenakkoord van 18 februari 2002 tussen werkgevers en vakbonden hield slechts de belofte in van de werkgevers om geen gebruik meer te maken van deze techniek. De tussenkomst van rechters (of andere instanties) beperkt het geheel van het stakingsrecht, en de middelen om werknemers uitleg te verschaffen en te overtuigen. Het gebruik van eenzijdige verzoekschriften heeft in deze niets te maken met keren van onmiddellijk gevaar, maar verstoort gewoonweg het machtsevenwicht. Deze juridische ingrepen via de rechtbanken worden dus misbruikt en dienen geschrapt te worden.

Het wetsvoorstel van Van Quickenborne is een framing van sociale actie als plegen van misdrijf.

Vier. Het demonstratierecht is grondwettelijk vastgelegd. Een belangrijke episode in dit verband was het voorval in de haven van Antwerpen, waarbij een filterblokkade werd geplaatst om werknemers duidelijk te maken waarom er een syndicale actie op 24 juni 2016 werd gehouden tegen de 'Wet Peeters' en voor meer menselijke werktijden. De secretaris van AC-ABVV regio Antwerpen, Bruno Verlaeckt, werd veroordeeld. De rechtbanken spraken zich 'slim' niet uit tegen het recht op demonstratie, maar gebruikten onder meer artikel 406 over belemmering van het verkeer. Men ontneemt middelen om het demonstratierecht uit te voeren. Plaats, tijd, methode van demonstreren mogen niet aan banden worden gelegd. Er lopen nog steeds acties tegen het misbruik van Gemeentelijke Administratieve Sancties (GAS) die aangewend worden tegen het recht op demonstreren in te perken. Het wetsontwerp Van Quickenborne van april dit jaar om artikels in het nieuwe strafwetboek in te schuiven om het recht op demonstreren te verbieden aan 'amokmakers', is opnieuw een poging betogen aan banden te leggen. Het belangrijkste argument is dat dit wetsontwerp helemaal niet nodig is om nu reeds ernstige geweldpleging en/of vernieling te bestraffen. Dit wetsvoorstel is een framing van sociale actie als plegen van misdrijf. Er is nog onduidelijkheid over wat als beschadiging van onroerende en roerende goederen kan worden beschouwd. Spandoeken aanbrengen of kalken op gebouwen? Vrachtwagens met producten niet laten uitrijden? Hoe zal de interpretatie van rechters zijn? En ja, hier krijgt men eindelijk de basis om demonstranten nog meer te ficheren en te controleren. Niet enkel vakbonden en andere sociaal-ecologische actiegroepen, ook diverse officiële mensenrechtenorganisaties vinden dit een aanslag op het demonstratierecht. Als de rechtsgrond op sociale actie wordt afgebouwd, dan wordt ook de democratie uitgehold.

'T IS NIET DE SCHULD VAN HET SYNDICAAT'

De welvaart voor de werkende bevolking is tweemaal het product van hun activiteit. In eerste instantie is het door de arbeid van wie werkt (assembleert, organiseert, plant, verzorgt, ontwerpt, enzovoort) dat producten, goederen en diensten tot stand komen. Ook bedrijven en productiemiddelen worden geproduceerd. De eigenaars van bedrijven en productiemiddelen beslissen – in beginsel – over wat er met deze toegevoegde waarde gebeurt. In tweede instantie is de werkende klasse verplicht om zich te organiseren om een groter deel van deze toegevoegde waarde te verkrijgen. Dit kan gebeuren via sociaal overleg en met behulp van syndicale actie.

De voortdurende aanvallen op de syndicale tegenmacht komen niet toevallig van de rechterzijde in het partijpolitieke landschap. Indien sociale partijen de democratische samenleving willen reduceren tot een electorale materie, dan wordt een belangrijke hefboom van maatschappelijke emancipatie tenietgedaan. De democratie reduceren tot het partijpolitieke niveau betekent dat democratie op het economische niveau naar het verdomhoekje wordt verwezen. Ik pleit voor meer en bredere economische democratie. Organisaties die de belangen van de werknemers behartigen, zijn onontbeerlijk. De tegenmacht speelt zich in de sociaaleconomische sfeer af. Daar gebeurt de verdeling van de welvaart via betere verloning, degelijke contracten en werkbaar werk. Zonder tegenmacht in deze onderbouw staat links zwak. Dit stuk pleit dan ook voor een strategie waarbij beide structuren (de politieke en de syndicale) elkaar versterken. Wat in het verleden meer het geval was dan vandaag. De actie van de vakbond is geen ondermijning van links, maar een duidelijke ondersteuning. Het is een permanente werknemerskracht in het kapitalistisch systeem. Zonder sociale én economische democratie is geen socialisme mogelijk.

Samenleving & Politiek, Jaargang 30, 2023, nr. 8 (oktober), pagina 33 tot 41

HET TOXISCHE PUBLIEKE DEBAT

De virtuele atoombom op vrouwen
Meyrem Almaci
Hoe Online Genetwerkte Belaging werkt
Daniël Verhoeven
Vrije meningsuiting: te belangrijk om absoluut te zijn
Jef Verschueren
SLAPPs: een gevaar voor de democratie
Dirk Voorhoof
Zet de pers zich steeds vaker zelf in de zeik?
Peter Van Aelst
Mag er nog sociaal overleg en syndicale actie zijn?
Rik Vancoillie

Abonneer je op Samenleving & Politiek

abo
 

SAMPOL ONLINE

40€/jaar

  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
MEEST GEKOZEN

SAMPOL COMPLEET

50€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
 

SAMPOL STEUN

100€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
  • Je krijgt een SamPol draagtas*
 

SAMPOL SPONSOR

500€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
  • Je krijgt een SamPol draagtas*

Het magazine verschijnt 10 keer per jaar; niet in juli en augustus.
Proefnummer? Factuur? Contacteer ons via info@sampol.be of op 09 267 35 31.
Het abonnementsgeld gaat jaarlijks automatisch van je rekening. Het abonnement kan je op elk moment opzeggen. Lees de Algemene voorwaarden.

Je betaalt liever via overschrijving?

Abonneren kan ook uit het buitenland.

*Ontdek onze SamPol draagtas.