Abonneer Log in

Abou Jahjah, Bart Debie en de scheiding der machten

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 2 (februari), pagina 1 tot 2

Eind januari werd oud-politiecommissaris Bart Debie, parlementair medewerker van Filip Dewinter en gemeenteraadslid voor het Vlaams Belang in de Antwerpse gemeenteraad, in beroep veroordeeld tot vier jaar cel waarvan één jaar effectief. Bovenop de effectieve celstraf wordt Debie ook vijf jaar uit zijn burgerrechten gezet, waardoor hij zowel ontslag moet nemen als gemeenteraadslid en als parlementair medewerker. Debie gaat nu in cassatie tegen dit arrest, waardoor het vonnis wordt opgeschort.

Filip Dewinter en Frank Vanhecke reageerden voorspelbaar en deden het vonnis af als een ‘politieke lynchpartij’ tegen het Vlaams Belang en het ‘politiek monddood’ maken van Debie. De feiten waarvoor Debie is veroordeeld, zijn echter niet min: het mishandelen van arrestanten, het vervalsen van pv’s, het verduisteren van bewijsmateriaal en het aanzetten tot racisme. De reactie van Debie na zijn veroordeling loog er ook niet om: ‘wat ik vaststel is dat twee Marokkanen die een man op een bus doodstampen, lachend en fluitend naar huis wandelen, maar dat een politiecommissaris die zijn best heeft gedaan om Antwerpse wijken net van dit uitschot te bevrijden, hier de prijs van moet betalen’. Debie deed deze uitspraak bij het verlaten van de gerechtszaal en dus onmiddellijk na zijn veroordeling door het Hof van Beroep. Debies woorden zijn veelbetekenend omwille van het woordgebruik (‘Marokkanen’, ‘dit uitschot’) en passen volledig binnen de racistische retoriek van het Vlaams Belang. Maar ze zijn dat ook omdat schijnverbanden tussen incidenten en vonnissen worden gelegd die direct niets met elkaar te maken hebben (namelijk het busincident met fatale afloop voor Guido De Moor en een politiecommissaris die zijn boekje te buiten gaat).
De strafmaat van de doders van Guido Demoor lijkt een referentiepunt te zijn om andere straffen als overdreven zwaar te beschouwen. Bij de veroordeling van Dyab Abou Jahjah tot één jaar effectieve celstraf voor zijn aandeel in de rellen in Borgerhout nam de algemeen voorzitter van de N-VA het op voor Abou Jahjah en ook hij maakt de vergelijking: ‘Onwillekeurig maakt men de vergelijking met de zeer lichte straffen die de moordenaars van Guido Demoor kregen. De boodschap van het gerecht aan jonge allochtonen lijkt wel te zijn dat ze wel bijna straffeloos iemand dood mogen schoppen, maar dat ze best twee keer nadenken alvorens zich op een militante manier politiek te organiseren.’ Je kan uren debatteren of een strafmaat billijk, té licht of té zwaar is, de eerlijkheid gebiedt ons echter te erkennen dat twee zaken nooit identiek en dus moeilijk vergelijkbaar zijn. Het is aan de rechter om te oordelen op basis van alle gegevens in het dossier. Recht spreken is geen hogere wiskunde, het is een afwegen van verschillende elementen binnen een bepaalde context.
In dit nummer van Sampol vindt u een bijdrage van Ludo De Witte en Mohamed El Omari over het proces tegen Abou Jahjah waarin zij beargumenteren dat het proces (en het vonnis) onderdeel vormt van een door de media, politiek en gerecht gevoerde campagne tegen het AEL. Zij bestrijden ook de argumentatie die de strafrechtbank aanbrengt om Abou Jahjah te veroordelen. Hun argumentatie sluit bijna naadloos aan bij de opinie van de algemene voorzitter van N-VA, namelijk dat de uitspraak te zwaar én het bewijsmateriaal te licht is.

