Log in

Oefening in democratie

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 4 (april), pagina 1 tot 2

Verenigingsleven

Een team rond Mark Elchardus heeft zopas een onderzoek afgesloten naar het verenigingsleven in ons land. Dat blijkt wel degelijk springlevend, ook al is er dikwijls aan getwijfeld. Belangrijker nog is de vaststelling dat het verenigingsleven een fundamentele betekenis heeft voor een democratie. Mensen die actief zijn in een vereniging, leren naar elkaar luisteren en zijn ook veel toleranter. Wie zijn vrije tijd uitsluitend zappend voor de televisie doorbrengt, heeft minder democratische vaardigheden. De traditionele, zuilgebonden verenigingen doen het ondertussen minder goed. Buurtcomités, milieugroeperingen, maar vooral sport- en vrijetijdsverenigingen hebben tegenwoordig een grotere aantrekkingskracht dan bijvoorbeeld vakbonden. Opmerkelijk is dat zij de zuilen overstijgen. Toch richten zij zich vooral tot de hoger geschoolden. De lager geschoolden verliezen meer en meer hun oefening in democratie. De traditionele verenigingen hebben steeds meer de neiging hun doelstellingen ondergeschikt te maken aan de strijd voor hun voortbestaan. Zij zoeken centen en ontplooien activiteiten in functie van de inkomsten, in plaats van te vechten voor de idealen.

Vakbonden

Ik hoop dat de vakbonden het onderzoek serieus zullen nemen en zich niet onmiddellijk in de loopgraven zullen terugtrekken. Ze voelen zich immers al niet lekker. De politiek lijkt steeds minder met hen rekening te willen houden. Onlangs lieten belangrijke regeringsleiders de top van het sociaal overleg twee uur wachten, om dan mee te delen dat ze beter naar huis konden gaan. Het geweeklaag werd prompt in een stoer persbericht verbeten, maar het kon niet helpen. Twintig jaar geleden zou geen enkele minister het gewaagd hebben de top van het sociaal overleg zo te kleineren. Vandaag heeft de regering niet eens beseft dat ze de sociale partners op het hart trapte. Ze had gewoon geen tijd, had ernstiger dingen te doen. Ze moest de pers ontvangen! En nu valt er een onderzoek uit de lucht waaruit blijkt dat diezelfde vakbonden minder aantrekkelijk geworden zijn en daarenboven lijden aan de sclerose waar andere oudere bewegingen aan lijden. Het lijkt bijna sarrend om in die omstandigheden te vragen het onderzoek toch ernstig te nemen. Dat vraag ik, niet om te sarren, maar om ertoe aan te zetten, rekening te houden met de wereld die toch zo veranderd is. Het is de enige manier om in die nieuwe wereld overeind te blijven.

Een doel op zich?

De tijden zijn inderdaad veranderd. Het heeft uiteraard niets met de personen van de vakbondsleiding te maken. De positie van de bonden is gewoon afgezwakt. De tijd dat de top van de vakbond de politiek deed beven, is zo goed als voorbij. Voor de politici zijn de vakbonden een gesprekspartner, meer niet. Die partner mag meespreken, niet meebeslissen. De politiek eist voor zichzelf het beslissingsrecht. Ze voelt zich daarin ook nog gesteund door de publieke opinie, die niet langer aanvaardt dat de politiek zijn verantwoordelijkheid niet opneemt. In veel aangelegenheden zijn de bonden daarenboven al lang niet meer de enige gesprekspartner. Zelfs in materies waar ze zich exclusief bevoegd voelen, worden zij meer en meer weggedrumd. Want men wil steeds minder een omweg maken om zijn stem te laten horen. De omweg via een vakbond hoeft niet als er bijvoorbeeld een comité kan worden opgericht. Als individu heb je alvast de indruk veel vlugger en directer actie te kunnen voeren. Het comité hoeft niet eens lang te bestaan. Het is een instrument, meer niet. En precies dat werpt het onderzoek van Elchardus op: de vakbonden zijn te veel een doel op zich geworden. Het in stand houden van de organisatie wordt dan het belangrijkste objectief. Men bedriegt alleen zichzelf als men ontkent dat dit op zijn minst voor een deel zo is. Het kan toch voor niemand een geheim zijn dat de vakbondsapparaten voor een niet onbelangrijk deel worden gesubsidieerd en zonder die subsidies niet verder zouden kunnen bestaan? Is het dan zo abnormaal dat op zijn minst een deel van de activiteiten wordt georganiseerd in dienst van de subsidieregels? Vakbonden betalen werklozen uit en krijgen daarvoor een administratievergoeding. Hoe meer werklozen, hoe meer vergoeding. Is het niet heel verleidelijk om in die omstandigheden een beetje te hopen dat de werkloosheid niet te vlug daalt?

