Abonneer Log in

Politiek, media en tijden van crisis

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 6 (juni), pagina 1 tot 3

De discussie over de maatschappelijke rol van de media, en meer bepaald de verhouding tot de politiek, gaat al geruime tijd mee. Ze sluimert op de achtergrond van menig politiek-maatschappelijk debat, om bij elke belangrijke - veelal negatieve - gebeurtenis steevast weer tot op de voorgrond door te stoten. Dat levert dikwijls boeiende inzichten en discussies op. Zo ook in dit (half) themanummer van Samenleving en politiek, waar een reeks ervarings- en andere deskundigen hun licht op het thema laat schijnen. Diverse invalshoeken komen daarbij aan bod, van mediatisering van de politiek tot politisering van de media. Hoewel in de bijdragen van verschillende auteurs dikwijls begrijpelijke en terechte frustraties doorschemeren, geworteld in concrete ervaringen, nemen ze tegelijkertijd toch genoeg afstand om één en ander in een ruimere context te plaatsen. Door de combinatie van bijdragen uit de politieke, academische en mediawereld tekent zich steeds duidelijker het totaalbeeld af van een dialectische relatie tussen media en politiek.

Dat is een verademing, want impliciet of expliciet gaan traditionele beschouwingen dikwijls uit van een schuldvraag. Deze of gene nefaste evolutie is volgens velen de schuld van ‘de media’. Die wijzen op hun beurt dan weer graag met de vinger naar ‘de politiek’. Zo wil men geregeld aantonen dat de mediaberichtgeving niet neutraal of objectief is (lees dikwijls: niet in overeenstemming met de eigen opvattingen). Neutrale berichtgeving bestaat echter niet. Iedereen bekijkt de realiteit altijd vanuit een bepaalde invalshoek, dus ook de media. Een nieuwsfeit wordt altijd op een bepaalde manier gekaderd. Dat is (behoudens in uitzonderlijke gevallen) geen complot en allerminst de schuld van journalisten, maar een onbewust en dikwijls impliciet proces. Voor een deel is dat kader het gevolg van een bepaalde (politieke) consensus of dominant discours van het moment maar voor een deel kan het die consensus ook mee bepalen en versterken. Politiek en media, het is een wisselwerking.
Dat ‘consensusdenken’ (sommigen zullen het politieke correctheid noemen, meestal als het hun mening niet reflecteert) bepaalt hoe we naar de werkelijkheid kijken, in welke termen het debat gevoerd wordt. Het uit zich meestal in de vorm van evidenties, van zaken die nog nauwelijks in vraag gesteld worden. Ideologie is het sterkst als ze niet meer als dusdanig wordt gedefinieerd en gepercipieerd. Tegengestelde visies worden naar de marge verdrongen, en moeten zich positioneren tegenover het dominante denken.
Zo is het evident dat we langer zullen moeten gaan werken, dat ons sociaal model dringend aan aanpassing toe is, dat onder meer loonmatiging daarbij steeds meer onvermijdelijk wordt, etc. Of dat Vlaanderen en Wallonië dermate van mekaar verschillen dat een verdere opsplitsing van het land in de sterren geschreven staat. Deze twee voorbeelden illustreren bovendien dat een dominant discours op het niveau van media en politiek - die mekaar daarin versterken - niet noodzakelijk overeenstemt met een algemene consensus binnen de samenleving. Soms zelfs integendeel, zoals opinie-onderzoek over socio-economische en communautaire opvattingen aantoont. Dat het publiek interpretaties in mediaberichtgeving klakkeloos zou overnemen is dan ook een andere veel gehoorde veronderstelling die door media-onderzoek tegengesproken wordt. Politiek en media, ze zijn soms wat te sterk met mekaar bezig.