Het is goed even in herinnering te brengen dat de rellen in Borgerhout eind 2002 het gevolg waren van de moord op een Marokkaanse islamleerkracht door een ‘geestesgestoorde’. De rellen die erop volgden en de vernielingen aangericht door enkele tientallen jonge heethoofden konden rekenen op massale mediabelangstelling en waarschijnlijk als gevolg daarvan ook op de politieke aandacht van heel België. Politici voelden zich geroepen om uitspraken te doen over het aandeel van AEL en Abou Jahjah in de rellen en eisten een streng optreden. Zelfs toenmalig premier Guy Verhofstadt mengde zich in het debat en kondigde de arrestatie van Abou Jahjah publiekelijk aan. De manier waarop dit gebeurde kan u verder uitgebreid lezen. Het politieke optreden eind 2002 stemt alvast tot nadenken over het principe van de scheiding der machten.
Het past niet om hier een uitspraak te doen over de schuld of onschuld van Dyab Abou Jahjah. Hij gaat in beroep tegen zijn vonnis en men moet blijven geloven in de bekwaamheid van onze rechterlijke macht om in alle onafhankelijkheid en in eer en geweten te handelen. Indien de bewijslast inderdaad flinterdun is, houdt het geloof in een onafhankelijke rechterlijke macht in dat een dwaas vonnis van een lagere rechtbank ongedaan zal worden gemaakt in hoger beroep. Alhoewel er ongetwijfeld gewetenloze rechters zijn, zou een beroepsprocedure de eventuele dwaze gewetenloosheid moeten neutraliseren. Het geloof in een onafhankelijke rechterlijke macht houdt onder andere in dat heel de procedure uiteindelijk wel tot een billijk oordeel moet leiden. Essentieel in een rechtstaat is dat elke burger zich bij een finaal vonnis (als alle beroepsmogelijkheden zijn uitgeput) moet neerleggen. Er is dan recht (en een waarheid) uitgesproken. Er is met andere woorden een oordeel geveld.
Dit impliceert, in zowel de zaak Debie als deze van Abou Jahjah, dat beide zijn veroordeeld onder opschortende voorwaarden, want Debie gaat in cassatie en Abou Jahjah in beroep. Zij zijn dan ook pas echt schuldig als alle beroepsmogelijkheden zijn uitgeput en dus meerdere rechters hun oordeel over de zaak, zowel inhoudelijk als vormelijk, hebben kunnen laten schijnen. Het is het geheel van gerechtelijke procedures, dus ook de beroepsprocedures, die een billijk oordeel van de rechterlijke macht impliceert.
De zaak Debie en de zaak Abou Jahjah toont echter ook de noodzaak aan van het feit dat vooral politici met de grootste zorg moeten omgaan met het principe van de scheiding der machten. Het Vlaams Belang getuigt in zijn reactie op het vonnis in de zaak Debie van een onvoorstelbare arrogantie door het vonnis als een politieke heksenjacht te bestempelen. Het Vlaams Belang zou zich beter op de vlakte hebben gehouden. Maar het past waarschijnlijk in haar racistisch populistische retoriek om net dit vonnis te gebruiken om haar populistisch partijprogramma nogmaals te benadrukken en te stellen dat echte criminele feiten voornamelijk worden gepleegd door ‘Marokkaans uitschot’. In de zaak Abou Jahjah daarentegen hebben leidinggevende politici zware fouten gemaakt door onmiddellijk na de rellen politiediensten en het gerecht onder druk te zetten actie te ondernemen tegen Abou Jahjah. Noch de manier van reageren van het Vlaams Belang naar aanleiding van de veroordeling van Debie eind vorige maand, noch de manier waarop politici van andere partijen eind 2002 hebben ingegrepen ten aanzien van het AEL, zijn te rijmen met het fundamentele principe van de scheiding der machten.

Patrick Vander Weyden
Hoofdredacteur

edito - Abou Jahjah - Vlaams Belang

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 2 (februari), pagina 1 tot 2