Nieuwe spelers

Let wel, dat is wat mij betreft geen pleidooi om maar meteen van de subsidies of de administratievergoeding af te zien. Ik wil alleen dat de bonden eerlijk de verleiding onder ogen zien, de voorwaarde om er finaal weerstand aan te bieden. Ook wil ik erkennen dat af en toe aan die verleiding geen weerstand geboden wordt. De beide grote bonden hebben helaas hun schandalen gehad, wat niet betekent dat alle bonden tot schandaal verworden zijn. Ze moeten er gewoon hun lessen uit trekken. Ik wil vooral dat de bonden erkennen dat ze heel vaak niet meer de enige spelers op het veld zijn. Dat is niet makkelijk, want veel van de spelers zijn jong en dartel. Af en toe dreigen ze oude bewegingen over het hoofd te springen. De bonden moeten oppassen daar niet verkrampt op te reageren. De hele discussie over de ngo’s is tekenend. Die zouden zich niet mogen moeien met sociale aangelegenheden. Dat is het exclusieve terrein van de vakbonden, heet het. Misschien is dat zo geweest, maar vandaag is dat niet meer het geval. Of we dat nu graag hebben of niet. ngo’s spelen op bepaalde momenten een heel belangrijke rol. Denk aan Seattle. Geen enkel decreet, laat staan een vakbondsresolutie, kan daar nog iets aan veranderen. De vakbonden doen er beter aan volwassen afspraken te maken en bondgenootschappen te sluiten. In die ngo’s zijn ten andere ook heel wat vakbondsmilitanten actief.

Sleutelrol in de democratie

Misschien ben ik mij ondertussen een beetje te ver van Elchardus’ onderzoek aan het verwijderen. Want er steekt toch nog een heel positieve boodschap in. Ook voor de vakbonden. Het verenigingsleven dient de democratie en vakbonden vervullen een sleutelrol in een democratie. Het kan wel zijn dat de niet zuilgebonden verenigingen meer en meer aantrekkingskracht krijgen, en ik twijfel er niet aan dat die vooral hoger geschoolden aantrekken. Toch stel ik ook maar vast dat die oude knarren van bonden toch nog duizenden en duizenden militanten bewegen. Dat blijkt overduidelijk bij de sociale verkiezingen die volgende maand worden gehouden. Daar gaat heel wat minder aandacht naar toe dan naar de politieke verkiezingen, terwijl ze nochtans van ontzettend belang zijn. In geen andere instelling stellen zich zo veel mensen kandidaat om verkozen te worden. In het hele land gaat het zonder enige twijfel om meer dan 100.000 mensen. Die mensen leggen vooral rekenschap af. Bepalend voor hun uitslag is wat zij de voorbije periode gepresteerd hebben en dat heeft alles te maken met sociale en economische democratie. Dat hoeft niet geïdealiseerd te worden, om te erkennen dat het democratisch gehalte bij de sociale verkiezingen heel hoog ligt. Alleen dat geeft de bonden reeds een bestaansreden. Maar het geeft hun als organisatie ook een heel belangrijke verantwoordelijkheid. De essentie van democratie houdt verband met dialoog. Wie bang is voor dialoog of discussie, is bang voor democratie. De televisiekijker zapt in stilte. De vakbonden zijn het aan hun leden en vooral aan hun militanten verplicht, de discussie te organiseren. Ze mogen niet bang zijn om na te denken over hun nieuwe plaats. Ze mogen vooral geen koudwatervrees hebben om zichzelf te vernieuwen. Zo dragen ze bij tot de democratische opvoeding, blijkbaar een fundamentele opdracht voor het verenigingsleven in het algemeen. Vakbonden blijven wel degelijk alle lagen van de bevolking aanspreken. In die zin zwemmen zij tegen de stroom in. Ze kunnen het alleen volhouden als ze er in slagen zich aan te passen aan de nieuwe wereld.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 4 (april), pagina 1 tot 2