Een consensus kan bovendien verschuiven. Dat gebeurde bijvoorbeeld op het terrein van het multicultureel samenleven. De constante electorale groei van het Vlaams Belang en de reactie daarop van de andere politieke partijen speelt daar zonder twijfel een belangrijke rol in. Wie een debat uit De Zevende Dag van 15 jaar geleden over de multiculturele samenleving vergelijkt met een uitzending van vandaag kan niet naast die evolutie in discours kijken. De link tussen allochtonen en criminaliteit behoort steeds meer tot de geijkte manier om de ‘problematiek’ (niet de ‘thematiek’) van de multiculturele samenleving te bekijken en te interpreteren.
Toch lijkt de strijd op dit terrein nog niet gestreden en is er steeds meer sprake van polarisatie tussen twee kampen. In zo’n gevallen kan het dominante discours bijzonder snel evolueren onder invloed van dramatische gebeurtenissen, die meestal een ware mediastorm doen losbarsten gedreven door onderlinge concurrentie en de talrijk te vullen krantenpagina’s en uitzenduren. Dat werd de voorbije weken ook geïllustreerd.
Na de roofmoord op Joe Van Holsbeeck in Brussel-Centraal, en vooral de (onterechte) Noord-Afrikaanse identificatie van de daders, kon je de consensus bijna zienderogen zien verschuiven. Praatgasten kregen in debatprogramma’s de vraag voorgelegd of we niet ‘veel te lang te tolerant geweest zijn tegenover allochtonen’. Ook vertegenwoordigers van allochtonenorganisaties schoven mee op in een discours van problematisering van ‘hun’ gemeenschap, terwijl een Jean-Marie Dedecker er de kans in zag om zijn taal nog te verscherpen. Allochtone jongerencriminaliteit was plots hét politiek probleem nummer één.
Na de racistische moorden in Antwerpen enkele weken later, evolueerde het dominant discours weer in de andere richting. Plots werd de vraag pertinent of ‘we niet veel te lang tolerant zijn geweest tegenover het racistisch discours van het Vlaams Belang’. Uitspraken van Filip Dewinter over armed response op een veiligheidsmeeting in Antwerpen daags voor de roofmoord in Brussel, die zonder noemenswaardige kritiek waren gepasseerd, werden opeens problematisch. Partijvoorzitters die in eigen rang figuren herbergen wiens discours niet gek veel verschilt van dat van Vlaams Belang, stelden de partij verantwoordelijk. Het racistisch discours van Vlaams Belang was plots hét politiek probleem nummer één.
Dikwijls ging het om dezelfde commentatoren die met een paar weken interval beide uiteenlopende stellingen zonder nuance verdedigden. Een allochtoon politiek mandataris slaagde erin, na de moord in Brussel, de allochtonen van racisme te beschuldigen en drie weken later, na de feiten in Antwerpen, het racisme volledig toe te schrijven aan Vlaams Belang.
Je hoeft niet behept te zijn met een cynische geest om je de vraag te stellen wat een volgende moord zal teweegbrengen. Vanuit die optiek is het maar de vraag of de feiten in Antwerpen zo’n goede aanleiding zijn om Vlaams Belang te bestrijden. Alvast intellectueel gezien, is dit niet het meest overtuigende argument. Als het racistisch discours van Vlaams Belang vandaag problematisch is, was het dat ook gisteren. Was de racistische tekst van Paul Beliën, ‘Geef ons wapens’, met zinsneden als ‘wij zijn de kuddedieren, zij zijn de roofdieren’, ‘zij zijn getraind, zij zijn gewapend’ of nog ‘wie op de politie(k) rekent voor bescherming, is zo goed als dood’, al niet ontoelaatbaar op het moment van publicatie? Dat een zieke geest zich daar eventueel op beroept zou geen verschil mogen maken, net zoals de afkomst van de moordenaar van Joe geen verschil zou mogen maken voor het debat over integratieproblemen van allochtonen.
Een genuanceerd en democratisch debat is meestal niet gebaat met de polarisatie eigen aan emotionele incidenten. Een stad als Antwerpen nog minder. Want als de emoties zijn weggeëbd en binnenkort weer een nieuw geweldfeit de aandacht opeist, wat blijft er dan nog van over? En vooral: als je gruwelijke en emotionele evenementen de politieke agenda te sterk gaat laten bepalen, riskeer je dan niet bij te dragen tot een klimaat waarbij dat alsmaar meer de regel wordt? Ook als aan een volgende feit politieke implicaties worden verbonden die je niet meer zo leuk vindt.
Laat het ons bespaard blijven.
De veroordeling van het Vlaams Belang voor racisme was een veel sterker argument om de partij aan te vallen, want gebaseerd op een sterk gestoffeerd en onderbouwd juridisch vonnis dat het gevolg is van democratisch tot stand gekomen wetgeving. De redenering bij velen is waarschijnlijk dat dramatische en emotionele gebeurtenissen een veel grotere kans maken om de bevolking te overtuigen van het gevaar van een racistisch discours. Dat roept echter de eveneens tactische overweging op of daar vanuit de politiek zo sterk op hameren niet eerder een averechts effect heeft. Eerste peilingen naar de kiesintenties lijken dit te bevestigen. Het valt te vrezen dat kiezers van Vlaams Belang de kritiek van de partij op de mediaberichtgeving en de traditionele politieke partijen in die mate geïnternaliseerd hebben dat ze politiek en media zeer kritisch bejegenen, althans wanneer het dominante discours niet het hunne is. Politiek en media, ze zijn soms gebiologeerd door de macht die ze elkaar toeschrijven.

Dave Sinardet
Redactielid

edito - media - politiek - media en politiek - pers

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 6 (juni), pagina 1 tot 3