Log in

Andersglobalisme

redactioneel

Het is geen toeval dat de jaarlijkse campagnes van de derdewereldbewegingen in november worden gehouden. In de bevlogen maar nu zo verguisde jaren 60 was men zich immers goed bewust van de band tussen onrecht en geweld, tussen samenwerking en vrede. Daarom werd de herdenkingsdag van de wapenstilstand in de Eerste Wereldoorlog uitgekozen voor een oproep tot wereldwijde solidariteit. Het idee was lang niet nieuw en was juist na die ‘grote oorlog’, nu bijna honderd jaar geleden, ook in internationale teksten vastgelegd. De toen opgerichte Volkenbond en de Internationale Arbeidsorganisatie hadden met name tot doel de vrede te bewaren door internationale samenwerking en sociale vooruitgang. Uiteraard speelden ook andere motieven een belangrijke rol en stonden ook toen, tussen droom en daad, heel wat praktische bezwaren. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit krachtige, en eigenlijk voor de hand liggende idee, opnieuw verankerd in het Handvest van de Verenigde Naties en in een aangescherpte Verklaring voor de IAO. Het werd de basis voor een soort sociaal contract dat in de meeste rijke landen tot de uitbouw van een verzorgingsstaat heeft geleid en in de arme landen van het zuiden tot grootschalige ontwikkelingsprojecten.

Men kan van mening verschillen over het succes van dit programma en het is wellicht onmogelijk een eenduidige balans op te maken. Twee zaken staan echter onomstotelijk vast. Een: de economische groei en de sociale vooruitgang waren in die eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog zeer behoorlijk, zowel hier als in de Derde Wereld. De verzorgingsstaat bracht welvaart én stabiliteit in de rijke landen. De ontwikkelingsprogramma’s brachten, samen met de dekolonisering, een begin van en vooral hoop op daadwerkelijke politieke, economische en maatschappelijke emancipatie. Twee: Vanaf de jaren 70 groeide het besef dat dit ontwikkelingsmodel desalniettemin onhoudbaar was. De kloof tussen arm en rijk bleef groeien, veel sociale én milieuproblemen van de rijke landen werden afgewenteld op de Derde Wereld, het besef van de grenzen aan de ecologische draagkracht van de aarde maakte duidelijk dat de welvaart van de rijke landen hoe dan ook niet veralgemeenbaar was. Het is in deze context dat vanaf het midden van de jaren 70 de tegenstellingen tussen Noord en Zuid alsmaar duidelijker zijn geworden. In 1972 maken de Verenigde Staten een einde aan de vaste inwisselbaarheid van de dollar. Reagan en Thatcher beginnen in 1980 aan een ideologisch offensief dat vandaag nog steeds opgeld maakt. In 1982 bleek Mexico niet aan de aflossingen van de schuldenlast te kunnen voldoen. In 1989 valt de Berlijnse muur. Enkele jaren later zijn alle Europese socialistische landen ‘in transitie’ verklaard. Vandaag, een goede tien jaar later, zegt de Europese Unie er een tiental te willen van opnemen. Ondertussen blijft de externe schuldenlast van praktisch alle derdewereldlanden toenemen, ondanks de vele en herhaaldelijke pogingen om hem stop te zetten.

Tijdens de jaren 90 organiseerden de Verenigde Naties een hele reeks grote wereldconferenties om de ontwikkelingsagenda te vernieuwen. Alle grote, belangrijke thema’s komen aan bod: milieu, mensenrechten, sociale ontwikkeling, vrouwen, kinderen, huisvesting, enzovoort. Elke conferentie wordt afgesloten met de goedkeuring van een actieplan. In 1997 keurt de Algemene Vergadering van de VN bovendien een vernieuwde ‘Agenda voor Ontwikkeling’ goed. Armoedebestrijding wordt de grote nieuwe doelstelling van de internationale gemeenschap. Toch blijft er één probleem: de middelen om deze nieuwe agenda vorm te geven. Hiervoor wordt alweer een grote conferentie georganiseerd, dit keer in Monterrey. De rijke landen van de Europese Unie beloven er niet de 0,7% van het BNI te halen, maar wel, tegen 2006, 0,39%. Ondertussen komen in Doha de Ministers bijeen in het kader van de WTO en besluiten er een nieuwe onderhandelingsronde te laten beginnen. De andersglobalisten nemen er geen vrede mee. Ook zij organiseren zich en houden hun eigen bijeenkomsten in Porto Alegre, Buenos Aires en Firenze.

Premier Verhofstadt wil praten met de andersglobalisten. Hij stelt zich voor een ‘ethisch globalist’ te zijn, maar verwijst in zijn laatste brief nog enkel naar de conferenties van Monterrey en Doha. De andersglobalisten bedanken voor de eer.
Wat voor zin heeft het immers te praten met een premier die wel de doden van het terrorisme wil zien, maar niet de veel talrijker slachtoffers van de ‘economie van de hebzucht’ in Afrika? Wat voor zin heeft het miljoenen dollars uit te geven aan aidsbestrijding, terwijl men blind blijft voor de veel talrijker doden die jaarlijks vallen bij arbeidsgerelateerde ongevallen en ziekten? Wat voor zin heeft het trouwens te praten met een ethisch globalist die wel tot een partij behoort waarvan anderen - Michel, De Gucht, Neyts - zich openlijk uitspreken voor de verdediging van de handelsbelangen boven de mensenrechten? En wat voor zin heeft het te praten met een premier die vast gelooft in de weldaden van het neoliberalisme, terwijl de andersglobalisten dagelijks geconfronteerd worden met de problemen in de derdewereld, terwijl ze studies lezen die de mislukking van datzelfde neoliberalisme verkondigen?
Ondertussen werkt de Wereldbank rustig verder aan het uitstippelen van een beleid dat de weg effent voor het systeem dat ons wacht. De sociale en ecologische dimensies van wat nu duurzame ontwikkeling wordt genoemd, moeten er, in tegenstelling tot de Club van Rome dertig jaar geleden, in dienst staan van economische groei. Men komt zo in een absurd systeem terecht waarin het sociale moet worden afgebouwd om de groei te verantwoorden terwijl juist die groei moet dienen om het sociale mee te betalen. Groei staat ook niet langer in dienst van het leefmilieu, maar dat laatste moet worden beschermd om de groei mogelijk te maken.
In deze context staan er voor de linkerzijde alvast drie zaken op de agenda:
1) De ideologie laten varen en plaats maken voor empirie. Er zijn al diverse studies beschikbaar die de mislukking van het neoliberalisme zonneklaar aangeven. Positieve studies waarin de weldaden van - bijvoorbeeld - sociaal beleid worden aangetoond zijn meer dan welkom.
2) Pragmatische voorstellen uitwerken om een eind te maken aan de grote misbruiken van de multinationals en om een wereldwijde sociale bescherming uit te bouwen.
3) Een politieke visie uitwerken waarmee een wereldwijde dialoog kan worden gevoerd over mondialisering en ontwikkeling. Het is jammer dat er in het Groot Onderhoud geen begin mee werd gemaakt.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 9 (november), pagina 1 tot 2